← België

ECLI:BE:ORANT:2024:JUG.20240118.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 18 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:ORANT:2024:JUG.20240118.1 Rolnummer: A/21/03156 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2026-01-26 Raadplegingen: 506 - laatst gezien 2026-06-18 06:17 Fiche 1 Wie met de eis een subjectiefrechtelijke aanspraak nastreeft, in dit geval de vergoeding van schade, heeft daarbij voldoende belang. Indien de hoofdaannemer ook eigenaar was geweest van de beschadigde isolatie en dakafwerking, waarvan de dakwerken verkeerdelijk lijkt uit te gaan, dan nog zouden haar rechten uit de aannemingsovereenkomst niet geacht te zijn inbegrepen in een latere overdracht van de werken wanneer ze nog belang zou hebben om haar rechten uit de aannemingsovereenkomst uit te oefenen, bijvoorbeeld om een aansprakelijke onderaannemer in schadevergoeding aan te spreken voor een schadegeval voorafgaand aan de oplevering wanneer een beschadiging van de haar toevertrouwde werken en lokalen binnen haar risico zou vallen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering - Belang Vrije woorden: Belang, kwalitatieve rechten Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 17 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 Wat de door de aannemer geplaatste materialen en uitgevoerde werken betreft, is de beschadiging of het verlies ervan voor zijn rekening tot aan de oplevering en inontvangstneming van de werken, tenzij de opdrachtgever in gebreke was om de werken te ontvangen (art. 1788 oud BW). Een aannemer dient de werken ook uit te voeren in overeenstemming met de contractuele documenten, de regels van de kunst en het goede vakmanschap. Daarenboven rust er op de aannemer ook de verbintenis om de van de opdrachtgever verkregen goederen te bewaren en terug te geven, met alle zorg eigen aan een voorzichtig en redelijk persoon (art. 1137 oud BW). Wanneer de aannemer het tijdelijke en nagenoeg exclusieve meesterschap krijgt van plaatsen en goederen in de omgeving van de eigenlijke werken, vallen deze omgevingsgoederen eveneens onder de bewarings- en restitutieplicht van de aannemer. De verplichting tot uitvoering te goeder trouw van de aannemingsovereenkomst legt de aannemer ook een veiligheidsverplichting op ten aanzien van de goederen en de persoon van de opdrachtgever, ongeacht een eventuele exclusieve meesterschap over de bouwplaats of een deel ervan. Die veiligheidsverplichting houdt de verbintenis in om de persoon en de goederen van de opdrachtgever te beschermen voor de specifieke risico's die verband houden met het voorwerp en de uitvoering van de werken. In het kader van die veiligheidsverplichting rust op die aannemer ook de verbintenis om zich te informeren over de werken en over de rechtstreekse invloed van die werken op de onmiddellijke omgeving. De aansprakelijkheid van de aannemer voor de nakoming van die verbintenissen, is een foutaansprakelijkheid: de opdrachtgever (of hoofdaannemer) die een aannemer (resp. onderaannemer) aanspreekt wegens voorgehouden gebreken in de uitvoering van de werken, moet de fout in de uitvoering van de werken of een andere toerekenbare niet-nakoming aantonen. Met uitzondering voor de uitwerking van de risicoregeling, brengt het louter bestaan van een beschadiging in de werken op zich niet reeds de aansprakelijkheid van de aannemer in het gedrang. De verschillende aannemers waren daarbij aansprakelijk voor de daden van de personen die ze bezigden bij de uitvoering van de verschillende (onder)aannemingswerken (art. 1797oud BW). UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Bouwrecht - Aanneming - Aansprakelijkheid buiten de tienjarige aansprakelijkheid Vrije woorden: Aansprakelijkheid aannemer, risico schade en teloorgaan werken, verbintenis aannemer bewaring en teruggave, veiligheidsverbintenis aannemer Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1788 - 34 ELI link Pub nr 1804032154 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1797 - 34 ELI link Pub nr 1804032154 Fiche 3 Een beding in de verzekeringspolis naar Frans recht van uitsluiting over schade die het gevolg is van een opzettelijke, bewuste of onverschoonbare niet-naleving van de regels van de kunst en de technische normen in de sector van de verzekerde, stelt de verzekerde niet in staat om de precieze draagwijdte van de uitsluiting te bepalen, bij gebreke aan een contractuele definitie van die regels en normen en van de opzettelijke of onverschoonbare aard van de niet-naleving ervan. Zijn bovendien nietig: elke algemene bepaling die de verzekerde van zijn recht op verzekeringsdekking doet vervallen in het geval van een overtreding van wetten of voorschriften, tenzij de overtreding een misdaad of een opzettelijk misdrijf is. De verzekeringsovereenkomst met de uitsluiting voor schade veroorzaakt door een onverschoonbare niet-naleving van de regels van de kunst, bevat geen concrete definitie van de onverschoonbaarheid. Die uitsluiting is naar het toepasselijke Franse verzekeringsrecht ongeldig. De uitsluiting voor immateriële schade is wel geldig en is ook gebruikelijk in het kader van een ABR-verzekering. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Zaakverzekering Vrije woorden: Verzekering alle bouwplaatsrisico's (ABR) (Frans recht), Uitsluitingen verzekeringsdekking (Frans recht) Tekst van de beslissing Ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen Veertiende kamer NV ALGEMENE BOUWWERKEN B, TEGEN NV DAKWERKEN C, BV AFWERKINGSBEDRIJF D, de onderneming naar buitenlands recht MAATSCHAPPIJ X, NV VASTGOED A, I. SITUERING VAN HET GESCHIL Hoofdaannemer Algemene Bouwwerken B spreekt in hoofdorde onderaannemer Dakwerken C aan wegens beschadigingen door Afwerkingsbedrijf D, een onderaannemer van Dakwerken C, bij de uitvoering van renovatiewerken aan waterdichte berijdbare afwerking van de dakparking van Shopping Center Y. De aannemers spreken ook de ABR-verzekeraar Maatschappij X aan, en Algemene Bouwwerken B betrekt ook opdrachtgever Vastgoed A in tussenkomst. II. PROCEDUREVERLOOP Algemene Bouwwerken B heeft het geding ingeleid bij dagvaarding betekend op 26 augustus

  1. Dakwerken C liet op 1 september 2021 een dagvaarding in gedwongen tussenkomst en vrijwaring betekenen aan Afwerkingsbedrijf D. Afwerkingsbedrijf D liet op 7 oktober 2021 een dagvaarding in gedwongen tussenkomst en vrijwaring betekenen aan Maatschappij X. Algemene Bouwwerken B liet op 28 februari 2023 een dagvaarding in tussenkomst betekenen aan Vastgoed A. De zaak werd in beraad genomen op de openbare zitting van 21 december 2023 nadat de raadslieden van de partijen op die zitting werden gehoord. De rechtbank hield rekening met de neergelegde syntheseconclusies en stukken. In deze procedure werd de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken nageleefd. III. EISEN Met de hoofdeis eist Algemene Bouwwerken B de veroordeling van Dakwerken C tot betaling van 512.535,63 euro, ondergeschikt 375.571,73 euro, te vermeerderen met een interest aan de wettelijke rentevoet vanaf 14 mei 2021 tot aan de dag van de betekening van de dagvaarding en sedertdien met een gerechtelijke interest aan dezelfde rentevoet, en de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 14.000,00 euro, ondergeschikt 9.800,00 euro. In ondergeschikte orde eist ze dit ook van Maatschappij X indien Dakwerken C geheel of gedeeltelijk zou worden afgewezen, met de verwijzing van Maatschappij X tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 14.000,00 euro. Ze eist de tussenkomst van Vastgoed A en haar veroordeling tot betaling van 512.535,63 euro, ondergeschikt 375.571,73 euro, te vermeerderen met een interest aan de wettelijke rentevoet vanaf 14 mei 2021, indien de rechtbank zou oordelen dat Maatschappij X niet gehouden zou zijn tot het verlenen van dekking om reden van de toepassing van Frans recht dan wel omdat de polis niet zou voldoen aan de minimumvoorwaarden zoals beschreven in het aanbestedingsdossier. Dakwerken C vraagt de afwijzing van de hoofdeis als ongegrond met de veroordeling van de eiser op hoofdeis tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 14.000,00 euro. Ze vraagt de bevestiging dat die uitspraak uitvoerbaar bij voorraad zou zijn. In ondergeschikte orde vraagt ze veroordeling van Maatschappij X tot vrijwaring of tot terugbetaling in regres voor alle sommen waartoe ze zou worden veroordeeld opzichtens Algemene Bouwwerken B of enige andere partij in hoofdsom, interesten en kosten, met verwijzing van Maatschappij X tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 14.000,00 euro. Eveneens in ondergeschikte orde vraagt ze veroordeling van Afwerkingsbedrijf D tot vrijwaring voor alle sommen waartoe ze zou worden veroordeeld opzichtens Algemene Bouwwerken B of enige andere partij in hoofdsom, interesten en kosten, en waartoe Maatschappij X desgevallend geen dekking zou verlenen, met verwijzing van Afwerkingsbedrijf D tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 14.000,00 euro. Ze vraagt dat de rechtbank minstens ook voor recht zegt dat Afwerkingsbedrijf D medeaansprakelijk is voor het schadegeval, met de bepaling van het onderling aandeel van de fouten en de veroordeling van Afwerkingsbedrijf D in regres voor de bedragen waartoe Dakwerken C zou worden aangesproken boven haar aandeel. In uiterst ondergeschikte orde eist Dakwerken C, indien de vordering tegen Maatschappij X zou worden afgewezen en indien de rechtbank zou oordelen dat Maatschappij X geen dekking zou moeten verlenen, de veroordeling van Vastgoed A tot vrijwaring voor alle sommen waartoe ze zou worden veroordeeld opzichtens Algemene Bouwwerken B of enige andere partij in hoofdsom, interesten en kosten. Afwerkingsbedrijf D vraagt de afwijzing van de hoofdeis als ongegrond en vervolgens de vrijwaringsvordering van Dakwerken C tegen haar als zonder voorwerp, met de veroordeling van die laatste tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 14.000,00 euro. Ondergeschikt vraagt Afwerkingsbedrijf D de afwijzing van de tusseneis van Dakwerken C, met de veroordeling van die laatste tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 14.000,00 euro. Uiterst ondergeschikt, in zoverre de rechtbank enige aansprakelijkheid zou aanhouden, eist ze dat de eis van Algemene Bouwwerken B voor slechts 1.000,00 euro provisioneel zou worden gegrond verklaard, en eist ze de veroordeling van Maatschappij X tot vrijwaring voor elke tegen haar uitgesproken veroordeling in hoofdsom, interesten en kosten, inclusief de veroordeling tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 14.000,00 euro. Maatschappij X vraagt dat de rechtbank ervan akte neemt dat ze de door de andere partijen gevorderde stukken neerlegde, met de afwijzing van die vorderingen. Ze vraagt de afwijzing van de eis in tussenkomst en vrijwaring van Afwerkingsbedrijf D als ongegrond, met haar buitenzakestelling en de veroordeling van Afwerkingsbedrijf D tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 14.000,00 euro. Vastgoed A vraagt de afwijzing van de eisen van Algemene Bouwwerken B en Dakwerken C, voor zover ontvankelijk, als ongegrond, en de verwijzing van Algemene Bouwwerken B en Dakwerken C elk afzonderlijk in de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 15.000,00 euro. IV. BEOORDELING A. BELANG, FOUT, AANSPRAKELIJKHEID EN VRIJWARING
  2. Hoofdaannemer Algemene Bouwwerken B trad op als algemene aannemer voor de renovatie van de bovendakse gevels, de dakranden en de waterdichte berijdbare afwerking van de dakparking en hellingsbanen van Shopping Center Y, in opdracht van Vastgoed A. Ze spreekt onderaannemer Dakwerken C aan wegens beschadigingen door Afwerkingsbedrijf D, een onderaannemer van Dakwerken C, bij de uitvoering van de werken. Ze zou die vordering nog altijd kunnen instellen, aangezien ze zelf daarvoor aansprakelijk zou zijn als hoofdaannemer ten aanzien van Vastgoed A, zonder dat ze een indeplaatsstelling voor de rechten van die opdrachtgever zou moeten aantonen. Bij de belijning van tegels, zou isolatie zijn beschadigd. De droging van de nog vochtige tegels met branders zou de isolatie eronder hebben beschadigd, en de verf zou tussen de tegels zijn gelopen. Algemene Bouwwerken B ontkent dat ze de opdracht voor dat ‘droogstoken’ zou hebben gegeven. Algemene Bouwwerken B en haar onderaannemer Werken Z hebben de schade hersteld, onder meer de vervanging van alle tegels. Ze eist de betaling van een schadevergoeding door Dakwerken C en ondergeschikt door Maatschappij X die de ABR-verzekeraar was van opdrachtgever Vastgoed A. De clausule van uitsluiting waarop Maatschappij X zich beroept, zou nietig zijn. Ze vraagt de tussenkomst van die Vastgoed A en ondergeschikt de gehoudenheid van die vennootschap indien er geen of onvoldoende verzekeringsdekking zou zijn, aangezien zij voor een ABR-verzekering moest zorgen bij een Belgische verzekeraar.
  3. Onderaannemer Dakwerken C betwist de hoofdeis. Ze meent dat hoofdaannemer Algemene Bouwwerken B geen eigen belang heeft en dat ze geen subrogatie aantoont. Ze betwist ook dat zij of haar onderaannemer Afwerkingsbedrijf D een fout beging. De schade zou zijn veroorzaakt door een werkwijze die door onder-onderaannemer Afwerkingsbedrijf D buiten onderaannemer Dakwerken C om rechtstreeks zou zijn voorgelegd aan de hoofdaannemer en aan studiebureau Bureau Bouwtechniek. De werkwijze zou geen uitvoeringsfout zijn. De uitvoering met gasbranders was gekend. De aanwezigheid van isolatie zou ook gekend zijn geweest. Het zou onvermijdelijk zijn geweest dat er verf ook tussen de tegels door zou lopen. Dit laatste, en het feit dat de tegels moesten worden vervangen, zou eigen zijn aan het ontwerp om tegels te gebruiken in plaats van bv. een asfaltlaag. Ondergeschikt spreekt ze ABR-verzekeraar Maatschappij X aan in dekking. De algemene polisvoorwaarden zouden niet toepasselijk zijn: de bijzondere voorwaarden verwijzen er wel naar, maar ze zijn niet ondertekend. De uitsluiting in de polis zou een ongeldig vervalbeding zijn naar Belgisch recht en zou ook naar Frans recht ongeldig zijn. Ondergeschikt spreekt ze eveneens onderaannemer Afwerkingsbedrijf D in vrijwaring, die de ingebrekestelling voor de verweten fout niet zou hebben geprotesteerd. Ook Dakwerken C spreekt opdrachtgever Vastgoed A aan in vrijwaring voor de niet-nakoming bij het afsluiten van een ABR-polis met een Belgische verzekeraar.
  4. Ook onderonderaannemer Afwerkingsbedrijf D betwist de hoofdeis en wijst erop dat hoofdaannemer Algemene Bouwwerken B geen eigen belang zou hebben. Ze zou geen weet hebben gehad van de opbouw van het dak of van de onderliggende isolatie. Ook zij spreekt ondergeschikt ABR-verzekeraar Maatschappij X aan in dekking.
  5. Maatschappij X betwist de aanspraken in dekking. De polis is naar Frans recht. De schade zou het gevolg zijn van een onverschoonbare niet-naleving van de regels van de kunst, wat uitgesloten zou zijn. Afwerkingsbedrijf D zou daarin een specialist zijn en geen slaafse uitvoerder die enkel instructies van Bureau Bouwtechniek opvolgde. Ook een ernstige ontwerpfout van die laatste, die mee in de polis is verzekerd, zou tot een uitsluiting leiden. Ook immateriële schade zoals gebruiksderving, zou zijn uitgesloten.
  6. Vastgoed A betwist de tusseneis. Er zou geen contractuele of buitencontractuele wanprestatie van haar worden aangetoond. Algemene Bouwwerken B toont ook geen schade aan die door dergelijke fout zou zijn veroorzaakt. Er zouden geen bijzondere voorwaarden zijn overeengekomen tussen Algemene Bouwwerken B en Vastgoed A die die laatste had moeten opnemen in de af te sluiten polis: de dekking zou onder haar bestaande, overkoepelende ABR-polis worden gebracht. Dakwerken C zou zich op die bepaling niet kunnen beroepen, wat ook geen beding ten behoeve van een derde zou zijn: de verbintenis om een ABR-verzekering af te sluiten voor verschillende deelnemers van de werf zou niet ook inhouden dat zij zich op de aannemingsovereenkomst kunnen beroepen. Algemene Bouwwerken B zou niet aantonen dat het schadegeval niet zou zijn gedekt onder de ABR-polis terwijl dat wel zo zou zijn onder een ABR-polis met een Belgische verzekeraar. Maatschappij X zou wel degelijk tot dekking gehouden zijn, ook naar Frans recht. Er is immers geen uitdrukkelijke en beperkte uitsluiting zoals bepaald in art. L112-4 van de Franse Verzekeringswet.
  7. Algemene Bouwwerken B heeft een uitgave gedaan om een aan haar onderaannemer Dakwerken C verweten tekortkoming te herstellen en spreekt die contractant nu aan in vergoeding van die schade. Aangezien ze met haar eis een subjectiefrechtelijke aanspraak nastreeft, met name de vergoeding van schade, heeft ze daarbij voldoende belang. Indien hoofdaannemer Algemene Bouwwerken B ook eigenaar was geweest van de beschadigde isolatie en dakafwerking, waarvan Dakwerken C verkeerdelijk lijkt uit te gaan, dan nog zouden haar rechten uit de aannemingsovereenkomst niet geacht te zijn inbegrepen in een latere overdracht van de werken wanneer ze nog belang zou hebben om haar rechten uit de aannemingsovereenkomst uit te oefenen, bijvoorbeeld om een aansprakelijke onderaannemer in schadevergoeding aan te spreken voor een schadegeval voorafgaand aan de oplevering wanneer een beschadiging van de haar toevertrouwde werken en lokalen binnen haar risico zou vallen. De hoofdeis is toelaatbaar.
  8. Wat de door de aannemer geplaatste materialen en uitgevoerde werken betreft, is de beschadiging of het verlies ervan voor zijn rekening tot aan de oplevering en inontvangstneming van de werken, tenzij de opdrachtgever in gebreke was om de werken te ontvangen (art. 1788 oud BW). Een aannemer dient de werken ook uit te voeren in overeenstemming met de contractuele documenten, de regels van de kunst en het goede vakmanschap. Daarenboven rust er op de aannemer ook de verbintenis om de van de opdrachtgever verkregen goederen te bewaren en terug te geven, met alle zorg eigen aan een voorzichtig en redelijk persoon (art. 1137 oud BW). Wanneer de aannemer het tijdelijke en nagenoeg exclusieve meesterschap krijgt van plaatsen en goederen in de omgeving van de eigenlijke werken, vallen deze omgevingsgoederen eveneens onder de bewarings- en restitutieplicht van de aannemer. De verplichting tot uitvoering te goeder trouw van de aannemingsovereenkomst legt de aannemer ook een veiligheidsverplichting op ten aanzien van de goederen en de persoon van de opdrachtgever, ongeacht een eventuele exclusieve meesterschap over de bouwplaats of een deel ervan. Die veiligheidsverplichting houdt de verbintenis in om de persoon en de goederen van de opdrachtgever te beschermen voor de specifieke risico’s die verband houden met het voorwerp en de uitvoering van de werken. In het kader van die veiligheidsverplichting rust op die aannemer ook de verbintenis om zich te informeren over de werken en over de rechtstreekse invloed van die werken op de onmiddellijke omgeving. De aansprakelijkheid van de aannemer voor de nakoming van die verbintenissen, is een foutaansprakelijkheid: de opdrachtgever (of hoofdaannemer) die een aannemer (resp. onderaannemer) aanspreekt wegens voorgehouden gebreken in de uitvoering van de werken, moet de fout in de uitvoering van de werken of een andere toerekenbare niet-nakoming aantonen. Met uitzondering voor de uitwerking van de risicoregeling, brengt het louter bestaan van een beschadiging in de werken op zich niet reeds de aansprakelijkheid van de aannemer in het gedrang. De verschillende aannemers waren daarbij aansprakelijk voor de daden van de personen die ze bezigden bij de uitvoering van de verschillende (onder)aannemingswerken (art. 1797oud BW). Opdrachtgever Vastgoed A en hoofdaannemer Algemene Bouwwerken B sloten op 7 mei 2020 een hoofdaannemingsovereenkomst (stuk Vastgoed A, nr. 1). Dit betrof de renovatie van de bovendakse gevels, de dakranden en de waterdichte berijdbare afwerking van de dakparking en de hellingbanen van het Shopping Center Y te Z. (art. 1.1). Algemene Bouwwerken B bevestigde voorafgaand aan de werken om de plaats ervan nauwkeurig te hebben bezocht, alle omstandigheden waarin de werken moeten worden uitgevoerd te kennen en alle beperkingen die eigen zijn aan de bestaande toestand te hebben ingeschat (art. 5.1). Algemene Bouwwerken B droeg tot aan de voorlopige oplevering het risico op beschadiging of vernietiging en de gevaren van de werken met betrekking tot elke werkzone, met inbegrip van de aangewende materalen en grondstoffen (art. 17.1). Op de hoofdaannemingsopdracht was onder meer het lastenboek van toepassing zoals daarbij gevoegd als bijlage nr. 1 (art. 2). Dat lastenboek vermeldde herhaaldelijk de dakopbouw met isolatie (o.a. p. 51, 58-59, 60 en 69-73). Hoofdaannemer Algemene Bouwwerken B en onderaannemer Dakwerken C sloten op 5 mei 2020 de onderaannemingsovereenkomst voor de in de bijlage nr. 1 vermelde werken (stuk Algemene Bouwwerken B, nr. 1). Dakwerken C verklaarde alle informatie met betrekking tot het project en de uit te voeren werken te hebben ontvangen en de plaats van de werken te hebben bezocht, en de omstandigheden waarin de werken moesten worden uitgevoerd te kennen (art. 2.1). De onderaanneming zou onder meer worden uitgevoerd volgens het lastenboek (art. 2.3 en 9.1). Dakwerken C diende niet-conforme werken te herstellen (art. 9.3). Als onderaannemer was ze aansprakelijk voor beschadigingen die ze tijdens de uitvoering van de werken veroorzaakte en behield ze het risico voor dergelijke schade (art. 9.11 en 10). Ze zou Algemene Bouwwerken B vrijwaren voor schade ingevolgde de uitvoering van werken door haar eigen onderaannemers (art. 19.3). Met betrekking tot de onder-onderaanneming tussen Dakwerken C en Afwerkingsbedrijf D worden er geen ondertekende overeenkomsten aan de rechtbank overgemaakt. Uit de eensluidende verklaringen van de partijen stelt de rechtbank vast dat er een wilsovereenstemming tussen hen bestond over de voorwaarden van 14 mei 2020 zoals neergelegd door Dakwerken C als stuk nr. I.1 (conclusie Afwerkingsbedrijf D, p. 3). Dit document is een bestellingsbevestiging waarin het voorwerp van de werken en de prijs wordt weergegeven, gevolgd door de projectgegevens en algemene voorwaarden, op zes doornummerende bladzijden. Die bevestiging volgde op de offerte van Afwerkingsbedrijf D van 6 april 2020 (stuk Afwerkingsbedrijf D, nr. 2, bijlage B3). De wilsovereenstemming over de bestellingsbevestiging van 14 mei 2020 strekt zich ook uit tot de algemene voorwaarden die al bij de aanhef op de eerste bladzijde worden vermeld en vervolgens weergegeven zijn op de doornummerende bladzijden daarachter. De opdracht betrof onder meer het aanbrengen van belijning (wegmarkeringen) op de betontegels, met inbegrip van de behandeling van de ondergrond (stralen, frezen, opschuren). Afwerkingsbedrijf D erkende de contractuele verplichtingen van Dakwerken C ten opzichte van de contractspartij van die laatste, te kennen, met uitdrukkelijke vermelding van het lastenboek (art. 2.1 en 2.3). Afwerkingsbedrijf D was verplicht om alle nodige veiligheidsmaatregelen te nemen ter vrijwaring van de veiligheid in het algemeen op de werf (art. 12.2). Ze had het risico van beschadigingen voorafgaand aan de oplevering en was aansprakelijk voor schade en verlies (art. 16 en 17.2). Ze diende Dakwerken C voor gebreken te vrijwaren (art. 17.1). Dakwerken C was ook gerechtigd om niet-conforme werken te weigeren en te doen herbeginnen (art. 1.5). Er is geen betwisting over dat (werknemers van) Afwerkingsbedrijf D de isolatie had beschadigd door verbranding tijdens het drogen van de betonnen tegels in voorbereiding van die ondergrond voor de belijning. De brandschade werd vermeld in het werfverslag van architect Bureau Bouwtechniek van de werfvergadering van 26 november 2020 (stuk Algemene Bouwwerken B, nr. 2, deel 1, p. 4/5). Er is evenmin betwisting over dat (werknemers van) Afwerkingsbedrijf D die belijning over de voegen tussen de tegels had aangebracht. De beschadiging met de verf werd vastgesteld op 17 november 2020 toen Werken Z, een andere onderaannemer van Dakwerken C, enkele tegels had weggenomen wegens een fout in die belijning (stuk Dakwerken C, nr. I.2). Algemene Bouwwerken B stelde Dakwerken C daarvan in kennis per e-mail van 18 november
  9. Die schade werd eveneens vermeld in het werfverslag van architect Bureau Bouwtechniek van de werfvergadering van 26 november 2020 (stuk Algemene Bouwwerken B, nr. 2, deel 1, p. 4/5). Dakwerken C stelde Afwerkingsbedrijf D per brief van 1 december 2020 in gebreke (stuk Dakwerken C, nr. I.3). Hoewel de verfaantasting als eerste werd vastgesteld, meende Algemene Bouwwerken B al in een verslag van 7 december 2020 dat de brandbeschadiging de voornaamste schade was (stuk Algemene Bouwwerken B, nr. 3). De rechtbank oordeelt dat Afwerkingsbedrijf D hierbij een fout heeft begaan. Het drogen van betonnen tegels met een brander, zonder na te gaan of de vlammen ook de onderliggende structuur konden aantasten, was onzorgvuldig. Die uitvoering was onveilig en ging in tegen de regels van de kunst. Een voorzichtig en redelijk aannemer zou in dezelfde omstandigheden eerst de gevolgen van dergelijke behandeling hebben nagegaan en die maar hebben toegepast indien het risico op beschadiging zo veel als redelijk mogelijk zou zijn vermeden. Afwerkingsbedrijf D heeft dergelijke beoordeling niet uitgevoerd en heeft de droging roekeloos uitgevoerd. Ook indien Afwerkingsbedrijf D, zoals ze beweert, geen kennis had van de aanwezigheid van isolatie onder de te drogen betontegels, erkent ze de niet-nakoming van de verbintenis om zich te informeren en om de werken die een risico inhielden veilig en zorgvuldig uit te voeren. Naast de isolatie konden er bovendien ook andere materialen en gebouwonderdelen onder de tegels zitten die aan het risico van beschadiging werden blootgesteld. Daarenboven diende Afwerkingsbedrijf D de wegmarkering zorgvuldig aan te brengen op een wijze dat de functie van de te beschilderen tegels, met inbegrip van de mogelijkheid van demontage zonder beschadiging, niet in het gedrang kwam. Dit zijn aan Afwerkingsbedrijf D toerekenbare niet-nakomingen. Afwerkingsbedrijf D is als uitvoerende aannemer daarvoor aansprakelijk. Dakwerken C is tegenover Algemene Bouwwerken B aansprakelijk voor die fout van haar onderaannemer. Er wordt geen eigen fout in hoofde van Dakwerken C of Algemene Bouwwerken B aangetoond. Een door Afwerkingsbedrijf D voorgehouden instructie of toelating om de tegels droog te branden, wordt niet bewezen. De vermelding ervan in een verslag van een verzekeringsexpert maanden na de feiten, zonder de vermelding wie dit verklaarde, is daarvan geen afdoende bewijs. Zelfs indien het gebruik van een brander was toegelaten, ontheft dit de uitvoerende aannemer er niet van om dit zorgvuldig en veilig te doen, zonder beschadiging van de ondergrond. De goedkeuring van de ontwerper of hoofdaannemer van de technische fiche die Dakwerken C heeft voorgelegd, heeft geen invloed op die aansprakelijkheden. De aard van de producten heeft geen verband met het schadegeval. De goedkeuring van een product houdt geen toelating in om dat onzorgvuldig aan te brengen of de ondergrond onzorgvuldig voor te bereiden. Er wordt evenmin een controlefout of tekortkoming aan een informatieverplichting aangetoond die aan de architect kan worden verweten, noch een fout in de materiaalkeuze. De voorbereiding van de ondergrond om de belijning aan te brengen is een uitvoeringsmethode waarvoor de uitvoerende aannemer verantwoordelijk is en die niet noodzakelijk in het bestek technisch moet zijn omschreven. Er is niet aangetoond dat de architect controle hield op de uitvoering van de droging met een brander, noch dat die daarop controle moest uitvoeren. De verweten fouten in het ontwerp, de controle of bij de keuze van het materiaal, worden noch aangetoond noch voldoende aannemelijk gemaakt om een verdere onderzoeksmaatregel daarover te verantwoorden.
  10. Er wordt geen fout aangetoond in hoofde van Vastgoed A. Die opdrachtgever had zich er in de hoofdaannemingsovereenkomst met hoofdaannemer Algemene Bouwwerken B toe verbonden om een verzekering Algemene Bouwplaats Risico te onderschrijven waarin alle deelnemers op de werf als begunstigden worden vermeld (stuk Vastgoed A, nr. 1, art. 15.1). Dit was oorspronkelijk in het bestek bepaald als een verbintenis van de aannemer, maar de partijen weken daarvan af in de contracttekst van de overeenkomst met de bijzondere voorwaarden die voorrang heeft op dat bestek. Algemene Bouwwerken B toont niet aan dat Vastgoed A een ABR-verzekering moest afsluiten met dezelfde voorwaarden als de verzekering die Algemene Bouwwerken B oorspronkelijk had moeten afsluiten: dit is niet zo bepaald in de overeenkomst. De bestekbepalingen waren voorzien voor een door de aannemer af te sluiten polis en dienden nog te worden aangevuld met bedragen over de verzekerde kapitalen: ze waren niet van toepassing op de door Vastgoed A af te sluiten ABR-verzekering. Dit is logisch, aangezien Vastgoed A bij een ABR-verzekeringsdekking door de aannemer meestal haar eigen eigendom (de werken door natrekking) door die derde laat verzekeren, waardoor ze concreter de dekkingsvoorwaarden moet bepalen. Die nauwkeurige bepaling voor de verzekering van haar eigen eigendom is minder nodig wanneer ze zelf de verzekering aangaat. Indien dit wel vereist zou zijn geweest, had dit in de overeenkomst moeten zijn opgenomen. Algemene Bouwwerken B toont niet aan dat Vastgoed A haar verbintenis niet is nagekomen. Zoals hieronder ook vastgesteld, heeft Vastgoed A voor een ABR-verzekeringsdekking gezorgd voor de betrokken werken en dient de betrokken verzekeraar ook dekking te verlenen. B. VERZEKERINGSDEKKING
  11. Opdrachtgever Vastgoed A verbond zich ertoe om een verzekering Algemene Bouwplaats Risico te onderschrijven waarin alle deelnemers op de werf als begunstigden worden vermeld (stuk Vastgoed A, nr. 1, art. 15.1). De betrokken verzekeringspolis is een overeenkomst waarvan de bijzondere voorwaarden werden overeengekomen op 17 december 2019 tussen verzekeraar Maatschappij X en verzekeringsnemer F., polisnr. x (stuk Maatschappij X, nr. 2). Zowel Vastgoed A, dochteronderneming binnen de F-groep, als Maatschappij X bevestigen dat die voorwaarden van toepassing zijn op het project van de renovatiewerken van de dakparking van Shopping Center Y. Het Franse recht is daarop van toepassing (p. 2). Die bijzondere voorwaarden verwijzen naar algemene polisvoorwaarden (p. 2) (stuk Maatschappij X, nr. 1). Vastgoed A ontkent noch de kennisneming door haar moederonderneming van die voorwaarden, noch de toestemming daarmee. Naast de bijzondere voorwaarden zijn daarom ook de algemene voorwaarden van toepassing. Het is ook niet ongebruikelijk om voor omvangrijke verzekeringsovereenkomsten te werken met algemene voorwaarden en bijzondere voorwaarden. De polis is een gemengde verzekering met onder meer de verzekering “alle bouwplaatsrisico’s”, ook ABR-verzekering genoemd. Het deel van de dekking voor de schade aan de werken is een zaakverzekering, met name een verzekering voor schade aan de uitgevoerde werken (art. I.1 bijz. vw.). Maatschappij X betwist niet dat de werken verzekerd waren binnen die polis. De verzekerden zijn onder meer: de opdrachtgever, de aannemers en onderaannemers en de architect (art. II.1 bijz. vw.). De schade aan de werken is gedekt voor de bouwkost, en die aan de bestaande goederen voor 15% van de bouwkost, met de dekking van erelonen en studiekosten beperkt tot 10% van het schadebedrag (art. II.2 bijz. vw.). Onder de dekking vallen ook verschillende afbraakkosten en algemene kosten en kosten die de verzekerde heeft gemaakt als gevolg van een verzekerd schadegeval (art. 1.1.3 alg. vw.). Voor dergelijk project met een prijs boven tien miljoen euro, bedroeg de vrijstelling 20.000,00 euro (art. II.2 bijz. vw.). De toepasselijke algemene voorwaarden bepaalden onder meer de volgende uitsluitingen: - Schade als gevolg van de bewuste, opzettelijke of onverschoonbare niet-naleving van de regels van de kunst, zoals gedefinieerd in de technische documenten van de bevoegde officiële technische instanties, en in het bijzonder de uniforme technische documenten (UTD's) gepubliceerd door het “Centre Scientifique et Technique du Bâtiment” (wetenschappelijk en technisch centrum voor de bouw) of door de gelijkwaardige Franse normen of de normen gepubliceerd door de normalisatie-instellingen van de andere lidstaten van de Europese Unie of van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, die een mate van veiligheid en duurzaamheid bieden die gelijkwaardig is aan die van de Franse normen (art. 1.4.1, 2°, alg. vw.). - Alle immateriële schade, zelfs als gevolg van gedekte materiële schade (art. 1.4.1, 12°, alg. vw.). Maatschappij X beroept zich niet op andere uitsluitingen. Schade veroorzaakt door ontwerpfouten, materiaalfouten of fabricagefouten, blijft gedekt, met inbegrip van schade aan het gebrekkige onderdeel zelf (art. 1.4.1, 3°, tweede lid, alg. vw.).
  12. Maatschappij X beroept zich op de uitsluiting van artikel 1.4.1, 2° van de algemene voorwaarden om dekking te weigeren. De lokale Franse technische normen waren niet van toepassing op de aannemingsopdracht in België naar Belgisch recht. Ze benoemt geen enkele concrete norm die wel van toepassing was en die zou zijn overtreden. De rechtbank stelde hoger wel al vast dat de schade was veroorzaakt door een onzorgvuldige uitvoering door een onderaannemer met de schending van de regels van de kunst en het goede vakmanschap. Bepalingen van de polis die uitsluitingen bevatten, zijn naar Frans recht slechts geldig indien ze in zeer opvallende letters zijn vermeld (art. L112-4, derde lid, Frans Verzekeringswetboek). Verliezen en schade veroorzaakt door toevallige gebeurtenissen of door de schuld van de verzekerde, worden gedragen door de verzekeraar, tenzij uitdrukkelijk en beperkt uitgesloten in de polis (art. L113-1, eerste lid, Frans Verzekeringswetboek). Een beding van uitsluiting over schade die het gevolg is van een opzettelijke, bewuste of onverschoonbare niet-naleving van de regels van de kunst en de technische normen in de sector van de verzekerde, stelt die verzekerde niet in staat om de precieze draagwijdte van de uitsluiting te bepalen, bij gebreke aan een contractuele definitie van die regels en normen en van de opzettelijke of onverschoonbare aard van de niet-naleving ervan (Cass. (FR) 19 september 2019, nr. 18-19.616 en ECLI:FR:CCASS:2019:C300715.). Zijn bovendien nietig: elke algemene bepaling die de verzekerde van zijn recht op verzekeringsdekking doet vervallen in het geval van een overtreding van wetten of voorschriften, tenzij de overtreding een misdaad of een opzettelijk misdrijf is (art. L113-11, 1° Frans Verzekeringswetboek). De verzekeringsovereenkomst met de uitsluiting voor schade veroorzaakt door een onverschoonbare niet-naleving van de regels van de kunst, bevat geen concrete definitie van de onverschoonbaarheid. Voor de regels van de kunst verwijst ze naar het geheel van de toepasselijke Europese en lokale technische normen. Ze benoemt geen enkele concrete norm, laat staan een concrete norm voor de verzekerde werken of activiteit. De enkele concrete voorwaarden inzake brandschadepreventie gingen uit van de toepassing van de Franse regelgeving op de werken (art. IV.2 bijz. vw.), wat hier niet het geval was. De schade is hier ook niet ontstaan door brand, maar door een verbranding, met name de aantasting van materialen door een vlam die als materieel werd aangewend. De rechtbank stelt vast dat de verzekerden, onder wie Vastgoed A, aannemers Algemene Bouwwerken B, Dakwerken C en Afwerkingsbedrijf D, hierdoor de precieze draagwijdte van de uitsluiting niet konden bepalen. De uitsluiting is daardoor naar het toepasselijke Franse recht ongeldig. Maatschappij X kan daarnaar niet verwijzen om dekking te weigeren. De uitsluiting voor immateriële schade is geldig en ook gebruikelijk in het kader van een ABR-verzekering. De schade is niet veroorzaakt door een fout in het ontwerp of een foute materiaalkeuze. Dergelijke tekortkomingen worden niet aangetoond, noch voldoende aannemelijk gemaakt. Er is geen bewijs dat de materialen, in het bijzonder de verf, gebrekkig of onaangepast waren. De schade is veroorzaakt door het branden en door het onzorgvuldig aanbrengen van de verf, maar niet door een onaangepastheid van die verf. Op vraag van de rechtbank bevestigt de raadsman van Maatschappij X ter zitting dat er geen discussie over bestaat dat de schade waarvan vergoeding en dekking wordt geëist, schade is, en geen gebrekkig werk dat herdaan diende te worden zonder schade uit te maken. Ze volgt hiermee niet de verzekeringsdeskundige Saretec (stuk Algemene Bouwwerken B, nr. 4, p. 15/15). Gelet op de schade aan de verzekerde werken, is Maatschappij X gehouden tot dekking, met uitzondering van de immateriële schade. Het verzekerbare belang van hoofdaannemer Algemene Bouwwerken B, die niet de eigenaar was maar wel de kosten maakte om de beschadigingen te herstellen binnen haar risico en aansprakelijkheid, wordt door Maatschappij X niet betwist. Maatschappij X betwist niet dat een eventuele verzekeringsdekking leidt tot een betaling rechtstreeks aan verzekerde Algemene Bouwwerken B, in plaats van aan de verzekeringsnemer die de polis afsloot. C. SCHADE EN VERDELING
  13. Algemene Bouwwerken B bepaalt haar schade in hoofdorde op 512.535,63 euro. Die schade zou zijn vastgesteld door de verzekeringsexpert van Maatschappij X. Ondergeschikt geeft ze de begroting mee van de “reëel gemaakte kosten” van 375.571,73 euro.
  14. Dakwerken C betwist de schade. De schadebepaling zou eenzijdig zijn en niet bewezen. Pas voor het eerst bij synthesebesluiten zouden stukken worden bijgebracht over een schade van 375.571,73 euro, maar ook daarbij zouden geen betalingsbewijzen worden gevoegd, zouden onderbouwende details en stukken ontbreken, zouden bepaalde stukken zelf opgemaakte overzichten zijn en missen er verklaringen.
  15. Ook Afwerkingsbedrijf D betwist de schadebepaling.
  16. Maatschappij X voert aan dat de schade niet zou zijn bewezen zoals begroot door Algemene Bouwwerken B, die daarover slechts één document zou voortbrengen.
  17. Fabrikant Fabrikant E adviseerde de volledige vervanging van de aangetaste isolatieplaten (stuk Algemene Bouwwerken B, nr. 3, p. 3). Onderaannemer Werken Z adviseerde ook de vervanging van die betontegels waaraan een verfrand was gekomen door de overschildering van de voegen, omdat het afslijpen een risico van bijkomende beschadiging van de tegels inhield en in arbeidskost hoger zou zijn dan de kost van nieuwe tegels (stuk Algemene Bouwwerken B, nr. 3, p. 5). De schadebepaling van 512.535,63 euro is gebaseerd op een raming door verzekeringsexpert H. van 4 maart 2021 in opdracht van ABR-verzekeraar Maatschappij X (stuk Algemene Bouwwerken B, nr. 4). Het verslag kwam er na vergaderingen op 1 december 2020 en 4 januari 2021, en bevatte de vermelding dat die ABR-verzekeraar geen dekking zou verlenen (p. 12/15). De expert stelde de beschadigingen vast door de verbranding en de gelekte verf. Ze raamde de volgende kosten, excl. btw, voor een totaal van 591.526,23 euro: - werfkosten: 168.893,77 euro - studies en coördinatie: 33.542,19 euro - wegnemen, vervangen en herplaatsen van betonnen tegels: 294.610,15 euro - van isolatie: 38.708,21 euro - heraanbrengen belijning en andere tekens: 50.180,63 euro - tussenkomst opdrachtgever: 5.591,28 euro De verzekeringsexpert bepaalt die kosten als 225.352,19 euro excl. btw binnen een ABR-dekking (stuk Algemene Bouwwerken B, nr. 5, voorlaatste kolom) en als 512.535,63 euro excl. btw binnen een dekking burgerlijke aansprakelijkheid (stuk Algemene Bouwwerken B, nr. 5, laatste kolom). Het verschil betreft de herstelwerken voor de betonnen tegels (in het bijzonder de regels nr. 1.3 en 3.3) zoals toegelicht in het verslag (stuk Algemene Bouwwerken B, nr. 4, p. 15/15). Die schadebepaling van 512.535,63 euro was gebaseerd op een raming. Die raming was te algemeen en voorwaardelijk om als concreet bewijs van schade van 512.535,63 euro te kunnen worden aangenomen door de rechtbank. Bovendien toont Algemene Bouwwerken B niet aan dat die raming schade betrof onder de ABR-polis. Het verslag vermeldde wel enkele vergaderingen, maar toont niet aan dat ook de cijfermatige schadebepaling tegensprekelijk tot stand was gekomen. Zo blijkt er niet dat de cijfers eerder al werden overgemaakt met een tegensprekelijk debat daarover met opmerkingen. De schade van 512.535,63 euro wordt niet bewezen.
  18. In ondergeschikte orde baseert Algemene Bouwwerken B haar hoofdeis op schade van 375.571,73 euro, samengesteld als volgt (stuk Algemene Bouwwerken B, nr. 7a): - signalisatie (Reviers): 2.958,11 euro - signalisatie (Reviers): 1.111,07 euro - kraankosten aan- en afvoer (Werken Z): 7.031,20 euro - omheiningen en signalisatie (Reviers): 6.655,76 euro - afvalcontainers gemengd (Maes): 40.368,30 euro - afvalcontainers isolatie: 20.344,04 euro - afvalcontainers transport: 5.400,00 euro - overnachtingen (Werken Z): 5.565,00 euro - inspectie, rapportage, bestek en studie verkeer (Sigu): 9.320,00 euro - uitlichten tegels (Werken Z): 36.765,00 euro - afvoer tegels tot containers (Werken Z): 987,00 euro - aanvoer en plaatsen nieuwe tegels (Werken Z): 109.793,88 euro - terugplaatsen tegels en kuisen / slijpen randen (Werken Z): 35.687,52 euro - uitlichten en afvoer isolatie (Werken Z): 1.521,37 euro - leveren en plaatsen isolatie (Werken Z): 3.018,60 euro - leveren isolatie (Fabrikant E): 18.716,25 euro - belijning suggestiestroken (Dakwerken C): 17.516,05 euro - belijning kruisingen (Dakwerken C): 664,21 euro - belijning zebrapaden (Dakwerken C): 2.047,34 euro - belijning pijlen (Dakwerken C): 1.012,83 euro - belijning haaientand (Dakwerken C): 100,58 euro - subtotaal: 326.584,11 euro - coördinatie 15%: 48.987,62 euro - totaal: 375.571,73 euro Algemene Bouwwerken B geeft daarbij in conclusies geen enkele concrete toelichting over hoe die kosten schade is die werd veroorzaakt door de vastgestelde niet-nakomingen, noch hoe die schadeonderdelen concreet gedekt zijn onder de ABR-polis. De rechtbank bespreekt de verschillende schadeposten hieronder.
  19. Wat de signalisatie en omheiningen betreft door Reviers van 2.958,11 euro, 1.111,07 euro en 6.655,76 euro, legt Algemene Bouwwerken B een weergave neer van twee facturen: één van 17 februari 2021 van 2.187,50 euro en één van 29 maart 2021 van 8.537,44 euro (stuk 7b). Die facturen beschrijven de herstelwerken. Dit maakt schade uit.
  20. Wat de afvalcontainers betreft (40.368,30 euro, 20.344,04 euro en 5.400,00 euro; samen 66.112,34 euro) legt Algemene Bouwwerken B de volgende facturen neer van BV Yves Maes van samen 89.927,38 euro excl. btw: - factuur van 15 januari 2021, zuiver steenpuin, 1.220,00 euro excl. btw - factuur van 31 januari 2021, zuiver steenpuin en bouw- en sloopafval (924,20 euro), 3.004,20 euro excl. btw (samen) - factuur van 15 februari 2021, zuiver steenpuin en bouw- en sloopafval (16.123,20 euro), 17.523,20 euro excl. btw (samen) - factuur van 28 februari 2021, zuiver steenpuin en afbraakwerk, 66.053,50 euro excl. btw - factuur van 31 maart 2021, bouw- en sloopafval, 2.126,48 euro excl. btw Ze voegt bij de stukken ook twee regels uitleg, met name dat er 28 containers zuiver steenpuin betrekking hadden op de afvoer van de tegels, en 8 containers bouw- en sloopafval betrekking hadden op isolatie. Daarvan wordt evenwel geen verdere berekening of toelichting medegedeeld. Ze bewijst niet welk deel van de containers behoorde tot de basiswerken en welk deel tot de herstellingswerken. Ze toont evenmin aan dat dit niet te bewijzen valt. Die facturen bewijzen een uitgave of kost, maar niet dat dit schade is die door de vastgestelde niet-nakomingen is veroorzaakt. Dit bewijst evenmin dat dit onder de ABR-polis gedekte schade is.
  21. Wat de kosten van onderaannemer Werken Z betreft, legt Algemene Bouwwerken B facturen neer waarvan verschillende bedragen niet of moeilijk leesbaar zijn (stukken 7E), maar waarvan de leesbare bedragen de berekening van Algemene Bouwwerken B van 200.369,57 euro overstijgen. De beschrijvingen stemmen ook overeen met de omschreven herstellingswerken (vervanging tegels en isolatie, afvoer) en niet met de oorspronkelijk bestelde werken. Het totaal van de bedragen voor die herstellingswerken maakt schade uit.
  22. Wat de levering van isolatie betreft (Fabrikant E: 18.716,25 euro) legt Algemene Bouwwerken B een factuur van Fabrikant E neer van 30 oktober 2020 van 28.116,28 euro excl. btw en een factuur van 30 januari 2021 van 7.770,15 euro excl. btw, met een toelichting (stuk Algemene Bouwwerken B, nr. 7F). Het verlies van de geleverde isolatie is aangetoond. Een bijkomende levering stemt overeen met de herstellingswerken. Het bedrag van 18.716,25 euro kan als schade worden aanvaard.
  23. Wat de kosten van onderaannemer Dakwerken C betreft (21.341,01 euro), legt Algemene Bouwwerken B één factuur neer van 30 november 2020 van 318.686,83 euro, btw verlegd, met een detail (stuk 7g). Een deel van dit werk was noodzakelijk het opnieuw aanbrengen van de belijning, zoals beschreven als herstellingswerk. De aangerekende kost van 21.341,01 euro is terug te vinden in de verschillende posten van het detail en er wordt met redelijke mate van zekerheid aangetoond dat dat herstellingswerk betrof.
  24. Wat de kosten betreft voor inspectie, rapportage, bestek en studie door Sigu, wordt geen enkel stuk overgemaakt behalve een zelf opgesteld overzicht (stuk Algemene Bouwwerken B, nr. 7C). Dit overzicht vermeldt werkuren in januari (41,5), februari

(46)en maart
(29)van het jaar
  1. Die loutere vermelding bewijst noch de daadwerkelijke uitvoering van die prestaties, noch de betaling van een vergoeding, noch dat dit noodzakelijk werd gemaakt door de vastgestelde schade en niet-nakomingen. De studieschade wordt niet bewezen en dus niet aanvaard.
  2. Algemene Bouwwerken B bewijst geen coördinatiekost van 15% op de overige kosten van onderaannemers en leveranciers. Ze was in ieder geval nog ter plaatse voor de verdere uitvoering van de werken. Aangezien de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten krijgt om die schade meer concreet en nauwkeurig te begroten, stelt ze die naar redelijkheid en billijkheid (‘ex aequo et bono’) vast op 8% van de overige kosten van onderaannemers en leveranciers.
  3. Samengevat bedraagt de bewezen schade als volgt: - signalisatie en omheiningen: 10.724,94 euro - kosten onderaannemer Werken Z: 200.369,57 euro - kosten isolatie Fabrikant E: 18.716,25 euro - kosten onderaannemer Dakwerken C: 21.341,01 euro - subtotaal: 251.151,77 euro - coördinatiekost 8%: 20.092,14 euro - totaal: 271.243,91 euro De overige beweerde schade wordt niet aangetoond en evenmin voldoende aannemelijk gemaakt om verdere bewijsmaatregelen te treffen. De aangetoonde schade is het noodzakelijk gevolg van de hoger vastgestelde niet-uitvoeringen van de overeenkomst door Afwerkingsbedrijf D. Met de vergoeding ervan komt schuldeiser Algemene Bouwwerken B zo veel als redelijkerwijze mogelijk in de toestand waarin ze zich zou hebben bevonden indien Afwerkingsbedrijf D haar verbintenissen zou zijn nagekomen. Dakwerken C is daarom aansprakelijk voor die schade ten aanzien van Algemene Bouwwerken B. Afwerkingsbedrijf D is hiervoor eveneens aansprakelijk in haar verhouding met Dakwerken C en dient die laatste daarvoor te vrijwaren. De schade is gedekt onder de ABR-polis, gelet op de hoger in dit vonnis besproken polisvoorwaarden. Ook de coördinatiekost valt binnen de dekking aangezien die noodzakelijk was voor de uitvoering van de herstellingswerken door verschillende onderaannemers. Hiervan moet de vrijstelling van 20.000,00 euro worden afgetrokken (saldo: 251.243,91 euro).
  4. Algemene Bouwwerken B vraagt de verhoging van de hoofdsom met een interest aan de wettelijke rentevoet vanaf 14 mei
  5. De vergoedende interest maakt een integrerend deel uit van de vergoeding van de schade die is veroorzaakt door een contractuele niet-nakoming. Hij vormt een aanvullende vergoeding voor de schade die voortvloeit uit de vertraging die bij de schadeloosstelling is opgelopen. Er kan geen interest worden toegekend voor een periode die het ontstaan van de schade voorafgaat. In het geval een schade zich uitstrekt over een langere periode, kan de rechter op het totale bedrag van de schadevergoeding een interest toekennen vanaf een gemiddelde datum. Gelet op de verschillende uitgaven voor de herstellingswerken die de gevraagde startdatum voorafgaan, kan een interest worden toegekend vanaf 14 mei 2021 zoals gevraagd. Om tot een zo volledig mogelijk schadeherstel te komen, loopt die interest aan de wettelijke rentevoet. Op de betaling van de schadevergoeding binnen de verzekeringsdekking loopt enkel een gerechtelijke interest na de uitspraak van deze beslissing (art. 1.5.5 alg. vw.). V. GERECHTSKOSTEN
  6. In de procesverhouding tussen Algemene Bouwwerken B en Dakwerken C, is Algemene Bouwwerken B de in het gelijk gestelde partij. Hoewel in beginsel de rechtsplegingsvergoeding wordt berekend op basis van het gevorderde bedrag en niet op basis van het aan de in het gelijk gestelde partij toegekende bedrag, kan de rechter niettemin de rechtsplegingsvergoeding berekenen op basis van het toegekende veeleer dan op basis van het gevorderde bedrag, wanneer dit laatste bedrag volgt ofwel uit een klaarblijkelijke overwaardering die de normale bedachtzame en zorgvuldige rechtszoekende niet zou hebben begaan, ofwel uit een te kwader trouw verrichte verhoging die als enig doel had op kunstmatige wijze het bedrag van de vordering op te trekken tot een hogere schijf van de rechtsplegingsvergoeding, zonder hiertoe verplicht te zijn. De begroting van de hoofdeis op 512.535,63 euro was een kennelijke overschatting. De eisende partij had zelf ook al maar een ondergeschikte eis ingesteld van 375.571,73 euro. De rechtbank kent uiteindelijk 271.243,91 euro toe. Teneinde procesrechtsmisbruik te vermijden, bepaalt ze de rechtsplegingsvergoeding op basis van een hoofdeis van dat toegekende bedrag, te vermeerderen met de interesten tot op de dag van de betekening van de gedinginleidende dagvaarding. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt daardoor 10.500,00 euro Algemene Bouwwerken B is btw-plichtig en kan de belasting over de toegevoegde waarde op de betekeningskosten recupereren, zodat er geen aanleiding bestaat om die belasting toe te kennen. Deze kosten zullen daarom maar kunnen worden toegekend voor 261,62 euro.
  7. In de procesverhouding tussen Algemene Bouwwerken B en Vastgoed A, is Vastgoed A de in het gelijk gestelde partij. Omwille van dezelfde redenen als hoger geschreven, bepaalt de rechtbank de rechtsplegingsvergoeding op basis van een hoofdeis voor het toegekende bedrag, te vermeerderen met een interest. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt daardoor 10.500,00 euro
  8. In de procesverhouding tussen Dakwerken C en Afwerkingsbedrijf D, is Dakwerken C de in het gelijk gestelde partij. Een tusseneis in vrijwaring doet een nieuwe procesverhouding ontstaan en geeft aanleiding tot een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding. Hetzelfde basisbedrag is van toepassing, met name 10.500,00 euro. Dakwerken C is btw-plichtig en kan de belasting over de toegevoegde waarde op de betekeningskosten recupereren, zodat er geen aanleiding bestaat om die belasting toe te kennen. Deze kosten zullen daarom maar kunnen worden toegekend voor 88,48 euro.
  9. In de procesverhouding tussen Dakwerken C, Afwerkingsbedrijf D en Maatschappij X, zijn Dakwerken C en Afwerkingsbedrijf D de in het gelijk gestelde partijen. Ook de eis in verzekeringsdekking geeft aanleiding tot een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding. Hetzelfde basisbedrag is van toepassing, met name 10.500,00 euro. Gelet op de gelijklopende middelen van Dakwerken C en Afwerkingsbedrijf D en op het feit dat een andere partij – Vastgoed A – de voornaamste middelen aanvoerde met een advies naar Frans recht onderbouwd door rechtspraak, kent de rechtbank slechts de enkele rechtsplegingsvergoeding toe die Dakwerken C en Afwerkingsbedrijf D elk voor de helft toekomt. Afwerkingsbedrijf D is btw-plichtig en kan de belasting over de toegevoegde waarde op de betekeningskosten recupereren, zodat er geen aanleiding bestaat om die belasting toe te kennen. Deze kosten zullen daarom maar kunnen worden toegekend voor 350,13 euro. VI. BESLISSING Na beraad en gelet op de argumenten hierboven, beslist de rechtbank het volgende. Deze beslissing gebeurt op tegenspraak. De rechtbank verklaart de hoofdeis van Algemene Bouwwerken B toelaatbaar en gegrond zoals hieronder volgt. Ze veroordeelt Dakwerken C tot betaling aan Algemene Bouwwerken B van: - het bedrag van 271.243,91 euro, - een verwijlinterest op het bedrag van 271.243,91 euro aan de wettelijke rentevoet bepaald in artikel 2, § 1 van de Wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest vanaf 14 mei 2021 tot aan de dag van de betekening van de gedinginleidende dagvaarding en sedertdien met een gerechtelijke interest op dit bedrag aan dezelfde rentevoet tot de dag van volledige betaling, - te verminderen met de door Algemene Bouwwerken B van of namens Maatschappij X verkregen betaling(en) in uitvoering van dit vonnis. Ze beveelt Algemene Bouwwerken B om Dakwerken C en Afwerkingsbedrijf D op de hoogte te houden van elk van of namens Maatschappij X verkregen betaling(en) in uitvoering van dit vonnis. De rechtbank verklaart de tusseneis van Algemene Bouwwerken B tegen Vastgoed A, ongegrond en wijst die tusseneis af. De rechtbank verklaart de tusseneis van Dakwerken C toelaatbaar en gegrond zoals hieronder volgt. Ze veroordeelt Afwerkingsbedrijf D om Dakwerken C te vrijwaren tegen de in dit vonnis uitgesproken veroordeling in betaling aan Algemene Bouwwerken B. Ze veroordeelt Afwerkingsbedrijf D in uitvoering van die veroordeling tot vrijwaring tot betaling aan Dakwerken C van: - het bedrag van 271.243,91 euro, - een verwijlinterest op het bedrag van 271.243,91 euro aan de wettelijke rentevoet bepaald in artikel 2, § 1 van de Wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest vanaf 14 mei 2021 tot aan de dag van de betekening van de gedinginleidende dagvaarding en sedertdien met een gerechtelijke interest op dit bedrag aan dezelfde rentevoet tot de dag van volledige betaling, - te verminderen met de door Algemene Bouwwerken B van of namens Maatschappij X verkregen betaling(en) in uitvoering van dit vonnis. De rechtbank verklaart de tusseneisen van Dakwerken C en Afwerkingsbedrijf D tegen Maatschappij X toelaatbaar en gegrond zoals hieronder volgt. Ze veroordeelt Maatschappij X om het schadegeval dat het voorwerp uitmaakte van de aanspraken die in dit vonnis worden behandeld naar aanleiding van de werken door Afwerkingsbedrijf D in het kader van de renovatie van de bovendakse gevels, de dakranden en de waterdichte berijdbare afwerking van de dakparking en de hellingbanen van het Shopping Center Y, te dekken onder de polis met nummer
  10. In het kader van die dekking veroordeelt ze Maatschappij X tot betaling aan Algemene Bouwwerken B van 251.243,91 euro. Ze wijst het op hoofdeis, tegeneis en tusseneis meergevorderde af als ongegrond. In de procesverhouding tussen Algemene Bouwwerken B en Dakwerken C, verwijst de rechtbank Dakwerken C in de gerechtskosten en veroordeelt ze haar tot betaling aan Algemene Bouwwerken B van de rechtsplegingsvergoeding van 10.500,00 euro, en de dagvaardingskosten van 261,62 euro. In de procesverhouding tussen Algemene Bouwwerken B en Vastgoed A, verwijst de rechtbank Algemene Bouwwerken B in de gerechtskosten en veroordeelt ze haar tot betaling aan Vastgoed A van de rechtsplegingsvergoeding van 10.500,00 euro In de procesverhouding tussen Dakwerken C en Afwerkingsbedrijf D, verwijst de rechtbank Afwerkingsbedrijf D in de gerechtskosten en veroordeelt ze haar tot betaling aan Dakwerken C van de rechtsplegingsvergoeding van 10.500,00 euro, en de dagvaardingskosten van 88,48 euro. In de procesverhouding tussen Dakwerken C, Afwerkingsbedrijf D en Maatschappij X, verwijst de rechtbank Maatschappij X in de gerechtskosten en veroordeelt ze haar tot betaling aan Dakwerken C en Afwerkingsbedrijf D van de enkele rechtsplegingsvergoeding van 10.500,00 euro, aan elk de helft, en tot betaling aan Afwerkingsbedrijf D van de dagvaardingskosten van 350,13 euro. Afwerkingsbedrijf D moet, na uitnodiging, de rolrechten van 165,00 euro betalen aan de Belgische Staat, FOD Financiën. Deze beslissing is gewezen door de veertiende kamer van de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, samengesteld uit: S. BUSSCHER, rechter, voorzitter van de kamer, *, rechter in ondernemingszaken, *, rechter in ondernemingszaken, en uitgesproken in openbare zitting van diezelfde kamer op 18 januari 2024 door de voorzitter van die kamer, bijgestaan door de heer *, griffier. PDF document ECLI:BE:ORANT:2024:JUG.20240118.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:FR:CCASS:2019:C300715 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.