← België

ECLI:BE:HBGNT:2025:ARR.20250722.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 22 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2025:ARR.20250722.1 Rolnummer: 2025/JZ/100 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-07-31 Raadplegingen: 334 - laatst gezien 2026-06-18 18:35 Fiche 1 De beoordeling van het nut van maatregelen, als reactie op een jeugddelict, gebeurt op het moment van de uitspraak. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - JEUGDRECHT - Algemeen (jeugdrecht) Fiche 2 De inhoudelijke 'basisvoorwaarde' voor een uithandengeving is dat de maatregelen die het jeugdrecht biedt niet geschikt zijn. Wanneer de mogelijkheden binnen het jeugddelinquentierecht zijn benut en doorlopen de re-integratie in de samenleving zowel als de bescherming van diezelfde samenleving, slechts kunnen worden gewaarborgd met de instrumenten die het gemeen volwassen strafrecht ter beschikking stelt, wordt de uithandengeving bevolen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - JEUGDRECHT Tekst van de beslissing 2025/PGG/1320 - 2025/VJ13/100 Not.nr. GE.35.F1.106627/24 FA28 In de zaak van het OPENBAAR MINISTERIE tegen de minderjarige: nr. D. C. J., - minderjarige + 12 jaar - en zijn ouders: nr. D. C. M. - burgerlijk aansprakelijke partij - nr. V. D. E. M. - burgerlijk aansprakelijke partij - Gedagvaard teneinde: De eerste: verdacht van: leidend persoon van een terroristische groep leidend persoon te zijn geweest van een terroristische groep, minstens van de groep genaamd No Lives Matter, zijnde een gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die sinds enige tijd bestaat en die in onderling overleg optreedt om terroristische misdrijven te plegen, als bedoeld in artikel 137 van het Strafwetboek, en waarvan het feitelijk oogmerk niet uitsluitend politiek, vakorganisatorisch, menslievend, levensbeschouwelijk of godsdienstig is of die niet uitsluitend enig ander rechtmatig oogmerk nastreeft. (art. 139 en 140 § 2 Sw) te 9290 Berlare en elders in het Rijk bij samenhang in de periode van 16 december 2023 tot en met 7 augustus 2024 Tevens gedagvaard om overeenkomstig artikel 57 bis en 61 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, de zaak door de jeugdrechtbank uit handen te horen geven bij een met reden omklede beslissing en ze naar het openbaar ministerie te horen verwijzen met het oog op vervolging voor het bevoegd gerecht als daartoe grond bestaat; onderhavige beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren; De tweede en de derde: In de hoedanigheid van ouder (vader/moeder), burgerrechtelijk aansprakelijke overeenkomstig artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek, en van onderhoudsplichtige in de onderhouds-, opvoeding- en behandelingskosten die uit de genomen maatregelen voortvloeien. Ten aanzien van de minderjarige werden onder meer volgende voorafgaande beslissingen genomen: - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie jeugdrechtbank d.d. 8 augustus 2024; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie jeugdrechtbank d.d. 6 september 2024; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie jeugdrechtbank d.d. 18 september 2024; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie jeugdrechtbank d.d. 6 maart 2025; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie jeugdrechtbank d.d. 6 maart 2025; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie jeugdrechtbank d.d. 4 april 2025; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie jeugdrechtbank d.d. 30 april

  1. Bij vonnis van de rechtbank eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde - sectie familie en jeugd d.d. 06 juni 2025 heeft de eerste rechter, met inachtneming van de volgende motieven: “(…) 3.
  2. Algemene principes
  3. In het kader van een procedure tot uithandengeving moet de rechter zich niet uitspreken over de schuldvraag, maar wel onderzoeken of, met inachtneming van de persoonlijkheid van de betrokkene en van zijn omgeving, een reactie van het jeugdsanctierecht geschikt zou zijn, ingeval de betrokkene de hem ten laste gelegde feiten zou gepleegd hebben (vgl. Cass. (2e k.) 2 november 2011, AR P.11.1648.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111102.1, Arr.Cass. 2011, afl. 11, 2238; Pas. 2011, afl. 11, 2420; Rev.dr.pén. 2012 (samenvatting), afl. 3, 318).
  4. Het eerste lid van artikel 38, § 2 van het Decreet van 15 februari 2019 betreffende het Jeugddelinquentierecht (hierna Jeugddelinquentiedecreet) bepaalt volgende voorwaarden om een minderjarige verdachte uit handen te kunnen geven: de minderjarige verdachte was op het tijdstip van het plegen van het jeugddelict 16 jaar of ouder; de jeugdrechtbank acht één van de sancties, vermeld in artikel 29, § 2 van het Jeugddelinquentiedecreet niet geschikt; Het tweede lid van artikel 38, § 2 van het Jeugddelinquentiedecreet voorziet daarnaast de cumulatieve voorwaarde dat de minderjarige verdachte (11 reeds een sanctie zoals voorzien in de artikelen 35, 36 en 37 van datzelfde decreet moet hebben ondergaan én (2') de minderjarige verdacht wordt van één van de in artikel 400, 401, 417/2, 417/3, 417/7, 417/25 tot en met 417/41, 428, § 5, en artikel 468 tot en met 474 van het Strafwetboek vermelde feiten. Ingevolge het derde lid van artikel 38, § 2 van het Jeugddelinquentiedecreet vervalt deze cumulatieve voorwaarde evenwel indien de minderjarige verdacht wordt van een feit zoals vermeld in artikel 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 137, 140, 141, 393 tot en met 397, 417/11, 417/12 tot en met 417/17, en 475 van het Strafwetboek, of een poging tot een feit als vermeld in artikel 393 tot en met 397 van het Strafwetboek.
  5. De inhoudelijke 'basisvoorwaarde' is dat uithandengeving slechts kan worden bevolen indien de jeugdrechtbank een sanctie niet geschikt acht. De in het vonnis op te nemen motivering moet gebaseerd zijn op de persoonlijkheid, maturiteitsgraad en omgeving van de betrokkene. De jeugdrechtbank beoordeelt dus of er binnen het jeugdrechtelijk palet nog met de minderjarige kan worden gewerkt en kan daarbij ook rekening houden met het effect van de voorheen opgelegde reacties op de persoon van de minderjarige (vgl. Luik 5 november 2003, JLMB 2003, 1112). Niet de aard, ernst en frequentie van de feiten geven op zich de doorslag of voor het jeugdrechtsysteem dan wel voor de uithandengeving wordt gekozen. Wel kunnen zij een aanduiding vormen bij de beoordeling van de persoonlijkheid van de minderjarige dader (vgl. J. PUT, Handboek Jeugdbeschermingsrecht, Brugge, Die Keure, 2021, 421). 3.
  6. Maatschappelijk onderzoek sociale dienst
  7. In het maatschappelijk onderzoek van 28 februari 2025 adviseerde de sociale dienst bij de jeugdrechtbank om de minderjarige verder in geslotenheid te plaatsen. Daarbij werden onder meer volgende bedenkingen geformuleerd: "Het advies van De Branding is dat J., gezien zijn hardnekkige problematiek, nood heeft aan continu toezicht, gekoppeld aan sancties wanneer iets fout loopt, en een duidelijke daginvulling. De behandeling heeft geen helpende functie meer gezien er geen veranderbaarheid is. Zo'n constant toezicht is in de praktijk veel moeilijker haalbaar dan op papier: er is geen natuurlijke omgeving die zo'n mate van toezicht en bescherming kan bieden. Dit doet de vraag rijzen in welke omgeving J. best verblijft. Momenteel voelt de Branding zich als een soort politie. Het is belangrijk dat ouders thuis hun rol als ouder kunnen behouden en ook niet moeten fungeren als 'politie': dit is op lange termijn niet houdbaar. Daarbovenop komt dat het een utopie is om te denken dat we J. in de maatschappij 100 procent kunnen controleren met sociale media. Daarom is er langdurige geslotenheid, met beperkte momenten buiten, zoals de GI nodig ter beveiliging." 3.
  8. Medisch-psychologisch onderzoek door een multidisciplinair team
  9. Conform de vordering daartoe van het openbaar ministerie, stelde de jeugdrechter bij beschikking van 6 maart 2025 prof. dr. B. T. aan met volgende opdracht: "Advies te verlenen omtrent: de medische en psychische toestand en ingesteldheid van de jongere en zijn persoonlijkheid de redenen voor het afwijkend gedrag in hoofde van de minderjarige te verduidelijken of het deviante gedrag al dan niet een primaire problematiek is het bestaan van een eventuele psycho-pathologie in hoofde van de jongere en na te gaan of er een gewetensvorming is dan wel of er nog kan gewerkt worden aan gewetensvorming bij de minderjarige de maatregel of oplossing die, op korte en op lange termijn, het best de belangen van de jongere dient, rekening houdend met de specifieke omstandigheden zoals deze blijken uit het dossier en rekening houdend met zijn leeftijd en zijn verdere ontwikkeling de persoonlijkheid, de omgeving en de maturiteitsgraad van de minderjarige te beschrijven, zodat met kennis van zaken kan warden beslist of een sanctie wegens het jeugddelict of een plaatsing in een open of gesloten afdeling van een gemeenschapsinstelling, een verblijf in een psychiatrische setting of een ambulante begeleiding vanuit de thuissituatie geschikt/aangewezen is, dan wel of een eventuele uithandengeving zich opdringt."
  10. Op 8 april 2025 legde voornoemde deskundige haar psychiatrisch verslag neer, waarbij ze ook het forensisch psychologisch verslag voegde van klinisch en forensisch psycholoog C. A.. In haar verslag kwam prof. dr. B. T. onder meer tot volgende besluit: "Het jeugddelinquentierecht onderscheidt zich van het gewone strafrecht doordat het mede een pedagogische functie vervult. Deze pedagogische functie zal bij alle maatregelen van de jeugdrechtbank duidelijk zijn en voorop staan. Het gevoerde onderzoek toont bij deze jongeman een ernstige, chronische, psychiatrische problematiek, nl. ASS. Er is sprake van grensnormale intelligentie, met een zwak werkgeheugen. Het gevoerde onderzoek toont aan dat de persoonlijkheid en de maturiteitsgraad van deze jongere van die aard zijn dat het jeugdstrafrecht niet langer als passend of voldoende wordt beschouwd. Immers, de problematiek die deze jongeman vertoont, nl. een extreemrechtse en gewelddadige fixatie, is passend binnen een ASS preoccupatie en zal weinig of niet door bijkomende pedagogische maatregelen beïnvloed worden. Binnen de volwassenheid wordt deze problematiek het voorwerp van een interneringsmaatregel. Deze jongeman heeft nood aan een forensisch traject met een lange duur en hoge beveiligingsgraad. Gezien de ernst en persistentie van zijn preoccupatie, is een klassiek forensisch traject van vermoedelijk drie tot vijf jaar binnen een medium security-setting noodzakelijk. Dit traject biedt de noodzakelijke structuur en veiligheid om de risicofactoren effectief te beheren, de jongere intensieve psychiatrische en gedragsinterventies aan te bieden, en de verdere resocialisatie te ondersteunen. Deskundige wenst toe te lichten dat de medium security-setting in de volwassenheid zo'n gecontroleerde omgeving biedt waarin risicomanagement en gedragsverandering centraal staan, wat essentieel is voor het voorkomen van een terugval en het ontwikkelen van alternatieve copingstrategieën. Een ambulante begeleiding vanuit de thuissituatie lijkt op dit moment onvoldoende veiligheid te bieden."
  11. Dit deskundigenonderzoek voldoet aan de vereisten zoals gesteld in artikel 38, § 3 van het Jeugddelinquentiedecreet. 3.
  12. Leeftiidsvereiste
  13. Op de zitting van 23 mei 2025 argumenteerde de raadsman van de minderjarige dat niet aan deze voorwaarde voldaan zou zijn, nu de feiten waarvan hij verdacht wordt reeds een aanvang zouden hebben genomen v66r hij 16 jaar oud werd. Het staat vast dat de minderjarige niet uit handen zou kunnen worden gegeven voor de feiten die hij desgevallend al voor zijn 16de verjaardag heeft gepleegd, hetzij v66r 16 december
  14. Waar dit bij de initiële vordering van de jeugdrechter nog vanaf 1 januari 2023 was, stelt de rechtbank vast dat het openbaar ministerie de incriminatieperiode bij de dagvaarding tot uithandengeving bepaalde op van 16 december 2023 tot en met 7 augustus
  15. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wel degelijk aan de leeftijdsvereiste voldaan is. Hierbij doet de rechtbank logischerwijze geen uitspraak over de vraag of bewezen is dat de feiten waarvan de minderjarige verdacht wordt, zich daadwerkelijk zouden hebben afgespeeld in de laatst door het openbaar ministerie voorziene incriminatieperiode. Dat de feiten die de minderjarige vanaf 16 december 2023 zou hebben gepleegd de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zouden zijn van eerdere feiten die de minderjarige al v661- zijn 16de verjaardag met eenzelfde delictueel opzet zou hebben gepleegd, doet hieraan geen afbreuk. Anders oordelen zou immers betekenen dat er een bijkomende voorwaarde wordt toegevoegd aan de leeftijdsvereiste zoals voorzien in het Jeugddelinquentiedecreet. Bijgevolg acht de rechtbank deze voorwaarde vervuld. 3.
  16. Voorgaande reacties binnen het ieugdsanctierecht
  17. De minderjarige kreeg nog niet eerder een sanctie opgelegd zoals vermeld in de artikelen 35, 36 of 37 van het Jeugddelinquentiedecreet. In dat verband volstaat het te verwijzen naar het hierboven overzicht van de voorgaanden (zie titel 2.2). Hiermee is niet voldaan aan de hierboven geschetste cumulatieve voorwaarde vervat in artikel 38, § 2, tweede lid Jeugddelinquentiedecreet. Aangezien de minderjarige verdacht wordt van een terroristisch misdrijf in de zin van artikel 140 van het Strafwetboek vervalt die cumulatieve voorwaarde evenwel, ingevolge artikel 38, § 2, derde lid Jeugddelinquentiedecreet. Bijgevolg kan de minderjarige voor het delict waarvan hij verdacht wordt wel degelijk uit handen gegeven worden, niettegenstaande hij nog niet eerder een gesloten sanctie opgelegd kreeg in de zin van artikelen 35, 36 of 37 van het Jeugddelinquentiedecreet. 3.
  18. Geschiktheid jeugdsanctie
  19. De hierboven geschetste historiek toont aan dat er sprake was van meerdere incidenten op enkele jaren tijd die in stijgende lijn leken te gaan qua intensiteit, zoals correct omschreven door de sociale dienst in het hierboven vermelde verslag van 28 februari
  20. Uit het gevoerde deskundigenonderzoek leidt de rechtbank af dat fixaties op onder meer rechtsextremistisch geweld, antisemitisme en extreem fysiek geweld (mee) aan de grondslag liggen van de eerder vermelde incidenten. Die fixaties zouden kaderen binnen de diagnose ASS die de minderjarige kreeg.
  21. • Om de vraag te beantwoorden of de mogelijkheden binnen het jeugdsanctierecht nog geschikt zijn voor de minderjarige, is het hier voor de rechtbank van belang om:

(1)de houding en persoonlijkheid van de minderjarige te belichten;
(2)na te gaan of de eerder opgelegde reacties al enig effect op hem hadden;
(3)in te schatten of de beschikbare reacties binnen het jeugdsanctierecht nog een verder gunstig effect op de minderjarige kunnen hebben en;
(4)of die mogelijke reacties kunnen volstaan om recidive te vermijden.
  1. Wat dat eerste punt betreft, wijst de rechtbank erop dat de minderjarige zich gedurende het gehele traject meewerkend heeft opgesteld. Zo vermeldt de sociale dienst in het verslag van 28 februari 2025 dat de minderjarige erin is geslaagd om goed mee te werken aan de voorwaarden die hem in het kader van zijn eerste jeugddelict werden opgelegd: een leerproject volgen, een nieuwe school en hobby zoeken, de thuisregels volgen, het huisarrest naleven en begeleiding opvolgen (zie p. 9 — onder "Bestaande krachten"). Ook naar aanleiding van de verblijven binnen de verschillende gemeenschapsinstellingen en de opname in De Branding blijkt de minderjarige zich meewerkend te hebben opgesteld. Zo leest de rechtbank bijvoorbeeld het volgende in het oriëntatieverslag van 28 april 2025 van GI De Grubbe (zie p. 6): "In De Grubbe wordt daarnaast op vlak van persoonlijkheid opnieuw een eerder zachte jongeman opgemerkt, dewelke op geen enkel moment agressief gedrag (i.c. niet gericht naar anderen of zichzelf, niet fysiek, verbaal of gericht naar materiaal) vertoont. Daarnaast neemt hij zonder incidenten deel aan het aanbod en zet hij zich zichtbaar in voor individuele activiteiten en gesprekken. 1-1 Gedurende zijn traject deze maand merken we nog steeds een grote openheid en bereidheid om aan de slag te gaan en hulp te aanvaarden."
  2. Hoewel er vooralsnog geen sprake lijkt te zijn van een succesvolle behandeling en dr. N. Raes (De Branding) de behandelbaarheid van de minderjarige als laag inschatte, is de rechtbank van oordeel dat de reacties die hem al werden opgelegd wel degelijk een zeker effect hebben geressorteerd. Sinds de voorleiding van de minderjarige voor de jeugdrechter op 8 augustus 2024 zijn er immers geen nieuwe gevallen van (aanzetten tot) geweld gekend, waaruit de rechtbank concludeert dat de jeugdrechter er met de door haar bevolen maatregelen vooralsnog in is geslaagd om de escalatie aan incidenten te doorbreken en de maatschappij te beschermen. Op de zitting van 23 mei 2025 gaf de minderjarige ook aan dat hij het rechtsextremistische gedachtegoed en de fixatie op agressie en geweld afgezworen had. In het oriëntatieverslag van 28 april 2025 van GI De Grubbe leest de rechtbank in dat verband ook het volgende (zie p. 6): "Hij bevestigt dat hij geen problemen wil, de intentie heeft om het goed te doen en geen nieuwe feiten meer te plegen. Hij geeft aan 'ik doe al die foute dingen niet meer, ik zit niet meer op die dark rooms en heb geen account meer op Telegram'. Bovendien zou hij zich gelukkiger en beter in zijn vel voelen." Gelet op de vastgestelde ASS en de gemeten IQ-score van 80, vraagt de rechtbank zich af in hoeverre de minderjarige in staat zou zijn hierbij louter sociaal wenselijk te antwoorden. Bovendien merkten de ouders van de minderjarige een gunstige evolutie in zijn gedrag wanneer hij opnieuw thuis was. Waar hij zich eerder voortdurend afzonderde op zijn kamer en met zijn gsm of computer bezig was, nam hij gaandeweg veel meer deel aan het gezinsgebeuren. Hij zou zich ook hebben gehouden aan de beperkingen in het gebruik van zijn gsm. De ouders lijken inmiddels ook zelf de ernst van de problematiek van de minderjarige te hebben ingezien en blijven zich bijzonder betrokken opstellen. Op de zitting van 16 mei 2025 gaven ze aan er alles aan te willen doen om hun zoon op het rechte pad te houden.
  3. De rechtbank deelt uiteraard de bezorgdheid dat de minderjarige mogelijk in zijn eerdere fixaties en het daaruit voortvloeiende antisociale gedrag zou hervallen. Waar prof. dr. B. T. het risico op zo'n herval hoog inschatte, merkt de rechtbank weliswaar op dat de deskundige in haar verslag zelf optekende dat er "op heden geen gevalideerde risicotaxatie instrumenten [bestaan] inzake radicalisering zonder extremistische uitgevoerde gewelddadige feiten" (zie p. 10). De rechtbank is van oordeel dat het allerminst uitgesloten is dat de beschikbare reacties van het jeugdsanctierecht dergelijk herval mee kunnen helpen voorkomen. In dat verband merkt de rechtbank op dat GI De Zande, campus Wingene in het verslag van 22 mei 2025 mogelijkheden zag om de assertiviteit van de minderjarige te vergroten, waardoor hij alternatieve copingstrategieën zou kunnen ontwikkelen — zoals vereist volgens de deskundige. Bovendien stelt de rechtbank vast dat de deskundige sociale isolatie ook zag als één van de factoren die de vatbaarheid van de minderjarige voor extreme denkbeelden vergroten. Hierin zou het verder inzetten op pro-sociale activiteiten (zoals sporten) mogelijk nog een rol kunnen spelen. In dat verband gaf de begeleidster van GI De Zande, campus Wingene op de zitting van 23 mei 2025 bijvoorbeeld mee dat de minderjarige inging op positieve dingen, zoals het staptraject.
  4. De rechtbank is er weliswaar niet blind voor dat de minderjarige er doorheen zijn traject nog enkele keren op werd betrapt muziek te hebben beluisterd of zoekopdrachten te hebben ingegeven die in verband konden worden gebracht met de hierboven beschreven fixaties van de minderjarige. Hij leek volgens de begeleiding niet meteen in te zien dat dit ongepast was en verdacht voorkwam in het licht van de feiten waarvan hij verdacht wordt. Bijgevolg onderschrijft de rechtbank ook de visie van de psychiater bij De Branding, dr. N. R., dat de minderjarige nog langdurig nood zal hebben aan monitoring en toezicht. Anders dan prof. dr. B. T. is de rechtbank er evenwel niet van overtuigd dat de hiervoor noodzakelijke structuur en veiligheid enkel en alleen geboden kan worden in een medium security-setting voor volwassenen. Het huidige jeugdsanctierecht biedt immers wel degelijk mogelijkheden om een jongere langdurig intensief op te volgen. Louter bij wijze van voorbeeld verwijst de rechtbank naar de mogelijkheden die artikel 37 van het Jeuddelinquentiedecreet biedt. In het hierboven geciteerde verslag van 28 februari 2025 adviseerde de sociale dienst ook zo'n langdurige geslotenheid. De rechtbank merkt ook dat de lopende maatregel de minderjarige de nodige structuur en veiligheid lijkt te bieden. Zo zou de minderjarige momenteel geen internet kunnen gebruiken zonder toezicht van de begeleiding in GI De Zande, campus Wingene. Uit het eerder vermelde verslag van 22 mei 2025 van die instelling blijkt ook dat de minderjarige goed functioneert binnen de structuur die daar wordt geboden.
  5. Wat een mogelijke verdere gesloten begeleiding in een gemeenschapsinstelling betreft, deelt de rechtbank de in het oriëntatieverslag van 28 april 2025 van GI De Grubbe geformuleerde zorgen rond de kwetsbaarheid van de minderjarige. Zo werd in zowel GI De Grubbe als in GI De Zande, campus Ruiselede gemerkt dat de minderjarige onrustig werd wanneer er verschillende drukke figuren in de leefgroep waren en die hem probeerden uit te dagen (zie p. 4 van voormeld verslag). Bovendien leest de rechtbank in datzelfde oriëntatieverslag dat de minderjarige eenmalig betrapt werd op het luisteren van drillmuziek, die hij naar eigen zeggen moest luisteren van zijn groepsgenoten (zie p. 5), wat de grote mate van beïnvloedbaarheid bevestigt. Tegenover deze bezorgdheid staat dan weer de bedenking dat de minderjarige bij een eventuele uithandengeving wellicht in een omgeving terecht zou komen waar hij met volwassenen geconfronteerd zou warden. Hier zou zijn kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid mogelijk nog meer in het gedrang komen.
  6. Gelet op al het bovenstaande acht de rechtbank het niet bewezen dat de mogelijkheden binnen het jeugdsanctierecht niet langer geschikt zouden zijn voor de minderjarige. Ingeval bij een jongere met een ernstig gestoorde persoonlijkheid nog hoop bestaat dat een gesloten plaatsing adequaat kan zijn, moet die sanctie worden verkozen boven een uithandengeving (vgl. J. PUT, Handboek Jeugdbeschermingsrecht, Brugge, Die Keure, 2021, 421 met verwijzing naar Brussel 4 september 1996, JDJ 1996, 490). 3.
  7. Besluit
  8. Aangezien de rechtbank de in het Jeugddelinquentiedecreet voorziene sancties wel als mogelijk geschikt acht, is niet aan alle bij artikel 38, § 2 van datzelfde decreet voorwaarden voldaan. Het verzoek tot uithandengeving wordt dan ook afgewezen als ongegrond. (…)” als volgt beslist: “(…) Rechtdoende OP TEGENSPRAAK ten aanzien van J. D. C. , M.D. C. en M. V. D. E. . Wijst de vordering van het openbaar ministerie tot uithandengeving af. Zegt dat de maatregel genomen bij beschikking van 30 april 2025 onverkort blijft gelden en de jeugdrechter in de voorbereidende rechtspleging verder zal handelen tot er een beslissing ten gronde genomen wordt. De jeugdrechtbank houdt de beslissing met betrekking tot de kosten aan. (…)” Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld op 12 juni 2025, door Femke Van Damme, eerste substituut-procureur des Konings bij het Parket van de procureur des Konings Oost-Vlaanderen afdeling Dendermonde conform het neergelegde grievenformulier. Werden gehoord in openbare terechtzitting in het Nederlands en buiten de aanwezigheid van andere minderjarigen: Het OPENBAAR MINISTERIE, in zijn vordering bij monde van advocaat-generaal Chantal Lanssens. D. C. J., minderjarige, in zijn middelen van verdediging, bijgestaan door meester Annouk Segers, advocaat te Dendermonde; D. C. M., Maria, vader van de minderjarige, in zijn middelen van verdediging bijgstaan door meester Dirk De Maerschalck, advocaat te Zele; V. D. E. M., moeder van de minderjarige, in haar middelen van verdediging bijgstaan door meester Dirk Maerschalck, advocaat te Zele;
  9. Mevrouw Femke Van Damme, eerste substituut procureur des Konings bij het Parket van de procureur des Konings Oost-Vlaanderen afdeling Dendermonde, stelt op 12 juni tijdig en regelmatig, en in die mate ontvankelijk hoger beroep in tegen de beslissing van 6 juni 2025 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie jeugdrechtbank, waarbij de vordering van het openbaar ministerie tot uithandengeving werd afgewezen als ongegrond. Daarbij is eveneens tijdig en regelmatig een grievenformulier ingediend, waaruit blijkt dat het openbaar ministerie zich verzet tegen de beslissing van de jeugdrechter om haar de vordering tot uithandengeving, overeenkomstig hetgeen werd geadviseerd in het deskundigenverslag, niet in te willigen. Het openbaar ministerie geeft aan van oordeel te zijn dat de mogelijkheden die worden geboden door het jeugddelinquentierecht zijn uitgeput en dat het jeugdsanctierecht niet langer geschikt is. Ter zitting van 22 juli 2025 vult het openbaar ministerie verder aan dat er op vandaag gekeken moet worden of het jeugdsanctierecht een oplossing kan bieden voor de maatschappij en de minderjarige zelf. De minderjarige zit op heden in de gemeenschapsinstelling en is daar rustig. Alle deskundige verslaggeving is echter pessimistisch met betrekking tot het toekomstperspectief, en meldt dat remediëring en beveiliging zijn vereist die de grenzen te buiten gaat van de mogelijkheden die het jeugdsanctierecht biedt. Zo zijn er grote zorgen indien de minderjarige opnieuw in de maatschappij kan terugkeren. De minderjarige heeft immers nood aan een permanente monitoring en langdurige geslotenheid, en volgens het openbaar ministerie kan het jeugdsanctierecht dit op vandaag niet bieden. Omtrent de positieve evolutie in de gemeenschapsinstelling stelt het openbaar ministerie vast dat men voorzichtig moet zijn en dat dit op vandaag onvoldoende is om de minderjarige, binnen een aantal jaren, opnieuw terug op een goede manier te laten functioneren in de maatschappij. Het openbaar ministerie besluit dat het jeugdsanctierecht op vandaag geen waarborgen meer kan bieden voor de minderjarige zelf, en de bescherming van de maatschappij.
  10. De advocaat van de minderjarige vraagt de bevestiging van het beroepen vonnis en geeft ter zitting aan dat er gekeken moet worden naar de persoon van de minderjarige zelf. Er is volgens de jeugdadvocaat een voor en een na, waarbij zij in de verslagen wel degelijk een positieve ingesteldheid ziet bij de minderjarige, en de minderjarige zich laat begeleiden. De realiteit spreekt de verslaggeving tegen en toont aan dat er wel gewerkt kan worden met de minderjarige. Zo laat de minderjarige zich begeleiden, heeft een positieve attitude en straalt hij rust uit. Hij heeft wel nood aan structuur, maar dit kan wel degelijk geboden worden door het jeugdsanctierecht. J. functioneert wel positief binnen de geslotenheid, en is volgens zijn advocaat bereid om te werken aan de weerhouden zorgen omtrent assertiviteit. De advocaat stelt vast dat de minderjarige binnen het jeugdsanctierecht geholpen moet worden en recht heeft, als minderjarige, op de juiste behandeling binnen dit stelsel. De advocaat verwijst naar de motivering van de eerste rechter, die overweegt dat er wel nog mogelijkheden zijn om met hem te werken. Een antwoord binnen het jeugdrecht dient te worden verkozen boven de uithandengeving. Ook de minderjarige wordt gehoord.
  11. De begeleiding vanuit De Zande bevestigt dat de minderjarige zich op heden begeleidbaar opstelt en goed functioneert binnen de instelling. De begeleider geeft verder ook aan dat de minderjarige zelf kan aangeven wat er in het verleden fout is gelopen en wat hij in de toekomst wil doen. De begeleider stelt dat de minderjarige een vorm van structuur nodig heeft, en dat zij een aangepast programma hebben om hem (verder) te begeleiden om terug in de maatschappij te komen.
  12. De advocaat van M.D. C. en M. V. D. E. , de ouders van de minderjarige, stelt ook vast dat er wel degelijk een traject mogelijk is voor de minderjarige. De advocaat verwijst naar hierbij naar de rondetafelbespreking en het verslag hiervan, en stelt vast dat de gemeenschapsinstelling wel degelijk een traject ziet met de minderjarige. De advocaat begrijpt waarom de procedure uithandengeving is opgestart en stelt ook vast dat dit een grote impact heeft gehad op de minderjarige, de ouders en de consulenten. Deze procedure is met reden opgestart, maar er werd met reden gezegd dat hij niet uithanden moet gegeven worden. De minderjarige heeft inderdaad nood aan een langdurige begeleiding, maar dit kan volgens de advocaat binnen het jeugdrecht. Er is een daarnaast ook een evolutie geweest bij de minderjarige en zijn ouders. De advocaat geeft aan dat de ouders op vandaag de ernst van de situatie inzien, en vaststellen dat hun zoon begeleid moet worden. De advocaat verwijst naar het psychiatrisch verslag en stelt vast dat er sprake is van een schending van artikel 11 Ger.W., dit omdat de psychiater (ook) aangeeft wat de rechter moet doen. De psychiater heeft volgens de advocaat ook te weinig rekening gehouden met de evoluties in het jeugdrecht, die de mogelijkheid bieden om een minderjarige ook langduriger op te volgen. De advocaat van de ouders vraagt de bevestiging van het beroepen vonnis.
  13. Het hoger beroep is zoals uiteengezet tijdig en regelmatig naar de vorm, en er is eveneens tijdig en regelmatig een grievenformulier neergelegd. Er is geen betwisting omtrent de ontvankelijkheid van het hoger beroep en het hof ziet ambtshalve niet waarom het hoger beroep niet ontvankelijk zou zijn. Het hoger beroep is ontvankelijk.
  14. Het hof verwijst vooreerst naar de oordeelkundige uiteenzetting van de eerste rechter omtrent het toepasselijk recht. De eerste rechter heeft er op een correcte wijze op toegezien dat de noodzakelijke voorafgaandelijke procedure tot uithandengeving, zoals bepaald in artikel 57bis, § 2 Jeugdbeschermingswet (zoals gewijzigd bij wet van 13 juni 2006) is gevolgd. Zoals de eerste rechter vaststelt, is ook voldaan aan de leeftijdsvereiste zoals bepaald bij artikel 57bis, § 1 (nl. op het tijdstip van het plegen van het jeugddelict zestien jaar of ouder) . Ook aan de andere voorwaarden zoals bepaald in voormeld artikel is voldaan; in het bijzonder is de voorziene strafmaat, voldoende zwaarwichtig om een eventuele uithandengeving te rechtvaardigen. Behoudens voor wat volgt en waar het hof anders motiveert en oordeelt, maakt het hof zich de oordeelkundige motieven van de eerste rechter eigen.
  15. Evenals de eerste rechter moet het hof oordelen of één van de sancties vermeld in artikel 29, § 2 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht of een plaatsing in een open of gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling nog geschikt zouden kunnen zijn voor de minderjarige als reactie, indien het hem ten laste gelegde jeugddelict bewezen zou worden verklaard. Voor alle duidelijkheid is het in dit stadium van de rechtspleging niet aan de orde om te oordelen omtrent de al dan niet bewezen verklaring van het jeugddelict als dusdanig. De inhoudelijke 'basisvoorwaarde' is dat uithandengeving slechts kan worden bevolen indien de jeugdrechtbank een sanctie niet geschikt acht. De in het vonnis op te nemen motivering moet gebaseerd zijn op de persoonlijkheid, maturiteitsgraad en omgeving van de betrokkene. De jeugdrechter beoordeelt dus of er binnen het jeugdrechtelijk palet nog met de minderjarige kan worden gewerkt en kan daarbij ook rekening houden met het effect van de voorheen opgelegde reacties op de persoon van de minderjarige. Niet de aard, ernst en frequentie van de feiten geven op zich de doorslag of voor het jeugdrechtsysteem dan wel voor de uithandengeving wordt gekozen. Wel kunnen zij een aanduiding vormen bij de beoordeling van de persoonlijkheid van de minderjarige dader. (PUT J., Handboek Jeugdbeschermingsrecht, Brugge, Die Keure, 2021, 421.)
  16. De minderjarige wordt verdacht van het misdrijf van leiderschap van een terroristische groep, te Berlare en elders in het Rijk bij samenhang in de periode van 16 december 2023 tot en met 7 augustus
  17. Het staat buiten kijf dat deze feiten ernstig van aard en maatschappelijk ontoelaatbaar zijn. Evenwel, de aard en de ernst van de feiten zijn niet doorslaggevend of voor het jeugdrechtsysteem dan wel voor de uithandengeving wordt gekozen.
  18. Ter beoordeling beschikt het hof over onder meer:
(1)de risicotaxatie vanuit De Grubbe van 29 augustus 2024 en 28 april 2025, de diverse verslaggevingen van de sociale dienst jeugdrechtbank, met name het maatschappelijk onderzoek van 28 februari 2025, de adviesnota van 22 mei 2025 en 15 juli 2025, en
(2)het deskundig psychiatrisch onderzoek uitgevoerd door Prof. Dr. B.T., Forensisch Kinder- en jeugdpsychiater - systeemtherapeut van 3 april 2025, zoals vooropgesteld bij artikel 57bis, § 2 Jeugdbeschermingswet.
  1. De beoordeling van het nut van sancties, als reactie op het jeugddelict, gebeurt op het moment van de uitspraak. Het hof mag zich dus niet beperken tot informatie verzameld op het moment van de dagvaarding. De eerste rechter heeft op een omstandige wijze de antecedenten in het traject van de minderjarige (VOS en MOF-dossiers) opgesomd. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen, onder aanvulling van hetgeen volgt.
  2. Na grondige studie van het dossier en omstandig tegensprekelijk debat ter zitting van heden stelt het hof vast dat de minderjarige op kleuterleeftijd de diagnose van autismespectrumstoornis (ASS) heeft gekregen. De minderjarige kende in het verleden een opvolging door het CLB en CAR Kapelhof Zele en zijn vaste huisarts. Beide ouders hebben een lang traject afgelegd in hun zoektocht naar de gepaste hulpverlening voor hun zoon. Sedert december 2022 werd de minderjarige door een psychiater opgevolgd. Het hof stelt vast, op basis van de verslaggeving in het dossier, dat de minderjarige sedert 2022 in beeld kwam met de politie wegens online bedreigingen en beledigingen, en vervolgens ook werd opgevolgd op niveau van het openbaar ministerie voor feiten van verboden wapendracht. Hoewel aan de minderjarige voorwaarden zijn opgelegd geweest, volgden nieuwe incidenten elkaar in snel tempo op en nam de ernst van de situatie verder toe, met als voornaamste zorg het verontrustende gebruik van sociale media en de verspreiding van verontrustende boodschappen. De minderjarige werd op 23 mei 2024 voorgeleid voor de jeugdrechtbank wegens wapenbezit en bedreigingen met aanslagen op personen of eigendommen. Bij beschikking van 23 mei 2024 kreeg de minderjarige verschillende voorwaarden opgelegd, waaronder een beperkt en onder toezicht gebruik van sociale media. De minderjarige kreeg in het licht van voormelde feiten ook een leerproject opgelegd, en dit leek aanvankelijk goed te verlopen, tot het moment waarop de minderjarige werd gearresteerd. Die arrestatie vond plaats naar aanleiding van een (grootschalig) onderzoek waarin de minderjarige geïdentificeerd werd als de gebruiker, beheerder en eigenaar van verschillende zogenaamde telegramprofielen, die dienstig waren om boodschappen en communicatie te verspreiden met gewelddadige en verontrustende inhoud. Deze feiten zouden in de tijd gesitueerd dienen te worden op een ogenblik dat de minderjarige reeds werd opgevolgd door het parket en onder voorwaarden stond van de jeugdrechtbank. Er werden vervolgens, tijdens de voorlopige rechtspleging, verschillende residentiële maatregelen opgelegd aan de minderjarige. Zo werd de minderjarige op 8 augustus 2024 toevertrouwd aan De Grubbe voor een gesloten oriëntatie voor een periode van 30 dagen. Bij beschikking van 18 september 2024 werd de minderjarige toevertrouwd aan Karus De Branding, dit tot 6 maart
  3. Op 5 maart 2025 gaf de begeleiding vanuit De Branding aan dat de behandeling voor de minderjarige (noodgedwongen) moet worden stopgezet, en dit wegens zijn beperkte behandelbaarheid en nood aan een meer beveiligd kader. Bij beschikking van 6 maart 2025 werd de opname in De Branding, wegens een gebrek aan een plaats in een gesloten gemeenschapsinstelling, nog verder verlengd voor de termijn van 1 maand. Bij beschikking van 4 april 2025 wordt de minderjarige toevertrouwd aan De Grubbe voor een gesloten oriëntatie tot 3 mei
  4. Bij beschikking van 30 april 2025 wordt de minderjarige toevertrouwd aan De Zande voor een gesloten begeleiding van 3 x 30 dagen.
  5. Het hof leest in de verslaggeving in het dossier dat de opgelegde voorwaarden, het leerproject, de opname in De Branding, alsook de gesloten oriëntatie en begeleiding, op vandaag geen kentering hebben kunnen teweegbrengen in de (extreme) gedachtengoed van de minderjarige. Ook in het meest recente verslag waarover het hof beschikt, met name een nota van de sociale dienst van 15 juli 2025, leest het hof: “Rond het voormalige delict gedrag en inzicht op de impact ervan op de maatschappij zijn geen stappen gezet, wat ons terug doet vallen op de inschatting van De Branding dat de denkfouten nog steeds aanwezig (kunnen zijn).” Het gedrag van de minderjarige na een eerdere maatregel of sanctie opgelegd bij vonnis van de jeugdrechtbank, is een belangrijke factor voor uithandengeving (DE SMET B., Uithandengeving, bijdrage in `Strafrecht en strafvordering. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer', 76, nr. 9.).
  6. Zowel de advocaat van de minderjarige, als de advocaat van de ouders verwijzen naar het feit dat de begeleiding van de gemeenschapsinstelling De Zande wel nog een mogelijkheid zou zien om verder samen te werken met J. D. C. . Ter zitting verklaart de minderjarige ook dat zijn opvattingen wel degelijk zijn gewijzigd, dat hij nu een ander wereldbeeld en mensbeeld koestert, dat hij gelooft in de gelijkwaardigheid en intrinsieke goedheid van mensen, terwijl hij voordien andere opvattingen had, en dat hij geen telefoon of andere toestellen meer wil gebruiken om zich toegang te verschaffen tot internet en sociale media. Het dossier en de verslagen moeten in hun totaliteit worden bekeken. De beoordeling van het nut van sancties, als reactie op het jeugddelict, gebeurt op het moment van de uitspraak. Het hof mag zich dus niet beperken tot informatie verzameld op het moment van de dagvaarding. Daarbij kan het hof ook niet voorbij aan de schriftelijke verslaggeving vanuit de instellingen, van deskundigen en van consulenten van de sociale dienst, die in de oordeelsvorming zwaarder moet doorwegen dan zeggende woorden. De Grubbe adviseert in haar verslag van 28 april 2025 een verdere gesloten plaatsing, maar stelt zich hierbij wel luidop de vraag of een plaatsing voor de minderjarige een gunstig effect zal hebben op zijn fixaties/interesses, waarbij zij ook opmerken dat een gemeenschapsinstelling geen oplossing zal zijn op lange termijn. In het verslag vanuit De Zande, campus Wingene, van 22 mei 2025 wordt er vastgesteld dat de minderjarige vlot meedraait in het systeem van De Zande en zich laat begeleiden en een positieve attitude heeft. Zij sluiten zich aan bij de vorige verslaggeving en stellen vast dat de minderjarige goed binnen een gestructureerde setting functioneert. Ook in het laatste verslag van de sociale dienst van 15 juli 2025 meldt de consulente dat er gedragsmatig tijdens het verblijf van de minderjarige in de gemeenschapsinstelling De Zande geen problemen zijn. Uit (bijna alle) verslaggeving in dit dossier, met name de verslagen vanuit De Zande, maar ook de verslaggeving vanuit De Grubbe en De Branding, blijkt dat de minderjarige inderdaad een grote openheid en bereidheid vertoont om aan de slag te gaan met de hulpverlening, en deze hulp ook aanvaardt tijdens zijn opname.
  7. Ook het hof stelt vast dat de minderjarige tijdens zijn verblijf in een gesloten instelling, dus binnen de muren en in een strak en beveiligd kader, wel degelijk, zoals blijkt uit de verslaggeving, een engagement vertoont t.a.v. de hulpverlening. Echter gelet op het volledig traject van de minderjarige, zowel de ambulante hulpverlening, zijn gesloten oriëntatie, gesloten begeleiding en zijn behandelingstraject in De Branding, en het geheel van de beschikbare verslaggeving, overtuigt dit het hof niet om te besluiten het jeugdrecht voldoende mogelijkheden biedt tot doelmatige socialisatie en afdoende bescherming van de samenleving. Zo stelt het hof vast dat De Grubbe in het (eerste) oriëntatieverslag van 29 augustus 2024 opmerkte dat een verdere plaatsing in een gemeenschapsinstelling niet opportuun en zelfs schadelijk zou zijn, gelet op de aanwezige kindproblematiek en de hoge mate van beïnvloeding. De Grubbe adviseerde een intensieve kinderpsychiatrische begeleiding en ondersteuning binnen een forensisch kader (For-K). Dit advies lag in lijn met het intermediair verslag vanuit de Kinder- en Jeugdpsychiatrie OLV. Evenwel bleek een behandeling binnen een Forensisch kader geen oplossing te zijn voor de minderjarige. Zo stelde De Branding, na een therapeutisch traject van 6 maanden, vast dat zij, ondanks het engagement van de minderjarige t.a.v. de hulpverlening, weinig tot geen gedragsverandering hebben waargenomen. Het verslag vanuit De Branding van 10 maart 2025 stelt ook een hoog risicorecidive vast bij de minderjarige, en wijst hierbij naar zijn diep gewortelde antisociale cognities die nog maar moeilijk om te buigen zijn. Zo blijven de fascinaties en denkfouten onveranderd, en is er bij de minderjarige geen intrinsieke motivatie merkbaar, noch een wens om te veranderen. Een verdere behandeling zal dit, volgens de begeleiding van De Branding, niet meer kunnen ombuigen. De Grubbe stelt het verslag van 28 april 2025 ook vast dat: “(…) J. wel degelijk iets opsteek over geldende regels; wat mag en niet mag, doch dat de transfer naar gelijkaardige situaties/andere contexten niet wordt gemaakt. Ook lijkt de jongere de norm niet te internaliseren en louter in het hier-en-nu te plaatsen. De mate waarin J. aldus in staat is zich langdurig naar maatschappelijk geldende waarden/te verhouden kan aldus in vraag gesteld worden. Deze bedenking is in overeenstemming met hetgeen wij horen vanuit De Branding. Verder en vooral leest het hof in het verslag van de deskundige van 3 april 2025 dat de psychiatrische problematiek van de minderjarige (ASS) een belangrijke risicofactor is en dat deze, in combinatie met zijn sociaal disfunctioneren en pestervaring, hebben bijgedragen aan gevoelens van verbittering, minderwaardigheid en wantrouwen tegenover anderen en indirect aan de ontwikkeling van een antisociale levensstijl. Hierbij stelt de deskundige vast dat de minderjarige maar weinig analyse toelaat en hij beperkt in staat is tot zelfreflectie en bijsturing. Zo heeft de aanzienlijke verbetering van de levenskwaliteit van J. D. C. gedurende de opname weinig tot geen invloed gehad op zijn extreemrechts gedachtengoed. Als besluit stelt het hof vast dat noch in De Branding, noch tijdens het deskundigenonderzoek de minderjarige voldoende inkijk in zijn gedachtenstructuur toeliet, waarbij de deskundige ook de kantmelding maakt dat dit kenmerkend is voor de diagnose van de minderjarige van ASS. Zowel vanuit De Branding als het deskundigenverslag wordt besloten tot een hoge nood aan monitoring en toezicht in een gestructureerd en voorspelbaar kader. In het laatste verslag vanuit de sociale dienst van 15 juli 2025 wordt er ook verwezen naar de zorgen omtrent de denkfouten van de minderjarige, waarbij de consulente vaststelt dat er geen stappen gezet zijn rond het delictueel gedrag van de minderjarige en zijn inzicht op de impact daarvan op de samenleving.
  8. Zoals het openbaar ministerie ter zitting voorhoudt stelt ook het hof vast dat de mogelijkheden binnen het jeugddelinquentierecht zijn benut en doorlopen en dat de schriftelijke verslaggeving waarover het hof beschikt en waar het hof op moet voortgaan, dat ook zo meldt, en dat de re-integratie in de samenleving zowel als de bescherming van diezelfde samenleving, slechts kunnen worden gewaarborgd met de instrumenten die het gemeen volwassen strafrecht ter beschikking stelt. Daarbij is doorslaggevend wat volgt. De feiten waarvan sprake is en in verband waarmee de minderjarige in beeld komt, vormen een zeer ernstige bedreiging voor de samenleving in het algemeen, en voor andere zwakkere jongeren, met name, de te rekruteren doelwitten, in het bijzonder. Daarnaast is er ook de eigen nood aan bijsturing en ontplooiing van de minderjarige zelf. Het hof verwijst in dit verband onder andere en illustratief naar navolgend proces-verbaal 108036/2024 van 29 juli 2024, men name, informatie die via Europol werd verkregen, en waarin, samengevat, wordt uiteengezet dat op het sociale mediaplatform Telegram een groep “No Lives Matter” actief leden werft en propaganda verspreidt, en in juli 2024 nog gewelddadige publicaties uitbrengt en gewelddadige aanslagen promoot. Het hof merkt daarbij op dat het hier – evident – om een periode gaat dat de minderjarige de volle leeftijd van zestien jaar reeds ruim had bereikt. De groep heeft banden met andere (terroristische) groepen en moedigt het doden van onschuldige of alledaagse mensen aan, vereist om lid te worden, dat gewelddelicten worden gepleegd, verspreidt handleidingen om mensen te doden, klopjachten te houden, en terreuraanslagen te plegen, en waarbij de minderjarige onder de weergavenaam “Kxchisake” in beeld komt als leidend figuur, van wie de weergavenaam wordt vermeld in de handleidingen en als leider van de groep “No Lives Matter”. Het is evident gevaarlijk voor de samenleving dat door middel van anonieme profielen op sociale media, fragiele jongeren worden benaderd, opgeleid, en in een positie gemanoeuvreerd dat ze geweldmisdrijven zouden plegen tegen onschuldigen. Dergelijke – inderdaad terroristische – misdrijven vergen daarenboven weinig fysieke inspanning of betrokkenheid of moeite, en kunnen min of meer eenvoudig worden gepleegd, in een virtuele en van de “werkelijke wereld” afgescheiden omgeving, door al wie zich toegang kan verschaffen tot een goedkoop toestel en een internetabonnement. In die omstandigheden is het gegeven dat iemand zich in het “werkelijke”, “niet-virtuele” leven wel sociaal wenselijk, meegaand en gezagsgetrouw opstelt, op zich niet geruststellend. Daarnaast blijkt uit het verslag van dr. T. van 3 april 2025, dat is recent, dat de minderjarige nood heeft aan een forensisch traject met een lange duur en een hoge beveiligingsgraad, dat wil zeggen, geslotenheid, intensieve psychiatrische begeleiding, een gecontroleerde omgeving, en dat voor een periode van drie tot vijf jaar. De periode gedurende dewelke de minderjarige thans in geslotenheid heeft verbleven is met andere woorden te kort, en het hof kan zichzelf niet overtuigd weten door de mondelinge verklaringen ter zitting van de minderjarige en diens ouders, en waaruit zou blijken dat, in tegenstrijd met alle verslaggeving, dat de inzichten en opvattingen van de minderjarige reeds afdoende zouden zijn bijgestuurd. Het hof hoopt, en wil graag aannemen dat de minderjarige oprecht is in zijn verklaringen dat hij nu andere opvattingen en andere toekomstplannen koestert – maar kan niet voorbij aan de bevindingen in alle verslaggeving, en aan de nood aan beveiliging en bescherming van de samenleving, Het hof stelt, mede conform het onderzoek van de deskundige, vast dat er in deze zaak helaas maar inderdaad op de grenzen van het jeugdsanctierecht wordt gestoten, waarbij in de eerste plaats werd getracht via (pedagogische) maatregelen, met name intensieve psychiatrische begeleiding, de minderjarige delictpleger tot betere inzichten aan te zetten en zijn gedrag bij te sturen. Bij de beoordeling van de vraag of een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding al dan niet geschikt is overeenkomstig artikel 57bis, § 1 Jeugdbeschermingswet moet rekening worden gehouden met een aantal elementen die inherent verbonden zijn aan het wettelijk kader van de Jeugdbeschermingswet: de aard van de maatregelen, de termijn verbonden aan de mogelijk te nemen maatregelen en de leeftijd tot dewelke eventuele maatregelen genomen kunnen worden. De rechter moet bij de beoordeling echter ook rekening houden met de praktische mogelijkheden: welke maatregelen zijn realiseerbaar, en zullen zij voldoende effect hebben rekening houdende met de tijdspanne die rest om de maatregel zijn uitvoering te laten hebben. De thuiscontext van de minderjarige, hoewel zij steeds zeer betrokken zijn gebleven en ook een grote hulpvraag hebben, biedt onvoldoende garanties omtrent de veiligheid, begrenzing en behandeling van de minderjarige. Hoewel de ouders tijdens de weekends van de minderjarige bij hen thuis een positieve evolutie vaststelden, en aangeven dat zij een volledige controle zouden hebben op het sociale mediagebruik van hun zoon, stelt het hof op vandaag vast dat dit op heden onvoldoende, en vermoedelijk ook op termijn, onvoldoende zal zijn, gelet op de hoge nood aan een forensisch traject voor de minderjarige. Daarbij overweegt ook dat de minderjarige straks meerderjarig is, en zijn ouders binnenkort geen ouderlijk gezag meer over hem zullen kunnen uitoefenen en dat zij in het verleden onvoldoende controle hebben uitgeoefend of gedrag hebben weten bij te sturen.
  9. Het hof herneemt dat de jeugddelicten in verband waarmee de minderjarige in beeld komt en die aan hem verweten worden, bijzonder ernstig, en risicovol, zijn zowel voor de veiligheid en integriteit van de minderjarige zelf als ook voor de samenleving. Hierbij stelt het hof vast dat er op vandaag niet afdoende gewaarborgd kan worden dat de minderjarige, door middel van de aangeboden hulpverlening, de juiste richting aan het uitgaan is. Het hof verwijst hierbij in het bijzonder naar voormelde verslaggeving vanuit De Grubbe en de sociale dienst, alsook het verslag van de psychiater. Er moet worden erkend dat er, rekening houdende met alle mogelijkheden en middelen die in het verleden zijn aangewend en die nog zouden kunnen worden aangewend, geen sancties/maatregelen/hulpverlening meer voorhanden zijn voor de minderjarige die uiteindelijk een passend antwoord kunnen bieden op zijn ernstig delictgedrag. Zoals het openbaar ministerie ter zitting opmerkt biedt het gemeen recht ruimere mogelijkheden – nl. een mogelijkheid tot internering voor de duur die de wet bepaalt en vooral ook, voor de duur die wordt vereist door de omstandigheden en die het hof op heden niet kan inschatten, of nog, de mogelijkheid van een vrijlating onder voorwaarde van residentiële opname en psychiatrische behandeling.
  10. In die omstandigheden en om die redenen oordeelt het hof, anders dan de eerste rechter en conform de mondelinge vordering van het openbaar ministerie ter terechtzitting, dat gelet op de zeer specifieke omstandigheden van de zaak, met name het hoge risico op herval, alsook de ernstige, chronische en psychiatrische problematiek van de minderjarige, nl. ASS, en de fixatie op geweld, die een fixatie is die kan worden gekaderd binnen de ASS, en de overweging dat de mogelijkheden binnen het jeugdrecht in wezen en inhoudelijk zijn uitgeput, dat voldaan is aan de voorwaarden om J. D. C. uit handen te geven voor het jeugddelict waarvan hij wordt verdacht. De middelen van de minderjarige en zijn ouders in deze aanleg zijn niet van aard om deze beweegredenen en besluitvorming van dit hof te ontkrachten. Het hoger beroep van het openbaar ministerie is gegrond. Het beroepen vonnis wordt hervormd in die zin dat J. D. C. uit handen wordt gegeven. Het gegeven dat de minderjarige thans uit handen wordt gegeven, impliceert niet dat hij door de samenleving wordt afgeschreven. Zoals ook ter zitting bevestigd hopen alle betrokkenen in dit dossier dat de minderjarige inderdaad de weg naar volwaardige socialisatie, een nuttige bezigheid, en een harmonieuze verstandhouding met zijn medemensen vindt, en er zijn zeker ook aanwijzingen dat er reden is om hoop te koesteren in dat verband. De middelen die het jeugdrecht biedt zijn echter uitgeput en bieden niet voldoende mogelijkheden om zowel de veiligheid van de samenleving als de ontplooiing van de minderjarige afdoende te waarborgen. Om die reden wordt de minderjarige uit handen gegeven.
  11. Naar aanleiding van de behandeling ten gronde zal worden beslist omtrent het ten laste leggen van de kosten in hoger beroep gevallen.
  12. Om de eventueel volgende rechtsgang niet te vertragen, wordt dit arrest voorlopig uitvoerbaar verklaard. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak; gelet op de artikelen : - 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in ge¬rechts¬zaken - 162, 190 en 211 van het wetboek van strafvordering evenals de door de eerste rechter aangeduide artikelen, al deze bepalingen ter terechtzitting van heden door de voorzitter voorgebracht; verklaart het hoger beroep van het openbaar ministerie ontvankelijk en gegrond, hervormt het vonnis van de rechtbank eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde - sectie jeugdrechtbank d.d. 06 juni 2025, doet de beslissing van voormelde rechtbank om de vordering van het openbaar ministerie tot uithandengeving af te wijzen, teniet, geeft de zaak uit handen en verwijst ze naar het openbaar ministerie met het oog op vervolging voor het gerecht dat bevoegd is krachtens het gemeen recht indien daartoe grond bestaat, begroot de kosten van het hoger beroep op 35 euro en oordeelt dat over het ten laste leggen van deze gedingkosten zal worden geoordeeld bij de behandeling van de zaak ten gronde, Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van 22 juli 2025, Vakantiekamer jeugdzaken: Aanwezig: Jelle Flo raadsheer in aanwezigheid van advocaat-generaal Chantal Lanssens met bijstand van griffier Kevser Aygün Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111102.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.