← België

ECLI:BE:HBGNT:2025:ARR.20250526.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 26 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2025:ARR.20250526.1 Rolnummer: 2025JZ83 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-05-26 Raadplegingen: 494 - laatst gezien 2026-06-17 20:35 Fiche Het loutere gegeven dat het Agentschap Opgroeien geen aanbod zou doen of dat er geen plaats beschikbaar is, vormt geen element dat eigen is aan het dossier en dat regelmatig in de oordeelsvorming kan worden betrokken en kan dus niet voor gevolg hebben dat de jeugdrechter niet de meest passende maatregel zou uitspreken. De werkelijke uitvoering van maatregelen – in deze zaak, met het oog op zowel het welzijn van de betrokkene zelf als ook en vooral met het oog op de bescherming van de samenleving – is de verantwoordelijkheid van de uitvoerende macht, en niet van de jeugdrechter. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - JEUGDRECHT - Vlaamse Gemeenschap Tekst van de beslissing Nr. 2025JZ83 In de zaak van het OPENBAAR MINISTERIE tegen de minderjarige: R. - minderjarige + 12 jaar, ten tijde van de feiten, thans meerderjarig- en zijn ouders: Gedagvaard teneinde: Te horen beslissen over het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 25 april

  1. Ten aanzien van de minderjarige werden eerder reeds onder meer de volgende voorafgaande beslissingen genomen: - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 3 april 2024; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 2 mei 2024; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 15 mei 2024; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 26 juni 2024; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 30 juli 2024; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 28 oktober 2024; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 24 januari 2025; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 25 februari 2025; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 28 maart 2025; - vonnis van de rechtbank van eerste aanleg, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 25 april
  2. Bij beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 25 april 2025, is met inachtneming van o.a. de volgende overwegingen: “(…) De jeugdrechter stelt vast dat De Grubbe een verdere gesloten begeleiding niet nodig acht, zoals blijkt uit het oriëntatievoorstel van de Grubbe dat luidt als volgt: "...Huidige situatie in beschouwing nemend, heeft R. een matig risicoprofiel op recidive (cfr. YLS/CMI) waarbij er een verschuiving optreedt in de verdeling van gewicht overheen de verschillende levensdomeinen. Zo lijkt de jongen o.b.v. de informatie voorhanden stappen vooruit gezet te hebben op vlak van school/werk, gezinsomstandigheden (communicatie met moeder) en openheid t.a.v. zijn delcobegeleiding. Ondanks zulke positieve evoluties, staaft bovenstaande risicotaxatie alsnog diverse zorgen waaronder een blijvend beperkt probleeminzicht, gebrekkig schuldbesef en bedenkelijke ingesteldheid inzake huidige feiten/agressiehantering. Verder is De Grubbe bezorgd over de jongere zijn blijvend wantrouwen t.a.v. hulpverleners zoals een psychiater, psycholoog etc. Men dient echter indachtig te houden dat de risicotaxatie gericht is op zijn huidig functioneren, hetgeen alsnog deels in geslotenheid is. Het is onmogelijk te voorspellen in welke mate de jongen zijn positieve veranderingen kan volhouden in een 'open' context. Niettegenstaande deze onzekerheid, kan men de meerwaarde van een verdere plaatsing in vraag stellen, gezien de jongen inmiddels ongeveer een jaar in module gesloten begeleiding zit, alsook meerderjarig is. We adviseren om de 18-jarige R. terug toe te vertrouwen aan het thuismilieu, mits naleving van strenge voorwaarden. Ten eerste achten we het opportuun dat zijn delcobegeleiding (die overigens positief is gestart) verdergezet wordt. Alle betrokken partijen staan hierachter. Ten tweede blijft therapeutische opvolging vanuit zijn gesloten traject in de GI naar voor geschoven worden als noodzakelijke voorwaarde met het oog op zijn agressiebeheersing. De Grubbe kan dit volgen en acht het opportuun dat de jongen blijvend gestimuleerd wordt om alsnog deze hulpverleningspiste te exploreren (verschillende mogelijkheden: psychiater, therapie, psycholoog, medicatie, huisarts ...). Tenslotte spreekt het voor zich dat men hoopt dat R. zijn positieve schoolse traject verder kan zetten (= succeservaring, positieve vooruitgang)..." De consulent van de sociale dienst jeugdrechtbank acht een gesloten begeleiding aangewezen, zoals blijkt uit haar nota, die luidt als volgt: "...Graag verwijzen wij in eerste instantie naar het verslag vanuit GI De Grubbe waarin we mogen lezen dat er een matig risicoprofiel op recidive mogen lezen. Ze zien een R. die stappen heeft gezet op volgende domeinen: school/werk, context (meer verbinding en gesprek tussen mama & R.) en openheid ten aanzien van de delcobegeleiding (sinds 24 februari 2025). Er blijft een grote bezorgdheid rond het wantrouwen van R. ten aanzien van hulpverleners, psycholoog/psychiater, zijn beperkt probleeminzicht (R. kan zich heel moeilijk verplaatsen in anderen -- de impact op de slachtoffers is heel groot en hij kan dit niet zien/voelen/herkennen; hij kan 'sorry' zeggen en zijn fout toegeven maar we merken daarbij geen emotionaliteit) en hij weinig tot geen contact maakt mijn zijn eigen emoties en situaties bekijkt vanuit zichzelf. R. zegt dat hij geen agressief persoon is en 'het niet meer gaat gebeuren'. Voor R. is dit een uitgemaakte zaak, ondanks het voorbije jaar ons het tegendeel heeft bewezen. Ten aanzien van psychologische en psychiatrische ondersteuning blijft hij weigerachtig staan. Dit blet een grote zorg; in het voorbije jaar werd hier meermaals op ingezet, maar we zagen geen medewerking/openheid vanuit R.. Vanuit de Sociale Dienst werd nogmaals alle stappen opgevraagd die het voorbije jaar gezet werden: "Er is in het traject aandacht geweest voor pedagogische en psychologische aspecten. De omkadering en begeleidershouding verhoogden de veiligheidszone van R. waardoor er verbinding mogelijk werd en er een bereikbare zone werd gecreëerd voor pedagogische elementen (regels volgen, extern schoollopen, zich correct gedragen) en psychologische elementen (interpersoonlijke verhouding, emotieregulatie). Daarnaast is er inderdaad herhaaldelijk het aanbod geweest om op consult te gaan bij de psychiater en potentieel bijhorende sessies van het ondersteuningsteam te installeren (zij kunnen rond verschillende thema's werken). Hij heeft dit steeds geweigerd, maar na verloop van tijd (mede door de verbinding) wou hij wel in gesprek gaan met de psychiater. Hij had angsten en dus ook zelf een hulpvraag. De bedoeling was om via dit gesprek een therapeutisch traject op te starten die betrekking had op het psychisch functioneren van R.. Emotieregulatie en agressiehantering zitten daar logischerwijs bij. Hij heeft echter na het gesprek met de psychiater zelf beslist om het stop te zetten. Elke andere vorm van introspectief denken over de psychische ondergrond van zijn functioneren wimpelde hij af. Hij heeft pedagogisch wel stappen gezet in zijn traject, alsook bepaalde psychische stappen (was bereikbaarder en meer gereguleerd). De bereidheid om therapie te volgen was er dus helaas niet en dit is noodzakelijk om evolutie te krijgen op de domeinen die bepalend zijn voor agressieregulatie." In het verslag vanuit De Grubbe mogen wij ook lezen dat het heel moeilijk te voorspellen is in welke mate R. de gedragsverandering kan volhouden in een open context. Vanuit de Sociale Dienst vinden we het positief dat we kunnen lezen dat R. minimale stappen heeft kunnen zetten, daarentegen zien we wel dat er weinig verandering zien na 1 jaar geslotenheid. Vanuit de Sociale Dienst zijn we heel bezorgd en achten wij de kans op nieuwe feiten én vooral mogelijks slachtoffers heel groot. Vanuit de Sociale Dienst achten wij een verdere geslotenheid noodzakelijk Vanuit CAP mogen we vernemen dat er geen plaats is in de gemeenschapsinstelling..." Het Openbaar Ministerie vordert een gesloten begeleiding. De jeugdrechter stelt vast dat het totale recidiverisico als matig wordt ingeschat. Nochtans is R. bij de jeugdrechtbank gekend wegens meerdere uiteenlopende jeugddelicten en verbleef hij reeds lange tijd in een gemeenschapsinstelling waar het traject met hoogtes en laagtes verliep en relatief weinig progressie werd opgemerkt. Bovendien vonden onderhavige feiten plaats binnen de gemeenschapsinstelling tegenover begeleiding. Als grote bezorgdheid werd telkens de agressieproblematiek vernoemd, waarbij R. plots in agressie kan uitbarsten, met zeer gevaarlijke situaties tot gevolg. Mogelijks houdt dit verband met een ASS-problematiek. R. heeft echter steeds psychiatrische hulp geweigerd. In deze omstandigheden schat de jeugdrechter het recidive risico als hoog in. Gelet op het eerder gelopen traject kan de meerwaarde van een verdere gesloten begeleiding voor R. inderdaad in vraag gesteld worden. Voor de maatschappij daarentegen heeft een gesloten begeleiding wel degelijk een meerwaarde, met name ter bescherming van de maatschappij en om te voorkomen dat er nieuwe slachtoffers vallen. R. geeft ter zitting aan dat hij voortaan anders zal reageren op frustraties. Hij verwacht dat de delictgerichte contextbegeleiding hem daarbij kan helpen. Hij geeft ook aan dat hij bereid is om therapeutische hulp in te schakelen. De bezorgdheid over het druggebruik wuift R. weg. Hij ontkent dat er sprake is van druggebruik. De jeugdrechter is van oordeel dat een verdere gesloten begeleiding aangewezen is ter bescherming van de maatschappij, zolang R. de genoemde bezorgdheden niet ernstig neemt en zich niet daadwerkelijk inzet om minstens zijn agressieproblematiek aan te pakken. Het Agentschap Opgroeien doet echter geen aanbod. Bij gebrek aan plaats legt de jeugdrechter derhalve noodgedwongen de hierna bepaalde voorwaarden op. Indien R. deze voorwaarden niet stipt naleeft, kan hij alsnog geplaatst worden in een gemeenschapsinstelling. (…)” als volgt beslist: “(…) De jeugdrechter ontslaat de minderjarige van verder verblijf in de gemeenschapsinstelling De Grubbe te 3078 Everberg, Hollestraat 78 vanaf heden. De jeugdrechter legt aan de minderjarige volgende voorwaarden op:
  3. geen strafbare feiten plegen
  4. een psychiatrische/therapeutische begeleiding volgen met het oog op agressiebeheersing
  5. meewerken met de Delcobegeleiding opgelegd bij vonnis van heden in het dossier 109.M.2024/K3
  6. zijn schools traject op positieve wijze verder zetten
  7. geen drugs gebruiken, niet omgaan met personen die drugs gebruiken of bezitten en maandelijks een drugstest overmaken aan de consulent van de sociale dienst
  8. het uitvoeren van een gemeenschapsdienst van 40 uur, georganiseerd door VZW P., met kosten ten laste van de subsidiërende overheid. De jeugdrechter bepaalt dat deze voorwaarden gelden vanaf heden tot 28 december 2025 (9 maanden vanaf de vordering), tenzij verlenging van deze termijn. De voorwaarden kunnen steeds aangepast of herroepen worden overeenkomstig artikel 25 §8 Jeugddelinquentiedecreet wanneer de minderjarige nieuwe feiten pleegt of de hem opgelegde voorwaarden niet naleeft. Voor het geval dat de minderjarige de opgelegde voorwaarden niet naleeft, legt de jeugdrechter volgende vervangende maatregel op: - een plaatsing in een gesloten gemeenschapsinstelling. De jeugdrechter stelt de minderjarige tevens onder toezicht van de sociale dienst jeugdrechtbank, die gelast wordt met de opvolging van de naleving van deze maatregel. De jeugdrechter beveelt de voorlopige tenuitvoerlegging van deze beschikking en gelast het Openbaar Ministerie met de onmiddellijke uitvoering ervan. (…)” Tegen deze beschikking is op 2 mei 2025 hoger beroep ingesteld door het openbaar ministerie, conform het neergelegd grievenformulier. Werden gehoord in openbare terechtzitting in het Nederlands en buiten de aanwezigheid van andere minderjarigen: R. , minderjarige ten tijde van de feiten, thans meerderjarige, in zijn middelen van verdediging, ter zitting bijgestaan door meester Veerle Van Den Steen, advocaat te Meerbeke, die optreedt voor meester Karen Van Den Driessche, advocaat te Aalst; X, vader van de minderjarige, is ter zitting niet verschenen, hoewel hij behoorlijk werd gedagvaard. Y, moeder van de minderjarige, verklaart namen en hoedanigheid en verschijnt in persoon. Het openbaar ministerie, in zijn vordering bij monde van advocaat-generaal Inge T' Hooft.
  9. Het openbaar ministerie stelt op 2 mei 2025 tijdig en regelmatig, en in die mate ontvankelijk hoger beroep in tegen de beslissing van de jeugdrechter van 25 april 2025 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank (de beroepen beslissing) waarbij R., thans net meerderjarig geworden (hierna: R.) wordt ontslagen van verder verblijf in De Grubbe, en waarbij aan hem voorwaarden worden opgelegd, en waarbij R. onder toezicht wordt gesteld. Het openbaar ministerie zet uiteen dat R. op 27 maart 2025 te Wingene bedreigingen zou hebben geuit tegen een opvoeder in GI De Zande, namelijk door tegen hem te verklaren: “Ik ga u kapotmaken. Als ik u buiten alleen tegen kom dan ga je eraan” (inbreuk tegen art. 327, lid 1 Sw, gestelde straf bij meerderjarigheid een gevangenisstraf van 6 maanden tot 5 jaar en een geldboete van 100 euro tot 500 euro), en ook door gebaren, namelijk door een schopbeweging te maken in de richting van diezelfde opvoeder (gestelde straf bij meerderjarigheid: een gevangenisstraf van 8 dagen tot 3 maanden en een geldboete van 26 euro tot 100 euro), en dat hij vervolgens opzettelijk slagen en verwondingen zou hebben toegebracht met arbeidsongeschiktheid voor gevolg, met de omstandigheid dat het geweld is gepleegd tegen personeel van een instelling waar hij verbleef, namelijk tegen een opvoedster in GI De Zande (inbreuk tegen artt. 392, 398 en 399 lid 1 Sw. en art. 410bis lid 2 en 3.1° Sw., gestelde straf bij meerderjarigheid: een gevangenisstraf van 2 maanden tot 4 jaar en een geldboete van 50 euro tot 200 euro), aan wie hij een vuistslag tegen het hoofd zou hebben gegeven, en wier kledij hij zou hebben gescheurd. R. is om die redenen op 28 maart 2025 toevertrouwd geweest aan gemeenschapsinstelling De Grubbe te Everberg, en vervolgens is hij bij de beroepen beslissing ontslagen van verder verblijf, mits het naleven van opgelegde voorwaarden. Het openbaar ministerie kan zich met die beslissing niet verzoenen en vraagt dat R. voor een periode van drie maanden zou worden toevertrouwd aan een gemeenschapsinstelling.
  10. R. vordert ter zitting van heden de bevestiging van de beroepen beslissing en verklaart zich bereid de aan hem opgelegde voorwaarden na te leven. R. verklaart verder, omtrent de feiten, dat hij naar aanleiding van een discussie omtrent een voetbalmatch, een begeleider heeft uitgescholden en bedreigd, en toen hij vervolgens naar zijn kamer moest, heeft hij dan een begeleidster geslagen. De advocaat van R. merkt op dat R. de voorwaarden die aan hem zijn opgelegd naleeft, en dat hij in verband met deze feiten herstel heeft aangeboden en uitgevoerd. Zij voegt twee stukken: een overzicht van contacten die zijn genomen om begeleiding te zoeken voor R.. Daarin is opgelijst dat op 15 mei 2025 een telefoongesprek heeft plaatsgevonden met een medewerker van vzw T., dat R. nog moet worden bevraagd naar zijn akkoord met die bijkomende ondersteuning, en waar perspectief zou zijn op aanmelding op 16 oktober
  11. Er is ook een voorstel tot samenwerking met de moeder van R., en er zou een afspraak worden gemaakt met haar. Verder is telefonisch contact genomen met een centrum voor geestelijke gezondheidszorg in Aalst, waar R. een nieuwe diagnose willen doen laten stellen in verband met zijn autismespectrumstoornis. Daartoe moet R. telefonisch contact nemen om een afspraak voor een intakegesprek te maken, wat hij reeds tweemaal heeft geprobeerd, namelijk op 14 mei 2025 en op 20 mei
  12. Tot slot is op 12 mei 2025 contact gezocht met vzw Okkernoot, die psycho-educatie zou aanbieden, en wordt gewacht op een antwoord van hen. Verder brengt de advocaat van R. ook een registratiefiche bij van het “Centrum Leren en Werken Stad Brussel”. Daaruit blijken in de afgelopen maanden 5 problematische afwezigheden, 2 laattijdigheden, 2 afwezigheden om persoonlijke redenen, 27 afwezigheden van rechtswege, en nog eens 2 afwezigheden die worden gewettigd met een doktersbriefje.
  13. Het hof neemt kennis van het ‘basis maatschappelijk onderzoek’ dat is uitgevoerd door de sociale dienst te Dendermonde. R. kwam eind 2023 een eerste maal in beeld in verband met een jeugddelict, met name, poging afpersing met verzwarende omstandigheden, gewone diefstal, en deel uitmaken van een vereniging om misdrijven te plegen. Hij kreeg voorwaarden opgelegd, maar dat verliep niet goed. Zo ging hij naar het carnaval in Aalst in plaats van zijn gemeenschapsdienst uit te voeren. In gemeenschapsinstelling de Zande waren er veel agressie-incidenten en kon een leerproject niet worden opgestart. R. is moeilijk bereikbaar voor de sociale dienst, of voor de hulpverlening in het algemeen. Hij gaat niet graag naar school. Op 3 april 2024 wordt R. een tweede maal voorgeleid in verband met jeugddelicten. Ditmaal komt hij in beeld in verband met opzettelijke brandstichting met verzwarende omstandigheden, en manipulatie van informaticagegevens om een onrechtmatig economisch voordeel te verwerven, de verkoop van middelen zonder vergunning, wapendracht, het verwerven, omzetten en overdragen en verbergen of vervreemden of verplaatsen van criminele vermogensvoordelen, en opnieuw, het deel uitmaken van een criminele organisatie. R. verbleef reeds een geruime poos in geslotenheid. Van 3 april 2024 tot 2 mei 2024 verbleef hij in De Grubbe. Van 2 mei 2024 tot 26 juni 2024 verbleef hij eerst in de Markt, en vervolgens in De Zande in Beernem. Van 26 juni 2024 tot 9 juli 2024 verbleef hij in De Zande in Ruiselede, en vervolgens van 10 juli 2024 in De Zande in Wingene. Het verblijf van R. in de instellingen ging gepaard met agressie en fugue. Zijn moeder verklaarde aan de hulpverlening dat zij niet meer wist hoe zij nog kon reageren op het gedrag van R.. Ook blijkt dat R. positief test op cannabis wanneer hij een weekend bij zijn moeder is verbleven. Verder kampt R. met een autismespectrumstoornis en een oppositioneel-opstandige stoornis, kan hij niet praten over zijn gevoelens en lukt het hem niet of nauwelijks constructieve toekomstplannen te formuleren.
  14. De beoordeling van de feiten als dusdanig is hier en nu niet aan de orde. Thans staat de vraag centraal of een voorlopige maatregel ten aanzien van de minderjarige zich opdringt, en zo ja, welke maatregel aangewezen is.
  15. Overeenkomstig artikel 19 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht (het jeugddelinquentiedecreet) kan, zelfs wanneer de vordering van het openbaar ministerie zou worden ingesteld nadat de betrokkene de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, een maatregel worden opgelegd. Overeenkomstig artikel 20 §1 van het jeugddelinquentiedecreet wordt bij voorkeur een herstelrechtelijk aanbod opgelegd, en moet worden gemotiveerd waarom géén herstelrechtelijk aanbod wordt gedaan. Overeenkomstig artikel 27§2 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht (het jeugddelinquentiedecreet) kan de jeugdrechter een minderjarige pas toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling voor een gesloten begeleiding nadat hij het oriëntatievoorstel, vermeld in artikel 26§ 4, vierde lid, heeft ontvangen. De jeugdrechter kan enkel een gesloten begeleiding opleggen als dit in het oriëntatievoorstel wordt geadviseerd, tenzij hij hiervan afwijkt met een gemotiveerde beslissing. De jeugdrechter bepaalt de duur van de gesloten begeleiding in zijn beschikking.
  16. In deze zaak staat buiten betwisting dat het omwille van het recidiverisico en de nood om de maatschappij te beschermen, alsook de minstens tot zeer recent aanhoudende afwijzende houding ten aanzien van hulpverlening, psychologische of psychiatrische begeleiding, en de afwezigheid van zelfinzicht, niet aangewezen is voor de jeugdrechter om een louter herstelrechtelijk aanbod te doen. Het stuk dat wordt bijgebracht is een overzicht van prille initiatieven die zouden zijn genomen door R., of aanmeldingen die zouden zijn gedaan, zonder dat daadwerkelijk reeds iets is opgestart of vruchten kan dragen.
  17. Anders dan De Grubbe adviseert, kan het recidiverisico van R. niet als matig worden ingeschat en is het niet aangewezen om R. toe te vertrouwen aan zijn thuismilieu. Het is de derde maal dat R. ter verantwoording wordt geroepen in verband met – zeer ernstige – jeugddelicten. Het blijkt niet afdoende dat de hulpverlening er op heden reeds in zou zijn geslaagd tot hem door te dringen en op een nuttige manier met hem aan de slag te gaan. Het oriëntatieverslag van de Grubbe zelf gewaagt van een blijvend beperkt probleeminzicht, gebrekkig schuldbesef, en een bedenkelijke ingesteldheid inzake de feiten in verband waarmee hij in beeld komt, of de omgang met agressie. Daarnaast vermeldt ook het oriëntatieverslag van De Grubbe dat er een diep wantrouwen is bij R. jegens hulpverlening en begeleiding. Wat het thuismilieu betreft moet het hof vaststellen

(1)dat moeder zelf aan de hulpverlening heeft verklaard, in essentie en samengevat, dat zij niet gepast kan optreden ten aanzien van R., en hem niet meester kan,
(2)dat in het verleden niet is gebleken dat zij aan hem voldoende omkadering kan bieden,
(3)dat R. positief testte op middelengebruik na bezoeken aan zijn moeder. Ter zitting van heden brengt R. geen drugstests bij.
  1. Het hof stelt vast dat nog steeds geldt wat door de eerste rechter in de beschikking van 28 maart 2025, waarbij R. initieel is toevertrouwd aan De Grubbe, is overwogen geweest, namelijk dat alle factoren die in rekening moeten worden gebracht, tot een gesloten begeleiding nopen en dat alle toepassingsvoorwaarden zijn vervuld, en merkt aanvullend en samenvattend op wat volgt: - de feiten zijn uitzonderlijk ernstig: bedreiging met fysiek geweld en het daadwerkelijk plegen van fysiek geweld tegen zorgverleners en begeleiders, is volstrekt onaanvaardbaar; - bij gebrek aan tijdige nuttige medewerking zijnentwege, op een ogenblik dat hem daartoe ruim de kans is geboden geweest, is het moeilijk om een accuraat beeld van de persoonlijkheid van R. te krijgen; maar vooralsnog is het beeld niet gunstig, en komt R. als een gesloten jongeman over met weinig scrupules, wroeging of probleembesef; - het recidiverisico is zoals uiteengezet hoog; - de feiten – bedreigingen en geweld tegen zorgverleners – tasten de maatschappelijke veiligheid evident aan; - binnen de familiale en sociale context van R. kunnen onvoldoende waarborgen worden geboden om hem op het rechte pad te houden; zijn moeder kan onvoldoende krachtig optreden, zijn vader was vandaag ter zitting niet aanwezig, en er zijn aanwijzingen dat zijn vrienden geen goede invloed op hem uitoefenen – nu hij ook in beeld is gekomen in verband met lidmaatschap van een criminele organisatie; - er zijn aanwijzingen dat R. kampt met een middelenproblematiek; - op het ogenblik van de feiten was R. 17 jaar oud; - er zijn voldoende ernstige aanwijzingen dat verder onderzoek van de feiten noodzakelijk is; het onderzoek is nog niet afgerond, en de zaak is niet in staat om ten gronde te worden beoordeeld; - zoals uiteengezet komt R. in beeld in verband met feiten die aanleiding kunnen geven tot een hoofdgevangenisstraf van 3 jaar of meer indien ze door een meerderjarige zouden zijn gepleegd.
  2. Ook de eerste rechter beoordeelt dit alles op die manier, en het hof sluit zich daarbij aan. De eerste rechter overweegt daarbij dat gesloten begeleiding, ook ondanks de beperkte vorderingen die zijn geboekt met R. zelf, wel een meerwaarde heeft voor de samenleving. In het bijzonder wordt op die manier de maatschappij beschermd, en wordt gepoogd te voorkomen dat er nieuwe slachtoffers zouden vallen. De jeugdrechter verduidelijkt daarbij uitdrukkelijk van oordeel te zijn dat een verdere gesloten begeleiding aangewezen is ter bescherming van de maatschappij, zolang R. de genoemde bezorgdheden niet ernstig neemt en zich niet daadwerkelijk inzet om minstens zijn agressieproblematiek aan te pakken. De enige reden – er is geen andere – waarom de jeugdrechter niet de maatregel oplegt die de jeugdrechter zelf het meest geschikt acht, is dat het Agentschap Opgroeien geen aanbod doet, met andere woorden, dat er geen plaats zou zijn.
  3. De jeugdrechter kan als maatregel de betrokkene toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen, voor een gesloten begeleiding van drie maanden. Daarbij moet steeds ook een ondertoezichtstelling door de sociale dienst worden opgelegd. Dit is de maatregel die in deze zaak passend is, gelet op de gegevens van het dossier zoals het hof die in de oordeelsvorming kan betrekken, en gelet op de vordering van het openbaar ministerie en spijts het verweer van betrokkene en de stukken die R. bijbrengt en die het hof niet tot een ander inzicht brengen, en dat is de maatregel die moet worden opgelegd.
  4. Het loutere gegeven dat het Agentschap Opgroeien geen aanbod zou doen of dat er geen plaats beschikbaar is, vormt geen element dat eigen is aan het dossier en dat regelmatig in de oordeelsvorming kan worden betrokken en kan dus niet voor gevolg hebben dat de jeugdrechter niet de meest passende maatregel zou uitspreken. De werkelijke uitvoering van maatregelen – in deze zaak, met het oog op zowel het welzijn van de betrokkene zelf als ook en vooral met het oog op de bescherming van de samenleving – is de verantwoordelijkheid van de uitvoerende macht, en niet van de jeugdrechter.
  5. Het hoger beroep is gegrond. De kosten blijven ten laste van de staat. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende bij verstek ten aanzien van X en op tegenspraak ten aanzien van R. en Y; gelet op de artikelen : - 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 162, 186, 190 en 211 van het wetboek van strafvordering evenals de door de eerste rechter aangeduide artikelen, al deze bepalingen ter terechtzitting van heden door de wn. kamervoorzitter voorgebracht; doet de beroepen beslissing teniet; vertrouwt R. met ingang van heden en voor een periode van drie maanden toe aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, met het oog op een gesloten begeleiding; bepaalt dat de gemeenschapsinstelling door het Agentschap Opgroeien zal worden aangewezen; stelt R. onder toezicht van de sociale dienst; maatregel onder toezicht van de sociale dienst jeugdrechtbank en met kosten ten laste van de subsidiërende overheid. Dit arrest is uitvoerbaar bij voorraad – behoudens voor wat de kosten betreft – en gelast het openbaar ministerie met de onmiddellijke uitvoering ervan. Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van 26 mei 2025, vijftiende kamer: Aanwezig: Jelle Flo raadsheer – wn. kamervoorzitter in aanwezigheid van advocaat-generaal Inge T' Hooft met bijstand van griffier met opdracht Dorien Decorte Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.