id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 15 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2025:ARR.20250915.1 Rolnummer: 2025/JZ/84 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-09-17 Raadplegingen: 500 - laatst gezien 2026-06-18 17:11 Fiche Het jeugddelinquentierecht beoogt in de eerste plaats gedragsverandering, herstel en maatschappelijke re-integratie, en niet louter vergelding. Sancties dienen steeds proportioneel te zijn en afgestemd op de actuele situatie, waarbij het pedagogisch effect en de ontwikkelingskansen primeren. Omdat de sancties moeten zijn afgestemd op de actuele situatie, kunnen ook elementen in de oordeelsvorming worden betrokken die dateren van nà de periode waarin de feiten van de tenlasteleggingen zijn gepleegd geweest. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - JEUGDRECHT Tekst van de beslissing 2025/PGG/1213 - 2025/VJ13/84 Not.nr. DE.47.LB.000084/24 In de zaak van het OPENBAAR MINISTERIE Tegen de minderjarige: N. Z. Ro. , - minderjarige + 12 jaar, ten tijde van de feiten, thans meerderjarig - en zijn ouders: nr. N. Z. N., - burgerlijk aansprakelijke partij - nr. M. G., - burgerlijk aansprakelijke partij - En de burgerlijke partijen: nr. D. L. B. - burgerlijke partij - nr. E. NV, - burgerlijke partij - nr. V.D.F. J., - burgerlijke partij nr. E. NV, - burgerlijke partij – nr. V. X., - burgerlijke partij Gedagvaard teneinde: De eerste: verdacht van: A opzettelijke brandstichting van bouwwerken of vervoermiddelen met vermoeden menselijke aanwezigheid met verzwarende omstandigheden Bij inbreuk op artikelen 510, 513 lid 1 en 2 Sw. opzettelijk een gebouw, een brug, een dijk, een straatweg, een spoorweg, een sluis, een magazijn, een werkplaats, een loods, een schip, een vaartuig, een rijtuig, een wagon, een vliegtuig, of andere kunstwerken, bouwwerken of motorvoertuigen in brand te hebben gestoken, terwijl hij had moeten vermoeden dat zich aldaar op het ogenblik van de brand een of meer personen bevonden, met de omstandigheid dat de brand bij nacht werd gesticht, (gestelde straf bij meerderjarigheid: opsluiting 20-30 jaar) 1 te Aalst op 4 januari 2024 ten nadele van B. E.A., ten nadele van L.-M. K., ten nadele van M. L.-E. B., , ten nadele van M. L.-I., , 2 te Aalst op 4 januari 2024 ten nadele van N. B., , ten nadele van O. B., ten nadele van Y. B., ten nadele van D. L. L., ten nadele van J. L. L., ten nadele van R. L. L., B opzettelijke brandstichting van andermans roerende goederen met verzwarende omstandigheden Bij inbreuk op de artikelen 512 lid 1 en 513 lid 1 en 4 Sw. andere roerende goederen dan schepen, vaartuigen of vliegtuigen opzettelijk in brand te hebben gestoken, waarbij de daad van die aard was dat aan de eigenaar ernstig nadeel kon worden berokkend, met de omstandigheid dat de brand bij nacht werd gesticht, (straf bij meerderjarigheid: GV 1j-5j + GB 100-1000) te Aalst op 4 januari 2024 ten nadele van Axians ICI Business solutions, ten nadele van Axus, ten nadele van R. V.R., geboren te Aalst op 18 december 1999 C verkopen, te koop aanbieden, afleveren of leveren van middelen zonder vergunning Bij inbreuk op de artikelen 2 bis § 1, 4 en 6 lid 1 van de wet van 24 februari 1921; art. 2, 12°, 14° en 18°, 3, 6 § 1, 8, 50 en 61, en bijlagen I tot V van het Koninklijk besluit van 06 september 2017, behalve in de gevallen van artikel 8 van het Koninklijk besluit van 06 september 2017, middelen gedefinieerd in artikel 2, 12° van hetzelfde Koninklijk besluit te hebben verkocht, te koop te hebben aangeboden, te hebben afgeleverd of geleverd, onder bezwarende titel of om niet, zonder de voorafgaande vergunning van de bevoegde minister of zijn afgevaardigde, minstens al 7,3 gr. cannabis (gestelde straf bij meerderjarigheid: GV 3m-5j + GB 100-25000) Te Aalst, meermaals in de periode van 1 januari 2024 tot en met 3 april 2024, minstens op 30 maart 2024 D dragen, zonder wettige reden, van vrij verkrijgbare niet-vuurwapens Bij inbreuk op de artikelen 3 § 2, 9, 19- 7°, 23 lid 1, en 26 Wet 08 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, vrij verkrijgbare wapens, zoals omschreven in artikel 3 § 2 van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, scherpe, snijdende of stompe voorwerpen of stoffen, die als wapen zijn ontworpen, maar waarvan duidelijk is dat diegene die ze draagt of vervoert, ze wenst te gebruiken voor het toebrengen van lichamelijk letsel of het bedreigen van personen, zoals omschreven in artikel 19 — 7 ° van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, te hebben gedragen zonder daartoe een wettige reden te hebben kunnen aantonen, (gestelde straf bij meerderjarigheid: GV 1m-5j + GB 100-5000) 1 te Aalst op 4 maart 2024, nl. 1 steakmes, 1 zakmes merk Opinel en 2 pushdaggers (werpmessen) 2 te Aalst op 15 maart 2024, nl. 2 plooimessen merk Opinel en 2 pushdaggers (werpmessen) E verwerven criminele vermogensvoordelen Bij inbreuk op artikel 505 lid
- 2° Sw. zaken bedoeld in artikel
- 3° van het Strafwetboek, namelijk vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en inkomsten uit de belegde voordelen, te hebben gekocht, te hebben geruild of om niet te hebben ontvangen, te hebben bezeten, bewaard of beheerd, ofschoon hij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen, de oorsprong van die zaken kende of moest kennen, (gestelde straf bij meerderjarigheid: GV 15d-5j + GB 26-100000) Te Aalst en bij samenhang elders in het Rijk, meermaals in de periode van 25 november 2023 tot en met 3 april 2024 F omzetting of overdracht criminele vermogensvoordelen om illegale herkomst te verbergen Bij inbreuk op artikel . 505 lid
- 3° Sw. de zaken, bedoeld in artikel
- 3° van het Strafwetboek, namelijk vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en inkomsten uit de belegde voordelen, te hebben omgezet of overgedragen met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon die betrokken is bij een misdrijf waaruit deze zaken voortkomen, te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden, (gestelde straf bij meerderjarigheid: GV 15d-5j + GB 26-100000) Te Aalst en bij samenhang elders in het Rijk, meermaals in de periode van 25 november 2023 tot en met 3 april 2024 G verbergen aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom criminele vermogensvoordelen Bij inbreuk op artikel 505 lid
- 4° Sw. de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de in artikel
- 3° van het Strafwetboek bedoelde zaken, namelijk vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en inkomsten uit de belegde voordelen, te hebben verheeld of verhuld, ofschoon hij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen de oorsprong van die zaken kende of moest kennen, (gestelde straf bij meerderjarigheid: GV 15d-5j + GB 26-100000) Te Aalst en bij samenhang elders in het Rijk, meermaals in de periode van 25 november 2023 tot en met 3 april 2024 H deel uitmaken van een criminele organisatie Bij inbreuk op de artikelen 324bis en 324 ter §1 Sw. zelfs zonder de bedoeling een misdrijf in het raam van een criminele organisatie te plegen of daaraan deel te nemen op één van de in de artikelen 66 tot 69 van het Strafwetboek bedoelde wijzen, wetens en willens betrokken te zijn geweest bij een criminele organisatie, zijnde een gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die duurt in de tijd, met als oogmerk het in onderling overleg plegen van misdaden en wanbedrijven die strafbaar zijn met gevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf, om direct of indirect vermogensvoordelen te verkrijgen, waarbij gebruik gemaakt wordt van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie, of waarbij commerciële of andere structuren worden aangewend om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken, en waarvan het feitelijk oogmerk niet uitsluitend politiek, vakorganisatorisch, menslievend, levensbeschouwelijk of godsdienstig is of die niet uitsluitend elk ander rechtmatig oogmerk nastreeft, (gestelde straf bij meerderjarigheid: GV 1j-3j + GB 100-5000) te Aalst in de periode van 25 november 2023 tot en met 3 april 2024 I opzettelijke slagen met ziekte of werkonbekwaamheid van minder dan of gelijk aan 4 maanden tot gevolg Bij inbreuk op de artikelen 392, 398 en 399 lid 1 Sw. opzettelijk verwondingen of slagen te hebben toegebracht, met de omstandigheid dat de slagen of verwondingen een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hebben gehad, (gestelde straf bij meerderjarigheid: GV 2m-2j + GB 50-200) 1 te Lede op 24 maart 2024 ten nadele van B. D.L., geboren te Aalst op 23 april 1998 2 te Lede op 24 maart 2024, ten nadele van X. V., geboren te Aalst op 13 januari
- J opzettelijke slagen Bij inbreuk op de artikelen 392 en 398 lid 1 Sw opzettelijk verwondingen of slagen te hebben toegebracht, (gestelde straf bij meerderjarigheid: GV 8d-6m + GB 26-100) 1 te Lede op 24 maart 2024 ten nadele van E. R., geboren te Brussel op 10 januari 1997 2 te Lede op 24 maart 2024 ten nadele van J. V.D.F., geboren te Aalst op 3 april 2000 Vordering tot verbeurdverklaring van items gebruikt om de misdrijven mee te plegen: - BABJ1301: 145 euro C - BABJ0914: Samsung (C, E, F, G en H) - BABJ37745: Opinel mes (D2) - BABJ37746: Opinel mes (D2) - BABJ37747: Pus daggers (D2) - BABJ7733: 2 werpsterren (D1) - BABJ7731: keukenmes (D1) - BABJ7732: zakmes (D1) De tweede en de derde: In de hoedanigheid van ouder (vader/moeder), burgerrechtelijk aansprakelijke overeenkomstig artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek, en van onderhoudsplichtige in de onderhouds-, opvoeding- en behandelingskosten die uit de genomen maatregelen voortvloeien. Ten aanzien van de minderjarige werden onder meer volgende voorafgaande beslissingen genomen: - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 3 april 2024; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 2 mei 2024; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 15 mei 2024; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 26 juni 2024; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 30 juli 2024; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 28 oktober 2024; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 24 januari 2025; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 25 februari 2025; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 28 maart 2025; - beschikking van de jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank dd. 25 april 2025; Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank d.d. 25 april 2025, (hierna: het beroepen vonnis), is met inachtneming van de volgende motieven: “(…) 1.
- Feiten en beoordeling van schuld 1.1.
- Algemeen
- Voorafgaand aan de beoordeling van de aan de minderjarige ten laste gelegde feiten, komt het aangewezen voor om enkele basisbeginselen uit het strafrecht te herhalen die, ingevolge artikel 62 Jeugdbeschermingswet, eveneens van toepassing zijn bij de beoordeling van jeugddelicten. In strafzaken geldt het vermoeden van onschuld, dit wil zeggen dat elkeen onschuldig is tot het bewijs van de schuld wordt geleverd. Uit dit algemeen rechtsbeginsel volgt dat het niet aan een beklaagde is om zijn onschuld aan te tonen, maar wel aan de vervolgende partij toekomt om de schuld van een beklaagde op overtuigende wijze aan te tonen. Uit hetzelfde principe vloeit voort dat wanneer er twijfel bestaat over de schuld van een beklaagde, dit steeds in zijn voordeel moet worden geïnterpreteerd en dus altijd moet leiden tot de vrijspraak, en nooit tot de veroordeling. In strafzaken geldt ook het beginsel van de vrije bewijsvoering. Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren (zie ook Cass. 14 februari 1995, Arr.Cass. 1995, 176; Cass. 12 juni 1991, Arr.Cass. 1990-91, 1011; Cass. 18 december 1991, Arr.Cass. 1991-92, 357; Cass. 14 november 1995, TGR 1996, 27; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2010, nrs. 1967, 2000 e.v.; C. VAN DEN VVYNGAERT, Strafrecht en Strafprocesrecht, Maklu, 2009, 1235; R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Maklu, 2012, p. 1018 e.v.). Hij mag hierbij rekening houden met alle vermoedens van feitelijke aard die hem de innerlijke overtuiging van de schuld van de gedaagde geven (vgl. Cass. 31 oktober 2006, Pas. 2006, 2230). Het staat hem onder meer vrij geen geloof te hechten aan bepaalde verklaringen en zijn overtuiging te gronden op andere, hem voorgelegde gegevens, die volgens hem afdoende vermoedens lijken op te leveren, ook als andere gegevens in de zaak op het tegendeel wijzen (vgl. Cass. 23 januari 2008, Pas. 2008, 220). Alzo kan de strafrechter welbepaalde getuigenverklaringen weren en anderen weerhouden, de bevindingen van de deskundige meer bewijskrachtig achten dan getuigen door de beklaagde aangebracht, enz. (vgl. Cass. 18 december 1991, Arr.Cass. 1991-92, 357). Zo bepaalt de rechter ook onaantastbaar welke feitelijke bewijswaarde hij moet toekennen aan de verklaringen van de beklaagde en van partijen en aan de voorgebrachte getuigenissen. De feiten worden bewezen geacht als de rechter de innerlijke overtuiging of de menselijke zekerheid heeft dat ze zich werkelijk hebben voorgedaan, dat de beklaagde ze heeft gepleegd en hij elke redelijke twijfel over de schuld uitgesloten acht (vgl. Cass. 10 november 1992, Arr. Cass., 1991-92, 1294). 1.1.
- Opzettelijke brandstichting
- De minderjarige wordt er vooreerst van beschuldigd brand te hebben gesticht aan twee woningen in Aalst door middel van brandbommen (tenlasteleggingen A.1 en A.2). Daarbij brandde ook een auto uit (tenlastelegging B).
- Naar aanleiding van de uitlezing van zijn gsm kwam de minderjarige in beeld als verdachte van deze brandstichtingen. De onderzoekers vonden hierin immers notities van een 'drillrap'-tekst waaruit ze afleidden dat de minderjarige daderkennis leek te hebben. Bovendien werden via zijn gsm-toestel ook opzoekingen gedaan naar de adressen waar de branden gesticht werden én naar de straf die men als minderjarige krijgt voor dergelijke feiten. Daarnaast werd naar aanleiding van een huiszoeking bij de minderjarige een rugzak gevonden die leek op deze die (één van) de dader(s) leek te dragen op de camerabeelden. Bij zijn (her)verhoor op 16 september 2024 heeft de minderjarige zijn betrokkenheid bij deze feiten betwist. Hij kon of wou weliswaar geen verklaring geven voor de opmerkelijke opzoekingen in zijn gsm-toestel. Op de zitting van 4 april 2025 heeft de minderjarige het feit vervat onder tenlastelegging A.1 alsnog bekend. De feiten vervat onder tenlasteleggingen A.2 en B bleef hij betwisten. 5 Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank tenlastelegging A.1 bewezen. Door het tijdsverloop en de afstand tussen beide woningen lijkt het praktisch zo goed als onmogelijk dat beide brandbommen door dezelfde dader werden gegooid. Niettegenstaande er weliswaar aanwijzingen bestaan dat beide brandstichtingen aan elkaar verbonden waren, betwistte de minderjarige dat hij ook maar iets te maken had met de brandstichting vervat onder tenlasteleggingen A.1 en B. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet buiten elke redelijke twijfel vaststaat dat hij hieraan actief heeft deelgenomen of noodzakelijke hulp heeft verleend. Voor deze tenlasteleggingen dringt zich dan ook de vrijspraak op. 1.1.
- Verkoop drugs
- Onder tenlastelegging C wordt de minderjarige beschuldigd van verkoop en/of te koop aanbieden van drugs, meer bepaald minstens 7,3 gram cannabis.
- Op 30 maart 2024 werden naar aanleiding van een fouille op de minderjarige 145 euro cash geld en 5 zakjes cannabis aangetroffen en in beslag genomen. Daarnaast vonden de onderzoekers bij de uitlezing van zijn gsm-toestel notities die op de boekhouding van een drugshandel leken. Naar aanleiding van zijn (her)verhoor op 18 september 2024 beriep de minderjarige zich hieromtrent nog op zijn zwijgrecht, maar op de zitting van 4 april 2025 heeft hij dit feit bekend.
- Gelet op al het bovenstaande acht de rechtbank het feit vervat onder tenlastelegging C bewezen. 1.1.
- Inbreuken op de wapenwetgeving
- Wanneer de politiediensten op 4 maart 2024 de minderjarige samen met twee andere jongeren wensten te controleren, stelden ze vast dat hij iets onder een geparkeerd voertuig gooide. Zij gingen ervan uit dat hij dit deed om iets voor hen te verbergen. Ze troffen er even later drie messen aan, die ze omschreven als een werpster (twee werp-/steekmesjes), een keukenmes en een zakmes (tenlastelegging D.1). Bij zijn (her)verhoor op 16 september 2024 heeft de minderjarige ontkend dat deze messen van hem waren en ook op de zitting van 4 april 2025 heeft hij dit feit betwist.
- Op 15 maart 2024 troffen de politiediensten bij een fouille op de minderjarige twee plooimessen van het merk Opinel, een houder met daarin twee 'push daggers' en een kleine hoeveelheid cannabis aan (tenlastelegging D.2). De minderjarige heeft dit feit bekend op de zitting van 4 april
- Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het bewezen dat de minderjarige de in de tenlasteleggingen D.1 en D.2 opgenomen messen heeft gedragen. De raadsman van de minderjarige heeft deze tenlasteleggingen op de zitting van 4 april 2025 ook niet betwist. De rechtbank stelt evenwel vast dat de onder tenlasteleggingen D.1 en D.2 vervatte zakmessen (van het merk Opinel) en het keukenmes niet ontworpen zijn als wapen, maar gebruiksvoorwerpen betreffen. Bijgevolg dringt er zich, wat die messen betreft, een herkwalificatie op naar de dracht van een scherp, snijdend of stomp voorwerp, dat niet als wapen is ontworpen, maar waarvan, gegeven de concrete omstandigheden, duidelijk is dat degene die het draagt, het voorwerp wenst te gebruiken voor het toebrengen van lichamelijk letsel aan of het bedreigen van personen (artikel 19, 7° van de Wapenwet). Dit noemt men ook wel 'omstandigheidswapens'. Voor zover de tenlasteleggingen D.1 en D.2 betrekking hebben op 'pushdaggers', dringt er zich een heromschrijving op. Bijgevolg hernummert de rechtbank voor de duidelijkheid de te herkwalificeren feiten, betreffende de dracht van de 'omstandigheidswapens', als K.1 en K.
- Op de zitting van 4 april 2025 werden partijen de mogelijkheid gegeven om hun standpunt te laten kennen omtrent een eventuele herkwalificatie. De raadsman van de minderjarige en het openbaar ministerie gedroegen zich op dit vlak naar de wijsheid van de rechtbank. Gelet op de omstandigheden waarin deze werden aangetroffen en het feit dat de minderjarige hiervoor geen (zinnige) verklaring kon of wou geven, staat het naar oordeel van de rechtbank vast dat de betrokken messen bedoeld waren om anderen te verwonden of te bedreigen, dan wel om zich mee te verdedigen. Bijgevolg acht de rechtbank de aldus heromschreven, geherkwalificeerde en hernummerde feiten vervat onder tenlasteleggingen D.1, D.2, K.1 en K.2 bewezen. 1.1.
- Witwasmisdrijven
- Onder tenlasteleggingen E, F en G wordt de minderjarige ervan beschuldigd dat hij betrokken was bij het witwassen van gelden waarvan hij wist dat deze uit een misdrijf voortkwamen.
- Naar aanleiding van een feit van poging tot afpersing waarvoor de minderjarige bij deze rechtbank gekend is in het kader van dossier nr. 464.M.2023/K3 bekende hij dat hij bankkaarten ronselde in opdracht van een meerderjarige. De uitlezing van zijn gsm-toestel leverde aanwijzingen op dat hij een actieve rol speelde in een netwerk van oplichters. Zo werd onder meer opgezocht hoe men de limieten van bankkaarten kon verhogen en werden foto's gevonden waarop de minderjarige te zien was met cash geld. Bij een gerechtelijk onderzoek naar een netwerk van oplichters kwam de minderjarige naar voren door zijn veelvuldige contacten met de hoofdverdachte, M.D.. Er werd ook een bankonderzoek gevoerd.
- Hoewel de minderjarige hierover tijdens zijn verhoor geen verklaring wenste af te leggen, gaf zijn raadsman op de zitting van 4 april 2025 aan dat deze feiten niet (langer) betwist worden.
- Gelet op al het bovenstaande acht de rechtbank de feiten vervat onder de tenlasteleggingen E, F en G bewezen. Het staat naar oordeel van de rechtbank vast dat de witgewassen gelden een illegale herkomst hadden en dat de minderjarige hiervan op de hoogte was. 1.1.
- Lidmaatschap criminele organisatie
- Onder tenlastelegging H wordt de minderjarige ervan beschuldigd dat hij deel uitmaakte van een criminele organisatie in de zin van artikel 324bis van het Strafwetboek. Hierbij werd ook de in artikel 324ter, § 1 van het Strafwetboek vermelde verzwarende omstandigheid voorzien dat deze criminele organisatie gebruik maakt van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie, of commerciële of andere structuren aanwendt om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken. Het openbaar ministerie verduidelijkte op de openbare zitting van 4 april 2025 dat de minderjarige beschouwd wordt als een lid van de zogenaamde ‘WTC-bende' die opereert in Aalst en van daaruit allerlei strafbare feiten pleegt. Daarin zou hij opereren als ronselaar bij witwaspraktijken en straatdealer. Er werd in dat verband een syntheseproces-verbaal gevoegd om te kaderen met wie de minderjarige omging. De minderjarige en zijn raadsman hebben dit feit op de zitting van 4 april 2025 betwist.
- Ook al zijn er zeker aanwijzingen dat de minderjarige zich effectief vaak ophield met andere jongeren in de buurt van de Fifa-kooi in Aalst en dat zij er in aanraking kwamen met de politie, bevat het strafdossier onvoldoende bewijzen dat deze jongeren een criminele organisatie vormden. Linken met andere jongeren op basis van politionele informatie die niet getoetst is aan het gerechtelijk gevolg volstaat daartoe alleszins niet. Noch de vermeende structuur van de vereniging, noch het oogmerk om misdrijven te plegen wordt concreet aangetoond. De rechtbank acht het feit vervat onder tenlastelegging H derhalve niet bewezen. 1.1.
- Opzettelijke slagen en verwondingen
- Tot slot wordt de minderjarige ervan beschuldigd dat hij op 24 maart 2024 in Lede betrokken geraakte bij twee vechtpartijen en dat hij daarbij slagen en verwondingen heeft toegebracht die ten aanzien van twee van de vier benadeelden een arbeidsongeschiktheid veroorzaakt hebben (tenlasteleggingen I en J).
- B. D. L. verklaarde dat hij samen met een vriend, E. R., in gesprek was aan de sporthal van Lede wanneer een meisje voorbijkwam. Ze groetten dit meisje, waarop een jongeman met een pet verbaal agressief werd naar hen toe. Even later begon die jongeman E. R. te slaan en wanneer B. D. L. probeerde tussen te komen, werd hij ook zelf geslagen. Op dat ogenblik werden ze door een tiental jongeren omsingeld. B. D. L. verklaarde dat hij ook slagen kreeg van een fors gebouwde jongen met krukken. Daarnaast wees hij ook nog een redelijk grote jongen "van Afrikaanse origine" aan als een van de daders. E. R. bevestigde het relaas van B. D.L.. Meer bepaalde verklaarde hij dat de jongeman met de pet hem driemaal in het gezicht had geslagen. Vervolgens kwamen zijn vrienden erbij die hem ook begonnen te slaan. Wanneer zijn vriend B. D. L. tussenbeide probeerde te komen, begonnen ze ook op hem te slaan. Naast de jongeman met de pet wees hij een slanke jongen met zwarte huidskleur aan van 1.90 meter tot 1.95 meter groot. Die zou hem onder andere kniestoten gegeven hebben. Bij de aankomst van de politie naar aanleiding van een volgende vechtpartij wezen B. D. L. en E. R. de verdachten aan. Die werden ter plaatse geïdentificeerd als J. C. en de minderjarige. J. C. verklaarde dat hij via vrienden had vernomen dat hij die avond een jongen had geslagen, maar hij kon zich hiervan niet veel meer herinneren omdat hij teveel gedronken had.
- Enkele uren na dit eerdere incident, ontstond er een nieuwe vechtpartij wanneer medewerkers bij het einde van een fuif in het jeugdhuis van Lede de aanwezigen naar de uitgang begeleidden. De melder wees de richting aan waarin de verdachten waren weggelopen. Volgens hem had een van de verdachten een donkere huidskleur. In de door de melder aangewezen richting troffen de politiediensten de minderjarige aan. Bij zijn spontane verklaring aan de politiediensten gaf de minderjarige aan dat de security iedereen begon te duwen en een jonge manspersoon hierop drie medewerkers een slag had gegeven. Aan de fuifzaal stelden de politiediensten vast dat er inderdaad drie personen verwondingen hadden opgelopen, met name R. L., J. V.D.F. en X. V.. Er kon evenwel nog geen verhoor van hen worden afgenomen omdat ze onder invloed van alcohol zouden geweest zijn. Uit de verklaring van X. V. blijkt dat hij R. L. op de grond zag liggen met een bloedende verwonding in zijn gezicht. Hij ging hierop met J. V.D.F. naar buiten, maar werd daar in elkaar geslagen door een groepje jongeren die al eerder voor problemen hadden gezorgd. Zelf kreeg hij een slag in het gezicht. Hij kon zich hiervan niet veel meer herinneren omdat hij het bewustzijn verloren was. Wel wist hij nog zeker dat één van de personen die hem geslagen had een donkere huidskleur had. Later had hij vernomen dat dit een zekere 'Rudolph' betrof. J. V.D.F. verklaarde eveneens dat hij samen met A. D. en X. V. op een groepje jongeren afstapte. Vervolgens sloeg een jongeman met opvallende krullen hem vanuit het niets. Hierdoor verloor hij even het bewustzijn. Wanneer hij bijkwam, zag hij diezelfde persoon slagen toebrengen aan X. V.. Verder herinnerde hij zich nog dat een persoon met een zwarte huidskleur hem nogmaals probeerde te slaan, maar dit hem werd verhinderd door omstaanders. R. L. gaf aan dat hij in elkaar geslagen werd, maar dat hij zich hiervan niets meer kon herinneren. A. D. werd aangewezen als getuige. Hij verklaarde dat hij tijdens de fuif als vrijwillig veiligheidsmedewerker actief was. Een groepje jongeren zou al de hele avond voor problemen hebben gezorgd. Opeens zag hij dat een jonge man met krullen R. L. een vuistslag gaf. Wanneer hij samen met andere veiligheidsmedewerkers buiten kwam, ontstond er een discussie met enkele jongeren. Daarbij zou een jongeman met zwarte huidskleur ermee hebben gedreigd hun keel over te snijden. Even later zag hij diezelfde jongeman een vuistslag geven aan J. V.D.F. en aan X. V.. Hij belde de politiediensten op, waarna hij hen de richting wees waarin hij de jongeman met de krullen en de jongeman met de zwarte huidskleur had zien wegvluchten.
- Bij zijn verhoor op 16 september 2024 wou de minderjarige de vragen naar zijn betrokkenheid bij deze vechtpartijen niet beantwoorden. Op de zitting van 4 april 2025 verklaarde de minderjarige dat hij de vechtpartij wel gezien had, maar dat hij zelf niets gedaan had. Hij zou naar eigen zeggen zelfs geprobeerd hebben de betrokkenen uit elkaar te halen.
- Gelet op al het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de feiten vervat onder tenlasteleggingen I.1,I.2, J.1 en J.2 wel degelijk bewezen zijn. Wat tenlasteleggingen I.1 en J.1 betreft, verwijst de rechtbank in het bijzonder naar: - de geloofwaardige verklaringen van beide slachtoffers die de minderjarige duidelijk aanwezen als een van de daders; - de vaststellingen van de politiediensten die de minderjarige en J. C. ter plaatse aantroffen; - de bij de slachtoffers vastgestelde verwondingen en hun medische attesten. Tenlasteleggingen I.2 en J.2 worden dan weer in het bijzonder bewezen door: - de geloofwaardige getuigenverklaring van A.. D. die de minderjarige duidelijk aanwees als een van de daders; - de vaststellingen van de politiediensten die de minderjarige aantroffen in de door deze getuige gewezen richting; - de verklaring van X. V. die vernomen had dat hij geslagen werd door een zekere 'XXX', wat bijna overeenstemt met de voornaam van de minderjarige; - de verklaring van J. V.D.F. die de minderjarige als zeer fel omschreef en verklaarde dat hij hem nog een slag probeerde uit te delen; - de bij de slachtoffers vastgestelde verwondingen en hun medische attesten. De andersluidende verklaring van de minderjarige op de zitting van 4 april 2025 acht de rechtbank niet geloofwaardig, in het licht van de verschillende voorliggende verklaringen die hem aanwezen als een van de agressoren. 1.
- Sanctie
- Bij de beslissing een sanctie op te leggen, houdt de jeugdrechtbank rekening met alle in artikel 16, §1 van het Jeugddelinquentiedecreet vermelde factoren, namelijk: - de ernst van de feiten, de schade en de gevolgen voor het slachtoffer; - de persoonlijkheid en maturiteit van de delictpleger; - recidive, of het risico op recidive; - de veiligheid van de maatschappij; - de leefomgeving van de delictpleger; - de veiligheid van de delictpleger. De op te leggen sanctie moet er in het bijzonder toe bijdragen dat de delictpleger zijn gedrag en ingesteldheid zou aanpassen, zodat hij nooit meer dergelijke feiten zou plegen.
- Ro. werd wegens de hem ten laste gelegde feiten voorgeleid bij de jeugdrechter. Bij beschikking van 3 april 2024 werd hij toevertrouwd aan GI De Grubbe voor een gesloten oriëntatie. Vanaf 2 mei 2024 werd hem een gesloten begeleiding opgelegd die eerst plaatsvond in GI De Kempen, campus De Markt en vervolgens vanaf 16 mei 2024 in GI De Zande, campus Beernem. Sinds 10 juli 2024 werd hij toevertrouwd aan GI De Zande, campus Wingene. Ingevolge de beschikking van 25 februari 2025 wordt deze maatregel gecombineerd met delictgerichte contextbegeleiding.
- Vooreerst benadrukt de jeugdrechtbank dat de gepleegde feiten bijzonder ernstig zijn, wat alleen al blijkt uit de aanzienlijke straffen die hierop gesteld zijn bij meerderjarigheid. De minderjarige werd al opgevolgd door de jeugdrechter naar aanleiding van een eerder jeugddelict (gekend onder dossier nummer 464.M.2023/K3), waarbij hem voorwaarden opgelegd werden. Desalniettemin heeft de minderjarige zich opnieuw bezondigd aan tal van zware jeugddelicten.
- De sociale dienst bij de jeugdrechtbank heeft een maatschappelijk onderzoek gevoerd naar de minderjarige en hieromtrent een verslag van 14 januari 2025 neergelegd. Hierin werden verschillende zorgen geformuleerd, zoals dat Ro. meermaals in fugue ging, dat hij opstandig en agressief kon reageren wanneer hij bijgestuurd werd of negatieve boodschappen kreeg en dat hij meermaals betrapt werd op het gebruik van cannabis. Er werd geadviseerd om verder gesloten begeleiding op te leggen gedurende 9 maanden, in combinatie met delictgerichte contextbegeleiding. Bij een geactualiseerde nota van 1 april 2025 lichtte de consulente de rechtbank nog in omtrent informatie vanuit GI De Zande, campus Wingene. Hieruit blijkt onder meer dat de minderjarige goed functioneerde binnen de leefgroep, hij twee dagen per week naar school ging en een stageplek zocht. Op 27 maart 2025 zou Ro. evenwel verbale en fysieke agressie gesteld hebben ten aanzien van een begeleidster. Hiervoor werd een derde jeugddelict gevorderd (dossier gekend onder het nummer 96.M.2025). Dienvolgens werd hij voor een nieuwe gesloten oriëntatie toevertrouwd aan GI De Grubbe. De consulente legde op 3 april 2025 nog een bijkomende nota neer waarin het hulpaanbod dat aan de minderjarige werd geboden nader werd toegelicht.
- Het openbaar ministerie vorderde op de zitting van 4 april 2025, conform het advies van de sociale dienst, om een gesloten begeleiding van 9 maanden op te leggen. De raadsman van de minderjarige stelde als ambulante sanctie het behoud van delictgerichte contextbegeleiding voor.
- Rekening houdende met de hierboven vermelde criteria en het belang van de minderjarige delictpleger is de rechtbank, conform het advies van de sociale dienst en de vordering van het openbaar ministerie, van oordeel dat een verdere gesloten begeleiding gedurende 9 maanden zich opdringt. Om tegemoet te komen aan de doelstellingen van het Jeugddelinquentiedecreet kan er geen minder ingrijpende sanctie worden opgelegd. Uit de aard en opeenvolging van de gepleegde delicten, blijkt immers dat de minderjarige vooralsnog een gesloten kader nodig heeft om te vermijden dat hij nieuwe feiten zou plegen. Hierbij neemt de rechtbank ook de risicotaxatie van het oriëntatieverslag van 30 april 2024 van GI De Grubbe mee in overweging, waarin het risiconiveau hoog ingeschat werd. De rechtbank betreurt de nieuwe feiten waarvan Ro. verdacht wordt ten zeerste. Uit de verslaggeving blijkt immers dat er net kleine stappen vooruit gezet werden in het parcours van de minderjarige. Zo leek onder meer de delictgerichte contextbegeleiding een positief effect te hebben op hem en toonde Ro. zich gemotiveerd om niets meer met justitie te maken te hebben. 1.
- Burgerlijke aansprakelijkheid
- Ro. was minderjarig toen hij de feiten pleegde, zodat tweede en derde gedaagde als ouders, overeenkomstig artikel 1384 van het oud Burgerlijk Wetboek (thans artikel 6.12 van het nieuw Burgerlijk Wetboek) burgerrechtelijk aansprakelijk zijn voor hun kind. Ingevolge artikel 61 van de Jeugdbeschermingswet zijn de burgerrechtelijk aansprakelijke personen hoofdelijk gehouden tot de kosten, tot teruggave en tot schadevergoeding. 1.
- Kosten- en bijdrageverplichtingen
- Gelet op de bovenstaande overwegingen moeten de minderjarige delictpleger en zijn ouders hoofdelijk worden veroordeeld tot de kosten van de publieke vordering. Er is geen aanleiding om een bijdrage te bepalen, gezien de aard van de opgelegde sanctie. 1.
- Burgerlijke belangen
- Naar aanleiding van de zitting van 4 april 2025 stelden B. D. L. en E. N.V. zich alvast als burgerlijke partij in huidige procedure. Om de moeder van de minderjarige toe te laten na te gaan of haar (eventuele) familiale verzekeraar tussenkomst wenst te verlenen, acht de rechtbank het opportuun om de zaak, op burgerlijk gebied, in haar totaliteit in voortzetting te stellen naar de zitting van 20 juni 2025 om 11.00 uur. 1.
- Overtuigingsstukken
- Conform de vordering van het openbaar ministerie hiertoe, moeten de overtuigingsstukken neergelegd op de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, gekend onder: - BABJ0914: Samsung (C, E, F, G en H) - BABJ7745: Opinel mes (D2) - BABJ7746: Opinel mes (D2) - BABJ7747: Push daggers (D2) - BABJ7733: 2 werpsterren (D1) - BABJ7731: keukenmes (D1) - BABJ7732: zakmes (D1) verbeurd verklaard worden op grond van artikel 42, 1° en 43 van het Strafwetboek, zijnde zaken die gediend hebben tot het plegen van de jeugddelicten. Op de zitting van 4 april 2025 gaf de raadsman van de minderjarige hiertegen geen bezwaar te hebben.
- Daarnaast stelde het openbaar ministerie op 27 februari 2025 een schriftelijke vordering tot bijzondere verbeurdverklaring van 145 euro. Ook op de zitting van 4 april 2025 werd deze vordering gesteld. Er werd hierbij verwezen naar de gelden die onder het SIN-nummer BABJ1301 in beslag genomen werden ten aanzien van de minderjarige naar aanleiding van de fouille op 30 maart
- Zoals voorzien in het bewezen verklaarde feit vervat onder tenlastelegging C was de minderjarige op dat ogenblik cannabis aan het verkopen. Op de zitting van 4 april 2025 gaf de raadsman van de minderjarige geen bezwaar te hebben tegen deze vordering. In toepassing van artikel 42, 3° en artikel 43bis Sw. beveelt de rechtbank de verbeurdverklaring van het vermogensvoordeel ten bedrage van 145 euro. (…)” werd als volgt beslist: “(…) Rechtdoende OP TEGENSPRAAK ten aanzien van Ro. N. Z. en G. M. en BIJ VERSTEK ten aanzien van N. N. Z. , Voorafgaand - Heromschrijft, herkwalificeert en hernummert de feiten van de tenlastelegging D.1 en D.2 als volgt: D dragen, zonder wettige reden, van vrij verkrijgbare niet-vuurwapens vrij verkrijgbare wapens, zoals omschreven in artikel 3, § 2 van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, die niet als vuurwapens worden beschouwd, te hebben gedragen zonder daartoe een wettige reden te hebben kunnen aantonen, (art. 3 § 2, 9, 23 lid 1, en 26 Wet 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens - gestelde straf bij meerderjarigheid: gevangenisstraf van één maand tot vijf jaar en/of een geldboete van 100 euro tot 25.000 euro) 1 te Aalst op 4 maart 2024, nl. 2 pushdaggers (werpmessen) 2 te Aalst op 15 maart 2024, nl. 2 pushdaggers (werpmessen) K dragen van 'omstandigheidswapens' scherpe, snijdende of stompe voorwerpen en stoffen te hebben gedragen, die niet als wapen zijn ontworpen, maar waarvan, gegeven de concrete omstandigheden, duidelijk is dat degene die ze draagt of vervoert, ze wenst te gebruiken voor het toebrengen van lichamelijk letsel aan of het bedreigen van personen, (art. 19 lid 1, 7°, 23 lid 1 en 26 Wet 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens — gestelde straf bij meerderjarigheid: gevangenisstraf van één maand tot vijf jaar en/of een geldboete van 100 euro tot 25.000 euro) 1 te Aalst op 4 maart 2024, nl. 1 steakmes en 1 zakmes merk Opinel 2 te Aalst op 15 maart 2024, nl. 2 plooimessen merk Opinel Op protectioneel gebied - De jeugdrechtbank verklaart de feiten onder tenlasteleggingen A.1, C, D.1 (zoals heromschreven), D.2 (zoals heromschreven), E, F, G, I.1, I.2, J.1, J.2, K.1 (zoals hernummerd en geherkwalificeerd) en K.2 (zoals hernummerd en geherkwalificeerd) bewezen. - De jeugdrechtbank spreekt de minderjarige vrij voor de feiten onder tenlasteleggingen A.2, B en H. - De jeugdrechtbank vertrouwt de minderjarige gedurende 9 maanden verder toe aan de gemeenschapsinstelling De Zande, campus Wingene in het kader van een gesloten begeleiding en dit vanaf heden 25 april 2025 tot en met 24 januari 2026, maatregel met tussenkomst in de kosten door de subsidiërende overheid. - Legt, in combinatie hiermee, ten aanzien van de minderjarige tevens een ambulante maatregel op, meer bepaald delictgerichte contextbegeleiding uitgevoerd door vzw Apart, De Pion, vanaf heden 25 april 2025 tot maximum 4 april 2026, maatregel met tussenkomst in de kosten door de subsidiërende overheid. - De jeugdrechtbank stelt de minderjarige, overeenkomstig artikel 29 § 2, lid 2 Decreet Jeugddelinquentierecht, verder onder toezicht van de sociale dienst bij de jeugdrechtbank. Omtrent de kosten en bijdragen - De jeugdrechtbank veroordeelt Ro. N. Z. tot de gerechtskosten, ondeelbaar veroorzaakt door de bewezen delicten, in hun geheel begroot op 1.440,32 euro. - De jeugdrechtbank verklaart N. N. Z. en G. M., als ouders, burgerrechtelijk aansprakelijk en hoofdelijk met Ro. N. Z. gehouden tot betaling van de hierboven vermelde gerechtskosten. - De jeugdrechtbank zegt dat er geen aanleiding is om de delictpleger en zijn ouders een bijdrage ten laste te leggen in de kosten van onderhoud, opvoeding en behandeling die voortvloeien uit de genomen sanctie. Omtrent de overtuigingsstukken - De jeugdrechtbank verklaart Ro. N. Z. , overeenkomstig artikel 42 - 1° en 43 Sw., verbeurd van volgende inbeslaggenomen overtuiggingsstukken: o BABJ0914: Samsung (C, E, F, G en H) o BABJ7745: Opinel mes (D2) o BABJ7746: Opinel mes (D2) o BABJ7747: Push daggers (D2) o BABJ7733: 2 werpsterren (D1) o BABJ7731: keukenmes (D1) o BABJ7732: zakmes (D1) - De jeugdrechtbank beveelt de vernietiging van volgende inbeslaggenomen overtuiggingsstukken: o BABJ7744: 1 gr. cannabis o BABJ1302: 7,3 gr. cannabis o BABJ0329: 5 gr. cannabis o BABJ7747: KBC bankkaart Bijzondere verbeurdverklaring - spreekt lastens Ro. N. Z. , overeenkomstig art. 42, 3° en 43bis Sw., de bijzondere verbeurdverklaring uit van een bedrag van 145 euro, zijnde de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit de misdrijven zijn verkregen, die terzake in beslag genomen werden onder het SIN-nummer BABJ1301 en ter bewaring op de rekening van het COIV werden gestort; Op burgerrechtelijk gebied - De rechtbank stelt de zaak, op burgerlijk gebied, in voortzetting om verder te worden behandeld op de zitting van 20 juni 2025 om 11.00 uur. De jeugdrechtbank beveelt, in toepassing van artikel 58, in fine van de Jeugdbeschermingswet, de voorlopige tenuitvoerlegging van dit vonnis, behalve wat betreft de beslissing aangaande de kosten, overtuigingsstukken en bijzondere verbeurdverklaring. (…)” Tegen dit vonnis is op 2 mei 2025 hoger beroep ingesteld door het openbaar ministerie, conform het neergelegde grievenformulier. Op 21 mei 2025 heeft ook (de advocaat van) de minderjarige navolgend hoger beroep ingesteld, conform een neergelegd grievenformulier. Op de zitting van 26 mei 2025 is de zaak vervolgens uitgesteld naar de zitting van 23 juni 2025 zodat de burgerlijke partijen behoorlijk zouden kunnen worden opgeroepen. Werden gehoord in openbare terechtzitting op 23 juni 2025, in het Nederlands en buiten de aanwezigheid van andere minderjarigen, en waarbij de debatten volledig zijn hernomen geweest: N. Z. Ro. , minderjarige ten tijde van de feiten, thans meerderjarige, in zijn middelen van verdediging, vertegenwoordigd door meester Veerle Vanden Steen, advocaat te Meerbeke, in de plaats van meester Karen Van Den Driessche, advocaat te Aalst; N. Z. N., vader van de minderjarige, verschijnt ter terechtzitting niet, noch iemand voor hem, alhoewel behoorlijk gedagvaard; M. G., moeder van de minderjarige, verschijnt ter terechtzitting niet, noch iemand voor haar, alhoewel behoorlijk gedagvaard; D. L. B. , burgerlijke partij, bijgestaan door meester Jan Fieremans, advocaat te Moorsel; R. E. , burgerlijke partij, verschijnt ter terechtzitting niet, noch iemand voor hem, alhoewel behoorlijk gedagvaard; V.D.F. J., burgerlijke partij, verschijnt ter terechtzitting niet, noch iemand voor hem, alhoewel behoorlijk gedagvaard; E. NV, burgerlijke partij, vertegenwoordigd door meester Tess Eeckhaudt, in de plaats van meester Jacques Heyvaert, beiden advocaat te Dendermonde; V. X., burgerlijke partij, verschijnt ter terechtzitting niet, noch iemand voor hem, alhoewel behoorlijk gedagvaard; Het openbaar ministerie, in zijn vordering bij monde van advocaat-generaal Inge T' Hooft.
- Het openbaar ministerie stelt op 2 mei 2025 tijdig en regelmatig, en in die mate ontvankelijk hoger beroep in tegen de beslissing van de jeugdrechter van 25 april 2025 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie familie- en jeugdrechtbank. Blijkens het grievenformulier stelt het openbaar ministerie hoger beroep in tegen de beslissing om Ro. N. Z. (hierna: de minderjarige) vrij te spreken voor de feiten vermeld onder tenlastelegging A.2 (opzettelijke brandstichting van bouwwerken of vervoermiddelen met vermoeden van menselijke aanwezigheid met verzwarende omstandigheden), B (opzettelijke brandstichting van andermans roerende goederen met verzwarende omstandigheden) en H (deel uitmaken van een criminele organisatie). Tijdens de zitting van 23 juni 2025 vordert het openbaar ministerie (net zoals het openbaar ministerie had gevorderd tijdens de zitting van 26 mei 2025) dat ook de tenlasteleggingen A.2, B en H zouden worden bewezen verklaard, en dat het beroepen vonnis voor het overige zou worden bevestigd.
- De minderjarige heeft op 21 mei 2025 tijdig en regelmatig en in die mate ontvankelijk hoger beroep ingesteld, blijkens het grievenformulier, tegen de beslissing tot schuldigverklaring voor de feiten vermeld onder tenlastelegging I. en J., zijnde opzettelijke slagen en verwondingen, en tegen de opgelegde maatregel, zijnde 9 maanden plaatsing in een gesloten gemeenschapsinstelling. Tijdens de zitting van 23 juni 2025 was de minderjarige niet aanwezig, maar wel vertegenwoordigd door zijn advocaat. De minderjarige vordert om arrest te verlenen conform het grievenformulier, nl. hem vrij te spreken voor de opzettelijke slagen en verwondingen, en te beslissen dat hij niet zou worden geplaatst in een gesloten gemeenschapsinstelling.
- N. N. Z. en G. M. (hierna: de burgerlijk aansprakelijke partijen) zijn, hoewel zij behoorlijk werden gedagvaard, niet ter zitting verschenen en evenmin waren zij vertegenwoordigd.
- De burgerlijke partij B. D. L. was ter zitting bijgestaan door zijn advocaat en vordert de bevestiging van het beroepen vonnis.
- De burgerlijke partij NV E., vordert blijkens haar conclusie, neergelegd ter zitting van 23 juni 2025: - Haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; - Rekening houdend met de vrijwillige tussenkomst van verzekeringsmaatschappij N., aansprakelijkheidsverzekeraar van mevrouw G. M., tegen wie E. ook over een rechtstreeks vorderingsrecht beschikt, wordt bij deze de vordering van E. uitgebreid ten aanzien van deze vrijwillig tussenkomende partij. - Dienvolgens beklaagde en de burgerlijk aansprakelijke partijen en de vrijwillig tussenkomende partij N. solidair minstens in solidum te veroordelen tot betaling aan E. van de som van 9.623 euro, meer de vergoedende rente vanaf 14 mei 2024, meer op dit geheel de gerechtelijke interesten. - Beklaagde en de burgerlijke aansprakelijke partijen en de vrijwillig tussenkomende partij N. solidair minstens in solidum te verwijzen in de kosten, begroot aan de zijde van E. op een rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg van 1.412,79 euro en in hoger beroep van 1.412,79 euro.
- De overige burgerlijke partijen E. R., J. V.D.F., en X. V., zijn ter zitting niet verschenen, hoewel ook zij behoorlijk zijn gedagvaard geweest.
- Het hof verwijst eerst, voor wat betreft de feitelijke voorgaanden en de chronologie in dit dossier, naar de eerder in dit arrest weergegeven en oordeelkundige motieven van de eerste rechter. Behalve waar het hof daar hierna van afwijkt en anders motiveert, maakt het hof zich die oordeelkundige motieven eigen en moeten die hier als overgenomen worden beschouwd. Daarbij merkt het hof op, louter duidelijkheidshalve, dat er een materiële verschrijving is geslopen op blz. 8, nr. 5, tweede en laatste alinea, in het beroepen vonnis, waar met “A.1 en B” wordt bedoeld: “A.2 en B”. Samen met de eerste rechter, en met overname van diens oordeelkundige motieven, oordeelt ook het hof, voor zoveel als nodig, dat de feiten van de (deels heromschreven) tenlasteleggingen A.1, C, D.1, D.2, E., F. G., I.1, I.2, J.1, J.2, K.1 en K.2 bewezen zijn gebleven ten aanzien van de minderjarige. Het gaat voor alle duidelijkheid om volgende feiten, die in hoger beroep niet worden betwist: - Opzettelijke brandstichting bij nacht van een bewoonde woning; te Aalst op 4 januari 2024, omstreeks 3 uur ’s nachts, heeft de minderjarige met behulp van een jerrycan met brandbare vloeistof een rijwoning in de Bredestraat 56 te Aalst in brand gestoken, waar zich op dat ogenblik B. E.A., L.-M. K., M. L.-E. B., M. L.-I. bevonden; en waar verder ook nog M. L.-L. (bijgenaamd “M. Savastano”, naar het personage uit de maffia-televisiereeks “Gomorra”; betrokkene heeft op de sociale media – website “instagram” een profiel met de naam “Savastano”) verblijft maar op het ogenblik van de feiten niet aanwezig was (tenlastelegging A.1), feit dat de minderjarige heeft bekend ter zitting bij de eerste rechter op 4 april 2025; - De verkoop van drugs; op 30 maart 2024 zijn bij de minderjarige 145 euro cash geld, en 5 zakjes cannabis (7,3 gram) aangetroffen, alsook zijn in zijn gsm-toestel notities aangetroffen die wijzen op de boekhouding van een drugshandel (tenlastelegging C), feit dat de minderjarige heeft bekend ter zitting bij de eerste rechter op 4 april 2025; - Inbreuken op de wapenwetgeving: blijkens aanvankelijk proces-verbaal DE.36.LB.003013/2024 van 5 maart 2024 en navolgend pv 001326/25 van 31 januari 2025 zijn bij de minderjarige op 4 maart 2024 ’s avonds omstreeks 23.00 een plooimes van het merk Opinel, een steakmes, en twee zgn. “pushdaggers” (dit zijn kleine vuistdolken – steekwapens met een kort lemmet en een heft die toelaat het wapen in de gesloten vuist te houden) aangetroffen; nog geen twee weken later, in de nacht van 15 op 16 maart 2024, wordt de minderjarige blijkens aanvankelijk pv DE.36.LB.003468/2024 van 16 maart 2024 opnieuw aangetroffen in het bezit van een Opinel en twee vuistdolken (tenlasteleggingen D.1, D.2, K.1 en K.2, zoals heromschreven door de eerste rechter); - Witwasmisdrijven: blijkens aanvankelijk proces-verbaal GE.27.LA.089311/2023 van 10 december 2023 en de overige stukken van het dossier, benadert de minderjarige een klasgenoot met de vraag om diens bankrekening te mogen gebruiken; de kaart en pincode van die klasgenoot worden uitgeleend aan de minderjarige; vervolgens worden verschillende transacties verricht op de rekening van de klasgenoot, waarvoor noch die klasgenoot, noch de minderjarige een (geloofwaardige of redelijke) verklaring kunnen bieden, en wordt ook een bedrag van 4.500 euro gestort op diens bankrekening, dat die klasgenoot cash moet afhalen en aan de minderjarige bezorgen. Wanneer vervolgens de vader van de klasgenoot de transacties op de rekening van zijn zoon opmerkt en diens rekening blokkeert, zodat de klasgenoot geen cash geld meer kan bezorgen aan de minderjarige, worden die klasgenoot (en zijn ouders) bedreigd – en terzijde, enigszins specifiek bedreigd met brandstichting en steekpartijen (tenlasteleggingen E, F, G).
- Het hof merkt ook op, voorafgaandelijk en duidelijkheidshalve, dat waar het proces-verbaal van terechtzitting en het zittingsblad van 26 mei 2025 en van 23 juni 2025 zulks niet in extenso vermelden, het openbaar ministerie wel degelijk heeft volhard in zijn hoger beroep tegen de vrijspraak voor de tenlasteleggingen A.2, B en H, en voor het overige de bevestiging van het beroepen vonnis vordert. Het hof bespreekt hierna die tenlasteleggingen in de volgorde zoals het hof dat gepast acht.
- Er is, vooreerst, betwisting omtrent de feiten van tenlastelegging H, lidmaatschap van een criminele organisatie in de zin van de artikelen 324bis en 324ter, §1 Strafwetboek. Het openbaar ministerie houdt voor dat de minderjarige deel uitmaakt van de zogenaamde “WTC-bende”, de zgn. “Watertoren Crew”, die strafbare feiten pleegt in de omgeving van Aalst. De minderjarige betwist dat. De eerste rechter heeft beoordeeld dat de feiten van deze tenlastelegging niet bewezen zijn, en in het bijzonder dat de vermeende structuur van de vereniging, noch het oogmerk om misdrijven te plegen, concreet worden aangetoond. Het openbaar ministerie vordert in hoger beroep de feiten alsnog bewezen te verklaren, en de minderjarige vordert de bevestiging van de beslissing van de eerste rechter. Artikel 324 bis Strafwetboek bepaalt: “Met criminele organisatie wordt bedoeld iedere gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die duurt in de tijd, met als oogmerk het in onderling overleg plegen van misdaden en wanbedrijven die strafbaar zijn met gevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf, om direct of indirect vermogensvoordelen te verkrijgen. Een organisatie waarvan het feitelijke oogmerk uitsluitend politiek, vakorganisatorisch, menslievend, levensbeschouwelijk of godsdienstig is of die uitsluitend elk ander rechtmatig oogmerk nastreeft, kan alszodanig niet beschouwd worden als een criminele organisatie zoals omschreven in het eerste lid.” Artikel 324ter §1 Strafwetboek bepaalt: “§ 1 Wanneer de criminele organisatie gebruik maakt van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie, of commerciële of andere structuren aanwendt om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken, wordt iedere persoon die wetens en willens daarbij betrokken is, gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en met geldboete van honderd euro tot vijfduizend euro of met een van die straffen alleen, ook al heeft hij niet de bedoeling een misdrijf in het raam van die organisatie te plegen of daaraan deel te nemen op één van de in de artikelen 66 tot 69 bedoelde wijzen.” Opdat er sprake is van een criminele organisatie moet luidens artikel 324bis Strafwetboek aan drie voorwaarden gelijktijdig voldaan zijn: 1° het bestaan van een gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die duurt in de tijd; 2° het “verenigingsoogmerk” : met het oogmerk om in onderling overleg misdaden en wanbedrijven te plegen die strafbaar zijn met een gevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf; 3° het “verenigingsobjectief”: om direct of indirect vermogensvoordelen te verkrijgen (zie, ter vergelijking, Gent 18 maart 2016, TMR 2016, afl. 5, 546, noot). Uit het gegeven dat artikel 324bis Strafwetboek een criminele organisatie omschrijft als een gestructureerde vereniging van meer dan twee personen, volgt dat het bestaan van een dergelijke vereniging de betrokkenheid van minstens drie personen veronderstelt, maar niet dat de rechter een beklaagde slechts aan één van de in artikel 324ter Strafwetboek bedoelde misdrijven kan schuldig verklaren indien minstens drie personen voor dat misdrijf worden vervolgd (zie, ter vergelijking, Cass. P.24.0559.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.1, 18 juni 2024). De finaliteit van de criminele organisatie bestaat erin op geconcerteerde wijze misdrijven te plegen van een bepaalde zwaarte, namelijk misdaden of wanbedrijven die strafbaar zijn met een gevangenisstraf van drie jaar of met een zwaardere straf. Die finaliteit vereist niet dat die organisatie de bedoeling moet hebben om zowel wanbedrijven als misdaden te plegen. De vereiste van strafbaarheid met een gevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf impliceert dat de rechter een gevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf in concreto moet kunnen opleggen (zie, ter vergelijking, Cass. P.15.0006.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160927.1, 27 september 2016) (het hof begrijpt: voor zoveel als die misdrijven door meerderjarigen zouden worden gepleegd). Gelet op volgende elementen: - Vanaf bijblad 4 van proces-verbaal nr. 002510/24 van 22 februari 2024 worden verschillende tekstberichten weergegeven die de minderjarige heeft uitgewisseld met andere personen en die zijn teruggevonden op het gsm-toestel van de minderjarige. In een conversatie met gesprekspartner “Turko” (vermoedelijk, volgens de politie, A. O.) meldt de minderjarige, onder andere: “Zeg tegen iedereen dat ze me snap moeten verwijderen”, wat het hof begrijpt als: zeg tegen iedereen dat ze hun connectie met mij via het sociale media-instrument “snapchat” moeten verwijderen, en dit omwille van “hnouch”, wat het hof begrijpt als: omwille van de politie. - Aldus blijkt dat minstens drie personen zijn betrokken: de minderjarige zelf, zijn gesprekspartner Turko, en anderen aan wie een boodschap moet worden overgebracht. Ook verder hierna blijkt dat minstens twee andere personen zijn geïdentificeerd met wie de minderjarige optrok bij het plegen van strafbare feiten, nl. A. O., geboren op (…), die ook in beeld komt in verband met een steekpartij en de verkoop van cannabis, en Y. V. M. I. , geboren (…), die eveneens in beeld komt bij de verkoop van cannabis. - Verder meldt de minderjarige in diezelfde conversatie dat hij geen zin heeft om een taakstraf uit te voeren, maar eventueel wel zou gaan als hij anders lang in geslotenheid zou moeten verblijven. Zijn gesprekspartner raadt hem aan om zijn taakstraf wel uit te voeren, zodat hij buiten kan zijn, dat is, niet in geslotenheid, om “veel doekoe te maken”, het hof begrijpt: om veel geld te verdienen. - Zodat het opzet van de vereniging inderdaad is om vermogensvoordelen te verwerven en dit ook correspondeert met de materiële vaststellingen door de politie, namelijk het aantreffen van drugs, geld, en quasi-boekhoudkundige notities; - In diezelfde conversatie meldt de minderjarige, onder andere, “Ik moet nog 10 bal van Redouan en naza 5 bal he om 15 u ben wtc na mijn taakstraf” en verder “Saffe en deze week ben klaag om 14u45 dan ik kom wtc mijn geld halen”. Het hof begrijpt: de minderjarige is van zin een ‘taakstraf’ uit te voeren voor die dag om vervolgens andere leden van de WTC-vereniging te vervoegen om geld op te halen dat aan hem in dat verband en in die context zou toekomen. Er is geen andere redelijke verklaring denkbaar voor die berichten. Volledigheidshalve: er is op geen enkel moment zelfs maar beweerd dat de minderjarige ergens als jobstudent zou werken of elders op een legale manier inkomsten zou verwerven, anders dan dat hij in een verhoor van 26 maart 2024 verklaart dat hij voetbalt en daar 40 euro per match voor krijgt; en integendeel heeft hij feitelijke gedragingen (die hij niet geloofwaardig kon ontkennen, gelet op de vaststellingen door de politie) bekend in verband met de verkoop van drugs en witwasactiviteiten; - Verder blijkt uit die conversaties – met een negental andere profielen, en waarbij niet alles kon gerecupereerd worden omdat de functie “automatisch verwijderen na openen” in snapchat is geactiveerd, maar waarbij de minderjarige zelf schermafbeeldingen heeft gemaakt van conversaties – dat, zoals de politie correct samenvat, de minderjarige het inderdaad op zich neemt om in overleg met anderen (“Moussa”, “YVNGT”, “JERRA”, “Spipeh”, “Khelifi Aizedine”,…) bankkaarten en rekeninginformatie, en ook login-gegevens voor internetwinkels te bekomen en gebruiken; - Ook in het verhoor van de minderjarige op 11 december 2023 (bijlage 1 bij proces-verbaal nr. GE.LA.089650/2023) verklaart de minderjarige dat in een groep (waarin Abdu, hijzelf, en een niet nader genoemde “meerderjarige man” zitten) dat er een probleem zou zijn met het afhalen van geld dat was overgeschreven; - Uit proces-verbaal DE.36.LB.003013/2024 van 5 maart 2024 (dit is het proces-verbaal inzake de verboden wapendracht op 4 maart 2024, feiten die door de minderjarige zijn bekend) blijkt dat de minderjarige toen is aangetroffen in het gezelschap van A. O., geboren op 9 maart 2007, die ook in beeld komt in verband met een steekpartij en de verkoop van cannabis, en van Y. V. M. I. (geboren (…)) (en die ook in beeld komt in verband met de verkoop van cannabis); in zijn latere verhoor van 14 maart 2024 ontkent A. O. dat zijn bijnaam “Turko” zou zijn, net zoals hij ook ontkent “drillrap” te kennen, iets te maken te hebben met WTC, of uit de wagen te zijn gesprongen zoals de politie hem heeft zien doen; in zijn verhoor van 3 juni 2024 (bijlage bij proces-verbaal DE.LB.006852/2024 erkent A. O. dan weer wel dat hij S.B. meervoudig heeft gestoken met een vuistdolk, dit is een steekwapen zoals de vuistdolken die ook bij herhaling bij de minderjarige zijn aangetroffen geweest; en in datzelfde verhoor van 3 juni 2024 betwist A. O. niet langer dat hij in de wagen zat op 4 maart 2024; - En ook op 30 maart 2024 wordt de minderjarige bij de watertoren in Aalst aangetroffen in het gezelschap van A. O. en met 145 euro cash geld en 5 zakjes cannabis – dit zijn de feiten van tenlastelegging C die niet worden betwist); - In de zgn. “drillrap” teksten die in de notities in het telefoontoestel van de minderjarige zijn aangetroffen, is onder meer vermeld: “WTC hier alleen loyale maten hebben we verhoor dan gaan we niet veel praten” en verder: “Die mannen zijn echt niet op daden, ik kom in je os en laat je moeder tranen”; - De overweging dat de minderjarige tijdens zijn verhoren op geen enkel ogenblik een andere, geloofwaardige verklaring biedt voor één en ander, in het bijzonder, bijvoorbeeld, wat dan anders wel bedoeld zou worden met die berichten en teksten, die er op het eerste zicht op wijzen dat de minderjarige zich met anderen verenigt in de “WTC” of “Watertoren Crew” met de bedoeling om met een zekere continuïteit in de tijd drugs te verkopen en gewelddaden en misdrijven te plegen; Acht het hof afdoende aangetoond dat de minderjarige zich met minstens twee anderen verenigt in de zogenaamde “WTC”, of “Watertoren Crew”, met de bedoeling misdrijven te plegen, in het bijzonder de verkoop van drugs, waarop de gestelde straf bij meerderjarigheid tot vijf jaar gevangenisstraf is, alsook geweldmisdrijven in dat verband, en andere misdrijven (met name in verband met witwasactiviteiten), steeds om op die manier vermogensvoordelen te bekomen. De feiten van tenlastelegging H zijn bewezen ten aanzien van de minderjarige.
- Er is betwisting omtrent de feiten van tenlastelegging A.2 en B, dit is, het in brand steken bij nacht van de woning in de Caudronstraat 40 te Aalst, en daarbij ook het voertuig Peugeot 308 met als gebruikelijke bestuurder R. V.R.. De eerste rechter beoordeelde dat het tijdsverloop en de afstand tussen beide woningen het zo goed als onmogelijk maakt dat beide brandbommen (met name, de rijwoning in de Bredestraat 56 te Aalst bedoeld onder tenlastelegging A.1 en de woning en het voertuig in de Caudronstraat 40, bedoeld in tenlastelegging A.2 en B) door dezelfde dader zouden zijn gegooid geweest, en besloot om de minderjarige vrij te spreken omdat het niet buiten elke redelijke twijfel vaststaat dat hij aan de brandstichting in de Caudronstraat 40 zou hebben deelgenomen. Het openbaar ministerie gaat in beroep tegen die beslissing; de minderjarige vordert de bevestiging van de beroepen beslissing op dit punt. Het hof herneemt dat omstreeks 03.00 uur ‘s nachts een brandende jerrycan met brandstof naar de voordeur van de woning in de Caudronstraat 40 is gegooid, waar zich op dat ogenblik I. B., K.L. L. (geboren op 27 januari 2023, en net geen één jaar oud), D. L. L., N. B., Joyce L. L. en Y. B. bevonden. R. L. L., ANG-gekend voor een dertigtal feiten, ook gerelateerd aan de verkoop van drugs, en een vriend van M. L.-L. (bijgenaamd “M. Savastano”) was aanwezig in de woning maar nam de vlucht om zich aan de politie te onttrekken. Vervolgens kon hij op 4 januari 2024 alsnog worden verhoord. Hij verklaart geen idee te hebben wie de brand zou hebben kunnen aangestoken en heeft naar eigen zeggen met niemand ruzie; hij weigert ook de toegangscodes van zijn telefoontoestellen aan de politie te bezorgen. Gelet op volgende elementen: - De modus operandi, dit is de wijze van handelen, is bij beide brandstichtingen identiek, namelijk, er is een brandende plastic jerrycan met brandstof in naar de voordeur van de woning gegooid; zulks correspondeert overigens met de eerste vaststellingen en met de latere bevindingen, voor beide brandstichtingen, van deskundige P.T.; - Zoals vervat in proces-verbaal nr. 00952/24 van 23 januari 2024 en ook mondeling ter sprake is gekomen tijdens de debatten voor het hof, bedraagt de afstand van de kortste route tussen de Caudronstraat 40 en de Bredestraat 56, 1,4 kilometer te voet (via de Pieter Couckestraat, de Denderstraat, de Nieuwbrugstraat, Hertshage en de Weverijstraat) en 2,1 kilometer met de fiets, of 2,4 kilometer met de wagen; - In bijblad 1 bij proces-verbaal nr. 00952/24 van 23 januari 2024 is vermeld dat tussen beide feiten een tijdsvork van ongeveer 10 minuten ligt; de kortst denkbare tijdsvork is 7 minuten (nl. dat de politie om 03.03 uur de explosie in de Caudronstraat hoort, en dat om 03.10 uur een lichtflits wordt geregistreerd in de Bredestraat vanop de camera bij de Heilig Hartkerk); waarbij echter ook rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de verschillende tijdsregistraties (enerzijds door de politieagenten die de eerste ontploffing horen en vervolgens de registratie van de lichtflits in de Bredestraat) niet volmaakt synchroon of met zekerheid op de minuut precies zijn; - Op diezelfde camerabeelden is te zien dat de brandstichter van de Bredestraat een short of korte broek, sneakers en een korte sportieve jas draagt, en zich met een soepele loopbeweging voortbeweegt; - De minderjarige voetbalt op behoorlijk niveau en was op het ogenblik van de feiten 16 jaar en 8 maanden oud; het is evident dat hij in staat moet zijn om een afstand van 1400 meter al lopend op minder dan tien minuten af te leggen, ook met een jerrycan of zelfgemaakte brandbom bij zich (aan een matig tempo van 12 kilometer per uur is dat 7 minuten); het hof merkt hierbij op dat niet geweten is hoeveel brandstof de jerrycans bevatten, en hoe zwaar de alzo zelf vervaardigde brandbommen waren; foto 7 van het fotodossier dat als bijlage 2 bij proces-verbaal DE.47.LB.000084/2024 is gevoegd, vertoont (resten van) een eerder klein en makkelijk draagbaar plastic recipiënt, ten opzichte van de grootte van de straatklinkers; - Het hof merkt verder op, terzijde en ten overvloede, dat van algemene bekendheid is dat een 17-jarige om “redelijk” tot “goed” te scoren op de coopertest, waarbij deelnemers gedurende 12 minuten moeten hardlopen om hun conditie te meten, 2.500 tot 3.000 meter moet kunnen afleggen, en een ervaren loper meer dan 3.000 meter; - Uit proces-verbaal DE.47.LB.000086/2024 blijkt dat de politieagenten om 03:03 een ontploffing horen, en enkele minuten later worden verwittigd dat zich een ontploffing heeft voorgedaan en een voertuig in brand staat aan de Caudronstraat 40 te Aalst; vervolgens zijn om 03:14 de hulpdiensten verwittigd van de brand in de Bredestraat 56; - Op het tijdstip van de brandstichtingen, omstreeks 03.00 ’s nachts, is er nauwelijks verkeer; - De minderjarige is in verband met de feiten van tenlastelegging D en K in het gezelschap van zijn kompanen in een voertuig aangetroffen, waarbij de betrokken chauffeur weliswaar wel of niet over een geldig rijbewijs beschikte, maar waarmee in elk geval aangetoond is dat de minderjarige zich kan organiseren om zich gemotoriseerd te verplaatsen om feiten te plegen; - Zodat het niet onwaarschijnlijk of onmogelijk is maar integendeel voor de hand ligt en vanzelfsprekend is dat dezelfde persoon of personen eerst een brandende jerrycan naar de voordeur van de woning in de Caudronstraat 40 heeft of hebben gegooid, en ogenblikkelijk zijn doorgereden, of gelopen of gefietst naar de Bredestraat 56 om daar identiek hetzelfde te doen; - Waarbij dat tijdsverloop precies correspondeert met de tijd die nodig is om die afstand af te leggen, zowel gemotoriseerd (via een langere route) of met de fiets als te voet (via een kortere route); - Dat de minderjarige de feiten van tenlastelegging A.1, de tweede brandstichting, in de Bredestraat 56 reeds heeft bekend; - Dat overigens de kledij en accessoires waarmee de dader van de brandstichting in beeld komt, ook zijn aangetroffen tijdens de huiszoeking op de kamer van de minderjarige; - Waarbij op het gsm-toestel van de minderjarige volgende “drillrap” teksten zijn aangetroffen in de notities van de minderjarige: “MS bro zijn huis ontploft, DKI hoorde dus hij change van adi”, wat het hof begrijpt als M. “Savastano” L.-L. zijn huis is ontploft; met DKI wordt wellicht J-P. N. bedoeld, geboren als D. D., die adres hield aan de Parklaan 139 te Aalst, en die ook politioneel gekend is in verband met druggerelateerde feiten; En: “R2 bro zijn huis ontploft, zijn kleine broer schreeuwt zo van what is happening”, waarbij het hof begrijpt dat met R2 wordt bedoeld: R. L. L., die woont in de Caudronstraat 40; ook uit het verhoor van de zus van R. L. L. (proces-verbaal DE.LB.006530/2024 van 27 mei 2024) blijkt dat dit zijn bijnaam is; dat dit daarenboven schuldige kennis vormt; En verder ook nog: “Die cops die doet onderzoek maar ik zweer op me life ze kunnen me niet pakken g.”, (het hof begrijpt: de politie verricht onderzoek maar ze kunnen mij niet vatten) en ook: “WTC hier alleen loyale maten hebben we verhoor dan gaan we niet veel praten”, (het hof begrijpt: de Watertoren Crew bestaat enkel uit loyale leden, die zwijgen wanneer ze worden verhoord door de politie) en “Al die niggas van daar niet gevaarlijk, ze zijn niet op straat ze blijven alleen praten”, en nog: “Praten die mannen zijn echt niet op daden, ik kom in je os en laat je moeder met tranen”, en ook: “Me moeder zit ook al met tranen maar ze word weer blij als ik kom met die blaadjes.”, “Mijn naam is MC ik ben meer op actie, breng mij die job ik doe alles voor pap b.” (waarbij het hof, anders dan de politie, aanneemt dat met “pap” wordt bedoeld: “geld”, en niet een specifiek persoon met als bijnaam “pap b.”). - Dat verder blijkt dat de minderjarige opzoekingen heeft gedaan met als zoektermen: “bredestraat aalst brand”, en naar “parklaan 139 aalst brand”, en naar “wat voor straf krijg je voor huis in brand te steken als minderjarige”; en op 9 maart 2024: “Aalst bredestraat caudronstraat” - Dat een foto van het uitgebrande voertuig in de Caudronstraat te Aalst is aangetroffen op het gsm toestel van de minderjarige, dat dit zo is vermeld in bijblad 2 van proces-verbaal nr. 004336/24 van 5 april 2024; - Zodat dit geheel van feitelijke elementen werkelijk geen andere verklaring verdraagt dan dat de minderjarige zowel de brandstichting in de Caudronstraat 40, aan de woning en het voertuig Peugeot, als in de Bredestraat 56 heeft gepleegd; Oordeelt het hof dat de feiten van tenlasteleggingen A.2 en B bewezen zijn ten aanzien van de minderjarige.
- Daarnaast is er betwisting omtrent een aantal feiten van opzettelijke slagen. Het gaat om de volgende feiten: - Opzettelijke slagen met ziekte of werkonbekwaamheid van minder dan of gelijk aan vier maanden tot gevolg, gepleegd te Lede op 24 maart 2024 ten aanzien van B. D. L. (tenlastelegging I.1) en ten aanzien van X. V. (tenlastelegging I.2); en - Opzettelijke slagen, gepleegd te Lede op 24 maart 2024 ten aanzien van E. R., en ten aanzien van J. V.D.F.. De eerste rechter heeft beoordeeld dat de feiten van deze tenlasteleggingen bewezen zijn ten aanzien van de minderjarige. Blijkens zijn grievenformulier en ook blijkens zijn verklaring die hij op 26 mei 2025 heeft neergelegd ter zitting van het hof van beroep, betwist de minderjarige dat hij deze feiten zou hebben gepleegd. In die verklaring meldt de minderjarige dat hij enkel en tot tweemaal toe zou zijn tussenbeide gekomen om een gevecht te beëindigen. Het openbaar ministerie vordert de bevestiging van de beroepen beslissing op dit punt. Het hof verwijst naar de eerder in dit arrest weergegeven en oordeelkundige motieven van de eerste rechter, onder nr. 18 tot 22 op blz. 11 tot 13 van het beroepen vonnis. Niets van wat de minderjarige anders uiteenzet, in zijn grievenformulier, in zijn verklaring, of ter zitting, brengt het hof tot een ander inzicht dan dat het hof zich de motieven van de eerste rechter moet eigen maken en overnemen. Het hof merkt op dat de minderjarige op de tijd en plaats van de feiten door de slachtoffers, in gelijklopende en niet onderling afgestemde verklaringen, en waarbij zij geen enkele reden hebben om niet de waarheid te spreken, is aangewezen als dader. Enigszins ten overvloede merkt het hof op wat volgt. - Het staat buiten betwisting en de minderjarige bevestigt zelf dat hij bij de feiten aanwezig was; - Dat B. D.L., die geen enkele reden heeft om niet de waarheid te spreken, slagen zegt te hebben gekregen van een redelijk grote persoon van Afrikaanse origine; - Dat B. D. L. eveneens zegt dat dezelfde groep jongens vervolgens opnieuw amok maakte bij het jeugdhuis; - Dat E. R., die geen enkele reden heeft om niet de waarheid te spreken, verklaart dat hij kniestoten heeft gekregen van een jongen met zwarte huidskleur, tussen de 1.90m en 1.95m groot; - Dat B. D. L. en E. R. de minderjarige (die groot is van gestalte en een zwarte huidskleur heeft) en zijn kompaan hebben aangewezen als daders; - Zodat de minderjarige in elk geval is geïdentificeerd als dader bij de beide vechtpartijen, door personen die geen reden hebben om niet de waarheid te spreken, en waarbij die identificatie correspondeert met de verklaringen van de andere betrokkenen; - X. V., die geen enkele reden heeft om niet de waarheid te spreken, meldt dat hij slagen heeft gekregen van een persoon met een donkere huidskleur, van wie hij heeft vernomen dat het een zekere “XXX” zou zijn geweest – dat signalement is zeer specifiek, en de minderjarige beantwoordt eraan; er is voor zoveel als het hof weet niemand anders betrokken die aan die kenmerken beantwoordt (nl. rijzig, zwarte huidskleur, en een naam die klinkt als XXX); - J. V.D.F., die geen enkele reden heeft om niet de waarheid te spreken, meldt dat hij uit het niets slagen kreeg van een andere jongen en dat de persoon met zwarte huidskleur er bij stond, en verder, dat hij onmiddellijk het bewustzijn verloor, maar vermoedt dat hij ook nog slagen heeft gekregen van de minderjarige (de persoon met zwarte huidskleur) omdat hij meer dan één slag heeft gekregen op zijn gezicht; - Dat de man met zwarte huidskleur (de minderjarige dus) hem vervolgens nogmaals probeerde te slaan; - Dat ook R. L. – net als de andere slachtoffers B. D. L. en E. R. - gewaagt van geweld dat werd gepleegd door een groepje jongeren; - Dat ook A.. D. heeft gezien hoe de jongen met zwarte huidskleur een vuistslag heeft gegeven aan J. (V.D.F.); - Dat, voor zoveel als nodig, het hof vaststelt dat het in elk geval gaat om geweld dat werd gepleegd in groep, en dat de minderjarige daarbij mededader is.
- Nu de feiten zijn onderzocht en bewezen zijn verklaard, moet worden nagegaan wat een gepaste maatregel of sanctie is voor de minderjarige. De minderjarige vraagt om niet in geslotenheid te worden geplaatst, het openbaar ministerie vraagt de bevestiging van de beslissing van de eerste rechter. Zoals de eerste rechter ook heeft overwogen moet worden rekening gehouden met de elementen die zijn vermeld in art. 16§1 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht (het jeugddelinquentiedecreet). Het hof maakt zich de oordeelkundige motieven en de beslissing van de eerste rechter eigen, zoals weergegeven op blz. 14 en 15 van de beroepen beslissing, en vult daarbij aan wat volgt. Het jeugddelinquentierecht beoogt in de eerste plaats gedragsverandering, herstel en maatschappelijke re-integratie, en niet louter vergelding. Sancties dienen steeds proportioneel te zijn en afgestemd op de actuele situatie, waarbij het pedagogisch effect en de ontwikkelingskansen primeren (zie Gent, 2025/JZ/112, 28 juli 2025, juportal.be). Omdat de sancties moeten zijn afgestemd op de actuele situatie, kunnen ook elementen in de oordeelsvorming worden betrokken die dateren van nà de periode waarin de feiten van de tenlasteleggingen zijn gepleegd geweest. Artikel 16 jeugddelinquentiedecreet bepaalt: “§ 1 Om de beslissing tot het opleggen van een reactie te nemen, houdt de jeugdrechter of de jeugdrechtbank rekening met al de volgende factoren: 1° de ernst van de feiten, de schade en de gevolgen voor het slachtoffer; 2° de persoonlijkheid en maturiteit van de minderjarige verdachte of delictpleger; 3° recidive, of het risico op recidive; 4° de veiligheid van de maatschappij; 5° de leefomgeving van de minderjarige verdachte of delictpleger; 6° de veiligheid van de minderjarige verdachte of delictpleger. Uit de genomen beslissing blijkt duidelijk op welke wijze met de factoren rekening is gehouden.” Het hof overloopt die criteria, in het licht van de actuele situatie zoals het hof die kent op het ogenblik dat de debatten zijn gesloten geweest op 23 juni
- De feiten zijn zeer ernstig, en hebben ook ernstige schade en gevolgen voor meerdere slachtoffers doen ontstaan. De opzettelijke brandstichting bij nacht van een woning waar mensen verblijven – onder wie ook een kind van één jaar – is bij meerderjarigheid strafbaar met opsluiting van 20 tot 30 jaar en is zodoende een van de ernstigste misdrijven die het strafrecht kent. Het hof merkt hierbij op dat de bepalingen van de artikelen 510 - 513 Strafwetboek niet zijn opgenomen in de lijst van artikel 37 § 2 van het jeugddelinquentiedecreet en evenmin in de lijst van artikel 38 van het jeugddelinquentiedecreet. Dat wil zeggen dat geen toepassing kan worden gemaakt van de mogelijkheid om de minderjarige toe te vertrouwen aan een gesloten afdeling voor een duur van twee, vijf of zeven jaar, of van de mogelijkheid om de minderjarige uit handen te geven, maar dat inderdaad toepassing moet worden gemaakt van artikel 36 van het jeugddelinquentiedecreet en dat de maximale duur van de gesloten begeleiding negen maanden is. Het staat voor het hof buiten kijf dat de minderjarige ook nood heeft aan een langdurige, gesloten begeleiding, en dat minstens voor een periode van negen maanden. Wat de gevolgen voor de slachtoffers betreft, en zonder exhaustief te zijn, moet worden benadrukt dat twee volledige gezinnen, ook met minderjarige kinderen, ’s nachts in hun eigen woning zijn geconfronteerd met brandstichting, waarbij ook een voertuig volledig is uitgebrand, en dat daarnaast meerdere slachtoffers ook slagen hebben gekregen. De persoonlijkheid en maturiteit van de minderjarige zijn ongunstig. Zoals het hof in zijn arrest 2025/JZ/83 van 26 mei 2025 (waarbij moest worden beslist over een maatregel naar aanleiding van andere feiten in verband waarmee de minderjarige in beeld komt) heeft overwogen: “bij gebrek aan tijdige nuttige medewerking zijnentwege, op een ogenblik dat hem daartoe ruim de kans is geboden geweest, is het moeilijk om een accuraat beeld van de persoonlijkheid van de minderjarige te krijgen; maar vooralsnog is het beeld niet gunstig, en komt de minderjarige als een gesloten jongeman over met weinig scrupules, wroeging of probleembesef.” Die antisociale attitude toont zich ook in aangelegenheden die banaler lijken: in bijlage 2 bij proces-verbaal nr. 003405/24 van 14 maart 2024 meldt de politie dat bij de huiszoeking in de woning van de minderjarige wordt opgemerkt “dat er tientallen ongeopende en bijgevolg onbetaalde retributies van de NMBS liggen op naam van [de minderjarige]. De retributies werden uitgeschreven naar aanleiding van zwartrijden door [de minderjarige]”. Uit het dossier blijkt dat de minderjarige diep ingewortelde antisociale cognities koestert. Er zijn geen ernstige of overtuigende aanwijzingen dat de minderjarige berouw zou voelen of schuldinzicht heeft. Integendeel verheerlijkt hij de feiten die hij pleegt in zogenaamde drillrap-teksten die zijn aangetroffen op zijn telefoon, en snoeft hij dat de politie hem niet kan vatten. De morele regels die hij beschrijft, impliceren ook dat niet wordt gepraat of meegewerkt met de politie. Van bij het eerste verhoor tot de zitting waarop de debatten zijn gesloten, en waar de minderjarige afwezig is gebleven, heeft de minderjarige inderdaad nooit op een ernstige manier meegewerkt aan het onderzoek, of omstandige verklaringen gedaan. Verder houdt de minderjarige voor met autisme te kampen, in verband waarmee hij zich op wachtlijsten zou hebben ingeschreven. Blijkens een eigen verslag dat is neergelegd ter zitting van 23 juni 2025, is hij gestopt met school en zou hij willen gaan werken. Hij heeft evenwel voor zoveel als het hof weet, op 23 juni 2025, nog geen werk gevonden, en heeft dus opnieuw, voor zoveel als het hof weet, geen nuttige dagbesteding. Behalve dat hij die feiten waar voor hem vermogensrechtelijke gevolgen en een verplichting tot schadevergoeding aan kunnen worden vastgeknoopt, systematisch ontkent, heeft hij ook en voor zoveel als het hof weet, nooit een ernstige poging ondernomen om slachtoffers van de feiten die hij pleegt spontaan te vergoeden. Het recidiverisico is uitzonderlijk hoog. De minderjarige recidiveert tijdens als na de relevante periode, en tussenkomst van politie of gerecht lijken de minderjarige niet of nauwelijks tot andere inzichten of ander gedrag te bewegen. Nadat de minderjarige op 4 maart 2024 was aangetroffen in het bezit van onder andere twee vuistdolken, en daar door de politie op wordt aangesproken, blijkt hij in de nacht van 15 op 16 maart 2024 opnieuw te worden aangetroffen in het bezit van twee vuistdolken. Ook na de relevante periode voor de feiten die in deze zaak worden besproken, is de minderjarige opnieuw ter verantwoording moeten worden geroepen, zoals blijkt uit het eerder vermelde arrest 2025/JZ/83 van 26 mei
- In die zaak heeft het openbaar ministerie toen uiteengezet dat de minderjarige op 27 maart 2025 te Wingene bedreigingen zou hebben geuit tegen een opvoeder in GI De Zande, namelijk door tegen hem te verklaren: “Ik ga u kapotmaken. Als ik u buiten alleen tegen kom dan ga je er aan”, en ook door gebaren, namelijk door een schopbeweging te maken in de richting van diezelfde opvoeder, en dat hij vervolgens opzettelijk slagen en verwondingen zou hebben toegebracht met arbeidsongeschiktheid voor gevolg, met de omstandigheid dat het geweld is gepleegd tegen personeel van een instelling waar hij verbleef, namelijk tegen een opvoedster in GI De Zande, aan wie hij een vuistslag tegen het hoofd zou hebben gegeven, en wier kledij hij zou hebben gescheurd. Het hof herneemt wat het in dat arrest van 26 mei 2025 heeft overwogen met betrekking tot het recidiverisico: “anders dan De Grubbe adviseert, kan het recidiverisico van de minderjarige niet als matig worden ingeschat en is het niet aangewezen om de minderjarige toe te vertrouwen aan zijn thuismilieu. Het is de derde maal dat minderjarige ter verantwoording wordt geroepen in verband met – zeer ernstige – jeugddelicten. Het blijkt niet afdoende dat de hulpverlening er op heden reeds in zou zijn geslaagd tot hem door te dringen en op een nuttige manier met hem aan de slag te gaan. Het oriëntatieverslag van de Grubbe zelf gewaagt van een blijvend beperkt probleeminzicht, gebrekkig schuldbesef, en een bedenkelijke ingesteldheid inzake de feiten in verband waarmee hij in beeld komt, of de omgang met agressie. Daarnaast vermeldt ook het oriëntatieverslag van De Grubbe dat er een diep wantrouwen is bij de minderjarige jegens hulpverlening en begeleiding. Wat het thuismilieu betreft moet het hof vaststellen
(1)dat moeder zelf aan de hulpverlening heeft verklaard, in essentie en samengevat, dat zij niet gepast kan optreden ten aanzien van de minderjarige, en hem niet meester kan,
(2)dat in het verleden niet is gebleken dat zij aan hem voldoende omkadering kan bieden,
(3)dat de minderjarige positief testte op middelengebruik na bezoeken aan zijn moeder. Ter zitting van heden [dat is, 26 mei 2025] brengt de minderjarige geen drugstests bij.” Die overwegingen zijn op 23 juni 2025 actueel gebleven. Uit bijlage 2 bij proces-verbaal nr. 003405/24 van 14 maart 2024 blijken daarenboven aanwijzingen dat de leef- en woonomstandigheden bij de minderjarige en zijn moeder thuis, verontrustend zijn. Het hof citeert: “In de kamer van M. blijken nog twee kinderen in haar bed te slapen. Deze blijken de kinderen van M. N. te zijn. Met betrekking tot de situatie waarin de kinderen zich bevinden gaan wij over tot opstellen van ambtshalve proces-verbaal: “Verontrustende opvoedingssituatie” met nummer DE.42.LB.004263/
- De kinderen blijven echter gewoon doorslapen tijdens de zoeking. Op de kamer van verdachte is het één rommelboel. Gedragen en ongedragen kleding ligt verspreid over de kamer. Het bed is enkel voorzien van een matras en er zijn geen kasten in de slaapkamer.” Tot slot, voor wat betreft het recidiverisico, moet ook worden opgemerkt dat het Agentschap Opgroeien in gebreke blijft om de beslissing van 26 mei 2025 om de minderjarige toe te vertrouwen aan een gesloten instelling uit te voeren, en dat voor zoveel als het hof kan nagaan, de minderjarige niet op een ernstige of geloofwaardige manier wordt opgevolgd door hetzij de sociale dienst, hetzij de contextbegeleiding. Ter zitting van 23 juni 2025 is de minderjarige zelfs niet komen opdagen om zich te verantwoorden. Het hof beseft dat de minderjarige er zelf geen controle over heeft, dat de maatregel die jegens hem is getroffen, en die behalve de bescherming van de samenleving ook een pedagogische doelstelling heeft, en de bescherming van de minderjarige zelf, door de administratie niet wordt uitgevoerd. Maar dat verzuim van de administratie, los van de nood aan bescherming van de samenleving, heeft ook voor gevolg dat niet met de minderjarige wordt gewerkt om hem tot betere inzichten en een betere attitude te brengen, terwijl hij daar behoefte aan heeft, en moet noodzakelijk ook een ongunstige impact hebben op het recidiverisico, en moet in rekening worden gebracht. Tot slot en voor zoveel als nodig is het vanzelfsprekend zo dat de veiligheid van de samenleving in het gedrang wordt gebracht door brandstichtingen bij nacht van woningen waar gezinnen met minderjarige kinderen verblijven, door willekeurige en brutale geweldpleging op feestjes voor adolescenten, door herhaalde wapendracht – en waarbij anderen uit de omgeving van de minderjarige ook in beeld komen bij steekpartijen – en door de georganiseerde verkoop van drugs. Ook de veiligheid van de minderjarige, die de gewelddadigheid verheerlijkt en opzoekt, en ’s nachts op pad trekt met steekwapens en brandbommen, komt bij dat alles vanzelfsprekend in het gedrang.
- Op burgerlijk gebied stelt het hof vast dat de eerste rechter zijn rechtsmacht nog niet had uitgeput, maar de zaak in voortzetting had gesteld naar de zitting van 20 juni
- Daarnaast stelt het hof ook vast dat burgerlijke partij NV E. een vergoeding vordert van schade die zou zijn veroorzaakt door feiten in verband waarmee de eerste rechter de minderjarige heeft vrijgesproken, maar waarvan het hof heeft beoordeeld dat die ten aanzien van de minderjarige bewezen zijn gebleven. In dat verband merkt het hof ook op dat het hof geen weet heeft van de vrijwillige tussenkomst van een partij N.. Omwille van de devolutieve werking van het hoger beroep, en nu de beslissing van de eerste rechter nopens de feiten deels is hervormd geweest, moet het hof nu recht doen op de burgerlijke vorderingen. Daartoe zal het hof conclusietermijnen en een rechtsdag bepalen, zoals hierna in het beschikkend gedeelte verder bepaald, zodat partijen de zaak kunnen regelen, dan wel in staat stellen.
- De kosten blijven aangehouden. OP DIE GRONDEN, HET HOF, rechtdoende bij verstek ten aanzien van N. N. Z. , G. M., E. R., J. V.D.F. en X. V. en op tegenspraak ten aanzien van Ro. N. Z. , B. D. L. en E. NV; gelet op de artikelen : - 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 162, 186, 190 en 211 van het wetboek van strafvordering evenals de door de eerste rechter aangeduide artikelen, al deze bepalingen ter terechtzitting van heden door de wn. kamervoorzitter voorgebracht; Verklaart het hoger beroep van het openbaar ministerie ontvankelijk en gegrond; Verklaart het hoger beroep van de minderjarige ontvankelijk maar ongegrond en wijst het af; Bevestigt het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie jeugdrechtbank, van 25 april 2025, met dien verstande dat het hof de beslissing van de eerste rechter om de minderjarige vrij te spreken voor de feiten onder tenlasteleggingen A.2, B en H vernietigt, en de feiten onder tenlasteleggingen A.2, B en H bewezen verklaart ten aanzien van de minderjarige; Wijst het op protectioneel gebied meer of anders gevorderde af als ongegrond; Op burgerrechtelijk gebied, bepaalt conclusietermijnen als volgt, en stelt de zaak in voortzetting om verder te worden behandeld op de zitting van maandag 16 maart 2026 Bepalen de conclusietermijnen als volgt: - voor de burgerlijke partijen tot uiterlijk 30 oktober 2025; - voor de minderjarige en de burgerlijke aansprakelijke partijen tot uiterlijk 30 november 2025; - voor de burgerlijke partijen tot uiterlijk 30 december 2025; - voor de minderjarige en de burgerlijke aansprakelijke partijen tot uiterlijk 30 januari 2026; Houdt de kosten van de rechtspleging aan Dit arrest is uitvoerbaar bij voorraad. Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van maandag 15 september 2025, vijftiende kamer: Aanwezig: Jelle Flo raadsheer – wn. kamervoorzitter in aanwezigheid van advocaat-generaal Inge T' Hooft met bijstand van griffier met opdracht Dorien Decorte Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160927.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div