id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 27 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2026:ARR.20260427.1 Rolnummer: 2026JZ43 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2026-04-28 Raadplegingen: 210 - laatst gezien 2026-06-18 06:42 Fiche Aan de hoedanigheid als onderhoudsplichtige knoopt de Vlaamse regelgever vast dat de jeugdrechter kan beslissen dat de onderhoudsplichtige personen moeten bijdragen in de onderhoudskostenkosten van de minderjarige die is toevertrouwd aan een voorziening, en dat die bijdrage wordt vastgesteld in functie van de middelen (‘gegoedheid') waarover de onderhoudsplichtigen kunnen beschikken. Thesaurus CAS: LEVENSONDERHOUD UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ALIMENTATIE - LEVENSONDERHOUD Tekst van de beslissing 2026/PGG/703 - 2026/VJ13/43 Not.nr. KO.42.97.000630/23 Het OPENBAAR MINISTERIE Inzake de minderjarige: H.M. , en haar ouders:
- nr. H.P.
- nr. F.C. Gedagvaard teneinde: Te horen beslissen over het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, sectie jeugd van 29 januari 2026 Ten aanzien van de minderjarige werden onder meer volgende voorafgaande beslissingen genomen: - beschikking van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, sectie jeugd, d.d. 18 augustus 2023; - beschikking van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, sectie jeugd, d.d. 14 september 2023; - beschikking van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, sectie jeugd, d.d. 2 oktober 2023 - beschikking van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, sectie jeugd, d.d. 13 december 2023; - vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, sectie jeugd, d.d. 24 januari 2024; - beschikking van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, sectie jeugd, d.d. 26 juli 2024; - beschikking van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, sectie jeugd, d.d. 23 januari 2025; - beschikking van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, sectie jeugd, d.d. 25 juni 2025; - vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, sectie jeugd, d.d. 22 januari 2026; Bij vonnis van de rechtbank eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, sectie jeugd van 29 januari 2026, is, met inachtneming van o.a. de volgende overwegingen: “(…)
- Rechtspleging Het openbaar ministerie heeft de hierboven vermelde partijen gedagvaard omdat de minderjarige M.H. zich in een verontrustende situatie zou bevinden. Het openbaar ministerie is van oordeel dat de jeugdrechtbank maatregelen moet nemen ter bescherming van M.H.. Het openbaar ministerie heeft aan de gedaagden en aan hun raadsman meegedeeld dat het dossier werd neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, sectie jeugd. Alle partijen konden vanaf de betekening van de dagvaarding inzage nemen van het dossier. De zaak werd in openbare zitting van 22.01.2026 behandeld. Het openbaar ministerie heeft de zaak op de zitting uiteengezet en de toepassing van de wet gevorderd. De volgende personen werden op de zitting gehoord: de minderjarige, bijgestaan door mr. Carl Defuster, advocaat te Kortrijk, P.H., bijgestaan door mr. Pieter Soens loco mr. Inge Vanderhaeghe, advocaat te Roeselare, C.F., de begeleidster van Bethanie. De rechtbank heeft op 22.01.2026 een vonnis verleend inzake de beschermende maatregel en heeft de beslissing inzake de bijdrage van de ouders in de kosten van deze maatregel uitgesteld naar 29.01.
- Partijen werden uitgenodigd om aanvullende stukken omtrent hun inkomsten neer te leggen en dit uiterlijk op 28.01.
- Reden van deze beslissing 3.
- M. is momenteel toevertrouwd aan vzw Bethanie door deze zetel, en dit onder de maatregel begeleiding (autonoom wonen met contextbegeleiding). Deze maatregel loopt nog tot aan haar meerderjarigheid. Opgroeien betaalt een maandelijkse toelage van 1.359,51 euro voor het autonoom wonen. Deze toelage wordt beheerd door vzw Bethanie. Met deze toelage worden alle kosten betaald (huur studio, water, gas, elektriciteit, internet, school-, medische en buitengewone kosten, zakgeld,...). Uit een aanvullend verslag van de sociale dienst van 20.01.2026 blijkt dat er zich een acuut probleem stelt inzake de financiële situatie van de minderjarige. De Vlaamse overheid heeft meegedeeld dat zij een onterecht ontvangen sociale toeslag van 1.139,56 euro zal terugvorderen. Dit zal gebeuren via een inhouding op de betalingen van Opgroeien die zij momenteel ontvangt. De sociale dienst adviseert om dit bedrag van de spaarrekening van de minderjarige te nemen. 3.
- De raadsman van de minderjarige stelt dat de ouders op dit moment geen bijdrage betalen in de kosten van de opvoeding van de minderjarige. Nochtans is haar situatie precair. Hij pleit ervoor dat de ouders een bijdrage betalen gelet op hun onderhoudsplicht die nog steeds geldt. De vader stelt dat hij momenteel onder budgetbeheer van het OCMW valt. Hij werkt en verdient ongeveer 2.000 euro per maand. Zijn kost van wonen is ongeveer 700,00 euro per maand. Hij woont samen met zijn partner. Hij staat alleen in voor de kost van opvoeden van zijn andere zoon R.H. De moeder heeft een invaliditeitsuitkering van 1.200,00 euro per maand. Zij heeft veel medische kosten en ontvangt 75 euro per week als leefgeld. Haar kost van wonen is 500,00 euro per maand meer de vaste kosten. Zij stelt dat zij wel geregeld kosten betaalt voor haar dochter. Partijen hebben geen bijkomende documenten neergelegd inzake hun financiële situatie of de kosten die zij betalen voor M.. 3.
- De rechtbank bepaalt de bijdrage van de minderjarige en van de onderhoudsplichtige personen, evenals de bestemming die aan het loon zal worden gegeven (artikel 78/7 Decreet Integrale Jeugdhulp). De rechtbank is van oordeel dat de ouders nog altijd onderhoudsplichtig zijn. Zij kunnen niet alle kosten voor de opvoeding van hun dochter afwentelen op de maatschappij. De redenen die de ouders aanhalen waarom zij niet zouden kunnen bijdragen, zijn niet pertinent of niet van die aard dat zij niet dienen bij te dragen in de kosten van de opvoeding van hun dochter. Ouders leggen geen documenten voor waaruit de betaling van de kosten van M. blijkt. Overigens heeft de minderjarige in het verleden ook al gewerkt om haar kosten te betalen. Vandaag is zij ook nog altijd actief op zoek naar werk om zelf haar steentje bij te dragen. Dit ontslaat de ouders niet van hun bijdrageplicht. De rechtbank stelt vast dat de financiële middelen van de ouders toelaten om minstens gedeeltelijk bij te dragen in de kosten van onderhoud, opvoeding en behandeling. De rechtbank bepaalt dat ouders een maandelijkse forfaitaire bijdrage moeten betalen in de kosten van de opvoeding van hun dochter. De rechtbank houdt rekening met volgende elementen bij de berekening van de bijdrage van de ouders: de financiële middelen van de ouders, de actuele financiële situatie van de minderjarige, de bijdrage van Opgroeien, de leeftijd van de minderjarige. De rechtbank bepaalt dat door elke ouder een forfaitair bedrag van 125,00 euro per maand dient betaald te worden. Deze maatregel loopt tot de maand april 2026, de maand waarin M. meerderjarig wordt. De jeugdrechter kan de genomen maatregel steeds intrekken, herzien, wijzigen of bevestigen. Deze maatregelen zijn van kracht vanaf de datum van dit vonnis, ongeacht of er beroep tegen wordt aangetekend. (…)” beslist als volgt: “(…) Bepaalt de bijdrage van de vader P.H. voornoemd in de onderhouds-, opvoedings- en behandelingskosten die voortvloeien uit de genomen maatregel ten laste van de minderjarige M. H. op 125,00 euro per maand vanaf de maand januari 2026 tot en met de maand april
- Bepaalt de bijdrage van de moeder C.F. voornoemd in de onderhouds-, opvoedings- en behandelingskosten die voortvloeien uit de genomen maatregel ten laste van de minderjarige M. H. op 125,00 euro per maand vanaf de maand januari 2026 tot en met de maand april
- Bepaalt dat de ouders dit bedrag dienen te betalen op de beheersrekening van vzw Bethanie, (…). Dit bedrag dient betaald te worden uiterlijk op de vijfde dag van de lopende maand. Het bedrag van de maand januari dient betaald te worden uiterlijk op 16.02.2026, eveneens op de voornoemde beheersrekening. Gelast de sociale dienst van de jeugdrechtbank met de opvolging van deze maatregelen. De proceskosten blijven ten laste van de Staat. Verklaren dit vonnis voorlopig uitvoerbaar (...)” Tegen deze dit vonnis werd hoger beroep ingesteld: - Op 2 maart 2026, door meester I. Vanderhaeghe, voor en namens H.P., tegen alle schikkingen; tegelijk werd ter griffie een grievenformulier neergelegd namens voornoemde; Werden gehoord in openbare terechtzitting in het Nederlands en buiten de aanwezigheid van andere minderjarigen: H.M. , minderjarige, in haar middelen van verdediging, vertegenwoordigd door mr. Carl Defuster, advocaat te Kortrijk; H.P. vader van de minderjarige, bijgestaan door mr. Inge Vanderhaeghe, advocaat te Roeselare; F.C., moeder van de minderjarige, verschijnt niet; Het openbaar ministerie, in zijn vordering bij monde van advocaat-generaal Inge T' Hooft.
- Uit zijn grievenformulier, uiteenzetting ter zitting en stukken blijkt dat P.H. (hierna: vader) zich niet kan verzoenen met de beslissing van de eerste rechter dat hij (net zoals C.F., hierna: moeder) een bijdrage in de onderhouds- opvoedings- en behandelingskosten van zijn dochter M.H. (hierna: de minderjarige) moet betalen van 125 euro per maand gedurende de maanden januari, februari, maart en april
- Daarbij bevraagt hij wat de rechtsgrond is voor de beroepen beslissing, en of dit niet een burgerlijke vordering is die namens M. zelf voor de burgerlijke familierechter zou moeten worden gebracht, dan wel, door moeder, in de mate dat zij zou voorhouden dat zij meer presteert dan waartoe zij in verhouding tot haar deel in de beschikbare middelen is gehouden. Ook werpt hij op dat tussen hem en moeder een overeenkomst is tot stand gekomen, waarbij hij zich ertoe verbindt in te staan voor de gewone en buitengewone kosten van R.H., en moeder zich ertoe verbindt in te staan voor de gewone en buitengewone kosten van de minderjarige. Hij vraagt, met andere woorden, minstens ondergeschikt en impliciet, dat moeder hem zou vrijwaren voor de kosten van de minderjarige. Tot slot verduidelijkt vader dat hij het financieel niet breed heeft, en dat hij dankzij veel inspanningen, inmiddels op de goede weg is.
- Moeder is niet verschenen ter zitting van het hof van beroep maar maakt verstek.
- De advocaat van de minderjarige vordert de bevestiging van het beroepen vonnis, met verwijzing naar de oordeelkundige motieven van de eerste rechter.
- Het Openbaar Ministerie vordert de bevestiging van het beroepen vonnis.
- Artikel 78/7 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp bepaalt: “§ 1 De Vlaamse Regering vaardigt algemeen geldende regels uit betreffende de bijdrage van de minderjarigen en van de onderhoudsplichtige personen in de onderhouds-, opvoedings- en behandelingskosten van de minderjarigen, evenals betreffende de bestemming van het loon dat wordt toegekend aan de minderjarigen die werden geplaatst met toepassing van dit decreet. De toegangspoort, de jeugdrechter of jeugdrechtbank bepaalt overeenkomstig deze regels de bijdrage van de minderjarige en van de onderhoudsplichtige personen, evenals de bestemming die aan het loon zal worden gegeven. Met betrekking tot de beslissing van de toegangspoort hebben de betrokkenen het recht zich bij verzoekschrift tot de jeugdrechtbank te wenden. § 2 De Vlaamse Regering bepaalt welke voorzieningen een bijdrage kunnen vragen van de onderhoudsplichtige personen voor de onderhouds-, opvoedings- en behandelingskosten van minderjarigen en welke voorzieningen een bijdrage kunnen vragen van de ouders of aanstaande ouders voor de kosten die verband houden met het verblijf van de ouders of aanstaande ouders. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere modaliteiten voor de bijdragen die de voorzieningen kunnen vorderen.” Overeenkomstig artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 mei 1991 houdende de vaststelling van de regels betreffende de bijdrage in de onderhouds- opvoedings- en behandelingskosten van de jongeren en de bestemming van het loon toegekend aan de minderjarigen, kan de verwijzende instantie (dat is: de jeugdrechter) beslissen dat de onderhoudsplichtige personen (dat zijn, in deze zaak, en buiten betwisting: vader en moeder) bijdragen in de onderhoudskosten van de minderjarige die is toevertrouwd aan een erkende voorziening (dat is in deze zaak: vzw Bethanie). Die bijdrage wordt vastgesteld na onderzoek van de gegoedheid van de betrokkenen.
- In deze zaak wordt niet betwist dat de minderjarige is toevertrouwd aan de voorziening vzw Bethanie (hierna: de voorziening) onder de protectionele maatregel begeleiding (autonoom wonen met contextbegeleiding), dat hieraan een kost is verbonden van 1.359,51 euro per maand, die wordt betaald door het Agentschap Opgroeien en wordt beheerd door de voorziening en waarmee materieel (onder andere) kosten van levensonderhoud van de minderjarige worden gedekt (huur studio, water, gas, elektriciteit, medische kosten,…), en verder, dat de Vlaamse Overheid nu een onterecht betaalde sociale toeslag van 1.139,56 euro zal inhouden op de betalingen van de toelage, en tot slot dat vader en moeder allebei overeenkomstig artikel 203 oud BW nog steeds principieel onderhoudsplichtig zijn ten aanzien van de minderjarige. Aan die hoedanigheid als onderhoudsplichtige knoopt de Vlaamse regelgever vast dat de jeugdrechter kan beslissen dat de onderhoudsplichtige personen moeten bijdragen in de onderhoudskostenkosten van de minderjarige die is toevertrouwd aan een voorziening, en dat die bijdrage wordt vastgesteld in functie van de middelen (‘gegoedheid’) waarover de onderhoudsplichtigen kunnen beschikken. Het spreekt voor zich dat het in de eerste plaats aan de onderhoudsplichtigen zelf staat om de nodige informatie bij te brengen omtrent hun gegoedheid en middelen en mogelijkheden. Het hof merkt daarbij op dat die protectionele onderhoudsplicht is vastgeknoopt aan de burgerlijke onderhoudsplicht, waarbij een onderscheid moet worden gemaakt tussen twee verschillende burgerlijke rechtsverhoudingen. Enerzijds bestaat er een rechtsverhouding tussen vader als onderhoudsplichtige en de minderjarige als onderhoudsgerechtigde. Anderzijds bestaat er een rechtsverhouding tussen vader en moeder onderling, als dragers van een gezamenlijke onderhoudsplicht.
- Vader brengt een drietal stukken bij: een attest van het OCMW nopens zijn financiële toestand, waaruit blijkt dat hij inkomsten geniet ten belope van 2.039,07 euro, en totale kosten (daarin begrepen ook kosten die niet in redelijkheid onvermijdbaar zijn, zoals kosten in verband met multimedia, een fietsverzekering) ten belope van 1.489,95 euro. Daarnaast brengt hij een arbeidsovereenkomst bij waaruit blijkt dat hij voor onbepaalde duur is aangeworven als voltijdse granietbewerker met een basis aanvangsloon van 15,361 euro bruto per uur. Tot slot brengt hij als zijn stuk 3 een document bij waarin moeder bevestigt dat R.H. (het andere kind van vader en moeder) bij vader is gedomicilieerd, en waarin moeder ook bevestigt dat zij zal instaan voor de gewone en buitengewone kosten van M. (en het kindergeld ontvangen) en dat vader zal instaan voor de gewone en buitengewone kosten van R.H. (en ook in dat verband het kindergeld zal ontvangen). Het hof begrijpt dat vader ook – en alleen – het volledige onderhoud van zijn onderhoudsgerechtigde zoon R.H. presteert.
- Uit de stukken die vader zelf bijbrengt blijkt dat het beperkte bedrag van 125 euro per maand gedurende 4 maanden ten behoeve van zijn onderhoudsgerechtigde dochter M. voor hem als onderhoudsplichtige vader in beginsel haalbaar moet zijn. Het hof merkt op dat vader inderdaad beperkte middelen heeft, en tezelfdertijd dat het beperkte bedrag van 125 euro ongeveer een tiende dekt van de kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde minderjarige, ten aanzien van wie vader onderhoudsplichtig is. Het beroepen vonnis moet worden bevestigd voor wat betreft de veroordeling van vader om een bijdrage te storten op de beheersrekening van de voorziening.
- Hoewel moeder behoorlijk is gedagvaard, was zij niet aanwezig of vertegenwoordigd ter zitting van het hof. Zij brengt geen stukken bij omtrent haar gegoedheid – het hof begrijpt, omtrent haar middelen – en voert dus geen betwisting, en betwist evenmin de vrijwaringsvordering die vader in wezen tegen haar stelt. Die vordering, aldus begrepen, is niet kennelijk onontvankelijk of ongegrond, en schendt niet de openbare orde of de belangen van de minderjarige. Het hof merkt op dat nu het hof in deze zaak is gevat met de (specifieke, protectionele) onderhoudsvordering, het hof ook uitspraak kan doen over de daarmee samenhangende (in principe burgerrechtelijke) onderlinge rechtsverhouding tussen vader en moeder met betrekking tot die protectionele bijdragevordering. Aan de hand van zijn stuk 3 toont vader aan dat tussen vader en moeder, in hun onderlinge rechtsverhouding, waar zowel de minderjarige als de voorziening vreemd aan zijn, was overeengekomen dat moeder zou instaan voor de kosten van de minderjarige – dus met inbegrip van de (protectionele) kosten van onderhoud, opvoeding, en behandeling, die immers materieel begrepen zijn in de algemene burgerlijke kosten van onderhoud zoals bedoeld in artikel 203 oud BW. Daarin is dus begrepen de verplichting voor moeder om vader ook te vrijwaren voor die onderhoudskosten van de minderjarige in verband waarmee vader zou worden aangesproken door derden aan de verhouding tussen vader en moeder. In die omstandigheden zal het hof aanvullend bij het beroepen vonnis beslissen dat moeder vader dient te vrijwaren.
- Het hoger beroep is gedeeltelijk gegrond. De kosten van het hoger beroep blijven ten laste van de staat en zijn niet nuttig te begroten. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende bij verstek ten aanzien C. F. en op tegenspraak voor het overige; gelet op de artikelen : - 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in ge¬rechts¬zaken - 162, 186, 190 en 211 van het wetboek van strafvordering evenals de door de eerste rechter aangeduide artikelen, al deze bepalingen ter terechtzitting van heden door de voorzitter voorgebracht; verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. bevestigt het beroepen vonnis van de rechtbank eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk van 29 januari 2026; Zegt daarbij dat in hun onderlinge verhouding, C. F. gehouden is tot vrijwaring van P. H. voor de kosten van onderhoud, opvoeding en behandeling van M. H., zoals die zijn bepaald in het beroepen vonnis; Wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af; Laat de kosten ten laste van de staat. Dit arrest is uitvoerbaar bij voorraad. Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van 27 april 2026, vijftiende kamer: Aanwezig: Jelle Flo raadsheer, waarnemend voorzitter in aanwezigheid van advocaat-generaal Inge T' Hooft met bijstand van griffier Wim Defoort Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div