← België

ECLI:BE:HBGNT:2025:ARR.20250728.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 28 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2025:ARR.20250728.1 Rolnummer: 2025/JZ/112 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-07-31 Raadplegingen: 286 - laatst gezien 2026-06-17 20:20 Fiche Het jeugddelinquentierecht beoogt in de eerste plaats gedragsverandering, herstel en maatschappelijke re-integratie, en niet louter vergelding. Sancties dienen steeds proportioneel te zijn en afgestemd op de actuele situatie, waarbij het pedagogisch effect en de ontwikkelingskansen primeren. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - JEUGDRECHT Tekst van de beslissing In de zaak van het OPENBAAR MINISTERIE Tegen de minderjarige: T. M., - minderjarige + 12 jaar ten tijde van de feiten, thans meerderjarig - en zijn ouders: nr. T. M., - burgerlijk aansprakelijke partij - nr. D. S. - burgerlijk aansprakelijke partij - Gedagvaard teneinde: De eerste: verdacht van: Uitspraak te horen verlenen omtrent de maatregelen genomen bij vonnis d.d. 12 december 2024 voor de duur van zes maanden, deze maatregelen te horen wijzigen, bevestigen of intrekken; bovendien zijn/haar bijdrage te horen bepalen in de onderhouds-, opvoedings- en behandelingskosten die voortvloeien uit de genomen maatregelen. De tweede en de derde: In de hoedanigheid van ouder (vader/moeder), burgerrechtelijk aansprakelijke overeenkomstig artikel 6.12 van het oud Burgerlijk Wetboek, en van onderhoudsplichtige in de onderhouds-, opvoeding- en behandelingskosten die uit de genomen maatregelen voortvloeien; De zaak is in openbare zitting opgeroepen. Ten aanzien van de minderjarige werden onder meer volgende voorafgaande beslissingen genomen: - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 27 juni 2022; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 1 juli 2022; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 2 augustus 2022; - arrest van het hof van beroep te Gent, vakantiekamer jeugdzaken – protectionele zaken dd. 22 augustus 2022; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 23 november 2022; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 2 maart 2023; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 24 mei 2023; - vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 20 juni 2024; - vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 2 december 2024; Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 12 juni 2025 is met inachtneming van de volgende motieven: “(…) M. kreeg heel wat kansen om zijn leerproject op een correcte manier te doorlopen. Evenwel slaagt hij er niet in om de laatste uren te volgen. Hij ging niet in op de uitnodiging van vzw Parcours, reden waarom vzw Parcours besliste om het leerproject stop te zetten. Op de zitting van 15 mei 2025 liet M. zich vertegenwoordigen door zijn raadsman. Volgens zijn verklaring werkt M. op interim basis bij Volvo en heeft hij een vaste relatie. Er werd geen geldige reden aangevoerd waarom het leerproject niet volledig werd uitgevoerd. De rechtbank stelt vast dat de jongere de hem opgelegde maatregel niet volledig heeft uitgevoerd en daarmee zijn verantwoordelijkheid niet heeft genomen om op een constructieve manier met de gevolgen van zijn gedrag om te gaan. Terecht werd door het Openbaar Ministerie gevraagd om de vervangende maatregel op te leggen. Rekening houdend met de elementen betrekking hebbende op de persoonlijkheid en het milieu van de eerste gedaagde wordt de vervangende maatregel opgelegd, zoals hierna bepaald. (…)” als volgt beslist: “(…) Vertrouwt M. T. toe aan een geschikte afdeling van een gemeenschapsinstelling, voor de duur van één maand. De sociale dienst jeugdrechtbank te Gent wordt gelast met opvolging van de naleving van deze sanctie. Stelt M. T. derhalve onder toezicht van de voormelde sociale dienst vanaf heden en voor één jaar. Zegt dat er geen kosten ten laste van de subsidiërende overheid verbonden zijn aan deze maatregel. Veroordeelt de eerste gedaagde tot de kosten aan de zijde van het Openbaar Ministerie. Begroot deze kosten ten bate van de Staat op 73,28 EUR. Verklaart de tweede en de derde gedaagde burgerrechtelijk aansprakelijk voor de kosten de eerste gedaagde ten laste gelegd. Beveelt de voorlopige tenuitvoerlegging van onderhavig vonnis, behalve wat de kosten betreft. (…)” Tegen dit vonnis is op 10 juli 2025 hoger beroep ingesteld door meester Laurent Van De Keere, advocaat te Gent, voor en namens M. T., minderjarige ten tijde van de feiten, thans meerderjarige, conform het neergelegde grievenformulier. Werden gehoord in openbare terechtzitting in het Nederlands en buiten de aanwezigheid van andere minderjarigen: T. M., minderjarige ten tijde van de feiten, thans meerderjarige, in zijn middelen van verdediging, bijgestaan door meester Laurent Van De Keere, advocaat te Gent; T. M., vader van de minderjarige, verschijnt niet ter zitting, noch iemand voor hem. D. Silvia, moeder van de minderjarige, in haar middelen van verdediging, verschijnt in persoon. Het openbaar ministerie, in zijn vordering bij monde van advocaat-generaal Carine Roosen. 1. M. T., minderjarige ten tijde van de feiten, en thans meerderjarig (°16 oktober 2006, 18 jaar), stelt op 10 juli 2025 tijdig en regelmatig, en in die mate ontvankelijk hoger beroep in tegen de beslissing van de jeugdrechter van 12 juni 2025 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, sectie jeugdrechtbank, 25e kamer, waarbij de vervangende sanctie wordt toegepast en M. T. voor een termijn van één maand wordt toevertrouwd aan een geschikte afdeling van een gemeenschapsinstelling. 2. Blijkens het grievenformulier van 10 juli 2025 verzet M. zich met betrekking tot

(1)de verjaring en
(2)de regels betreffende de procedure. Ter zitting van 28 juli 2025 geeft (de advocaat van) M. aan dat M. zijn leven terug in handen heeft genomen. Uit de ter zitting neergelegde stukken blijkt dat M. sinds april 2025 op interimbasis werkzaam is bij Volvo, en zijn arbeidsverplichtingen op regelmatige wijze vervult. Daarnaast onderhoudt hij een vaste relatie en woont hij samen met zijn vriendin aan de Coupure. Bovendien dateren de feiten uit 2022, terwijl inmiddels de zomer van 2025 is aangebroken. Deze tijdspanne, en de positieve evoluties die M. sinds die tijd doormaakte, doet de vraag rijzen of er op heden nog sprake is van een actuele en concrete noodzaak tot het opleggen van een bijzonder ingrijpende sanctie zoals een plaatsing in een gemeenschapsinstelling, die een vorm van vrijheidsbeneming inhoudt. Op uitdrukkelijke vraag van het hof geeft (de advocaat van) M. aan dat hij, behoudens de (reeds gekende) feiten van de handtas en de brommer, geen nieuwe feiten heeft gepleegd.
  1. Het openbaar ministerie vordert de bevestiging van het beroepen vonnis en dus de uitvoering van de vervangende sanctie.
  2. Het hof stelt op basis van de verslaggeving in het dossier vast dat er in het verleden grote zorgen waren op verschillende levensdomeinen bij de toen bijna 16-jarige M.. Zo waren er zorgen over de onbetrouwbaarheid van M., zoals het liegen, het gebrek aan openheid over zijn vriendenkring en eerdere fysieke agressie. Daarnaast baarde het zorgen dat hij zich bezighield met delicten plegen, spijbelgedrag vertonen, een sterke drang vertoonde om snel geld te verdienen, onvoldoende motivatie voor hulpverlening ontving vanuit zijn thuissituatie, cannabis gebruikte en sterk beïnvloedbaar was.
  3. Aan M. worden meerdere ernstige jeugddelicten (afpersing en diefstal van fietsen) ten laste gelegd, zoals vermeld in de vordering van 27 juni 2022 van het openbaar ministerie. Bij vonnis van de jeugdrechter van 20 juni 2024 (alsdan is M. nog net minderjarig) bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, sectie jeugdrechtbank, 25e kamer, werd hiervoor
(1)een gemeenschapsdienst van 45 uur, georganiseerd door vzw Parcours, en
(2)een leerproject van 20 uur voor jonge daders van gewelddelicten, georganiseerd door vzw Parcours, opgelegd. Door de eerste rechter werd tevens een vervangende sanctie voorzien, met name een plaatsing aan een geschikte afdeling van een gemeenschapsinstelling voor de duur van één maand, ingeval de opgelegde sanctie niet wordt nageleefd.
  1. Vervolgens is M. ook nog gedagvaard als dader/mededader voor diefstal van een handtas van een persoon in een bijzonder kwetsbare toestand.
  2. Blijkens de verslaggeving in het dossier stelt M. zich onbereidwillig op om de opgelegde voorwaarden van de jeugdrechter na te leven en toont hij een gebrek aan verantwoordelijkheidszin.
  3. M. heeft het vertrouwen dat in hem werd gesteld niet waargemaakt en treedt de hem opgelegde voorwaarden – in het bijzonder het leerproject van 20 uur voor jonge daders van gewelddelicten – met de voeten. In december 2024, 6 maanden na het vonnis van 20 juni 2024, bleek dat M. zijn leerproject nog niet had uitgevoerd. Hij was herhaaldelijk en zonder enige kennisgeving afwezig op de geplande momenten. M. toonde zich echter nog bereid om het leerproject alsnog te volgen. Bij vonnis van 12 december 2024 werd hem daarom een tweede kans geboden: hij moest zijn leerproject van 20 uur, gericht op jonge daders van gewelddelicten, voortzetten, met behoud van de eerder opgelegde vervangende sanctie. M. ging evenwel niet in op de uitnodiging van vzw Parcours, reden waarom vzw Parcours op 16 december 2024 besliste om het leerproject definitief stop te zetten.
  4. Bij thans beroepen vonnis van 12 juni 2025 (6 maanden later) oordeelt de jeugdrechter dat M. voldoende kansen heeft gekregen, en beslist tot uitvoering van de vervangende sanctie waarbij M. wordt toevertrouwd aan een gemeenschapsinstelling in het kader van een gesloten begeleiding voor een periode van één maand.
  5. Anders dan de eerste rechter oordeelt het hof dat in dit geval geen uitvoering dient te worden gegeven aan de vervangende sanctie. Hoewel het hof beseft dat M. zich in het verleden schuldig heeft gemaakt aan voornoemde jeugddelicten en dat hij is tekortgeschoten in het naleven van de daaraan gekoppelde, opgelegde maatregelen, inzonderheid het leerproject van 20u gericht op jonge daders van gewelddelicten, acht het hof de uitvoering van de vervangende sanctie (een plaatsing in een gemeenschapsinstelling) onder de huidige omstandigheden niet langer noodzakelijk of aangewezen.
  6. Anders dan de eerste rechter, die zich moest baseren op de loutere verklaringen van M., die in het verleden niet altijd betrouwbaar is gebleken, beschikt het hof inmiddels over aanvullende, objectiverende stukken (neergelegd ter zitting van 28 juli 2025) waaruit zijn actuele maatschappelijke situatie blijkt. Aldus blijkt dat M. inderdaad sinds april 2025 op interimbasis werkzaam is bij Volvo, en dat hij deze tewerkstelling op regelmatige en stipte wijze vervult. Het hof beschouwt dit als een duidelijke indicatie van maatschappelijke re-integratie en persoonlijke gedragsverbetering.
  7. Hoewel M. in het verleden zijn leerproject zonder geldige reden niet heeft voltooid, moet tevens worden opgemerkt dat hij zijn gemeenschapsdienst (met enige tegenzin) wél volledig heeft uitgevoerd. Ter terechtzitting van 28 juli 2025 verklaarde M. dat hij zich intussen heeft herpakt en er alles aan doet om op het rechte pad te blijven. Het hof stelt daarbij vast dat M. sinds geruime tijd niet opnieuw met het jeugddelinquentierecht in aanraking is gekomen of anders bij de politie of het parket in beeld is gekomen. Op expliciete vraag van het hof werd immers bevestigd dat er in de afgelopen periode geen nieuwe strafbare feiten werden gepleegd. Ook het openbaar ministerie bericht niet dat er min of meer recent nog signalen zouden zijn opgevangen. Gelet op het vermoeden van onschuld moet het hof er van uit gaan dat M. zich sedertdien aan de wet heeft gehouden.
  8. Vanuit het perspectief van het jeugddelinquentierecht bestaat er in dit geval geen acute noodzaak tot uitvoering van de vrijheidsbeperkende vervangende sanctie, met name een plaatsing in een gemeenschapsinstelling. Het jeugddelinquentierecht beoogt in de eerste plaats gedragsverandering, herstel en maatschappelijke re-integratie, en niet louter vergelding. Sancties dienen steeds proportioneel te zijn en afgestemd op de actuele situatie, waarbij het pedagogisch effect en de ontwikkelingskansen primeren. Het hof stelt vast dat M. – zij het met enige vertraging en aanvankelijke weerstand – zijn les heeft geleerd, of onder invloed van andere omstandigheden of spontaan tot een regelmatiger leven en attitude is gekomen en inmiddels een positieve evolutie heeft doorgemaakt en ook vasthoudt. M. is sinds april 2025 (op interimbasis) tewerkgesteld bij Volvo, vervult zijn arbeidsverplichtingen op stipte wijze, maakt ook aannemelijk dat hij dat verder beoogt te doen (om zodoende vast aangeworven te kunnen worden) en bouwt aan een stabiel persoonlijk leven. Hij woont samen met zijn vriendin en neemt opnieuw deel aan het maatschappelijk leven op een wijze die getuigt van verantwoordelijkheid en engagement. Deze elementen duiden op een proces van resocialisering dat reeds in gang is gezet, en dat niet door middel van een ingrijpende (vrijheidsbenemende) sanctie moet worden onderbroken. Het hof stelt bovendien vast dat de met de vervangende sanctie beoogde gedragsverandering reeds grotendeels gerealiseerd is zonder de uitvoering van die vervangende sanctie. In deze context zou het alsnog uitvoeren van de vrijheidsbeperkende vervangende sanctie geen pedagogisch of resocialiserend doel meer dienen, maar integendeel ontwrichtend en verstorend werken ten aanzien van M.s’ integratieproces. Het hof oordeelt dat de uitvoering van de vervangende sanctie noch noodzakelijk, noch wenselijk is. Het hof is wel van oordeel dat het, ondanks de positieve evolutie, aangewezen blijft dat M. het leerproject van 20 uur alsnog afrondt, aangezien dit bijdraagt aan verdere bewustwording en bestendiging van zijn verantwoordelijkheid.
  9. Het hoger beroep van M. T. is gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende bij verstek ten aanzien van M. T., vader van de minderjarige; recht doende op tegenspraak ten aanzien van M. T., minderjarige, en S.D., moeder van de minderjarige; gelet op de artikelen : - 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in ge¬rechts¬zaken - 162, 186, 190 en 211 van het wetboek van strafvordering evenals de door de eerste rechter aangeduide artikelen, al deze bepalingen ter terechtzitting van heden door de wn. kamervoorzitter voorgebracht; verklaart het hoger beroep van M. T. ontvankelijk, en gegrond, hervormt het beroepen vonnis van de jeugdrechter va n 12 juni 2025 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, sectie jeugdrechtbank, 25e kamer, waar aan M. T. de vervangende sanctie van een plaatsing in een gemeenschapsinstelling gedurende één maand werd opgelegd; zegt dat M. T. alsnog de kans krijgt om de bij vonnis van 12 december 2024 opgelegde leerproject van 20u voor jonge daders van gewelddelicten, georganiseerd door vzw Parcours, Dok Noord 4 HAL E, bus 101 integraal uit te voeren; legt de kosten van het hoger beroep ten laste van het openbaar ministerie; Dit arrest is uitvoerbaar bij voorraad. Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van 28 juli 2025, vakantiekamer jeugdzaken: Aanwezig: Jelle Flo raadsheer – wn. kamervoorzitter in aanwezigheid van advocaat-generaal Carine Roosen met bijstand van griffier met opdracht Dorien Decorte Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.