id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 24 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2026:ARR.20260224.1 Rolnummer: 2025FA628 Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2026-03-25 Raadplegingen: 285 - laatst gezien 2026-06-18 06:33 Fiche Wanneer wordt beoordeeld dat een ouder een kind op ongeoorloofde wijze niet heeft laten terugkeren op het daartoe voorziene ogenblik of kort nadien, moet overeenkomstig artikel 12 van het kinderontvoeringsverdrag in beginsel de onmiddellijke terugkeer van het kind worden bevolen. De familierechter kan weigeren de terugkeer te gelasten indien wordt vastgesteld dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en een mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigen dat met de mening van het kind rekening wordt gehouden. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - EUROPEES EN INTERNATIONAAL GERECHTELIJK RECHT - Executie en Bevoegdheid - Verdrag 's Gravenhage van 25 oktober 1980 - Burgerrechtelijke aspecten internationale ontvoering kinderen Tekst van de beslissing In de zaak 2025/FA/628 wijst het hof het volgend arrest: I. RELEVANTE FEITELIJKE EN PROCEDURELE ELEMENTEN 1. (…) Het hof herneemt slechts dat P. X. (vader) en A. Y. (moeder) de ouders zijn van A.S., geboren te (…), Verenigd Koninkrijk, op (...) 2012 (A.S.). In het beroepen vonnis is als volgt beslist: “(…) Met inachtneming van : -artikel 2 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, -het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, die gericht is op de onmiddellijke terugkeer van het kind, zoals geregeld door de artikelen 1322bis e.v. Ger.W.; Verklaart de vordering ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond; Beveelt de onmiddellijke terugkeer van A.S. geboren op (...) 2012 te (…) (Verenigd Koninkrijk), met de Britse en Belgische nationaliteit, naar het Verenigd Koninkrijk. Zegt dat bij gebrek aan vrijwillige uitvoering van het vonnis zoals hierboven bepaald, de instrumenterende gerechtsdeurwaarder gemachtigd wordt zich te laten bijstaan door de sociale politie, en zo nodig ook door een maatschappelijk werker of psycholoog, teneinde de terugkeer in alle sereniteit te laten verlopen. Zegt dat bij gebrek aan vrijwillige uitvoering van het vonnis zoals hierboven bepaald, de vader— [P.X.] (…)—veroordeeld wordt tot het betalen van een dwangsom van 500,00 euro per dag vertraging in de afgifte van het kind, te rekenen vanaf het verstrijken van een termijn van 7 dagen na betekening van het vonnis. In toepassing van artikel 1385ter Ger.W. bepaalt de rechtbank een maximum voor de dwangsom van 25.000,00 euro. Zegt dat de gedingkosten, verbonden aan onderhavige procedure ten laste vallen van de heer P. X.. (…). Machtigt voor zoveel als nodig, mevrouw A. Y. (…), om een internationaal paspoort voor haar minderjarige dochter af te halen bij de bevoegde diensten. Wijst het meer of anders gevorderde af als ongegrond. (...)” II. HOGER BEROEP 2. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 21 november 2025 stelt vader hoger beroep in tegen het vonnis van 14 november 2025 van de familiekamer bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer G18. 3. Partijen leggen geen stukken voor waaruit blijkt dat het beroepen vonnis is betekend. 4. Op 16 december 2025 is de zaak ingeleid voor de 11de septies kamer. (…) 5. Blijkens conclusie van 21 januari 2026 beoogt vader om: “(…) Het verzoek tot onmiddellijke terugkeer af te wijzen en te oordelen dat de terugkeer van het kind niet dient te worden gelast; (…)” 6. Blijkens conclusie van 28 januari 2026 beoogt moeder om: “(…) Het vonnis a quo, gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, Familie- en Jeugdrechtbank, 15e kamer, op datum van 14 november 2025, integraal te bevestigen; (…)” 7. Het hof heeft op 27 januari 2026 A.S. gehoord met toepassing van artikel 1004/1 Ger.W. 8. Het hof heeft de partijen gehoord in hun middelen en conclusies ter zitting van 3 februari 2026. Vader en moeder zijn daarbij in persoon aanwezig. (…) Hierop sluit het hof het debat. (…) De zaak wordt voor sluiting van debatten gesteld op de zitting van 10 februari 2026. Ter zitting van 10 februari 2026 sluit het hof het debat en neemt het hof de zaak in beraad. 9. Het hof aanziet de conclusie van 21 januari 2026 van vader en de conclusie van 28 januari 2026 van moeder als alomvattende syntheseconclusies in de zin van artikel 748bis Ger.W., om ze aldus (met alle bijhorende stukken), met instemming van de partijen, ter zitting van 3 februari 2026 in het debat te houden. 10. Het hof heeft het dossier van de rechtspleging en de overgelegde stukken ingezien. III. BEOORDELING 11. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm. Terwijl moeder in haar laatste conclusie, die de vorm moet hebben van een syntheseconclusie, vordert dat het hof het hoger beroep onontvankelijk en/of ongegrond zou verklaren, wordt geen exceptie van onontvankelijkheid ontwikkeld. Het hof ziet ambtshalve niet waarom het hoger beroep niet ontvankelijk zou zijn. Het hoger beroep is ontvankelijk. 12. Het hof herneemt dat het voor de uiteenzetting van de feitelijke voorgaanden verwijst naar de correcte samenvatting door de eerste rechter. Behoudens waar het hof hierna anders overweegt of een feitelijke betwisting anders zou uitklaren, maakt het hof zich die samenvatting eigen. 13. Vader en moeder zijn op (…) 2003 gehuwd te (…), Verenigd Koninkrijk. Tijdens het huwelijk woonden zij samen te (…), Verenigd Koninkrijk, en op (...) 2012 is te (…), Verenigd Koninkrijk hun dochter A.S. geboren. In 2016 kwam de relatie tussen vader en moeder tot een einde en in 2018 verhuisde vader terug naar België. A.S. bleef toen bij moeder in het Verenigd Koninkrijk wonen en ging daar ook naar school. Op 20 juli 2024 liet moeder A.S. naar België gaan, met een retourticket voor de Eurostar, en met voorziene terugreis naar het Verenigd Koninkrijk op 29 augustus 2024. Evenwel werd moeder in België gearresteerd naar aanleiding van een verstekvonnis van 12 januari 2022, wegens het op 20 maart 2021 illegaal invoeren van een riem vervaardigd uit de huid van een boa constrictor, zodat zij in hechtenis verbleef op het ogenblik dat A.S. terug zou keren naar moeder. Op 11 september 2024 is moeder in vrijheid gesteld. Vader hield A.S. evenwel bij zich en liet haar niet terugkeren naar het Verenigd Koninkrijk. Op 15 oktober 2024 deed moeder klacht tegen vader wegens ontvoering en op 6 januari 2025 heeft zij de centrale autoriteit in het Verenigd Koninkrijk gevat. Volledigheidshalve en chronologisch meldt het hof nog dat op 20 januari 2025 de echtscheiding tussen vader en moeder is uitgesproken. 14. Beknopt samengevat moet het hof nu in deze zaak beoordelen of de beslissing van de eerste rechter in het beroepen vonnis van 14 november 2025, waarbij de onmiddellijke terugkeer van A.S. van bij vader in België naar moeder in het Verenigd Koninkrijk wordt bevolen, en dat onder verbeurte van een dwangsom en zo nodig met bijstand van de politie, moet worden ongedaan gemaakt of bevestigd. Het hof onderzoekt die vraag en bespreekt daarbij de middelen en vorderingen van partijen in de volgorde zoals het hof dat gepast acht. 15. Er bestaat geen betwisting dat het toepasselijk recht is bepaald in verdrag van Den Haag van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (hierna: het kinderontvoeringsverdrag). De in deze zaak relevante verdragsbepalingen zijn de volgende: Artikel 1 van het kinderontvoeringsverdrag bepaalt: Dit Verdrag heeft tot doel:
- a)de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende Staat;
- b)het in een Verdragsluitende Staat bestaande recht betreffende het gezag en het omgangsrecht in de andere Verdragsluitende Staten daadwerkelijk te doen eerbiedigen. Artikel 3 van het kinderontvoeringsverdrag bepaalt: Het overbrengen of het niet doen terugkeren van een kind wordt als ongeoorloofd beschouwd, wanneer:
- a)dit geschiedt in strijd met een gezagsrecht, dat is toegekend aan een persoon, een instelling of enig ander lichaam, alleen of gezamenlijk, ingevolge het recht van de Staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had; en
- b)dit recht alleen of gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of het niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden. Het onder
- a)bedoelde gezagsrecht kan in het bijzonder voortvloeien uit een toekenning van rechtswege, een rechterlijke of administratieve beslissing of een overeenkomst die geldig is ingevolge het recht van die Staat. Artikel 6 van het kinderontvoeringsverdrag bepaalt: Iedere Verdragsluitende Staat wijst een centrale autoriteit aan die de verplichtingen dient na te komen, die hem door het Verdrag zijn opgelegd. Een federale Staat, een Staat waarin verschillende rechtsstelsels van kracht zijn, of een Staat die zelfstandige territoriale organisaties heeft, is vrij meer dan één centrale autoriteit aan te wijzen en de territoriale omvang van de bevoegdheden van elk van deze autoriteiten te omschrijven. De Staat die van deze mogelijkheid gebruik maakt, wijst de centrale autoriteit aan, waaraan de verzoeken kunnen worden gericht ten einde te worden doorgegeven aan de bevoegde centrale autoriteit binnen deze Staat. Artikel 8 van het kinderontvoeringsverdrag bepaalt: Personen, instellingen of lichamen die stellen dat een kind in strijd met het recht betreffende het gezag is overgebracht of wordt vastgehouden, kunnen zich richten tot de centrale autoriteit van hetzij de gewone verblijfplaats van het kind, hetzij de centrale autoriteit van iedere andere Verdragsluitende Staat, met het verzoek om behulpzaam te zijn bij het verzekeren van de terugkeer van het kind. Artikel 12 van het kinderontvoeringsverdrag bepaalt: Wanneer een kind ongeoorloofd is overgebracht of wordt vastgehouden in de zin van artikel 3 en er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren en het tijdstip van de indiening van het verzoek bij de rechterlijke of administratieve autoriteit van de Verdragsluitende Staat waar het kind zich bevindt, gelast de betrokken autoriteit de onmiddellijke terugkeer van het kind. De rechterlijke of administratieve autoriteit gelast, zelfs in het geval dat het verzoek tot haar wordt gericht nadat de in het vorige lid bedoelde termijn van één jaar is verstreken, eveneens de terugkeer van het kind, tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving. Wanneer de rechterlijke of administratieve autoriteit van de aangezochte Staat redenen heeft om aan te nemen dat het kind naar een andere Staat is meegenomen, kan zij de procedure schorsen of het verzoek tot terugkeer van het kind afwijzen. Artikel 13 van het kinderontvoeringsverdrag bepaalt: Niettegenstaande het bepaalde in het voorgaande artikel, is de rechterlijke of administratieve autoriteit van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon, de instelling of het lichaam dat zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat:
- a)de persoon, de instelling of het lichaam dat de zorg had voor de persoon van het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust; of dat
- b)er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. De rechterlijke of administratieve autoriteit kan eveneens weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden. Bij het beoordelen van de in dit artikel bedoelde omstandigheden, houden de rechterlijke of administratieve autoriteiten rekening met de gegevens omtrent de maatschappelijke omstandigheden van het kind, die zijn verstrekt door de centrale autoriteit of enige andere bevoegde autoriteit van de Staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. 16. Het hof oordeelt dat uit de stukken blijkt en dat niet voor ernstige betwisting vatbaar is dat vader A.S. op ongeoorloofde wijze niet heeft laten terugkeren naar het Verenigd Koninkrijk op het daartoe voorziene ogenblik, zijnde 29 augustus 2024, of kort nadien, na de invrijheidsstelling van moeder en in de loop van september 2024, in de zin van artikel 3 van het kinderontvoeringsverdrag. Vervolgens heeft moeder op 6 januari 2025, en dus binnen de termijn van één jaar zoals bedoeld in artikel 12 van het kinderontvoeringsverdrag, een verzoek ingediend bij de bevoegde autoriteit in het Verenigd Koninkrijk. Voor zoveel als nodig verwijst het hof in dit verband naar de oordeelkundige motieven van de eerste rechter, die het zich in dit verband eigen maakt. Niets van wat partijen meer of anders uiteenzetten doet daaraan afbreuk. 17. Overeenkomstig artikel 12 van het kinderontvoeringsverdrag moet de familierechter dus in beginsel de onmiddellijke terugkeer van A.S. bevelen. Overeenkomstig artikel 13 b), ten tweede van het kinderontvoeringsverdrag kan de familierechter weigeren de terugkeer te gelasten indien wordt vastgesteld dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat met de mening van het kind rekening wordt gehouden. 18. Gelet op volgende elementen: - De leeftijd van A.S., die zoals uiteengezet is geboren op (...) 2012; - Het proces-verbaal van de politie, door het openbaar ministerie gevoegd in de procedure voor de eerste rechter, waaruit blijkt dat de politie zich op 10 mei 2025 heeft aangeboden bij vader. Daar zijn behalve vader en A.S. ook de paternale grootvader en de partner van vader aanwezig. De politie meldt dat A.S. overkomt als een gezond, vrolijk en energiek kind. Zij heeft een eigen speelkamer en slaapkamer. De woning is ruim en beschikt over een grote tuin. A.S. gaat graag naar school, zou ook naar de scouts gaan, en volgt paardrijlessen. Tot slot meldt de politie dat A.S. wordt begeleid door psycholoog L.B.; - Psychologe L.B. verklaart in een verslag van 16 februari 2025, opgesteld en overgemaakt met toestemming van A.S. zelf, en door de politie gevoegd aan het pv dd. 14 mei 2025, dat A.S. van 16 oktober [2024] tot 8 januari [2025] bij haar in therapie is geweest. Haar moeder werd in de grote vakantie opgepakt door de politie toen zij met A.S. terug naar Engeland zou keren. Vervolgens is A.S. halsoverkop ingeschreven in een [Belgische] school en sindsdien ook bij vader gebleven. De psychologe verklaart verder dat A.S. geleidelijk aan in België wil blijven, dat zij in het Verenigd Koninkrijk vaak alleen thuis was, dat in de woning ook kamers werden verhuurd aan anderen, dat zij zwaar gepest werd op school in het Verenigd Koninkrijk, en dat het daar onveilig was, terwijl zij in België gelukkig samenwoont bij vader en diens partner, vriendinnen maakt op school, minder eenzaam is en zich meer ondersteund voelt; - A.S. is op 5 september 2025 uitgenodigd om te worden gehoord door de eerste rechter en is vervolgens op 24 september 2025 ook gehoord geweest door de eerste rechter. Bij die gelegenheid heeft zij – met omstandige vermelding van haar motieven – verklaard dat zij bij vader in België wil blijven, dat zij het daar beter stelt dan in het Verenigd Koninkrijk.; - De eerste rechter heeft dit ook zo begrepen en meldt op blz. 13 van het beroepen vonnis dat A.S. is gehoord, dat zij op dat ogenblik 13,5 jaar oud is, dat zij zeer mondig overkomt en een verstandig kind lijkt, met een zeer uitgesproken mening; - Vervolgens is A.S. op 19 december 2025 ook uitgenodigd om te worden gehoord door het hof, en is zij op 27 januari 2026 ook gehoord door het hof. Bij die gelegenheid heeft zij opnieuw en met omstandige vermelding van haar motieven verklaard dat zij bij vader in België wil blijven; - Beknopt samengevat verklaart A.S. dat zij gelukkig is en goed functioneert binnen de paternale context, in het gezin van vader, op school, dat zij vrienden maakt en zich kan ontplooien; - Dat A.S. op drie verschillende tijdstippen, dezelfde, omstandige, coherente en weloverwogen verklaringen heeft gedaan ten aanzien van haar psychologe en ten aanzien van twee magistraten, zijnde de eerste rechter en het hof in zijn huidige samenstelling; - Dat het hof haar maturiteit normaal tot hoog inschat voor haar leeftijd, dat ook uit het verslag van psycholoog L.B. blijkt dat de inzichten van A.S. zijn gegroeid en gerijpt; dat in elk geval haar verklaring coherent is en op verschillende tijdstippen ten overstaan van verschillende professionelen is gedaan; - Dat wat A.S. verklaart daarenboven ook correspondeert met de vaststellingen door de politie en met de schoolrapporten – die vader bijbrengt als zijn stukken 28, 32, 33; - Dat overigens uit die schoolrapporten, noch uit enig ander document, geen aanwijzingen blijken dat A.S. niet de maturiteit zou hebben die correspondeert met haar leeftijd; - Dat voor het hof blijkt, uit de verklaringen van A.S., en uit het gegeven dat A.S. inmiddels sedert geruime tijd in de paternale context verblijft en goed functioneert, dat een gedwongen terugkeer bij A.S. ook bijkomende stress en verwarring en aanpassingsmoeilijkheden zou veroorzaken; Stelt het hof vast dat A.S. een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigen dat met haar mening rekening wordt gehouden, stelt het hof vast dat A.S. zich verzet tegen een gedwongen terugkeer, stelt het hof ook vast dat de huidige leefsituatie van A.S. haar ontwikkeling en ontplooiing en welbevinden ten goede komt, dat zij goed functioneert, zowel emotioneel als sociaal en schools, dat een gedwongen terugkeer zou strijden met zowel haar mening als met haar belang, en zal het hof in die omstandigheden en om die redenen weigeren de gedwongen terugkeer te gelasten. 19. Enigszins ten overvloede en aanvullend en om te antwoorden op wat partijen- en met name moeder – verder nog uiteenzetten en vorderen, merkt het hof op en verduidelijkt het hof wat volgt, in de volgorde die moeder zelf hanteert in haar laatste conclusie, die de vorm moet hebben van een syntheseconclusie: - Zoals moeder vordert, stelt ook het hof, samen met de eerste rechter, vast dat vader A.S. ongeoorloofd heeft achtergehouden in de zin van artikel 3 van het kinderontvoeringsverdrag; - Evenwel zal het hof niet de onmiddellijke terugkeer bevelen, maar integendeel de beslissing van de eerste rechter waarbij de onmiddellijke terugkeer wordt bevolen, teniet doen, omdat A.S. zich verzet tegen de gedwongen terugkeer en de leeftijd en maturiteit heeft bereikt die verantwoorden dat met haar mening rekening moet worden gehouden, en de concrete omstandigheden en het welbevinden van A.S. en haar belang ook daartoe nopen; - Om die reden wordt ook geen dwangsom opgelegd, die immers accessoir is aan een hoofdveroordeling die er niet meer is; - Indien er nog betwisting zou bestaan tussen partijen omtrent het al dan niet bekomen van een internationale reispas voor A.S., is dat een betwisting met betrekking tot de uitoefening van het ouderlijk gezag, die voor de bevoegde familierechter moet worden gebracht; de eerste rechter heeft die beslissing slechts accessoir genomen, om de uitvoering van de hoofdveroordeling te vergemakkelijken, maar die hoofdveroordeling wordt teniet gedaan; - Zoals moeder voorhoudt, heeft de eerste rechter in het beroepen vonnis inderdaad het toepasselijk wettelijk kader in beeld gebracht, en het kinderontvoeringsverdrag theoretisch en juridisch correct geïnterpreteerd. Het is echter niet zo dat vader geen rechtsgrond heeft of vermeldt die zijn hoger beroep schraagt. Vader heeft hoger beroep ingesteld, onder meer omdat hij zich gegriefd weet door de feitelijke appreciatie van de eerste rechter dat A.S. niet de vereiste leeftijd en maturiteit zou hebben, opdat rekening moet worden gehouden met haar mening, zoals bedoeld in artikel 13 (b), tweede lid van het kinderontvoeringsverdrag. Vader heeft dit zo vermeld op blz. 41 tot 49 van zijn verzoekschrift tot hoger beroep, randnummer 34 tot 41. Het hof apprecieert dat feitelijk gegeven zoals uiteengezet ook anders dan de eerste rechter, en knoopt daar ook andere gevolgen aan vast; - Zoals moeder voorhoudt, staat vast dat vader A.S. ongeoorloofd heeft achtergehouden, kan de eenzijdige inschrijving in een school op zich het achterhouden niet legitimeren, en moet inderdaad wat moeder omschrijft als een “fait accompli” – strategie niet worden beloond. Dat alles doet geen afbreuk aan de vaststelling dat A.S. zich zelf verzet tegen een gedwongen terugkeer en dat met haar mening rekening moet worden gehouden; - Het staat buiten betwisting dat A.S. jonger is dan 16 jaar en dat het kinderontvoeringsverdrag van toepassing is. De toepassing van het kinderontvoeringsverdrag, en in het bijzonder van artikel 13 (b), tweede lid, noopt het hof tot de beslissing dat de gedwongen terugkeer niet wordt bevolen; - Duidelijkheidshalve merkt het hof op dat het hof niet aangetoond acht dat er een ernstig risico zou bestaan dat A.S. door haar terugkeer zou worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondraaglijke toestand zou worden gebracht, zoals bedoeld in artikel 13 (b), eerste lid van het kinderontvoeringsverdrag; - Dat zoals moeder opmerkt, zulks niet afdoende kan blijken uit loutere persverslaggeving en dat het hof inderdaad aanneemt dat het Verenigd Koninkrijk beschikt over een afdoende kader op het vlak van kinderbescherming; - Vervolgens evenwel, dat een verklaring die een kind doet, in beginsel wordt verondersteld de authentieke mening van dat kind te weerspiegelen, en dat een kind in beginsel wordt verondersteld over die maturiteit te beschikken die correspondeert met de leeftijd van het kind, en dat iets anders concreet moet blijken en niet zomaar mag worden verondersteld; - Het hof acht niet aangetoond dat sprake zou zijn van een externe conditionering en van oudervervreemding of emotionele of andere beïnvloeding, of van andere kunstgrepen of manipulaties, als gevolg waarvan zou moeten worden besloten dat hetzij de verklaringen van A.S. niet authentiek zijn, hetzij A.S. niet doet blijken van de maturiteit die is vereist opdat rekening wordt gehouden met haar mening; - Vooreerst blijkt dat uit geen enkel objectief stuk of document; - Vervolgens stelt het hof vast dat A.S. zowel ten overstaan van haar psychologe als ten overstaan van de eerste rechter en ten overstaan van het hof een gelijklopend en coherent verhaal brengt; het hof stelt daarbij vast dat A.S. rustig en beheerst en weloverwogen spreekt, zich goed kan uitdrukken, en verduidelijkt waarom zij wil wat zij wil, en dat trouwens ook illustreert aan de hand van voorbeelden, en dat A.S. daarbij ook blijk geeft van voortschrijdend en groeiend inzicht, dat de psychologe dat ook zo duidt; - Het hof herneemt hierbij dat wat A.S. verklaart omtrent haar welbevinden bij vader thuis en op school ook feitelijk en objectief wordt bevestigd in de verslaggeving door de politie (die vaststelt dat A.S. vrolijk en gelukkig en gezond en wel is, en beschikt over voldoende ruimte en comfort) en in de schoolrapporten (waaruit al met al normale schoolprestaties blijken en waaruit ook blijkt dat A.S. een vrolijk en goed functionerend kind is); - Dat ook indien het zo is dat A.S. inmiddels en sedert langer dan een jaar bij vader en in het vaderlijke milieu verblijft – wat buiten betwisting zo is – en ook en zelfs indien het zo zou zijn dat vader zich deloyaal opstelt ten aanzien van moeder, en A.S. beïnvloedt, dat daaruit niet volgt dat de verklaringen van A.S. niet corresponderen met haar eigen authentieke mening, hoe of in welke omstandigheden die mening ook tot stand is gekomen, en dat daaruit evenmin volgt dat A.S. niet matuur zou zijn voor haar leeftijd; het blijft immers zo dat A.S. verklaart wat zij verklaart, en dat trouwens bij herhaling en met opgave van redenen; - Dat integendeel uit de eigen vaststellingen van het hof, uit de inhoud van de verklaring van A.S. ten overstaan van de eerste rechter, uit de vaststellingen, op het eerste zicht, door de politie, uit het verslag van de psychologe, en uit de schoolrapporten, blijkt dat A.S. zowel emotioneel als intellectueel normaal matuur is voor haar leeftijd; - Dat anders dan de eerste rechter overweegt, A.S. zich niet uitdrukt op een manier die wijst op beïnvloeding of een woordenschat bezigt die haar niet eigen kan zijn, dat het in elk geval niet zo is dat zij een ingestudeerd verhaal voordraagt zonder te begrijpen wat zij zelf verklaart; - Dat het niet gaat om een loutere voorkeur van A.S. maar integendeel om een volgehouden en weloverwogen verklaring; - Tot slot, dat het hof niet beoogt om het ongeoorloofd handelen van vader te belonen, of nog een “fait accompli” of “vertragingsstrategie”, maar dat het hof wel rekening houdt met de mening van A.S. en met het actuele belang van A.S., en dat niet voor ernstige betwisting vatbaar is dat zij inmiddels goed functioneert in België en in de paternale context, zowel familiaal en emotioneel als ook schools en op het vlak van haar ontplooiing en ontwikkeling, en dat een gedwongen terugkeer ernstige stress zou veroorzaken, en haar opnieuw tot zeer ingrijpende en moeizame aanpassingen zou dwingen; - Dat wat partijen meer of anders uiteenzetten, niet tot een andere slotsom noopt. 20. Het beroepen vonnis moet worden teniet gedaan en het verzoek tot onmiddellijke terugkeer moet worden afgewezen en het hof zal oordelen dat de terugkeer van het kind niet wordt gelast. 21. Er zijn in deze zaak geen werkelijk in het gelijk gestelde partijen. Het hof merkt op dat het ook een deel van de middelen van vader afwijst als onbewezen en ongegrond en dat het hof moeder ook op een aantal punten bijtreedt. In elk geval moet ook worden vastgesteld dat vader A.S. wel degelijk ongeoorloofd heeft achtergehouden. In die omstandigheden gaat het niet op dat moeder alleen zou moeten instaan voor de kosten van de rechtspleging. Om die redenen, en ook omwille van de familiale aard van het geschil, moeten de kosten bij helften worden verdeeld en worden de rechtsplegingsvergoedingen omgeslagen, zoals hierna bepaald. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; gelet op het mondelinge advies van het openbaar ministerie, verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond; doet het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, familie- en jeugdrechtbank, G15 kamer, d.d. 14 november 2025, teniet, en opnieuw wijzende; Stelt vast dat P. X. zijn dochter A.S., geboren te (…), Verenigd Koninkrijk, op (...) 2012, ongeoorloofd heeft achtergehouden in de zin van artikel 3 van het verdrag van Den Haag van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen; Zegt dat het verzoek tot onmiddellijke terugkeer wordt afgewezen en dat de terugkeer van A.S., geboren te (…) Verenigd Koninkrijk, op (...) 2012, niet wordt gelast en dit met toepassing van artikel 13 (b), tweede lid van hetzelfde verdrag; Wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af; (….) Slaat de rechtsplegingsvergoedingen tussen de partijen om. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, ELFDE septies KAMER, rechtdoende in burgerlijke zaken als familiekamer van 24 februari tweeduizend zesentwintig. Aanwezig: Jelle Flo, raadsheer - alleenrechtsprekend Kevser Aygün, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div