id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 06 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2026:ARR.20260106.1 Rolnummer: 2025/FA/234 Rechtsgebied: Familierecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2026-01-07 Raadplegingen: 500 - laatst gezien 2026-06-18 06:14 Fiche 1 Overeenkomstig de wet oefenen ouders in beginsel gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over hun gemeenschappelijke kinderen. Daarbij geldt dat een kind er in beginsel en in het algemeen, belang bij heeft beide ouders als volwaardige ouder te hebben. De gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag, nl. het gezamenlijk overleggen en beslissen in aangelegenheden die het kind aanbelangen, in zijn belang, is een doelgebonden opdracht. In de regel wordt de deelname in de uitoefening van het ouderlijk gezag pas ontzegd aan een ouder wanneer die gezamenlijke uitoefening van ouderlijk gezag strijdig zou zijn met het belang van het kind. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEKWAAMHEID - Ouderlijk gezag Fiche 2 Ouders kunnen voor zoveel als dergelijke overeenkomsten anders niet indruisen tegen de openbare orde of de belangen van hun minderjarige kinderen, vrij akkoorden sluiten omtrent hun onderlinge bijdrage, onder elkaar, in het vervullen van hun onderhoudsverplichtingen, voor zoveel als die onderhoudsplichten dan ook werkelijk worden vervuld. Dergelijke overeenkomsten strekken hen dan tot wet. Eens blijkt dat er gewijzigde omstandigheden zijn, zoals een aanpassing van een verblijfsregeling en navenant hogere prestaties in natura door een ouder, die rechtvaardigen dat de onderhoudsregeling opnieuw wordt beoordeeld, moet de familierechter op vordering van een partij en binnen het beschikkingsbeginsel, onderzoeken welke onderhoudsregeling moet worden bepaald opdat partijen zouden bijdragen in het onderhoud van hun kind in verhouding tot hun aandeel in de beschikbare middelen. Dit wil zeggen dat dan de onderhoudsregeling in zijn geheel moet worden herbeoordeeld. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ALIMENTATIE - LEVENSONDERHOUD Fiche 3 Tenzij er sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden, impliceert een gelijkmatig verdeeld verblijf met gelijke prestaties in natura in principe dat elke ouder het kind in de eigen levensstandaard van het gezin laat delen voor de eigen gelijke verblijfsperiode, en dat op die manier automatisch in natura wordt gepresteerd in verhouding tot het aandeel in de beschikbare middelen – zoals dat aandeel en die middelen kunnen worden gemeten naar de levensstandaard die elk gezin zich kan gunnen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ALIMENTATIE - LEVENSONDERHOUD Fiche 4 Er bestaan verschillende rekenmethodes, bronnen en tabellen met standaardcijfers om onderhoudsbijdragen te begroten, en verschillende manieren om beredeneerd te gissen naar de inkomsten of het verdienvermogen van partijen, hun niet-samendrukbare kosten, of naar de kosten van kinderen, en verschillende factoren om al naar gelang de omstandigheden, rekening mee te houden. Het ramen van inkomsten en kosten vraagt altijd beredeneerd giswerk vraagt en heeft slechts tot doel de onderlinge verhouding en de levensstandaard benaderend te begroten. Van belang is dat er een redenering wordt opgebouwd en uiteengezet die begrijpelijk, billijk en coherent is, en dat op dezelfde wijze en op een vergelijkbare manier wordt geredeneerd voor zowel vader als moeder. Zolang dat het geval is, valt het onder de appreciatiemarge van de familierechter om een bepaalde methode of bepaalde bronnen of tabellen te gebruiken. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ALIMENTATIE - LEVENSONDERHOUD Tekst van de beslissing 2025/FA/234 - In de zaak van: L. N., appellante, hebbende als raadsman mr. HEERINCKX Sandra, advocaat te 1500 HALLE, Nijverheidsstraat 36 bus 22 tegen VDB T. geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. BOGAERT Didier, advocaat te 9620 ZOTTEGEM, Kloosterstraat 101 wijst het hof het volgend arrest: I. RELEVANTE FEITELIJKE EN PROCEDURELE ELEMENTEN 1. De relevante feiten en oorspronkelijke vorderingen van de partijen werden door de eerste rechter op een correcte en voldoende wijze uiteen gezet in het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, familie- en jeugdrechtbank, kamer G18, d.d. 19 maart 2025 zodat het om reden van beknoptheid volstaat hiernaar te verwijzen. Het hof herneemt slechts, duidelijkheidshalve en samenvattend, dat N. L. (moeder) en T. Vdb (vader) de ouders zijn van D. Vdb, geboren te (…) in 2016 (D.). In dit beroepen vonnis is als volgt beslist: “(…) Verklaart de eis toelaatbaar en in hiernabepaalde mate gegrond. 1. Zegt voor recht dat D. zijn hoofdinschrijving verder heeft op het adres van verweerster en machtigt eiser om bij de Dienst Burgerzaken van zijn woonplaats aangifte / registratie te laten doen van het gedeeld verblijf van D.. 2. Zegt voor recht dat D. gelijkmatig bij beide ouders verblijft in een week-week regeling met wissel op vrijdagavond, waarbij D. bij eiser verblijft vanaf de vrijdag van de oneven weken na school (wissel via school) of als er geen school is om 18 uur en waarbij D. bij verweerster verblijft vanaf de vrijdag van de even weken na school (wissel via school) of als er geen school is om 18 uur. Zegt dat, indien de wissel niet via school verloopt, D. wordt opgehaald bij de ouder waar hij verblijft, door de ouder bij wie D. zal verblijven de komende periode. 3. Zegt voor recht dat deze verblijfsregeling doorloopt tijdens de schoolvakanties met uitzondering van de zomervakantie, tijdens dewelke D. bij elke ouder zal verblijven voor een periode van telkens twee opeenvolgende weken als volgt (behoudens andersluidend akkoord tussen partijen): - tijdens de onpare jaren, verblijft D. bij eiser van 1 juli 9.00 uur tot 15 juli 19.00 uur en van 1 augustus 9.00 uur tot 15 augustus 19.00uur, en bij verweerster van 15 juli 19.00 uur tot 1 augustus 9.00 uur en van 15 augustus 19.00 uur tot 31 augustus 19.00 uur, - tijdens de pare jaren, verblijft D. bij verweerster 1 juli 9.00 uur tot 15 juli 19.00 uur en van 1 augustus 9.00 uur tot 15 augustus 19.00 uur, en bij eiser van 15 juli 19.00 uur tot 1 augustus 9.00 uur en van 15 augustus 19.00 uur tot 31 augustus 19.00 uur. Bepaalt dat D. telkens zal worden opgehaald bij de ouder waar hij verblijft, door de ouder bij wie D. zal verblijven de komende periode. 4. Zegt voor recht dat eiser gehouden is tot het betalen van een onderhoudsbijdrage voor D. aan eiseres van 130,00 euro per maand, met ingang van 21 november 2022 tot op heden, telkens te betalen voor de 10º van de maand. Verwijst, conform artikel 1321 § 3 Ger. W., naar de opdracht van de Dienst voor Alimentatievorderingen (DAVO) (…) 5. Zegt voor recht dat met ingang van heden geen onderhoudsbijdrage ten behoeve van D. verschuldigd is en dat elke partij zal instaan voor de gewone kosten van D. tijdens de periode dat D. bij hem / haar verblijft. 6. Zegt voor recht dat vanaf heden eiser instaat voor de betaling van 57% van de buitengewone kosten en dat verweerster voor de betaling van 43% van de buitengewone kosten instaat volgens de modaliteiten van tenuitvoerlegging en opeisbaarheid, conform de bepalingen van het KB van 22 april 2019: Artikel 1. Behoudens andersluidende overeenkomst of rechterlijke beslissing, zijn de buitengewone kosten, bedoeld in artikel 203bis, § 3, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, beperkt tot de volgende kosten: 1° de volgende medische en paramedische kosten:
- a)de behandelingen door artsen-specialisten en de medicaties, gespecialiseerde onderzoeken en verzorging die zij voorschrijven;
- b)de kosten van heelkundige ingrepen en van hospitalisatie en de specifieke behandelingen die eruit voortvloeien;
- c)de medische en paramedische kosten en hulpmiddelen waaronder orthodontie, logopedie, oftalmologie, psychiatrische of psychologische behandeling, kinesitherapie, revalidatie, prothesen en apparaten, met name de aankoop van een bril, een beugel, contactlenzen, orthopedische zolen en schoenen, hoorapparaten en een rolstoel;
- d)de jaarlijkse premie van een hospitalisatieverzekering of van een andere aanvullende verzekering die de ouders of één van hen moeten betalen. De premie moet betrekking hebben op de kinderen; en dit: - voor zover de kosten bedoeld onder a),
- b)en
- c)voorgeschreven zijn door een bevoegde arts of instantie; en - onder aftrek van de tussenkomst van het ziekenfonds, van een hospitalisatieverzekering of van een andere aanvullende verzekering. 2° de volgende kosten betreffende de schoolse opleiding:
- a)meerdaagse schoolactiviteiten tijdens het schooljaar zoals ski-, zee- en bosklassen, school- en studiereizen en stages;
- b)noodzakelijk gespecialiseerd en kostelijk studiemateriaal en/of schoolkledij, aan speciale taken verbonden, die vermeld staan op een lijst die de onderwijsinstelling aflevert;
- c)het inschrijvingsgeld en de cursussen voor hogere studies en bijzondere opleidingen alsook niet gesubsidieerd onderwijs;
- d)de aankoop van informatica-apparatuur en printers met de softwareprogramma’s die voor de studie noodzakelijk zijn;
- e)de bijlessen die het kind moet volgen om in zijn schooljaar te slagen;
- f)de kosten verbonden aan de huur van een studentenkamer;
- g)bijkomende specifieke kosten verbonden aan een buitenlands studieprogramma; na aftrek van eventuele school- en studietoelagen en andere studiebeurzen. 3° de volgende kosten verbonden aan de ontwikkeling van de persoonlijkheid en ontplooiing van het kind, nl.:
- a)kosten voor kinderopvang voor kinderen van 0 tot en met 3 jaar;
- b)lidgeld, basisbenodigdheden en kosten voor kampen en stages in het kader van culturele, sportieve of artistieke activiteiten;
- c)inschrijvings- en examengeld voor de rijopleiding en de theoretische en praktische examens voor een rijbewijs voor zover dit niet kosteloos langs de school kan behaald worden maar via een rijschool moet gebeuren; 4° alle overige kosten die de ouders in een gezamenlijk akkoord als buitengewoon benoemen of die als zodanig door de rechter gekwalificeerd worden. Artikel 2. Behalve in geval van hoogdringendheid of bewezen noodzakelijkheid, moeten al de in artikel 1 bedoelde kosten het voorwerp uitmaken van een voorafgaand overleg en akkoord, zowel wat de opportuniteit van de uitgave betreft als de hoogte ervan. Artikel З. §1 Behoudens andersluidende overeenkomst of rechterlijke beslissing, dienen de buitengewone kosten : - driemaandelijks te worden afgerekend; - vergezeld te gaan van een kopie van de bewijsstukken door de ouder die de betaling vraagt; en - te worden betaald binnen de vijftien dagen na de mededeling van de afrekening vergezeld van de bewijsstukken. §2 De ouder die de school- en studietoelagen en/of andere studiebeurzen, een tussenkomst van het ziekenfonds, hospitalisatieverzekering of een andere aanvullende verzekering ontvangt of geniet, bezorgt van zodra deze voorhanden zijn en minstens jaarlijks in de maand september een overzicht van alle ontvangen bedragen samen met een kopie van de bewijsstukken. 7. Zegt voor recht dat het groeipakket, de fiscale en sociale voordelen voor D. vanaf heden toekomen aan beide partijen, elk voor de helft. Wijst het meer en anders gevorderde af als ongegrond. Zegt dat deze beslissing rechtens uitvoerbaar is bij voorraad niettegenstaande alle verhaal en zonder zekerheidstelling. Bepaalt dat er wederzijds geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is en veroordeelt de beide partijen tot de kosten van het geding, elk voor de helft, aan de zijde van de eiser begroot op 22,00 euro bij toepassing van artikel 4 §2 en 5 §§1 en 2 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en nog te innen rolrechten door de Belgische Staat: 165,00 euro (A.R. nummer 22/272/A Nederlandstalige rechtbank eerste aanleg Brussel). (...)” II. HOGER BEROEP 2. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 24 april 2025 stelt N. L. hoger beroep in tegen het vonnis van 19 maart 2025 van de familiekamer bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer G18. 3. Partijen leggen geen stukken voor waaruit blijkt dat het beroepen vonnis is betekend. 4. Op 20 mei 2025 is de zaak ingeleid voor de 11de septies kamer. Krachtens artikel 1253ter/1, §2 Ger.W. hoort de voorzitter de partijen over de wijze waarop ze getracht hebben om het geschil op minnelijke wijze op te lossen voor de inleiding van de zaak en om vast te stellen of een minnelijke oplossing overwogen kan worden. In toepassing van artikel 1253ter/3, §1 Ger.W. stelt de voorzitter de partijen voor om de mogelijkheid van een minnelijke schikking of bemiddeling te onderzoeken Eveneens ter inleidingszitting meldt advocaat-generaal Inge T’Hooft voorlopig geen advies te zullen brengen in dit dossier. Bij beschikking van 20 mei 2025 verleent het hof aan partijen conclusietermijnen en een rechtsdag op 2 december 2025. Bij deze beschikking is een duidelijke lijst gevoegd van de stukken die moeten worden neergelegd in het kader van de beoordeling van onderhoudsgeschillen. 5. Blijkens conclusie van 27 augustus 2025 beoogt moeder om: “(…) - het hoger beroep van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het vonnis van de 18e kamer van de Familierechtbank bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent dd. 19 maart 2025, gewezen in de zaak gekend onder het algemeen rolnummer 2022/1443/A te hervormen en recht te doen over de nieuwe vorderingen van concluante; derhalve voor recht te zeggen dat: - het ouderlijk gezag over D. voortaan op exclusieve wijze door concluante zal worden uitgeoefend voor wat betreft de medische beslissingen (begeleidingen, therapieën) die moeten genomen worden m.b.t. D., meer in het bijzonder m.b.t. de begeleidingen, therapieën, en dergelijke meer verbonden aan zijn strijd tegen obesitas; - voor recht te zeggen dat D. voortaan in de schoolweken bij zijn vader zal verblijven van de vrijdag van de oneven weken na school (wissel via de school) of als er geen school is om 18 uur tot de daaropvolgende dinsdag aan de school (indien geen school tot 9 uur); voor recht te zeggen dat de schoolvakantieregeling zoals bepaald in het vonnis a quo behouden blijft, met dien verstande dat de zomervakantieregeling voortaan als volgt zal verlopen: o in de zomervakantie wordt, vanaf de eerste vrijdag na juli om 18 uur, het verblijf van het kind bij de ouders verdeeld in 4 blokken van twee weken, met telkens wissel op vrijdag om 18 uur; - D. zal dan in de pare jaren bij zijn moeder verblijven in de eerste en derde periode van 2 weken en bij zijn vader in de tweede en vierde periode van 2 weken, waarna op vrijdag om 18 uur de gewone verblijfsregeling wordt hernomen. In de onpare jaren zal D. bij zijn moeder verblijven in de tweede en vierde periode en bij zijn vader in de eerste en derde periode van twee weken, waarna de gewone verblijfsregeling wordt hernomen; - voor de periode van 22 november 2022 tot en met maart 2025 (in april 2025 start de week/weekregeling): o geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling van een onderhoudsbijdrage van 342,12 EUR per maand i.p.v. 130 EUR per maand, betaalbaar uiterlijk de 5e van elke maand en jaarlijks te indexeren met als basisindex deze van de maand oktober 2022; o de buitengewone kosten van D. door beide ouders worden gedragen volgens de volgende verdeelsleutel: 28% moeder en 72% vader; - vanaf april 2025 tot zolang een gelijkmatig verdeeld verblijf (week/weekregeling) loopt: o geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling van een onderhoudsbijdrage van 210,44 EUR per maand, betaalbaar uiterlijk de 5e van elke maand en jaarlijks te indexeren met als basisindex deze van maart 2025; o het groeipakket en de sociale voordelen van D. volledig aan concluante blijven toekomen; o het fiscaal voordeel van D. aan concluante blijft toekomen; o de verblijfsoverstijgende kosten van D. worden gedragen door beide ouders volgens volgende verdeelsleutel: 50% moeder en 50% vader; dat onder verblijfsoverstijgende kosten wordt verstaan: - alle schoolfacturen en alle schoolmaterialen - alle medische kosten, inclusief huisarts en tandarts en door hen voorgeschreven medicatie - kost bijdrage mutualiteit - kost kapper - kost GSM-abonnement o de buitengewone kosten (conform de opsomming en modaliteiten van het vonnis a quo) van D. te worden gedragen door beide ouders volgens de volgende verdeelsleutel: 28% moeder en 72% vader; - vanaf het ogenblik dat tijdens de schoolweken de 10/4-regeling in voege treedt: o verweerder wordt veroordeeld tot betaling aan concluante van een onderhoudsbijdrage van 551,07 EUR per maand, betaalbaar uiterlijk de 5e dag van elke maand en jaarlijks te indexeren; o het groeipakket en de sociale voordelen van D. volledig aan concluante blijven toekomen; o het fiscaal voordeel van D. aan concluante blijft toekomen; o de buitengewone kosten (conform de opsomming en modaliteiten van het vonnis a quo) van D. te worden gedragen door beide ouders volgens de volgende verdeelsleutel: 28% moeder en 72% vader; - geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de kosten van het hoger beroep (rolrechten: 400 EUR, bijdrage fonds kosteloze juridische tweedelijnstand: 26 EUR) en tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan concluante van 1.883,72 EUR; ondergeschikt de gerechtskosten te delen bij helften en de rechtsplegingsvergoedingen te compenseren. (…)” 6. Blijkens conclusie van 17 oktober 2025 beoogt vader om: “(…) Uitspraak doende over het hoger beroep van appellante: dit af te wijzen als ongegrond. Appellante tenslotte te veroordelen in de kosten, aan de zijde van concluant begroot op het rolrecht (P.M) en de rechtsplegingsvergoeding ad 1.883,72 EUR per aanleg, minstens, doch ondergeschikt, beide partijen te veroordelen tot elk de helft daarvan, RPV's te compenseren. (…)” 7. Het hof heeft de partijen gehoord in hun middelen en conclusies ter zitting van 2 december 2025. N. L. en T.Vdb zijn daarbij in persoon aanwezig. Zij worden beiden bijgestaan door hun raadsman. Hierop sluit het hof het debat en neemt het hof de zaak in beraad. 8. Het hof aanziet de conclusie van moeder van 27 augustus 2025 en de conclusie van vader van 17 oktober 2025 als alomvattende syntheseconclusies in de zin van artikel 748bis Ger.W., om ze aldus (met alle bijhorende stukken), met instemming van de partijen, ter zitting van 2 december 2025 in het debat te houden. 9. Het hof heeft het dossier van de rechtspleging en de overgelegde stukken ingezien. III. BEOORDELING 10. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm. De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist. Het hof ziet ambtshalve niet waarom het hoger beroep niet ontvankelijk zou zijn. Het hoger beroep is ontvankelijk. 11. Moeder vordert, vooreerst, dat zij exclusief, met uitsluiting van vader, het ouderlijk gezag over D. zou uitoefenen voor wat betreft de medische beslissingen. Zij bespreekt deze vordering op blz. 10 tot 12 van haar laatste conclusie, die de vorm moet hebben van een syntheseconclusie. Daarbij meldt zij, beknopt samengevat, dat tussen partijen geen overeenstemming kan worden bereikt over hoe de obesitas-problemen van D. moeten worden opgevolgd, en verwijst zij naar haar stukken 49 en 50. Stuk 49 is een brief van het CLB (…) waarin de jeugdarts van het CLB meldt dat omwille van de vechtscheiding tussen vader en moeder een dialoog over gelijklopende eet- of beweeggewoonten in het huishouden van beide ouders onmogelijk is. Daarbij merkt de jeugdarts ook op dat hij uit gesprekken met beide ouders gezonde beweeggewoonten en gezonde eetgewoonten opmerkt bij beide ouders. Stuk 50 is een verslag van de pediaters van Algemeen Ziekenhuis (…) van 19 juni 2025, waarin de artsen, als behandeling adviseren: “Een levensstijlaanpassing wordt zeker aangeraden. Dit is het ideale moment om D. een gezonde levensstijl aan te leren nu hij nog veel gaat groeien. Indien er niet wordt ingegrepen bestaat het risico dat D. verder evolueert naar obesitas. Qua dieet raden wij vooral een gebalanceerd dieet aan volgens de voedingsdriehoek. Een ketogeen dieet wordt niet aangeraden bij kinderen omwille van verschillende redenen (wetenschappelijk onderbouwd): groeivertraging, voedingsstoffentekorten, negatief effect op botgezondheid, onvoldoende bewijs voor veiligheid en effectiviteit op lange termijn en psychosociale nadelen (zeer restrictief).” Het hof merkt hierbij op dat het partijen ter zitting van 2 december 2025 heeft bevraagd en dat vader heeft verklaard en bevestigd dat D. bij hem geen “strikt ketogeen” maar wel een gezond en gevarieerd dieet volgt, en dat hij in samenspraak en overleg met zijn huisarts het dieet van D. bewust en actief opvolgt. Vader vraagt dat de vordering van moeder wordt afgewezen als ongegrond. 12. Art. 374§1 oud BW bepaalt: “§ 1 Wanneer de ouders niet samenleven, blijven zij het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen en geldt het in artikel 373, tweede lid, bepaalde vermoeden. Bij gebreke van overeenstemming over de organisatie van de huisvesting van het kind, over de belangrijke beslissingen betreffende zijn gezondheid, zijn opvoeding, zijn opleiding en zijn ontspanning en over de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes of wanneer deze overeenstemming strijdig lijkt met het belang van het kind, kan de bevoegde familierechtbank de uitoefening van het ouderlijk gezag uitsluitend opdragen aan één van beide ouders. (…)” Overeenkomstig de wet oefenen ouders in beginsel gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over hun gemeenschappelijke kinderen. Het hof is in het algemeen terughoudend om de uitoefening van het ouderlijk gezag te ontzeggen aan een ouder, en doet dit in de regel slechts wanneer die gezamenlijke uitoefening van ouderlijk gezag strijdig zou zijn met het belang van het kind. Daarbij geldt dat een kind er in beginsel en in het algemeen, belang bij heeft beide ouders als volwaardige ouder te hebben. De gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag, nl. het gezamenlijk overleggen en beslissen in aangelegenheden die de kinderen aanbelangen, in hun belang, is een doelgebonden opdracht. 13. Gelet, aldus, op volgende elementen: - de oordeelkundige motieven van de eerste rechter, zoals uiteengezet op blz. 4 van het beroepen vonnis, en die hier ook als hernomen moeten worden beschouwd; - de overweging dat de wetgever bepaalt dat ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen over hun kinderen, en dat pas wanneer er een voldoende ernstig gebrek aan overeenstemming is over belangrijke beslissingen betreffende (hier in deze zaak) de gezondheid van een kind, dat de familierechter de uitoefening van het ouderlijk gezag kan opdragen aan één ouder met uitsluiting van de andere ouder; - dat in deze zaak vader en moeder inderdaad zijn verwikkeld in een vechtscheiding en dat het vooral voor henzelf onprettig moet zijn dat hun communicatie zo stroef verloopt en wezenlijke dialoog en luisterbereidheid ontbreekt, maar dat tezelfdertijd blijkt dat D. zowel bij vader als moeder voldoende beweging en gezonde voeding krijgt, en op een betrokken manier wordt opgevolgd, dat vader en moeder op dat vlak alvast inhoudelijk eigenlijk en in wezen niet zo ver van elkaar staan, dat in die omstandigheden niet is voldaan aan de voorwaarde dat er gebrek aan overeenstemming moet zijn omtrent belangrijke beslissingen betreffende de gezondheid van D., minstens dat dit niet blijkt uit de stukken die moeder bijbrengt, en dat het gebrek aan overeenstemming of de nood die vader en moeder ervaren om op die wijze met elkaar om te gaan zoals zij met elkaar omgaan, elders moet geworteld zijn; moet de vordering van moeder om alleen handelend en met uitsluiting van vader het ouderlijk gezag uit te oefenen in medische aangelegenheden worden afgewezen. 14. Een volgende punt van in hoger beroep blijvende betwisting betreft de verblijfsregeling voor D.. De eerste rechter heeft in het beroepen vonnis een gelijkmatig verdeeld verblijf bepaald. Moeder vordert dat D. (secundair) zou verblijven bij vader van de vrijdag in de oneven weken tot de volgende dinsdag, met een aangepaste vakantieregeling. Vader vordert de bevestiging van het beroepen vonnis. 15. Artikel 374§2 oud BW bepaalt: “(…) § 2 Ingeval de ouders niet samenleven en hun geschil bij de familierechtbank aanhangig wordt gemaakt, wordt het akkoord over de huisvesting van de kinderen door de rechtbank gehomologeerd, tenzij het akkoord kennelijk strijdig is met het belang van het kind. Bij gebrek aan akkoord, in geval van gezamenlijk ouderlijk gezag, onderzoekt de rechtbank op vraag van minstens één van de ouders bij voorrang de mogelijkheid om de huisvesting van het kind op een gelijkmatige manier tussen de ouders vast te leggen. Ingeval de rechtbank echter van oordeel is dat de gelijkmatig verdeelde huisvesting, niet de meest passende oplossing is, kan zij evenwel beslissen om een ongelijk verdeeld verblijf vast te leggen. Ingeval de ouders meerdere kinderen hebben, streeft de rechtbank eenzelfde regeling voor alle broers en zussen na. In voorkomend geval verduidelijkt de rechtbank hoe de broers en zussen persoonlijke contacten met elkaar onderhouden. De rechtbank oordeelt in ieder geval bij een met bijzondere redenen omkleed vonnis, en rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak en het belang van de kinderen en de ouders. (…)” 16. Gelet op volgende elementen: - dat de wetgever vraagt om bij voorrang de mogelijkheid van een gelijkmatig verdeeld verblijf te onderzoeken; - de eerste rechter heeft dit onderzoek doen verrichten, en in het verslag van maatschappelijk onderzoek, dat is neergelegd ter griffie van de eerste rechter op 29 juni 2023, adviseert de justitieassistent dat een gelijkmatig verdeeld verblijf onder de vorm van een week-week regeling zou gelden; - de oordeelkundige motieven van de eerste rechter, zoals weergegeven op blz. 5 tot 7 van het beroepen vonnis, die hier als hernomen moeten worden beschouwd; - dat wat moeder uiteenzet in verband met de medische problematiek waarmee D. zou kampen, en zijn overgewicht, reeds is besproken waar het hof de vordering van moeder bespreekt om het exclusieve ouderlijk gezag in medische aangelegenheden te bekomen, en dat niet anders blijkt dan dat ook vader bekommerd is om het welzijn van D. en dit naar behoren opvolgt; - dat er evenmin reden is om de vakantieregeling anders te bepalen, dat het klopt dat de eerste en de vijftiende van elke maand op eender welke dag van de week kunnen vallen, maar dat daar tegenover staat dat een vrijdag op ongeveer eender welke dag van de maand kan vallen; dat moeder niet concreet maakt waar en wanneer welk praktisch probleem zich zou hebben voorgedaan, en dat het partijen vrij staat om in onderling overleg en akkoord afwijkingen van de vakantieregeling overeen te komen, als en wanneer dat zich zou opdringen in het belang van D., en dat dit inderdaad misschien een attitudewijziging vergt om tot dergelijk overleg te komen, als en wanneer dat nodig zou zijn; - dat wat partijen meer of anders uiteenzetten, aan dit alles geen afbreuk doet; moet de vordering van moeder met betrekking tot de verblijfsregeling worden afgewezen als ongegrond en moet de beslissing van de eerste rechter worden bevestigd, met overname en bevestiging van de oordeelkundige motieven van de eerste rechter. 17. Vervolgens is er tussen partijen in hoger beroep blijvende betwisting omtrent de onderhoudsregeling voor D.. De eerste rechter heeft in het beroepen vonnis beslist dat vader van 21 november 2022 tot datum vonnis een vaste maandelijkse onderhoudsbijdrage van 130 euro moet betalen, en dat vanaf datum vonnis elke partij instaat voor de gewone kosten tijdens de eigen verblijfsperiode en dat voor de buitengewone kosten een 57% - 43% verdeelsleutel van toepassing zal zijn. Moeder werpt op dat de enige wijziging die zich op 22 november 2022 heeft voorgedaan, is dat vader overeenkomstig het akkoord van 2019 oorspronkelijk een bijdrage in natura leverde van ongeveer 15% en met ingang van 22 november 2022 een bijdrage in natura van ongeveer en afgerond 25%, dat is, een stijging van 10 procentpunt. Moeder houdt voor – zo begrijpt het hof, en beknopt samengevat – dat het bedrag dat partijen in 2019 zijn overeengekomen dat vader zou betalen als vaste maandelijkse onderhoudsbijdrage voor de gewone kosten van D., zijnde 350 euro, slechts op zo een manier moet worden aangepast om de verhoging van de bijdrage in natura van vader ten belope van 10 procentpunt te weerspiegelen, en waarbij anderzijds ook geïndexeerd moet worden. Aldus berekent zij een geïndexeerde vaste maandelijkse onderhoudsbijdrage van 342,12 euro per maand in plaats van de 130 euro per maand die door de eerste rechter is beslist geweest voor die periode, en daarbij vordert zij ook de verdeelsleutel voor buitengewone kosten te bepalen op 28% voor moeder en 72% voor vader. Met ingang van april 2025 vordert zij dan een onderhoudsbijdrage van 210,44 euro per maand, met dezelfde verdeelsleutel voor de buitengewone kosten, en met ingang van het in voege treden van de 10/4-regeling die zij vordert (maar die dus niet in voege zal treden), vordert zij een vaste maandelijkse onderhoudsbijdrage van 551,07 euro per maand, met nog steeds dezelfde verdeelsleutel voor de buitengewone kosten. Vader vordert de bevestiging van het beroepen vonnis. 18. Ouders dienen naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, de gezondheid, het toezicht, de opvoeding, de opleiding en de ontplooiing van hun kinderen. Indien de opleiding niet voltooid is, loopt de verplichting door na de meerderjarigheid van het kind (art. 203, § 1 oud Burgerlijk Wetboek). De onderhoudsverplichting raakt de openbare orde en bestaat krachtens de wet zelf. Elke ouder draagt bij in de kosten die hieruit voortvloeien in verhouding tot zijn respectieve aandeel in de samengevoegde middelen (art. 203bis, §1 oud Burgerlijk Wetboek). Bij de begroting van de onderhoudsbijdrage dient rekening te worden gehouden met de inkomsten en mogelijkheden van elke ouder, de gewone en buitengewone kosten van het kind of de behoeften van het kind, de bijdrage in natura door elke ouder tijdens het verblijf van het kind, alsook het bedrag van de kinderbijslag, de fiscale voordelen van alle aard en de inkomsten uit het genot van de goederen van het kind die elk van de ouders ontvangt (art. 1321, § 2 Gerechtelijk Wetboek). Artikel 203, §2 oud Burgerlijk Wetboek voorziet dat met middelen van de ouders onder andere wordt bedoeld alle beroepsinkomsten, roerende en onroerende inkomsten van de ouders, alsook alle voordelen en andere middelen die hun levensstandaard en deze van de kinderen waarborgen. Bovendien dient bijkomend in acht te worden genomen de indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, rekening houdend met bepaalde gewichtige vermoedens gesteund op de gegevens van het dossier alsook, in bepaalde gevallen, met het verdienvermogen van de ouder die vrijwillig stopt met werken of minder gaat werken. Om de onderhoudsbijdrage te begroten dienen de samengevoegde middelen van beide ouders vastgelegd te worden en vervolgens in verhouding tot het aandeel van elke ouder in die samengevoegde middelen bepaald te worden op welke wijze elke ouder dient bij te dragen in de kosten die voortvloeien uit de bij artikel 203, §1 oud Burgerlijk Wetboek bepaalde verplichting. Hierbij wordt er niet enkel rekening gehouden met de reële inkomsten, maar ook met de virtuele inkomsten of het verdienvermogen van partijen, alsook met de niet-samendrukbare uitgaven, zoals een hypothecaire lening- of huurlast, de onderhoudslasten van een kind uit een andere relatie of eventuele medische kosten van een ouder. De vaste dagelijkse of maandelijkse uitgaven (zoals kosten van elektriciteit, gas, en waterverbruik, telefoon en internetkosten, allerhande heffingen belastingen – met uitzondering van persoonsbelastingen – verzekeringspremies, enz.) komen in principe niet in aanmerking bij het bepalen van de omvang van de onderhoudsverplichting, omdat deze verplichting voorrang heeft op alle andere lasten, die elke ouder dan ook moet aanpassen aan zijn financiële mogelijkheden en noden van het kind. Met schulden kan rekening worden gehouden voor zover deze absoluut niet kunnen ongedaan worden gemaakt zoals fiscale schulden, hypothecaire aflossingen of schulden aangegaan door de ouder om in zijn bestaan te voorzien (de zgn. ‘niet-samendrukbare’ schulden). Andere lopende schulden kunnen niet als prioritair worden beschouwd want de ouders moeten hun budget beheren in verhouding tot de nog beschikbare bedragen na hun onderhoudsverplichting te hebben voldaan en niet omgekeerd. Hierover anders oordelen zou impliceren dat de onderhoudsbijdrage van de kinderen wordt berekend op wat de ouders nog overhouden na betaling van schulden en lasten, hetgeen niet overeenstemt met de notie “middelen” zoals bepaald in de artikelen 203 en 203bis oud Burgerlijk Wetboek. Met toepassing van de wet van 19 maart 2010 tot bevordering van een objectieve berekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdragen voor hun kinderen, dient de familierechtbank (en in graad van hoger beroep, het hof) de nodige gegevens van de partijen te verkrijgen. De voormelde criteria en wettelijke bepalingen dienen immers te worden getoetst aan de concrete situatie van de partijen binnen de ter beschikking staande gegevens. Het hof kan derhalve enkel voortgaan op de gegevens die op heden door partijen worden voorgelegd. Mogelijke onvolledigheid dan wel onjuistheid van deze gegevens is voor rekening van partijen zelf. Bij gebrek aan concrete, bewezen cijfers omtrent bepaalde mee in acht te nemen elementen kan het aandeel van elke ouder in de samengevoegde middelen niet op exacte wijze worden bepaald en kan niet (volledig) worden voldaan aan de vereisten vervat in artikel 1321 Gerechtelijk Wetboek. 19. Het hof merkt op, vooreerst, en om te antwoorden op wat moeder uiteenzet in dat verband, wat volgt. Het is waar dat ouders, binnen zekere grenzen en voor zoveel als dergelijke overeenkomsten anders niet indruisen tegen de openbare orde of de belangen van hun minderjarige kinderen, vrij mogen akkoorden sluiten omtrent hun onderlinge bijdrage, onder elkaar, in het vervullen van hun onderhoudsverplichtingen, voor zoveel als die onderhoudsplichten dan ook werkelijk worden vervuld, en dat dergelijke overeenkomsten hen tot wet strekken. Eens blijkt dat er gewijzigde omstandigheden zijn, zoals een aanpassing van een verblijfsregeling en navenant hogere prestaties in natura door een ouder, die rechtvaardigen dat de onderhoudsregeling opnieuw wordt beoordeeld, moet de familierechter op vordering van een partij en binnen het beschikkingsbeginsel, onderzoeken welke onderhoudsregeling moet worden bepaald opdat partijen zouden bijdragen in het onderhoud van hun kind in verhouding tot hun aandeel in de beschikbare middelen. Dit wil zeggen dat dan de onderhoudsregeling in zijn geheel moet worden herbeoordeeld. Het is dus niet zo dat de familierechter voor de periode van november 2022 tot april 2025 moet terugrekenen met een gegeven vaste maandelijkse onderhoudsbijdrage voor gewone kosten van 350 euro, die slechts moet worden aangepast om te weerspiegelen dat de onderhoudsprestaties in natura van vader met 10 procentpunt zijn gestegen van 15% naar 25% en waarbij alle overige gegevens en verhoudingen ongewijzigd blijven, behalve dan dat de basisbedragen moeten worden geïndexeerd. Indien partijen zo zouden overeenkomen, dan kunnen zij een akkoord sluiten waarbij het eerdere akkoord omtrent de onderhoudsregeling in die zin en op die manier wordt gewijzigd, maar anders moet de familierechter, zoals de eerste rechter heeft gedaan, op basis van de beschikbare stukken voor die periode, het voor de relevante periode actuele onderscheiden aandeel in de beschikbare middelen van beide ouders en de kindkost begroten of beredeneerd gissen, en vervolgens een regeling bepalen waarbij elke ouder mee die kindkost betaalt, in natura of bij equivalent, in verhouding tot het aandeel in de beschikbare middelen. 20. Het hof verwijst naar de oordeelkundige motieven van de eerste rechter, zoals uiteengezet op blz. 7 tot 10 voor de periode van 21 november 2022 tot datum vonnis, en op blz. 10 tot 12 en 13 voor de periode vanaf het beroepen vonnis, en zoals partijen die kennen. Voor zoveel als het hof niet anders motiveert, maakt het hof zich die motieven eigen, die hier als hernomen moeten worden beschouwd. De eerste rechter heeft op een oordeelkundige en correcte manier beoordeeld dat voor de periode tot 21 november 2022 het akkoord tussen partijen is blijven gelden, dat voor de periode van 21 november 2022 tot datum vonnis een nieuwe beoordeling nodig was, omdat is overgeschakeld naar een 9-5 regeling, en dat voor de periode vanaf datum vonnis weer een nieuwe beoordeling nodig was omdat vanaf dan is overgeschakeld naar het gelijkmatig verdeeld verblijf zoals dat ook vandaag nog geldt en moet blijven gelden. Vervolgens heeft de eerste rechter het netto inkomen van vader begroot op ongeveer en afgerond 3.500 euro per maand, en voor hem rekening gehouden met het forfait voor niet-samendrukbare kosten ten bedrage van 1.288,46 euro als alleenstaande en voor moeder het netto verdienvermogen op 2.656,25 euro, met niet-samendrukbare kosten ten bedrage van 644,23 euro als kostendelend samenwonende. Enigszins in het voordeel van moeder, maar vader vordert slechts de bevestiging van die beslissing, heeft de eerste rechter dan het aandeel in de samengevoegde middelen begroot op 57% voor vader en op 43% voor moeder (met name houdt de eerste rechter hier rekening met het netto inkomen en netto verdienvermogen, zonder de niet-samendrukbare kosten in mindering te brengen). Het hof treedt de eerste rechter op dit punt en voor die appreciaties bij, en merkt op dat op die manier de middelen en kosten van partijen op een eerlijke en vergelijkbare wijze zijn begroot geweest. 21. Voor zoveel als nodig merkt het hof op dat uit stuk 30 van vader, dit is zijn aanslagbiljet voor inkomstenjaar 2022, blijkt dat hij in dat jaar 64.052,72 euro verdiende aan wedden en lonen, en 643,26 euro aan vervroegd vakantiegeld, waarbij 23.721,34 euro bedrijfsvoorheffing is ingehouden en 574,96 euro bijzondere bijdrage sociale zekerheid, en waarbij vader 1.904,55 euro heeft teruggekregen van de belastingen. Dat brengt het netto inkomen van vader in de relevante periode en afgerond inderdaad op ongeveer 3.500 euro per maand. Hierin moeten wel degelijk vakantiegeld, eindejaarspremie, en voordelen van alle aard zijn inbegrepen. Tenzij vader officieuze inkomsten zou genieten, en de goede trouw wordt vermoed en fiscale onregelmatigheden moeten bewezen worden, kan het hof niet aannemen dat eventuele andere voordelen die vader nog uit arbeid zou verwerven, niet zouden weerspiegeld zijn in zijn aanslagbiljet. Het hof gaat er hierbij net als de eerste rechter van uit dat de aanslagbiljetten van partijen voor hetzelfde inkomstenjaar toelaten om accuraat en vergelijkbaar de totale inkomsten van partijen te ramen. Het hof merkt ook op dat dit het meest recente aanslagbiljet is dat partijen bijbrengen. De stukken 42 en 51 van moeder zijn slechts berekeningen voor aanslagjaren 2024 en 2025 en ook van vader zijn na inkomstenjaar 2022 slechts losse loonfiches beschikbaar. Uit het stuk 37 van moeder, dat is haar aanslagbiljet voor hetzelfde inkomstenjaar 2022, blijkt dat zij in dat jaar 29.201,68 euro verdiende aan wedden en lonen, en 1.794,60 euro andere inkomsten genoot, waarbij 6.178,31 euro bedrijfsvoorheffing is ingehouden en 238,99 euro bijzondere bijdrage sociale zekerheid, en waarna zij samen met haar partner 1.844,48 euro terugkreeg van de belastingen. Dat brengt haar netto inkomen voor die periode inderdaad op ongeveer 2.125 euro per maand, uit deeltijdse arbeid, en haar verdienvermogen moet inderdaad worden ingeschat op 2.656,25 euro – wat moeder ook aanvaardt. De eerste rechter heeft dit alles correct zo beoordeeld. Ook rekening houdende met de fiscaliteit – waarbij vader inderdaad een gedeelte van de betaalde onderhoudsbijdragen kan aftrekken, maar waarbij moeder ook fiscale voordelen geniet en aan een lager tarief wordt belast – blijft de beoordeling door de eerste rechter correct. Enigszins aanvullend herhaalt het hof en merkt het hof op dat inkomstenjaar 2022 het recentste jaar is waar aanslagbiljetten voor zowel vader als moeder beschikbaar en dus vergelijkbaar zijn, en dat er geen aanwijzingen zijn dat behoudens indexering, het verdienvermogen van hetzij vader, hetzij moeder, sedertdien ingrijpend zou zijn gewijzigd. 22. Tijdens de periode van 21 november 2022 tot datum van het beroepen vonnis, kan inderdaad worden aangenomen dat het onderhoud van D. door moeder ten belope van 65% en door vader ten belope van 35% is gepresteerd geweest. Dat correspondeert beter met de 9-5 regeling met vakantieregeling zoals die toen gold dan de 75%-25% verhouding die moeder vooropstelt om de onderscheiden bijdrages in natura te begroten. Vanaf de datum van het beroepen vonnis geldt dan een gelijkmatig verdeeld verblijf, waarbij elke ouder de kosten van D. blijft dragen in de eigen verblijfsperiode, en waarbij de bijdrage in natura op 50%-50% wordt geraamd. Ook op dit punt moet de beoordeling van de eerste rechter worden bijgetreden. 23. Om de kindkost te begroten verwijst de eerste rechter naar de IGAK – tabel zoals weergegeven in R. Hobin, “Onderhoudsbijdragen voor kinderen – een rekenkundige benadering voor rechtspractici”, T. Fam. 2019, afl. 10, blz. 274. Vader en moeder hebben samen een netto inkomen, dan wel verdienvermogen, meer groeipakket, van meer dan 6.000 euro, zodat voor een kind van de gemiddelde leeftijd van D. van 7 jaar, rekening wordt gehouden met een kost ten belope van 14,30% van het gezinsinkomen, of nog, afgerond, bruto 900 euro, en netto, afgerond, na verrekening van het groeipakket van ongeveer 120 euro – dat tot datum vonnis is blijven toekomen aan moeder en vanaf dan bij helften is verdeeld - 780 euro. Die kost moeten vader en moeder presteren in verhouding tot hun aandeel in de beschikbare middelen, en dat in natura of bij equivalent. Dat wil zeggen dat volgens de verdeelsleutel 57% - 43%, vader 445 euro (dat is, 57% van de netto kost van 780 euro) per maand moet presteren, in natura of bij equivalent, en moeder 335 euro (dat is, 0,43 * 780 euro). Onder de 9-5 regeling presteert vader 315 euro in natura (nl. 35% van de bruto kost van 900 euro), terwijl hij is gehouden tot 445 euro, en presteert moeder bruto 585 euro (65% van de bruto kost van 900 euro), en netto 465 euro (zij ontvangt immers in die periode het groeipakket ten bedrage van 120 euro) terwijl zij is gehouden tot 335 euro. Het verschil, ten belope van 130 euro, is wat vader moet betalen aan moeder als maandelijkse onderhoudsbijdrage in de gewone kosten van D., voor de periode van 21 november 2022 tot de datum van het beroepen vonnis. In de mate dat het hoger beroep van moeder ertoe strekt dat zij voor die periode een hoger onderhoudsgeld voor D. zou ontvangen van vader, zou dat voor gevolg hebben dat zij netto minder bijdraagt in het onderhoud van D. dan waartoe zij in verhouding tot haar aandeel in de beschikbare middelen is gehouden. Om die reden is haar hoger beroep op dit punt ongegrond. 24. Voor de periode nadien geldt een gelijkmatig verdeeld verblijf met gelijke prestaties in natura. Tenzij er sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden die er in deze zaak niet zijn, impliceert dat ook dat elke ouder het kind in de eigen levensstandaard van het gezin laat delen voor de eigen gelijke verblijfsperiode, en dat op die manier automatisch in natura wordt gepresteerd in verhouding tot het aandeel in de beschikbare middelen – zoals dat aandeel en die middelen kunnen worden gemeten naar de levensstandaard die elk gezin zich kan gunnen. 25. Het hof merkt bij dit alles en terloops ook nogmaals op dat het hof zelf het onderscheiden aandeel in de beschikbare middelen anders zou begroten – maar dat niet doet, omdat vader de motieven van de eerste rechter aanvaardt: de beschikbare middelen bedragen voor vader 2.211,54 euro (3.500 euro netto inkomsten – 1.288,46 euro forfait aan niet-samendrukbare kosten als alleenstaande) en voor moeder 2.012,02 euro (2.656,25 euro verdienvermogen – 644,23 euro forfait aan niet-samendrukbare kosten als kostendelend samenwonende). Het aandeel in de beschikbare middelen bedraagt dan 52% voor vader en 48% voor moeder. Indien het hof, zoals moeder vraagt, het inkomen van vader 350 euro per maand hoger zou inschatten, om ook het voordeel van een salariswagen te weerspiegelen, dan zou de verhouding nog steeds ‘slechts’ 56% voor vader bedragen, en 44% voor moeder – en zou de maandelijkse onderhoudsbijdrage voor de gewone kosten van D. in de periode van 21 november 2022 tot datum van het beroepen vonnis, nog steeds nipt lager zijn dan 130 euro per maand. Aldus moet het hof vaststellen dat het zelfs gedeeltelijk gegrond verklaren van het hoger beroep van moeder met betrekking tot de onderhoudsregeling, voor gevolg zou hebben dat zij minder zou bijdragen in de kosten van haar zoon dan waartoe zij in verhouding tot haar aandeel in de beschikbare middelen is gehouden, en ook om die reden moet worden afgewezen als ongegrond. 26. Bij dit alles geldt dat er verschillende rekenmethodes, bronnen en tabellen met standaardcijfers bestaan om onderhoudsbijdragen te begroten, en verschillende manieren om beredeneerd te gissen naar de inkomsten of het verdienvermogen van partijen, hun niet-samendrukbare kosten, of naar de kosten van kinderen, en verschillende factoren om al naar gelang de omstandigheden, rekening mee te houden. Daarbij merkt het hof ook op dat het ramen van inkomsten en kosten altijd beredeneerd giswerk vraagt en slechts tot doel heeft de onderlinge verhouding (en de levensstandaard) benaderend te begroten. Van belang is dat er een redenering wordt opgebouwd en uiteengezet die begrijpelijk, billijk en coherent is, en dat op dezelfde wijze en op een vergelijkbare manier wordt geredeneerd voor zowel vader als moeder. Zolang dat het geval is, valt het onder de appreciatiemarge van de familierechter om een bepaalde methode of bepaalde bronnen of tabellen te gebruiken. In deze zaak heeft de eerste rechter die keuzes trouwens ook gemotiveerd, met verwijzing naar de relevante rechtsleer. De eerste rechter heeft dit alles correct zo gedaan, door voor beide ouders rekening te houden met het recentste aanslagbiljet voor hetzelfde inkomstenjaar (waarin ook de voordelen van alle aard moeten zijn weergegeven, zgn. salariswagens, het privégebruik van laptop of telefoon, met de waarde die de fiscus aanvaardt, en waarbij ook geldt dat die voordelen een zekere consumptiedwang impliceren en niet dezelfde bestedingsvrijheid bieden als netto loon), dat ook het eerste jaar van de te beoordelen periode omvat, en dus actueel en pertinent is, en door voor beide ouders rekening te houden met de forfaits voor alleenstaanden en samenwonenden, en door voor de kindkost te putten uit de bijdrage van R. Hobin waar de eerste rechter naar verwijst. Het is ook inderdaad zo dat soms rekening wordt gehouden met de werkelijke woonkost om de verhouding van de niet-samendrukbare kosten te begroten. Dat is op zich niet fout – maar daarbij geldt dan weer dat een keuze om duurder te wonen ook ingegeven kan zijn door de wens om op die manier aan vermogensopbouw te doen, of door een behoefte aan meer comfort, of louter door het gegeven dat een nieuwe partner een min of meer duurdere of goedkopere woning heeft en een hogere of lagere bijdrage verlangt in de kosten van het samenleven, en dat in die mate, namelijk de mate waarin een partij redelijkerwijs goedkoper zou kunnen wonen, de woonkost gedeeltelijk zijn niet-samendrukbaar karakter verliest. Het hof merkt ook nog op dat moeder op blz 17, onderaan van haar laatste conclusie rekening houdt met inkomsten voor vader van 5.580 euro en voor zichzelf met het bedrag van 2.656,25 euro dat de eerste rechter beredeneerd heeft gegist. Dat is niet ernstig. Mocht dat kloppen, dan zou vader netto meer inkomsten verwerven dan er voor hem bruto inkomsten uit zijn aanslagbiljet voor dat jaar blijken. Tot slot, en opnieuw, aanvullend en ten overvloede, geldt dat wanneer prestaties gelijkmatig in natura worden geleverd, elke ouder het kind of de kinderen tijdens de eigen verblijfsperiode laat delen in de levensstandaard van het eigen gezin (die bij moeder iets hoger is, nu zij kostendelend samenwoont), en op die manier bijna noodzakelijk onderhoud presteert in verhouding tot het aandeel in de beschikbare middelen. Wat moeder verder nog meer of anders uiteenzet is minstens impliciet beantwoord en doet geen afbreuk aan wat voorafgaat, of aan de oordeelkundige motieven van de eerste rechter. Haar hoger beroep is ongegrond. 27. In deze zaak heeft de eerste rechter (in verschillende samenstellingen) nadat een maatschappelijk onderzoek is bevolen en een bemiddelaar is aangesteld geweest, een oordeelkundig gemotiveerde en correcte, op maat gemaakte regeling bepaald voor de uitoefening van het ouderlijk gezag, de verblijfsregeling en de onderhoudsregeling van D.. Daarbij heeft de eerste rechter ook de kosten van de rechtspleging in eerste aanleg terecht bij helften verdeeld. De rechtspleging in eerste aanleg heeft immers in het belang van zowel vader als moeder en hun minderjarige kind, geleid tot een correcte regeling. In hoger beroep geldt datzelfde niet: het beroepen vonnis moet integraal worden bevestigd, en het hoger beroep van moeder is ongegrond, en zij moet als in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij instaan voor de kosten van de rechtspleging, zoals hierna begroot. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; Bevestigt integraal het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 19 maart 2025; Wijst al het in hoger beroep meer of anders gevorderde af als ongegrond; veroordeelt moeder tot de gedingkosten in hoger beroep, te begroten op:
(1)het reeds in rekening gebrachte en door de griffie geïnde bedrag van 26,00 euro voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand in toepassing van artikel 4, § 2, lid 1 en 3 en artikel 5, § 1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (BS 31 maart 2017),
(2)400,00 euro rolrecht in hoger beroep voor de Belgische Staat, FOD Financiën met toepassing van artikel 269
(1)en
(2)W. Reg., en
(3)1.883,72 euro rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van vader. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, ELFDE septies KAMER, rechtdoende in burgerlijke zaken als familiekamer van zes januari tweeduizend zesentwintig. Aanwezig: Jelle Flo, raadsheer - alleenrechtsprekend Fran De Coen, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div