← België

ECLI:BE:HBGNT:2026:ARR.20260602.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 02 juni 2026 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2026:ARR.20260602.1 Rolnummer: 2025fa612 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2026-06-02 Raadplegingen: 208 - laatst gezien 2026-06-18 14:40 Fiche Het leefloon is subsidiair aan de onderhoudsplicht van de ouders. Leefloon dat wel of niet wordt ontvangen door een meerderjarig kind, wordt niet in rekening gebracht bij het onderzoek van de vraag of en vanaf of tot wanneer en ten belope van welke bedragen ouders onderhoudsplichtig zijn ten aanzien van hun kind. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ALIMENTATIE - LEVENSONDERHOUD - Algemeen (alimentatie - levensonderhoud) Tekst van de beslissing 2025/FA/612 - In de zaak van: C. appellant, hebbende als raadsman mr. VAN DEUN Annemie tegen D.N. geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. WINCKELMANS Sam wijst het hof het volgend arrest: I. RELEVANTE FEITELIJKE EN PROCEDURELE ELEMENTEN

  1. De relevante feiten en oorspronkelijke vorderingen van de partijen werden door de eerste rechter op een correcte en voldoende wijze uiteen gezet in het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, familie- en jeugdrechtbank, kamer D34bis, d.d. 15 oktober 2025 zodat het om reden van beknoptheid volstaat hiernaar te verwijzen. Het hof herneemt slechts, samenvattend en duidelijkheidshalve, dat C. (moeder) en D.N. (vader) de ouders zijn van J., geboren (…) 2017 (J.), K. geboren (…) 2007 (K.), S., geboren (…) 2007 (S.) en van L., geboren (…) 2005 (L.). In dit beroepen vonnis is als volgt beslist: “(…) Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak. Het tussenvonnis van 26 maart 2025 verder uitwerkend, Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en gegrond in de volgende mate: Schaft de verplichting van eiser tot het betalen van een onderhoudsbijdrage en een bijdrage in de buitengewone kosten voor L. af vanaf 1 juli
  2. Wijst het meer- en anders gevorderde af als ongegrond. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts elk verhaal en zonder borgstelling. Veroordeelt partijen elk tot de helft van de kosten van het geding en zegt voor recht dat er geen rechtsplegingsvergoedingen verschuldigd zijn gelet op de hoedanigheid van partijen. Veroordeelt eiser tot betaling aan de Belgische Staat — FOD Financiën van de helft van het rolrecht van 165 euro, met name 82,50 euro, in debet te vereffenen, en verweerster tot betaling aan de Belgische Staat — FOD Financiën van de andere helft van het rolrecht van 165 euro, met name 82,50 euro. (...)” II. HOGER BEROEP
  3. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 6 november 2025 stelt C. hoger beroep in tegen het vonnis van 15 oktober 2025 van de familiekamer bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, kamer D34bis.
  4. Partijen leggen geen stukken voor waaruit blijkt dat het beroepen vonnis is betekend.
  5. Op 9 december 2025 is de zaak ingeleid voor de 11de septies kamer. Bij afwezigheid van partijen -in persoon- kon de voorzitter overeenkomstig artikel 1253ter/1, §2 Ger.W. de partijen niet horen over de wijze waarop ze getracht hebben om het geschil op minnelijke wijze op te lossen voor de inleiding van de zaak, en om vast te stellen of een minnelijke oplossing overwogen kan worden. Bij beschikking van 9 december 2025 verleent het hof aan partijen conclusietermijnen en een rechtsdag op 5 mei
  6. Bij deze beschikking is een duidelijke lijst gevoegd van de stukken die moeten worden neergelegd in het kader van de beoordeling van onderhoudsgeschillen.
  7. Blijkens conclusie van 13 februari 2026 beoogt C. om: “(…) het beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren. het vonnis van de Familierechtbank Oost-Vlaanderen afdeling Dendermonde dd. 15.10.2025 te hervormen. te zeggen voor recht dat geïntimeerde nog steeds onderhoudsgeld en buitengewone kosten verschuldigd is en dit conform het vonnis van de Familierechtbank Oost-Vlaanderen afdeling Dendermonde dd. 8.5.
  8. de vorderingen van geïntimeerde af te wijzen als zijnde ongegrond. geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen in hoofde van konkluante te begroten op 1.883,72 € rechtsplegingsvergoeding. (…)”
  9. Blijkens conclusie van 13 maart 2026 beoogt D.N. om: “(…) In hoofdorde: – Het principaal hoger beroep van appellante af te wijzen als ongegrond; – Het incidenteel hoger beroep van concluant gegrond te verklaren; – Dienvolgens, het eindvonnis van de Familierechtbank d.d. 15/10/2025 te hervormen voor wat betreft de verplichting bestaande in hoofde van concluant tot het betalen van onderhoudsbijdragen voor L., door deze met ingang van april 2024 op te heffen; – Voor het overige, het eindvonnis van de Familierechtbank d.d. 15/10/2025 te bevestigen. In ondergeschikte orde: – Alvorens recht te doen, overeenkomstig art. 877 Ger.W. te bevelen dat appellante een attest bijbrengt omtrent het leefloon dat zij al dan niet heeft ontvangen in de periode vanaf 01/02/2025 tot heden. – In ieder geval: de onderhoudsbijdrage van concluant voor L. met ingang van 01/04/2024, minstens met ingang vanaf 01/07/2024, te beperken tot het bedrag van 50 EUR per maand. In ieder geval: appellante (op principaal hoger beroep) te veroordelen tot de gerechtskosten in hoger beroep, aan de zijde van concluant begroot op de door de wet voorziene basisrechtsplegingsvergoeding groot 1.883,72 EUR (desgevallend te indexeren), minstens deze kosten om te slaan. (…)”
  10. Het hof heeft de partijen gehoord in hun middelen en conclusies ter zitting van 5 mei
  11. C. en D.N. zijn daarbij in persoon aanwezig. Hierop sluit het hof het debat en neemt het hof de zaak in beraad.
  12. Het hof heeft het dossier van de rechtspleging en de overgelegde stukken ingezien. III. BEOORDELING
  13. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm. De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist. Het hof ziet, ambtshalve, niet waarom het hoger beroep niet ontvankelijk zou zijn. Het hoger beroep is ontvankelijk. Het incidenteel beroep is tijdig en regelmatig ingesteld bij eerste conclusie in hoger beroep. De ontvankelijkheid van het incidenteel beroep wordt niet betwist. Het hof ziet, ambtshalve, niet waarom het incidenteel beroep niet ontvankelijk zou zijn. Het incidenteel beroep is ontvankelijk.
  14. Vader vordert de laatste conclusie en stuk 17 van moeder te weren uit de debatten wegens laattijdigheid. Het hof houdt in zijn oordeelsvorming geen rekening met de laatste conclusie of met het stuk 17 van moeder, maar slechts met haar conclusie van 13 februari 2026, de stukken 1 tot 16 van moeder, en de mondelinge toelichtingen ter zitting. Voor zoveel als nodig merkt het hof ook op dat de inhoud van die laatste conclusie en dat stuk 17 geen afbreuk doet aan wat hierna volgt, en niet tot een andere uitkomst zou kunnen leiden dan dat het hoger beroep ontvankelijk en gegrond is, en dat het incidenteel beroep en de in ondergeschikte orde gestelde vorderingen van vader moeten worden afgewezen als ongegrond.
  15. De in hoger beroep blijvende betwisting tussen partijen heeft betrekking op de onderhoudsregeling voor hun meerderjarige dochter L.. De eerste rechter heeft in het beroepen vonnis beslist dat vader met ingang van 1 juli 2024 geen onderhoudsbijdrage of bijdrage in de buitengewone kosten meer moet betalen voor L.. Moeder vraagt om te zeggen voor recht dat vader wel nog steeds een onderhoudsbijdrage en een bijdrage in de buitengewone kosten is verschuldigd, overeenkomstig het eerdere vonnis tussen partijen van 8 mei
  16. Vader vordert, op incidenteel beroep, te zeggen dat hij met ingang van april 2024 geen onderhoud meer is verschuldigd. Ook vordert hij, in ondergeschikte orde, overeenkomstig artikel 877 Ger. W. te bevelen dat moeder een attest bijbrengt omtrent het leefloon dat zou zijn ontvangen vanaf 1 februari 2025, en, in elk geval, de onderhoudsbijdrage met ingang van 1 april 2024, minstens met ingang van 1 juli 2024, te beperken tot 50 euro per maand.
  17. Ouders dienen naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, de gezondheid, het toezicht, de opvoeding, de opleiding en de ontplooiing van hun kinderen. Indien de opleiding niet voltooid is, loopt de verplichting door na de meerderjarigheid van het kind (artikel 203, § 1 oud BW). Het doorlopen van die verplichting na de meerderjarigheid is, in het algemeen, afhankelijk van een aantal voorwaarden: 1) de studies moeten een normale voortgang kennen; 2) de plicht vervalt bij het verwerven van een einddiploma van het hoger onderwijs; 3) de eigen inkomsten van het kind moeten in rekening worden gebracht; 4) er moet rekening worden gehouden met de prioritaire onderhoudsaanspraak binnen het huwelijk; 5) er is geen verplichting om bij te dragen in niet-noodzakelijke meeruitgaven (zie, illustratief, I. BOONE, “De ouderlijke onderhoudsplicht ten aanzien van meerderjarige studerende kinderen”, T. Fam. 2019, afl. 1, 5-19). De onderhoudsverplichting raakt de openbare orde en bestaat krachtens de wet zelf. Elke ouder draagt bij in de kosten die hieruit voortvloeien in verhouding tot zijn respectieve aandeel in de samengevoegde middelen (artikel 203bis, §1 oud BW). Bij de begroting van de onderhoudsbijdrage dient rekening te worden gehouden met de inkomsten en mogelijkheden van elke ouder, de gewone en buitengewone kosten van het kind of de behoeften van het kind, de bijdrage in natura door elke ouder tijdens het verblijf van het kind, alsook het bedrag van de kinderbijslag, de fiscale voordelen van alle aard en de inkomsten uit het genot van de goederen van het kind die elk van de ouders ontvangt (artikel 1321, § 2 Ger. W.). Artikel 203, §2 oud BW voorziet dat met middelen van de ouders onder andere wordt bedoeld alle beroepsinkomsten, roerende en onroerende inkomsten van de ouders, alsook alle voordelen en andere middelen die hun levensstandaard en deze van de kinderen waarborgen. Bovendien dient bijkomend in acht te worden genomen de indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, rekening houdend met bepaald gewichtige vermoedens gesteund op de gegevens van het dossier alsook, in bepaalde gevallen, met het verdienvermogen van de ouder die vrijwillig stopt met werken of minder gaat werken. Om de onderhoudsbijdrage te begroten dienen overeenkomstig de nieuwe wet de samengevoegde middelen van beide ouders vastgelegd te worden en vervolgens in verhouding tot het aandeel van elke ouder in die samengevoegde middelen bepaald te worden op welke wijze elke ouder dient bij te dragen in de kosten die voortvloeien uit de bij artikel 203, §1 oud BW bepaalde verplichting. Hierbij wordt er niet enkel rekening gehouden met de reële inkomsten, maar ook met de virtuele inkomsten of het verdienvermogen van partijen, alsook met de niet-samendrukbare uitgaven, zoals een hypothecaire lening- of huurlast, de onderhoudslasten van een kind uit een andere relatie of eventuele medische kosten van een ouder. De vaste dagelijkse of maandelijkse uitgaven (zoals kosten van elektriciteit, gas, en waterverbruik, telefoon en internetkosten, allerhande heffingen belastingen – met uitzondering van persoonsbelastingen – verzekeringspremies, enz.) komen in principe niet in aanmerking bij het bepalen van de omvang van de onderhoudsverplichting, omdat deze verplichting voorrang heeft op alle andere lasten, die elke ouder dan ook moet aanpassen aan zijn financiële mogelijkheden en noden van het kind. Met schulden kan rekening worden gehouden voor zover deze absoluut niet kunnen ongedaan worden gemaakt zoals fiscale schulden, hypothecaire aflossingen of schulden aangegaan door de ouder om in zijn bestaan te voorzien (de zgn. ‘niet-samendrukbare’ schulden). Andere lopende schulden kunnen niet als prioritair worden beschouwd want de ouders moeten hun budget beheren in verhouding tot de nog beschikbare bedragen na hun onderhoudsverplichting te hebben voldaan en niet omgekeerd. Hierover anders oordelen zou impliceren dat de onderhoudsbijdrage van de kinderen wordt berekend op wat de ouders nog overhouden na betaling van schulden en lasten, hetgeen niet overeenstemt met de notie “middelen” zoals bepaald in de artikelen 203 en 203bis oud BW. Met toepassing van de wet van 19 maart 2010 tot bevordering van een objectieve berekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdragen voor hun kinderen, dient de familierechtbank (en in graad van hoger beroep, het hof) de nodige gegevens van de partijen te verkrijgen. De voormelde criteria en wettelijke bepalingen dienen immers te worden getoetst aan de concrete situatie van de partijen binnen de ter beschikking staande gegevens. Het hof kan derhalve enkel voortgaan op de gegevens die op heden door partijen worden voorgelegd. Mogelijke onvolledigheid dan wel onjuistheid van deze gegevens is voor rekening van partijen zelf. Bij gebrek aan concrete, bewezen cijfers omtrent bepaalde mee in acht te nemen elementen kan het aandeel van elke ouder in de samengevoegde middelen niet op exacte wijze worden bepaald en kan niet (volledig) worden voldaan aan de vereisten vervat in artikel 1321 Ger. W.
  18. Vader werpt op dat L. niet langer onderhoudsgerechtigd zou zijn omdat zij een eigen inkomen heeft, met name, een leefloon dat aan haar zou zijn toegekend geweest door het OCMW van (…) en dat hoger is dan de minimum kost van een kind van haar leeftijd volgens de tabellen van de Gezinsbond. Vader werpt op dat de plicht van ouders tegenover hun kind subsidiair is ten opzichte van de inkomsten waarover een kind zelf beschikt. Ter zitting van 5 mei 2025 werpt de advocaat van moeder op dat het leefloon subsidiair is aan de onderhoudsplicht van de ouders. Dat wil zeggen dat eerst de ouders moeten instaan voor het onderhoud van hun onderhoudsgerechtigde kinderen, en dat pas indien dat niet gebeurt, gebeurlijk en onder de voorwaarden zoals die gelden, een leefloon kan worden toegekend. Het is niet omgekeerd, dat eerst een leefloon moet worden aangevraagd en toegekend, en dat indien dat leefloon niet toereikend zou zijn, een bijdrage kan worden gevraagd van de ouders. Louter volledigheidshalve merkt het hof op dat het voor L. gaat om een leefloon als samenwonende, wat in elke hypothese impliceert dat moeder nog steeds kosten van L. presteert door kost en inwoon te verschaffen. Het hof merkt eveneens op dat moeder nog steeds toelagen in het kader van het gezinsbeleid (kinderbijslag of groeipakket) ontving voor L..
  19. Overeenkomstig artikel 2 van de wet van 2 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie (de leefloonwet) heeft iedereen recht op maatschappelijke integratie. Die integratie kan bestaan uit een tewerkstelling of een leefloon, al dan niet gepaard gaande met een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie. Het zijn de OCMW’s die als opdracht hebben dit te verzekeren. Artikel 3, 4° van de leefloonwet bepaalt dat wie van dit recht wil genieten, onder andere aan de voorwaarde moet voldoen niet over toereikende bestaansmiddelen te beschikken, noch er aanspraak op kunnen maken, noch in staat zijn die door eigen inspanningen of op een andere manier te verwerven. Artikel 4 van de leefloonwet bepaalt dat van de betrokkene kan worden gevergd dat hij zijn rechten laat gelden op onderhoudsgeld vanwege daartoe gehouden personen, onder wie de ouders, en ook dat eventuele overeenkomsten omtrent het onderhoudsgeld niet tegenstelbaar zijn aan het OCMW en dat het OCMW in naam en ten voordele van de betrokkene kan optreden om die rechten te laten gelden (zie ook, illustratief: Cass. (3e k.) AR S.09.0019.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091130.2, 30 november 2009, Arr.Cass. 2009, afl. 11, 2875; JTT 2010, afl. 1059, 65; Pas. 2009, afl. 12, 2857; Soc .Kron. 2011, afl. 3, 106, noot H. Funck; Arbrb. Brussel (15e k.) nr. 16.697/2007, 20 februari 2008, Soc. Kron. 2011 (samenvatting), afl. 3, 153.) Artikel 26 van de leefloonwet bepaalt dat het leefloon dat door een OCMW wordt uitgekeerd met toepassing van deze wet krachtens een eigen recht door dit centrum wordt verhaald, binnen de grenzen, onder de voorwaarden en modaliteiten bepaald door de Koning, op de onderhoudsplichtigen bedoeld in artikel 4 § 1, alsook op de onderhoudsplichtigen bedoeld in artikel 336 oud B.W. (dat is, op de vermoedelijke verwekker van het kind), tot beloop van het bedrag waartoe zij gehouden zijn gedurende de tijd dat het leefloon is uitgekeerd (zie ook: Vred. Brugge, 6 februari 2025, T. Vred. 2025, afl. 9-10, 546, noot A. Vander Elst; Vred. Oostende

(2)21 oktober 2021, Rev.trim.dr.fam. 2024, afl. 2, 395; TGR-TWVR 2022, afl. 1, 21, noot V. Van Herreweghe. Voor een goed begrip: de beoordeling van het al dan niet rechtmatige karakter van de toekenning van een leefloon komt toe aan de arbeidsrechtbank, overeenkomstig artikel overeenkomstig artikel 26 van de leefloonwet en artikel 580, 8° Ger. W. De beoordeling of de terugvordering lastens onderhoudsplichtigen gegrond is, komt toe aan de vrederechter overeenkomstig artikel 591, 14° Ger. W., terwijl zoals in deze zaak de onderhoudsvorderingen zelf tussen onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde tot slot, worden beoordeeld door de familierechter overeenkomstig artikel 572bis, 7° Ger. W.). Het leefloon is inderdaad subsidiair aan de onderhoudsplicht van de ouders, en bij het begroten van de middelen van een onderhoudsgerechtigd kind, wordt dus geen rekening gehouden met de vraag of dat kind een leefloon kan ontvangen of ontvangt (zie, illustratief, Vred. Fontaine-l'Evêque 18 september 201, Rev.trim.dr.fam. 2014, afl. 4, 903).
  1. Om die reden zal het hof niet ingaan op de vordering van vader, gesteld in ondergeschikte orde, om met toepassing van artikel 877 Ger. W. aan moeder te bevelen om attesten omtrent leeflonen bij te brengen. Evenmin zal het hof leefloon dat wordt ontvangen door L. in rekening brengen bij het onderzoek van de vraag of en vanaf wanneer en ten belope van welke bedragen vader en moeder onderhoudsplichtig zijn ten aanzien van L..
  2. De eerste rechter heeft beoordeeld, samengevat, dat L. niet langer onderhoudsgerechtigd zou zijn, omdat geen stukken zouden zijn bijgebracht die staven dat zij als meerderjarig kind nog regelmatig studeert. Het hof onderzoekt en bespreekt het schooltraject van L. op basis van de stukken 1 tot 16 van het dossier van moeder. L. is geboren (…)
  3. Zij behaalde in het schooljaar 2016-2017 haar getuigschrift basisonderwijs. Vervolgens behaalde zij A-attesten voor het eerste leerjaar op 30 juni 2018, en voor het tweede leerjaar en de eerste graad van het middelbaar onderwijs, richting moderne wetenschappen, aan de (…) op 30 juni
  4. In de tweede graad van het middelbaar onderwijs ging zij plant-, dier- en milieutechnieken studeren in het technisch secundair onderwijs te (…), waar zij op 30 juni 2020 en op 30 juni 2021 eveneens A-attesten behaalde. Op 30 juni 2022 behaalde zij een B-attest in de richting dier- en landbouwtechnische wetenschappen. Zij heeft haar jaar opnieuw gedaan en behaalde op 30 juni 2023 een A-attest in het eerste jaar van de derde graad van dezelfde richting. Op 30 juni 2024 behaalde zij dan haar diploma secundair onderwijs in het technisch secundair onderwijs, in de richting dier- en landbouwtechnische wetenschappen. Eveneens op 30 juni 2024 behaalde L. een aanvullend attest fytolicentie, waaruit blijkt dat zij een grondige kennis bezit inzake gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen. Na de zomervakantie van 2024 is L. dan ingeschreven in de (…) hogeschool, voor de opleiding bachelor in de Agro- en Biotechnologie voor het academiejaar 2024-2025, dat loopt van 16 september 2024 tot 14 september
  5. In dat jaar was zij geslaagd voor 7 vakken (o.a. (…)) en niet geslaagd voor 6 andere vakken (o.a. (…)). Ook voor academiejaar 2025-2026 dat loopt van 15 september 2025 tot 13 september 2026 is L. ingeschreven als student in dezelfde opleiding aan dezelfde instelling. Uit die stukken blijkt afdoende dat L. tot heden en naar te verwachten valt voor de nabije toekomst een normaal en voltijds studietraject volgt, en dat zij nog geen diploma heeft verworven dat toegang verschaft tot de arbeidsmarkt, een en ander ook rekening houdende met de leeftijd en mogelijkheden van L. en de andere omstandigheden zoals het hof die kent. Zij is met andere woorden nog steeds principieel onderhoudsgerechtigd en zal dit in de nabije toekomst ook nog zijn. Op dit punt moet het beroepen vonnis worden vernietigd.
  6. Daarnaast vordert vader, in ondergeschikte orde, en voor het eerst in hoger beroep, om de betalingsverplichtingen te beperken tot een onderhoudsbijdrage van ten hoogste 50 euro per maand. Moeder werpt op, ook ter zitting van 5 mei 2026, dat deze vordering plots hangende het beroep is gesteld en dat aan de financiële toestand van partijen niets is gewijzigd.
  7. Het hof herneemt dat de onderhoudsregeling ten behoeve van de kinderen van partijen laatst is bepaald geweest bij (recent en niet-beroepen) vonnis van 8 mei
  8. In dat vonnis van 8 mei 2024 heeft de eerste rechter vader en moeder naar een ouderschapsbemiddelaar verwezen, en verder (onder andere), beslist dat de fiscale en sociale voordelen en de toelagen in het kader van het gezinsbeleid in verband waarmee L. rechten doet ontstaan, toekomen aan moeder, voor S. bij helften worden verdeeld, dat moeder aan vader een onderhoudsbijdrage van 100 euro per maand en per kind moet betalen voor K. en J., dat vader aan moeder een onderhoudsbijdrage van 175 euro per maand moet betalen voor L., en dat de buitengewone kosten ten belope van 60% door vader en 40% door moeder worden gedragen. Vervolgens heeft vader op 24 november 2024 een conclusie neergelegd bij de eerste rechter waarin hij overeenkomstig artikel 877 Ger. W. vordert moeder te veroordelen om documentatie bij te brengen omtrent het leefloon van L., en voorbehoud te verlenen om vorderingen te stellen inzake onderhoudsbijdragen. Bij conclusie van 3 januari 2025, neergelegd op 14 januari 2025, vordert hij dan de opheffing van de onderhoudsplicht ten aanzien van L..
  9. Moeder moet worden bijgetreden dat de vordering om de onderhoudsbijdrage, in ondergeschikte orde, dan te verlagen, een eerste maal in hoger beroep is gesteld. Daar staat tegenover dat vader ook in hoger beroep de bevestiging van het beroepen vonnis van 15 oktober 2025 en dus de afschaffing van de onderhoudsbijdrage vorderde, en dat wie het meerdere (de afschaffing) vordert, ook het mindere (de verlaging) vordert. Ook geldt dat het hof bij tijdig en regelmatig hoger beroep en incidenteel beroep, is gevat geweest met de beoordeling van de onderhoudsregeling voor L., en dat de beoordeling van de principiële onderhoudsplicht (of iemand onderhoudsgerechtigd is) nauw verbonden is met de concrete invulling, naar bedrag, van die onderhoudsplicht. In die omstandigheden, om proceseconomische redenen, en ook met toepassing van de artikelen 807, samen gelezen met artikel 1042, en artikel 1068 Ger. W. moet het hof zich ook over die betwisting buigen, eerder dan die vordering af te wijzen omdat ze als nieuwe vordering overeenkomstig artikel 700 Ger. W. voor de eerste rechter had moeten worden gebracht, en niet voor het eerst voor het hof van beroep.
  10. Wel stelt het hof vast dat vader in essentie een herbeoordeling vraagt van wat is beslist geweest in het niet-beroepen vonnis van 8 mei
  11. In dat vonnis van 8 mei 2024, dat zoals gezegd niet is beroepen, heeft de eerste rechter definitief beslist omtrent de onderhoudsregeling van de kinderen. Art. 1253ter/7§1 Ger. W. bepaalt dat een zelfde zaak, waarin dus al uitspraak was gedaan, opnieuw voor de rechtbank kan worden gebracht indien er sprake is van nieuwe elementen. Deze nieuwe elementen moeten, op straffe van nietigheid, worden aangeduid in de conclusie of in het schriftelijk verzoek. Nieuwe elementen zijn: in het algemeen, een feit dat niet bekend was bij het eerste verzoek. Voor een uitkering tot levensonderhoud gaat het om nieuwe omstandigheden waarin de partijen of de kinderen verkeren, en die hun situatie ingrijpend kunnen wijzigen.
  12. Het hof heeft reeds beoordeeld dat de toekenning van leefloon aan L. niet relevant is voor de beoordeling van de onderhoudsverplichtingen van vader en moeder, omdat het leefloon subsidiair is ten opzichte van de onderhoudsplicht die is bepaald in artikel 203 oud B.W. Eveneens blijkt dat anders dan de eerste rechter aangenomen heeft, L. wel degelijk haar studies op een regelmatige manier verderzet. Uit de stukken en documenten waar het hof rekening mee kan houden, blijken anders geen nieuwe omstandigheden die de situatie van partijen of de kinderen ingrijpend wijzigen, sedert de zaak op 14 februari 2024 in beraad is genomen geweest door de eerste rechter, waarna het vonnis van 8 mei 2024 is gevolgd. Voor zoveel als nodig en ten overvloede verwijst het hof naar de oordeelkundige motieven van de eerste rechter, zoals weergegeven op blz. 4 tot 8 van het niet-beroepen vonnis van 8 mei
  13. Niets van wat partijen meer of anders uiteenzetten doet daar afbreuk aan, en het hof maakt zich – voor zoveel als nodig – die motieven ook eigen. Om volstrekt ten overvloede toch de opmerking van vader te beantwoorden dat moeder niet voltijds werkt, merkt het hof op dat de eerste rechter rekening heeft gehouden met het verdienvermogen van moeder, dat de eerste rechter op gemotiveerde wijze laag heeft begroot. De overige opmerkingen van vader hebben betrekking op de uitvoering van de beslissingen die zijn genomen, niet op de beslissingen zelf, of geven net aan dat de middelen, mogelijkheden en kosten van partijen naar grootteorde niet noemenswaardig zijn gewijzigd. Het incidenteel hoger beroep van vader en zijn vorderingen in ondergeschikte orde zijn ongegrond.
  14. Uit wat voorafgaat blijkt dat het hoger beroep van moeder gegrond is, en dat het incidenteel beroep van vader moet worden afgewezen.
  15. De eerste rechter heeft correct beslist over de kosten van de rechtspleging in eerste aanleg. In dat verband merkt het hof op dat de eerste rechter de zaak bij verschillende gelegenheden heeft behandeld, verschillende tussenvonnissen heeft gewezen en daarbij verschillende geschilpunten heeft uitgeklaard, waarvan de meeste niet zijn beroepen of worden bevestigd, en heeft gepoogd in het belang van alle betrokkenen, vader, moeder, en hun vier kinderen, een correcte en evenwichtige familiale regeling te bepalen, en dat partijen bij de eerste rechter dus onderscheidenlijk in het gelijk en ongelijk zijn gesteld geweest. Als in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij, moet vader instaan voor de kosten van de rechtspleging in hoger beroep, zoals hierna begroot. Daarbij wordt de rechtsplegingsvergoeding ten belope van 627,91 euro, berekend op twaalf maal de onderhoudsbijdrage voor L.. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Weert de conclusie gedateerd op 31 maart 2026 en het stuk 17 van C. uit de debatten; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond; Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk maar ongegrond; Doet het beroepen vonnis van 15 oktober 2025 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, teniet; Opnieuw wijzende, zegt dat voor L. D.N. verder de onderhoudsregeling zal gelden zoals de eerste rechter die heeft beslist bij vonnis van 8 mei 2024; Wijst al het in hoger beroep meer of anders gevorderde af; Veroordeelt D.N. tot de gedingkosten in hoger beroep, te begroten op:
(1)het reeds in rekening gebrachte en door de griffie geïnde bedrag van 26,00 euro voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand in toepassing van artikel 4, § 2, lid 1 en 3 en artikel 5, § 1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (BS 31 maart 2017),
(2)400,00 euro rolrecht in hoger beroep voor de Belgische Staat, FOD Financiën met toepassing van artikel 269
(1)en
(2)W. Reg., en
(3)627,91 euro rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van C. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, elfde septies kamer, rechtdoende in burgerlijke zaken als familiekamer van 2 juni 2026. Aanwezig: Jelle Flo, raadsheer - alleenrechtsprekend Kevser Aygün, griffier Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091130.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.