← België

ECLI:BE:ORANT:2024:JUG.20240620.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 20 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:ORANT:2024:JUG.20240620.1 Rolnummer: A/23/01702 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2026-01-30 Raadplegingen: 533 - laatst gezien 2026-06-18 06:19 Fiche 1 Bij gebreke aan een schriftelijke en ondertekende overeenkomst moet de rechtbank aan de hand van de neergelegde bewijsstukken de wil van de partijen achterhalen, in overeenstemming met de toepasselijke bewijsregels. Tussen ondernemingen is het bewijs vrij, ook wat betreft de toestemming van de partijen bij een overeenkomst. De vrijwillige uitvoering van de overeenkomst door de partijen kan wijzen op de stilzwijgende toestemming ermee van hen beiden. Zo kan een buitengerechtelijke bekentenis voortvloeien uit het gedrag van één van de partijen, zoals de uitvoering van een contract, en kan de rechtbank rekening houden met de briefwisseling tussen de partijen. Wanneer partijen reeds weken in een verhitte discussie zijn over prijsafspraken en vertragingen, kan men niet redelijkerwijze aannemen dat ze alsnog stilzwijgend de inhoud zouden aanvaarden van elkaars briefwisseling. Dergelijk stilzwijgen is niet meer omstandig, noch voor geen andere interpretatie vatbaar dan een toestemming of instemming. Een aanvaarding van een aanbod vereist de uitdrukking in te stemmen met het aanbod, zonder aanvullingen, beperkingen of andere wijzigingen van essentiële of substantiële bestanddelen. Een bepaling in de contracttekst dat de overeenkomst van toepassing is zonder ondertekening, bewijst op zich geen toestemming. De totstandkoming van de (onder)aannemingsovereenkomst vereist een toestemming van de partijen over de uit te voeren werken en een prijs, waarbij die prijs ook later kan worden bepaald. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Totstandkoming overeenkomst Vrije woorden: Totstandkoming van het contract, bewijs van het contract, stilzwijgende aanvaarding, totstandkoming van het aannemingscontract Fiche 2 De prijsbepaling in regie is slechts van toepassing indien de partijen dat overeenkomen. Wanneer er enkel een overeenkomst is dat er een prijs verschuldigd zal zijn, maar geen uitdrukkelijke overeenkomst over die prijs of de prijsbepaling, worden de partijen bij een (onder)aannemingsovereenkomst vermoed de prijsbepaling op voorhand achterwege te laten en beroep te doen op de prijsbepaling door partijbeslissing. De prijs wordt dan in eerste instantie door de (onder)aannemer bepaald, rekening houdend met de door hem nuttig gedane uitgaven en bestede uren, de aangekochte materialen, de kost van de derden op wie hij een beroep deed en het materieel, de waarde van de werken op zich, maar ook de subjectieve waarde voor de opdrachtgever (hoofdaannemer), en de door hem gewoonlijk aangerekende prijzen. De (onder)aannemer moet die bevoegdheid van prijsbepaling te goeder trouw uitvoeren, onder meer door de opdrachtgever (hoofdaannemer) op de hoogte te houden, en met een controlemogelijkheid voor de rechter: de opdrachtgever (hoofdaannemer) kan de afrekening betwisten indien hij kan aantonen dat de afrekening kennelijk onredelijk of onjuist is. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Bouwrecht - Aanneming - Soorten Vrije woorden: Prijsbepaling aanneming, prijs in regie, prijs in vrije rekening, partijbeslissing Fiche 3 In beginsel en bij gebreke aan een afwijkende wettelijke bepaling, is de prijs voor de werken maar opeisbaar na de voltooiing ervan. Dit kan anders worden bepaald in een overeenkomst of door de gebruiken. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Bouwrecht - Aanneming Vrije woorden: Prijsbepaling aanneming, betaling van de prijs, betalingstermijn, opeisbaarheid Fiche 4 Voor een buitengerechtelijke ontbinding (onder het oude verbintenissenrecht), dient er aan bepaalde voorwaarden te zijn voldaan. De partij die zich erop beroept moet een aan de schuldenaar toerekenbare tekortkoming kunnen bewijzen die voldoende ernstig is om ook de gerechtelijke ontbinding te rechtvaardigen. De schuldeiser moet de schuldenaar in beginsel in gebreke hebben gesteld en daarbij hebben gewezen op zijn tekortkomingen. Als toepassing van de goede trouw bij de uitvoering van de overeenkomst moet die aanmaning een (laatste) termijn verlenen voor uitvoering of herstel. Uitzonderlijk zou er geen ingebrekestelling vereist zijn indien zou vaststaan dat de schuldenaar de verbintenis niet meer kan of niet meer wil nakomen of wanneer de nakoming definitief niet meer kan plaatsvinden. Ten slotte moet de schuldeiser ook een kennisgeving hebben gericht aan de schuldenaar waarin hij zijn ontbindingswil kenbaar maakt. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Ontbinding Vrije woorden: Ontbindende voorwaarde, buitengerechtelijke ontbinding, ontbinding op kennisgeving Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1184 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Fiche 5 De onterechte schorsing van de werken is een aan de (onder)aannemer toerekenbare niet-nakoming van de (onder)aannemingsovereenkomst. Aangezien dit een kernverbintenis is, de schorsing opzettelijk was en het project een overheidsopdracht voor een school betrof, waarbij de onrechtmatige schorsing gebeurde in de zomer voorafgaand aan de start van het nieuwe schooljaar, was die schorsing voldoende ernstig om een ontbinding van de overeenkomst te verantwoorden (art. 1184 oud BW). UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Ontbinding Vrije woorden: Ontbindende voorwaarde, buitengerechtelijke ontbinding, ernstige fout, opzettelijke fout Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1184 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Fiche 6 De uitvoering te goeder trouw van de overeenkomst veronderstelt bij de toepassing van een niet-uitvoeringsexceptie een evenredigheid tussen de opgeschorte verbintenis en de wanprestatie van de schuldenaar die de grondslag vormt van de opschorting. De schorsing van de werken op de betrokken werf was in deze zaak onevenredig met de eerder beperkte bedragen van de facturen die openstonden voor de andere werven. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Exceptie van niet uitvoering Vrije woorden: Niet-uitvoeringsexceptie, goede trouw, evenredigheid, proportionaliteit Fiche 7 De ontbinding van een overeenkomst heeft onder meer de twee volgende gevolgen. De ontbinding heeft, in beginsel, ‘ex tunc' uitwerking en heeft tot gevolg dat de partijen opnieuw in dezelfde toestand moeten worden geplaatst als die waarin zij zich zouden hebben bevonden indien zij niet hadden gecontracteerd. De ontbonden overeenkomst kan voor hen geen grondslag van rechten of verplichtingen zijn. Uit het feit van die ontbinding met terugwerkende kracht vloeien restitutieverbintenissen voort. Een tweede mogelijk gevolg is een recht op schadevergoeding ten gevolge van de ontbinding en de contractuele niet-nakoming die eraan ten grondslag ligt (art. 1184, tweede lid, oud BW). Die schadevergoeding beoogt de schuldeiser te verplaatsen naar de toestand waarin hij zou hebben verkeerd indien de overeenkomst zou zijn uitgevoerd en is te onderscheiden van de restitutieverbintenis. Het ene sluit het andere niet uit, terwijl de schuldeiser door de samenwerking van de gevolgen van de ontbinding en de schadevergoeding niet in een betere positie terecht kan komen ten gevolge van de niet-nakoming en de ontbinding dan wanneer de overeenkomst zou zijn uitgevoerd. Wanneer de overeenkomst opvolgende verbintenissen inhield van uitvoering van werken en betalingen, en dit voor een aanzienlijk deel is uitgevoerd, wanneer het volledig doen terugdraaien van de overeenkomst in feite zeer moeilijk is en onwenselijk zou zijn, en wanneer de partijen ook niet aantonen dat de uitgevoerde werken nutteloos of waardeloos waren, kan de terugwerking van de ontbinding worden gematigd. De matiging kan bestaan in (

  1. i)het toekennen van de onderaannemingsprijs voor de daadwerkelijk uitgevoerde en geleverde werken, en (
  2. ii)het toekennen van een vergoeding voor de schade wegens de vastgestelde niet-nakomingen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Ontbinding Vrije woorden: Ontbindende voorwaarde, buitengerechtelijke ontbinding, gevolgen van de ontbinding, restitutie, matiging Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1184 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Tekst van de beslissing Ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen Vonnis Veertiende kamer NV ALGEMENE AANNEMINGEN A, TEGEN BV STAALWERKEN B, I. SITUERING VAN HET GESCHIL Hoofdaannemer Algemene Aannemingen A spreekt onderaannemer staalwerk Staalwerken B aan over het project rond basisschool X, naar aanleiding van een vermeende ontbinding en aan Staalwerken B verweten tekortkomingen. Staalwerken B spreekt Algemene Aannemingen A aan in betaling van facturen voor dezelfde werf en een werf Y. [gepseudonimiseerd] II. PROCEDUREVERLOOP Algemene Aannemingen A heeft het geding ingeleid bij dagvaarding betekend op 31 maart 2023. De zaak werd in beraad genomen op de openbare zitting van 23 mei 2024 nadat de raadslieden van de partijen op die zitting werden gehoord. De rechtbank hield rekening met de neergelegde syntheseconclusies en stukken. In deze procedure werd de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken nageleefd. III. EISEN Met de hoofdeis eist Algemene Aannemingen A de veroordeling van Staalwerken B tot betaling van 12.235,63 euro (excl. btw), te vermeerderen met een gerechtelijke interest, ondergeschikt te compenseren met de tegeneisen. Algemene Aannemingen A vraagt de afwijzing van de tegeneis als onontvankelijk en minstens ongegrond, en de veroordeling van Staalwerken B tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 3.750,00 euro. Staalwerken B vraagt de afwijzing van de hoofdeis als ongegrond met de veroordeling van de eiser op hoofdeis tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 3.750,00 euro. Ze stelt een tegeneis in opdat Algemene Aannemingen A zou worden veroordeeld tot betaling van 493,75 euro, 9.000,00 euro en 4.455,00 euro, telkens te vermeerderen met een schadebeding van 10% en met een verwijlinterest aan een rentevoet van 10% per jaar vanaf 24 maart, 1 juli resp. 5 augustus 2022, en van 2.847,52 euro te vermeerderen met een vergoedende interest sinds 22 juli 2022. Ze vraagt dat de beslissing uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. IV. BEOORDELING A. TOEPASSELIJKE OVEREENKOMST EN VOORWAARDEN 1. Hoofdaannemer Algemene Aannemingen A spreekt onderaannemer staalwerk Staalwerken B aan over het project rond basisschool Y (overheidsopdracht). Algemene Aannemingen A meent dat de overeenkomst die ze op 30 maart 2022 aan Staalwerken B overmaakte, de onderaannemingsovereenkomst is die tot stand was gekomen en van toepassing is op de betwisting. Ze maakte die aan Staalwerken B over na ontvangst op 27 februari 2022 van de offerte van Staalwerken B. Op 5 april 2022 zou Staalwerken B de ontvangst van de overeenkomst van 30 maart 2022 hebben bevestigd. 2. Staalwerken B verwijst naar haar algemene voorwaarden en naar haar offerte van 27 februari 2022 die binnen een termijn tot 25 maart moest worden aanvaard maar nooit zou zijn aanvaard. Volgens haar is enkel het “algemene aannemingsrecht” van toepassing met een prijs in vrije rekening en prijsbepaling bij partijbeslissing, waarbij ze de uitgevoerde uren aan regietarief zou kunnen doorrekenen en de materialen aan materiaalkost. 3. De partijen leggen geen schriftelijke en ondertekende overeenkomst voor. De rechtbank moet aan de hand van de neergelegde bewijsstukken de wil van de partijen achterhalen, in overeenstemming met de toepasselijke bewijsregels. Tussen ondernemingen is het bewijs vrij, ook wat betreft de toestemming van de partijen bij een overeenkomst. De vrijwillige uitvoering van de overeenkomst door de partijen kan wijzen op de stilzwijgende toestemming ermee van hen beiden. Zo kan een buitengerechtelijke bekentenis voortvloeien uit het gedrag van één van de partijen, zoals de uitvoering van een contract, en kan de rechtbank rekening houden met de briefwisseling tussen de partijen. De totstandkoming van de onderaannemingsovereenkomst vereist een toestemming van de partijen over de uit te voeren werken en een prijs, waarbij die prijs ook later kan worden bepaald. De rechtbank stelt het volgende vast: - Algemene Aannemingen A verzocht op 6 december 2021 aan Staalwerken B om een offerte voor het staalwerk project X (stuk Staalwerken B, nr. 4). Ze verzond daarbij ook de meetstaat, de plannen en het lastenboek mee, aangevuld per e-mail van 10 december 2021. - Algemene Aannemingen A vroeg aan Staalwerken B of ze de offerte al kon opstellen per e-mails van 20 januari en 7 en 14 februari 2022 (stukken Staalwerken B, nr. 9, 10 en 12). - Algemene Aannemingen A deelde per e-mail van 22 februari 2022 aan Staalwerken B het budget mee voor de drie posten waaruit de werken zouden bestaan van samen 5.900,65 euro: post 91.73a aan 2.712,00 euro, post 91.73b aan 2.221,15 euro en post 91.73c aan 967,50 euro (stuk Staalwerken B, nr. 14). - Staalwerken B e-mailde op 27 februari 2022 haar offerte met referte 2022080 gedateerd 25 februari 2022 en vervaldag 25 maart 2022 (stuk Algemene Aannemingen A, nr. 1; stuk Staalwerken B, nr. 15). De bijgevoegde meetstaat vermeldde de drie posten 91.73a, b en c en de totaalprijs van 5.900,65 euro excl. btw. - Algemene Aannemingen A e-mailde Staalwerken B op 30 maart 2022 “ons onderaannemingscontract” met de vraag om de tekst ondertekend terug te bezorgen (stuk Algemene Aannemingen A, nr. 2). De bijlage was de namens Algemene Aannemingen A ondertekende contracttekst, met vier bijhorende bijlagen, onder meer de prijssamenstelling van 5.900,65 euro volgens de drie bestekartikels 91.73a, b en c. - Algemene Aannemingen A verzocht Staalwerken B op 5 april 2022 om 8u59 om de technische fiches en een exacte planningsdatum, waarbij Algemene Aannemingen A zelf de week van 18 april 2022 had voorzien (stuk Staalwerken B, nr. 16). - Staalwerken B antwoordde op 5 april 2022 om 9u44 dat ze de overeenkomst nog moest bekijken en maakte al een opmerking over de vertragingsboete van 750,00 euro per dag (stuk Staalwerken B, nr. 17). De verzender meldde dat hij dit met een collega moest bespreken en dat hij de week erna in het buitenland zou zitten. Algemene Aannemingen A antwoordde de dag zelf nog dat ze een contract moest hebben omdat het een overheidsopdracht was, dat ze elkaars werkwijze goed kende en dat dat goed verliep, en vroeg Staalwerken B om het dringend te bekijken zodat dit kon worden ingepland “vlak na de vakantie” (stuk Staalwerken B, nr. 18). - Algemene Aannemingen A verzocht Staalwerken B op 28 april en 9 en 19 mei 2022 om technische fiches te bezorgen “nu alles duidelijk / besteld is” (stuk Algemene Aannemingen A, nr. 3; stukken Staalwerken B, nr. 19 en 20). - Algemene Aannemingen A stelde per e-mail van 11 mei 2022 enkele vragen aan de architect van het project over de fietsenstalling die Staalwerken B diende te bouwen. De architect bezorgde een aangepast plan op 16 mei 2022 aan Algemene Aannemingen A (stuk Staalwerken B, nr. 26, bijlage). - Staalwerken B e-mailde op 21 mei 2022 aan Algemene Aannemingen A dat ze ‘daaraan’ onmogelijk kan starten en dat ze meer informatie nodig had, en dat ze de werken niet voor minder dan 10.000,00 euro zou kunnen uitvoeren, wat maar de materiaalkost zou zijn (stuk Staalwerken B, nr. 23). - De partijen belden elkaar op 23 mei 2022. Staalwerken B e-mailde Algemene Aannemingen A op 23 mei 2022 met een verwijzing naar dat gesprek en een afspraak dat Algemene Aannemingen A haar een degelijke constructietekening zou bezorgen, en de melding dat niet alle maten en verbindingen duidelijk zouden zijn. Ze vroeg ook een complete materiaallijst en constructietekening. Algemene Aannemingen A antwoordde daarop dat ze dit aan de architect had ge-e-maild (stuk Staalwerken B, nr. 25), wat ze op 23 mei 2022 had gedaan (stuk Staalwerken B, nr. 26). De architect antwoordde diezelfde dag dat het reeds overgemaakte plan voldoende zou moeten zijn voor de aannemer om op voort te werken: de aannemer dient uitvoeringstekeningen te maken, niet de ontwerper (stuk Staalwerken B, nr. 26). - De partijen belden elkaar op 27 mei 2022. Algemene Aannemingen A e-mailde Staalwerken B op 30 mei 2022 met de melding dat ze zouden hebben besproken dat Staalwerken B de nodig tekeningen / schetsen zouden bezorgen aan Algemene Aannemingen A voor overhandiging aan de architect en de opdrachtgever (stuk Algemene Aannemingen A, nr. 4; stuk Staalwerken B, nr. 27). Algemene Aannemingen A wees op de geplande oplevering met de opdrachtgever op 9 juni 2022, waarbij enkel de “invulling van de bij u bestelde werken” nog zouden resteren. Staalwerken B antwoordde op 30 mei 2022 dat ze geen tekeningen maakt en dat die van Algemene Aannemingen A moeten komen, en dat er steeds wisselende ontwerpinstructies zouden komen van Algemene Aannemingen A (stuk Staalwerken B, nr. 28). Staalwerken B kondigde daarbij aan dat ze ‘gaat passen’ voor dit project en dat de planning en het budget niet haalbaar zijn. - De partijen belden elkaar opnieuw op 30 mei 2022. Algemene Aannemingen A e-mailde Staalwerken B op 30 mei 2022 met de melding dat zij voor de tekeningen zou instaan op haar kosten, op basis waarvan zal kunnen worden voortgewerkt met het materiaal dat bij Staalwerken B zou klaarliggen voor verwerking (stuk Algemene Aannemingen A, nr. 4; stuk Staalwerken B, nr. 29). Op 31 mei 2022 antwoordde Staalwerken B dat haar tekenaar de tekeningen de dag erna klaar zou hebben en dat ze Algemene Aannemingen A daarover op de hoogte zal houden (stuk Staalwerken B, nr. 30). - Algemene Aannemingen A verzocht Staalwerken B per e-mail van 2 juni 2022 om “alle” technische fiches van de te verbruiken materialen (stuk Algemene Aannemingen A, nr. 3). - Staalwerken B maakte op 2 juni 2022 een voorsteltekening over aan Algemene Aannemingen A ter goedkeuring voor de fietsenstalling, poort en hekwerk, met de mededeling dat de werken zijn aangevat volgens de constructietekening (stukken Staalwerken B, nr. 36 en 37). Algemene Aannemingen A antwoordde op 2 juni 2022 dat het in orde was voor de architect, met een enkele opmerking (stuk Staalwerken B, nr. 38). - Algemene Aannemingen A vroeg Staalwerken B op 7 juni 2022 of ze een plaatsingsdatum had ingepland (stuk Staalwerken B, nr. 39). Op 7 juni 2022 antwoordde Staalwerken B dat het haar bedoeling was om de constructie die week nog te laten galvaniseren (stuk Staalwerken B, nr. 40). Ze deelde toen ook mee dat de prijs al boven het budget zat, en dat ze de prijs had opgevraagd voor houten latten volgens de eerdere opmerking van Algemene Aannemingen A op de tekening. - Staalwerken B deelde op 13 juni 2022 mee dat ze vanaf 21 juni 2022 ter plaatse zouden kunnen monteren na de galvanisatie, maar dat er een leveringstermijn was van drie weken voor de dakplaten (stuk Staalwerken B, nr. 41). - Staalwerken B e-mailde op 16 juni 2022 met een “complete kostenraming” voor het project basisschool X (stuk Algemene Aannemingen A, nr. 5; stuk Staalwerken B, nr. 42). Die kostenraming bedroeg 22.891,67 euro: 10.126,67 euro aan materialen, 11.400,00 euro aan uren en 1.365,00 euro tekenwerk. Ze vroeg de bevestiging van Algemene Aannemingen A daarmee “alvorens de plaatsing”, waarbij ze opmerkte dat de eerdere kostenraming van Algemene Aannemingen A te laag was en niet eens de materiaalkost zou kunnen dekken. - De raadslieden van Algemene Aannemingen A schreven Staalwerken B aan per e-mail en brief van 16 juni 2022 (stuk Algemene Aannemingen A, nr. 6; stuk Staalwerken B, nr. 43). Ze verwezen naar de overeenkomst van 30 maart 2022 voor een vaste en niet-herzienbare prijs van 5.900,65 euro, met een meerprijs van 1.824,25 euro voor houten regelwerk, 2.250 euro voor 16 fietsbeugels en extra tekenwerk aan 65,00 euro per uur, wat de totale prijs inclusief meerwerken zou brengen op 11.339,90 euro. De werken van Staalwerken B zouden de enige werken zijn die een oplevering zouden tegenhouden, gepland op 24 juni 2022. Ze verzocht Staalwerken B om de dag erna voor 12u00 te bevestigen dat ze die planning en prijs zou naleven. - Staalwerken B verzond op 17 juni 2022 om 10u04 een verduidelijking van de prijssamenstelling wat de materialen betrof: gevelplaat, kleine materialen, scharnieren, staalwerk, galvanisatie, fietsenrek, bakgoot, hout en dakplaten (stuk Algemene Aannemingen A, nr. 8; stuk Staalwerken B, nr. 45). - Algemene Aannemingen A stelde per e-mail van 17 juni 2022 een prijs voor van 15.000,00 euro (stuk Algemene Aannemingen A, nr. 8). - Staalwerken B deelde op 20 juni 2022 mee dat de materiaalkost en het tekenwerk hetzelfde waren, en dat er tot dan voor 4.212,00 euro aan uren gewerkt was (81 uren aan 52,00 euro per uur) met een totaal tot dan van 15.703,67 euro (stuk Algemene Aannemingen A, nr. 9; stuk Staalwerken B, nr. 47). Ze raamde de afwerkingskosten op 90u (4.680,00 euro). Ze zou kunnen instemmen met 20.000,00 euro. Ze wees op openstaande facturen. Ze zou de werken te X terug opstarten indien Algemene Aannemingen A 15.000,00 euro zou betalen van een factuur van 20.000,00 euro, met 5.000,00 euro erna, en na betaling van de overige openstaande facturen. - Algemene Aannemingen A antwoordde op 20 juni 2022 (stuk Staalwerken B, nr. 48). Ze stelde voor om 5.000,00 euro te verrekenen bij volgende bestellingen, met een prijs voor dit project van 15.000,00 euro zoals eerder al voorgesteld. Staalwerken B stemde daarmee niet in per e-mail van 20 juni 2022, met herhaling dat ze eerst een voorschot wilde van 15.000,00 euro en dat ze erna nog werken zal factureren aan regietarief (stuk Algemene Aannemingen A, nr. 10; stuk Staalwerken B, nr. 50). - Algemene Aannemingen A stelde op 20 juni 2022 voor om de werken te doen starten op 21 juni, betaling van een op 22 juni 2022 te ontvangen voorschotfactuur van 6.000,00 euro na ontvangst, oplevering van de werken op 24 juni 2022, en betaling van een saldofactuur van 9.000,00 euro na oplevering (stuk Algemene Aannemingen A, nr. 11; stuk Staalwerken B, nr. 51). - Staalwerken B e-mailde op 20 juni 2022 een telefonisch bereikte consensus van de start van de werken op 21 juni 2022, de betaling op 22 juni 2022 van de voorschotfactuur van 6.000,00 euro, de betaling van 9.000,00 euro in week 26 en de verwerking van 5.000,00 euro op andere projecten (stuk Staalwerken B, nr. 52). - Algemene Aannemingen A betaalde op 22 juni 2022 6.000,00 euro aan Staalwerken B (stuk Algemene Aannemingen A, nr. 12; stuk Staalwerken B, nr. 54, bijlage). - Staalwerken B factureerde 9.000,00 euro btw verlegd op 29 juni 2022 met de vermelding “2e voorschotfactuur op project X” met vervaldatum 1 juli 2022. - Algemene Aannemingen A antwoordde op 29 juni 2022 op de e-mail met de factuur dat er pas 9.000,00 euro zou worden betaald na “het volledig afwerken van het geheel en oplevering met de klant” (stuk Algemene Aannemingen A, nr. 13; stuk Staalwerken B, nr. 57). Staalwerken B e-mailde op 29 juni 2022 dat er niet zou zijn afgesproken dat de factuur pas de week erna zou worden betaald: alle openstaande facturen zouden die week nog worden betaald en alle andere openstaande uren zullen worden verrekend na oplevering (stuk Staalwerken B, nr. 60). - Staalwerken B e-mailde op 6 juli 2022 dat ze de openstaande punten zou verwerken (stuk Staalwerken B, nr. 63). Ze e-mailde op 18 juli 2022 dat de architect maar enkele opmerkingen zou hebben op haar werken en dat ze die direct zou hebben weggewerkt, waardoor ze om de betaling vroeg van 9.000,00 euro en van de resterende 121u werken aan 6.655,00 euro (stuk Staalwerken B, nr. 64). Ze zou het fietsenrek plaatsen zodra aan haar geleverd, waarvoor een bedrag van 2.000,00 euro voorlopig in mindering zou komen van de 6.655,00 euro aan werkuren. Ze vroeg een bevestiging van Algemene Aannemingen A daarvan voor 22 augustus 2022. - Algemene Aannemingen A antwoordde op 20 juli 2022 dat haar medewerkers met vakantie waren voor het zomerbouwverlof, dat de werken niet voltooid zijn zonder fietsenrek en dat er al een afspraak tot stand was gekomen op 20 juni 2022 waardoor een facturatie zal worden geprotesteerd (stuk Staalwerken B, nr. 65). - Staalwerken B e-mailde op 27 juli 2022 een overzicht van openstaande facturen, onder meer nr. 20220072 (stuk Staalwerken B, nr. 66). Ze zou eerst de openstaande facturen betaald willen hebben voorafgaand aan de plaatsing van het fietsenrek. - Eveneens op 27 juli 2022 e-mailde Staalwerken B haar factuur van dezelfde datum van 4.455,00 euro btw verlegd voor “3e voorschotfactuur” (stuk Staalwerken B, nr. 67). Algemene Aannemingen A protesteerde die factuur in haar antwoord van 28 juli 2022 en meldde dat haar overeenkomst van 30 maart 2022 van toepassing was (stuk Staalwerken B, nr. 68). Ze wees op de latere overeenkomst van 20 juni 2022 dat Staalwerken B de werken zou hervatten op 21 juni 2022, op 22 juni 6.000,00 euro zou factureren die aansluitend zou worden betaald, en op 24 juni 2022 de werken zou voltooien en opleveren waarna Algemene Aannemingen A 9.000,00 euro zou betalen. Ze stelde Staalwerken B in gebreke om ten laatste 5 augustus 2022 de openstaande punten van de voorlopige oplevering (met de opdrachtgever) weg te werken. - De stad X e-mailde Algemene Aannemingen A op 9 augustus 2022 het proces-verbaal van voorlopige oplevering van 7 juli 2022 (stuk Algemene Aannemingen A, nr. 14; stuk Staalwerken B, nr. 70, bijlagen). - De raadsman van Algemene Aannemingen A stelde Staalwerken B in gebreke per brief en e-mail van 10 augustus 2022 (16u40) voor het niet oplossen van de opmerkingen van voorlopige oplevering (stuk Algemene Aannemingen A, nr. 15; stuk Staalwerken B, nr. 70). Ze maande Staalwerken B aan om de werken te hervatten binnen 24u na de ontvangst van die brief en te voltooien ten laatste op 22 augustus 2022, en om te bevestigen op 11 augustus 2022 om 10u00 dat ze dit ook zo zou doen, met een voorbehoud voor gerechtelijke stappen en een buitengerechtelijke vervanging. De rechtbank stelt vast dat er een aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen, maar stelt geen akkoord vast over de offerte van Staalwerken B noch over het voorstel van contracttekst van Algemene Aannemingen A. Dat er een overeenkomst tot stand is gekomen, wordt voldoende aangetoond door de gedeeltelijke uitvoering door de beide partijen: de gedeeltelijke uitvoering en levering van werken door onderaannemer Staalwerken B en de gedeeltelijke betaling door Algemene Aannemingen A. Met de offerteaanvraag verzocht Algemene Aannemingen A om een contractsaanbod. De offerte van de kandidaat-onderaannemer was dergelijk aanbod. Een aanvaarding van een aanbod vereiste ook onder het toen van toepassing zijnde verbintenissenrecht de uitdrukking in te stemmen met het aanbod, zonder aanvullingen, beperkingen of andere wijzigingen van essentiële of substantiële bestanddelen. De offerte van 25 februari 2022 van Staalwerken B had 25 maart 2022 als einddatum voor het aanbod, maar werd nooit zonder bijkomende voorwaarden aanvaard door Algemene Aannemingen A, wat bovendien door geen enkele partij wordt beweerd. De contracttekst van 30 maart 2022 werd ge-e-maild met de uitdrukkelijke vraag om ze ondertekend terug te bezorgen. Die tekst had veel meer voorwaarden en verbintenissen dan vermeld in de offerteaanvraag van Algemene Aannemingen A of in de offerte van Staalwerken B, zonder dat Algemene Aannemingen A aantoont dat die bijkomende voorwaarden substantieel waren en noodzakelijk voor de totstandkoming van de onderaannemingsovereenkomst. Ondanks de vraag van Algemene Aannemingen A om de contracttekst ondertekend terug te sturen, heeft Staalwerken B dat nooit gedaan. Nochtans beklemtoonde Algemene Aannemingen A zelf per e-mail van 5 april 2022 dat een ondertekende tekst van belang was omdat het een overheidsopdracht was. Niettemin liet Algemene Aannemingen A Staalwerken B de productie aanvatten en de werken en leveringen uitvoeren zonder ondertekende overeenkomst, en betaalde ze al een deel van de prijs. Op basis van die elementen besluit de rechtbank dat Algemene Aannemingen A niet bewijst dat er een akkoord tot stand is gekomen dat haar contracttekst van 30 maart 2022 van toepassing is op de onderaannemingsovereenkomst. Algemene Aannemingen A verwijst tevergeefs naar de e-mail van 5 april 2022. Staalwerken B bevestigde per e-mail van 5 april 2022 enkel de ontvangst van de overeenkomst, maar geenszins haar akkoord daarmee: ze meldde zelfs uitdrukkelijk dat ze de tekst nog verder moest bekijken en maakte al een opmerking over de vertragingsboete. Ze verwijst ook tevergeefs naar de bepaling in de contracttekst dat ze van toepassing is zonder ondertekening (art. 1.14). Vooreerst bewijst ze geen toestemming van Staalwerken B bij dat artikel. Bovendien is die bepaling tegenstrijdig: enerzijds bepaalt ze dat de overeenkomst “pas beschouwd” wordt als “definitief gesloten na ondertekening” ten laatste op 8 april 2022, en anderzijds bepaalt ze dat de overeenkomst ook “definitief als aanvaard beschouwd” wordt door de “leverancier” bij het ontbreken van een ondertekend exemplaar na die datum. Het gebrek aan ondertekening heeft de contracttekst des te minder van toepassing gemaakt doordat Algemene Aannemingen A ook uitdrukkelijk om die ondertekening verzocht per e-mail van 30 maart 2022. Ook de latere verwijzingen naar die contracttekst doen ze niet van toepassing worden. Wanneer partijen reeds weken in een verhitte discussie zijn over prijsafspraken en vertragingen, kan men niet redelijkerwijze aannemen dat ze alsnog stilzwijgend de inhoud zouden aanvaarden van elkaars briefwisseling. Dergelijk stilzwijgen is niet meer omstandig, noch voor geen andere interpretatie vatbaar dan een toestemming of instemming. Daarom stelt de rechtbank ook geen toestemming van de beide partijen vast met de latere voorstellen tot regeling in de maanden juni-juli-augustus 2022. Staalwerken B e-mailde een “consensus” op 20 juni 2022 en Algemene Aannemingen A e-mailde haar interpretatie daarvan op 29 juni 2022. Die beide verwoordingen verschilden, onder meer wat de saldoprijs betreft – en dus het geheel van de prijs –, de overige facturen en de vereiste van een oplevering met de eindopdrachtgever (stad X). Terecht stelt Staalwerken B dat de onderaannemingsovereenkomst wordt beheerst door de bepalingen inzake aanneming van werk en het algemene verbintenissenrecht. Ze besluit daaruit echter foutief dat er hierdoor een aanneming is tot stand gekomen met een prijs in regie. De prijsbepaling in regie is slechts van toepassing indien de partijen dat overeenkomen, wat niet wordt bewezen. Wanneer er enkel een overeenkomst is dat er een prijs verschuldigd zal zijn, maar geen uitdrukkelijke overeenkomst over die prijs of prijsbepaling, worden de partijen bij een onderaannemingsovereenkomst vermoed de prijsbepaling op voorhand achterwege te laten en beroep te doen op de prijsbepaling door partijbeslissing. [voetnoot 1] De prijs wordt dan in eerste instantie door de onderaannemer bepaald, rekening houdend met de door hem nuttig gedane uitgaven en bestede uren, de aangekochte materialen, de kost van de derden op wie hij een beroep deed en het materieel, de waarde van de werken op zich, maar ook de subjectieve waarde voor de hoofdaannemer, en de door hem gewoonlijk aangerekende prijzen. De onderaannemer moet die bevoegdheid van prijsbepaling te goeder trouw uitvoeren, onder meer door de hoofdaannemer op de hoogte te houden, en met een controlemogelijkheid voor de rechter: de hoofdaannemer kan de afrekening betwisten indien hij kan aantonen dat de afrekening kennelijk onredelijk of onjuist is. Staalwerken B veronderstelt ook ten onrechte dat ze bij gebreke aan andersluidend akkoord recht zou hebben op voorschotten op de onderaannemingsprijs. In beginsel en bij gebreke aan een afwijkende wettelijke bepaling, is de prijs voor de werken immers maar opeisbaar na de voltooiing ervan. [voetnoot 2] Dit kan anders worden bepaald in een overeenkomst of door de gebruiken, maar Staalwerken B toont niet aan dat er een akkoord was over de betaling van andere voorschotten dan wat Algemene Aannemingen A reeds betaalde. B. BUITENGERECHTELIJKE ONTBINDING EN AANSPRAKELIJKHEID 4. Hoofdaannemer Algemene Aannemingen A spreekt onderaannemer Staalwerken B aan op basis van verweten fouten in de uitvoering van de opdracht. Ze verwijt de onderaannemer: ontbreken van technische fiches, laattijdige melding dat ze geen tekeningen zou maken, een eenzijdige en onrechtmatige prijsaanpassing gevolgd door een staking van de werken zonder waarschuwing, en gebreken in de werken waarvan ze een herstel zou hebben geweigerd. Na een finale ingebrekestelling door Algemene Aannemingen A van 15 november 2022 en het antwoord van Staalwerken B van 18 november 2022 dat die geen werken zou uitvoeren of herstellen, zou Algemene Aannemingen A de overeenkomst hebben kunnen doen ontbinden. 5. Staalwerken B betwist de verweten fouten. Er zou geen prijs zijn overeengekomen: er was geen akkoord over de door Algemene Aannemingen A verzonden aannemingsovereenkomst, en Algemene Aannemingen A zou de offerte van Staalwerken B evenmin hebben aanvaard. Staalwerken B zou op 7 juni 2022 de prijsstijging van houten latten hebben medegedeeld, waarna Algemene Aannemingen A haar zou hebben aangemaand op 16 juni 2022 om te bevestigen dat ze het werk aan een lagere prijs zou uitvoeren. De mededeling van de prijsstijging zou geen fout zijn. Staalwerken B zou Algemene Aannemingen A op 8 augustus 2022 hebben aangemaand in betaling van facturen voor die werf en voor de werf Y. Ze zou haar werken hebben mogen schorsen door de niet-betaling van de facturen. Algemene Aannemingen A zou haar op 6 september hebben uitgenodigd om op de werf samen te komen op 14 september, waarop Staalwerken B zou hebben geantwoord om de volgende week samen te komen. Algemene Aannemingen A nodigde Staalwerken B opnieuw uit, per e-mail van 16 september 2022 om op 21 september 2022 samen te komen, waarop Staalwerken B antwoordde dat ze enkele data wenste om erna één te prikken. Daarna zou ze pas op 15 november 2022 terug van Algemene Aannemingen A horen met een verslag van een deurwaarder van 21 september 2022 en een verslag van een expert, wat ze op 18 november 2022 zou hebben geprotesteerd. Staalwerken B wijst ook op de late uitvoering van de werken door de derde aannemer (factuur 24 januari 2023). Tijdens de werken zou ze ook op tekeningen van Algemene Aannemingen A hebben moeten wachten. 6. De partijen kwamen geen uitdrukkelijk ontbindend beding overeen. Zoals hoger vastgesteld, is de contracttekst van Algemene Aannemingen A niet van toepassing op de tot stand gekomen onderaannemingsovereenkomst. Voor een buitengerechtelijke ontbinding onder het verbintenissenrecht dat toen van toepassing was, diende er aan bepaalde voorwaarden te zijn voldaan: - De partij die zich erop beroept moet een aan de schuldenaar toerekenbare tekortkoming kunnen bewijzen die voldoende ernstig is om ook de gerechtelijke ontbinding te rechtvaardigen. - De schuldeiser moet de schuldenaar in beginsel in gebreke hebben gesteld en daarbij hebben gewezen op zijn tekortkomingen. Als toepassing van de goede trouw bij de uitvoering van de overeenkomst moet die aanmaning een (laatste) termijn verlenen voor uitvoering of herstel. Uitzonderlijk zou er geen ingebrekestelling vereist zijn indien zou vaststaan dat de schuldenaar de verbintenis niet meer kan of niet meer wil nakomen of wanneer de nakoming definitief niet meer kan plaatsvinden. - Ten slotte moet de schuldeiser ook een kennisgeving hebben gericht aan de schuldenaar waarin hij zijn ontbindingswil kenbaar maakt. De rechtbank stelt het volgende vast over de uitvoering en het einde van de onderaannemingsovereenkomst: - Algemene Aannemingen A nodigde Staalwerken B uit per e-mail van 6 september 2022 18u54 voor een rondgang op de werf op 14 september 2022 voor de vaststelling van de openstaande punten in aanwezigheid van een gerechtsdeurwaarder, met de vermelding dat de vaststellingen zullen worden geacht tegensprekelijk te zijn (stuk Algemene Aannemingen A, nr. 18; stuk Staalwerken B, nr. 76). - Staalwerken B antwoordde op de ochtend erna op 7 september 2022 10u25 dat ze zich niet verzet tegen vaststellingen, maar dat ze (haar bestuurder E) niet “op afroep” beschikbaar is gelet op de drukte op het bedrijf (stuk Staalwerken B, nr. 77). Hij had wel nog mogelijkheden in de daaropvolgende week en vroeg voorstellen om een datum te prikken. - Algemene Aannemingen A e-mailde op vrijdag 16 september 2022 11u35 dat de rondgang zou plaatsvinden op woensdag 21 september 2022 om 14u00, wat ook voor de school waar de vaststellingen zouden moeten plaatsvinden de enige mogelijkheid zou zijn (stuk Algemene Aannemingen A, nr. 19; stuk Staalwerken B, nr. 78). - Staalwerken B antwoordde op de volgende werkdag, maandag 19 september 2022 11u08, dat het niet ernstig is om zo lang te wachten en vervolgens maar één datum eenzijdig op te leggen, en dat die datum van 21 september 2022 voor haar bestuurder E onmogelijk was (stuk Staalwerken B, nr. 80). - Algemene Aannemingen A e-mailde Staalwerken B op 15 november 2022 met de melding dat er op 21 september 2022 een tegensprekelijke rondgang had plaatsgevonden met een gerechtsdeurwaarder en een deskundige, zonder Staalwerken B, en dat er gebreken en / of uitvoeringsfouten zouden zijn vastgesteld zoals weergegeven in het proces-verbaal en het verslag als bijlagen (stukken Algemene Aannemingen A, nr. 20, 21 en 22; stuk Staalwerken B, nr. 81). De staalwerken zouden maar een waarde hebben van 3.500,00 euro en niet van 5.900,65 euro. Met verwijzing naar artikel 14 van de overeenkomst van 30 maart 2022, stelde ze Staalwerken B in gebreke om binnen 5 dagen te verhelpen aan de opmerkingen zoals bepaald door de deskundige, bij gebreke waaraan ze dit op kosten van Staalwerken B zou laten doen door een derde op 7 november 2022 zonder verdere kennisgeving, welke kosten ze op 10.000,00 euro raamde. - Staalwerken B betwistte de aanspraken van Algemene Aannemingen A in een e-mail van 18 november 2022, met verwijzing naar de eerdere briefwisseling, de periode van stilte sinds 19 september 2022 en het afgewezen verzoek van Algemene Aannemingen A in kort geding om Staalwerken B te veroordelen tot voortzetting van de werken (stuk Staalwerken B, nr. 82). Ze handhaafde haar eerder voorstel om bepaalde werken voort te zetten na betaling van de openstaande facturen en bevestiging dat de latere factuur van 2.200,00 euro zou worden betaald. - Algemene Aannemingen A verwees per e-mail van 22 november 2022 naar haar e-mail en brief van 15 november 2022, merkte op dat er geen opmerkingen waren van Staalwerken B op de vaststellingen zelf, dat ze die gebreken als aanvaard beschouwde door Staalwerken B, dat Staalwerken B er niet op inging om er zelf aan te verhelpen, en dat ze de uitvoering en herstelling door een derde aannemer zal laten doen en de kosten zal doorfactureren (stuk Staalwerken B, nr. 83). Staalwerken B betwistte dat per e-mail van 24 november 2022 (stuk Staalwerken B, nr. 84). - Algemene Aannemingen A deelde op 22 februari 2023 aan Staalwerken B een factuur van 24 januari 2023 van 8.014,40 euro mee van derde aannemer C (stukken Algemene Aannemingen A, nr. 23 en 24; stuk Staalwerken B, nr. 86). Ze verwees ook naar eigen kosten van 4.221,23 euro. Ze maande Staalwerken B aan in betaling van 12.253,63 euro. De raadsman van Staalwerken B betwistte dit per e-mail van 6 maart 2023 (stuk Staalwerken B, nr. 87). Het is vastgesteld dat onderaannemer Staalwerken B herhaaldelijk weigerde om de overeengekomen werken uit te voeren zonder de betaling van voorschotten. Staalwerken B e-mailde op 16 juni 2022 een “complete kostenraming” van 22.891,67 euro en de mededeling dat Algemene Aannemingen A dit moest bevestigen “alvorens de plaatsing” door Staalwerken B. Nadat Algemene Aannemingen A op 22 juni 2022 6.000,00 euro betaalde, e-mailde Staalwerken B op 27 juli 2022 dat Algemene Aannemingen A eerst de openstaande facturen nog moest betalen voorafgaand aan de plaatsing van het fietsenrek, onder meer de factuur van dezelfde datum van 4.455,00 euro. Hoger werd al vastgesteld dat de partijen geen andere voorschotten op de onderaannemingsprijs overeenkwamen dan die door Algemene Aannemingen A werden betaald, en dat de prijs op het einde kon worden bepaald door Staalwerken B als uitvoerder bij partijbeslissing zonder afbreuk aan de rechten van Algemene Aannemingen A in het geval van een kennelijke onredelijkheid of onjuistheid. Staalwerken B was er niet toe gerechtigd om de uitvoering en levering van de werken te schorsen in afwachting van de betaling van de niet-overeengekomen voorschotfacturen. Zelfs indien voorschotten werden overeengekomen of bedragen openstonden voor andere werven, veronderstelt de uitvoering te goeder trouw van de overeenkomst bij de toepassing van een niet-uitvoeringsexceptie een evenredigheid tussen de opgeschorte verbintenis en de wanprestatie van de schuldenaar die de grondslag vormt van de opschorting. De schorsing van de werken op de werf X was onevenredig met de eerder beperkte bedragen van de facturen die openstonden voor de andere werven. Bovendien eiste Staalwerken B telkens de betaling van een bijkomend voorschot voor de werf X, en toont ze niet aan dat ze bij de betaling van enkel de facturen voor de werf Y (en niet de werf X) de werken op de werf X zou hebben voortgezet. De schorsing van de werken door onderaannemer Staalwerken B was daarom een aan haar toerekenbare niet-nakoming van de onderaannemingsovereenkomst. Ze is daarvoor aansprakelijk. De uitvoering en plaatsing van de werken is een kernverbintenis van Staalwerken B als (onder)aannemer. Bovendien was het project een overheidsopdracht voor een school, waarbij de onrechtmatige schorsing gebeurde in de zomer voorafgaand aan de start van het nieuwe schooljaar. Daarenboven was de niet-nakoming opzettelijk: Staalwerken B was zich er volledig van bewust dat ze de voltooiing van de hoofdaannemingsopdracht tegenwerkte door de onderaanneming te schorsen. Dit maakt de niet-nakoming voldoende ernstig om een ontbinding van de overeenkomst te verantwoorden. Staalwerken B had voldoende gelegenheid gekregen om de niet-nakoming recht te zetten en werd daartoe herhaaldelijk aangemaand. De raadsman van Algemene Aannemingen A stelde Staalwerken B in gebreke per brief en e-mail van 10 augustus 2022 (16u40) voor het niet oplossen van de opmerkingen van voorlopige oplevering en maande Staalwerken B aan om de werken te hervatten. Algemene Aannemingen A maande Staalwerken B op 15 november 2022 opnieuw aan om te verhelpen aan de door haar deskundige vastgestelde opmerkingen, bij gebreke waaraan ze dit op kosten van Staalwerken B zou laten doen door een derde. Algemene Aannemingen A meldde per e-mail van 22 november 2022 dat er geen opmerkingen waren van Staalwerken B op die vaststellingen, dat die onderaannemer niet bevestigde zelf aan de opmerkingen te verhelpen, en dat ze de uitvoering en herstelling door een derde aannemer zal laten doen op kosten van Staalwerken B. Samen met de verwijzing in de brief van 15 november 2022 door Algemene Aannemingen A naar artikel 14 van haar contracttekst, wat een verwijzing was naar een artikel over het einde van het contract bij ernstige niet-nakoming, gaf Algemene Aannemingen A daarmee duidelijk en ondubbelzinnig te kennen dat ze de overeenkomst als beëindigd beschouwde wegens de aan de onderaannemer verweten fout. Ongeacht de vaststelling dat die tekst niet van toepassing is, hield dit een duidelijke verwijzing in naar de beëindiging van de overeenkomst. Algemene Aannemingen A heeft rechtmatig en zonder haar rechten te misbruiken kunnen besluiten tot de buitengerechtelijke ontbinding van de onderaannemingsovereenkomst wegens de ernstige, aan Staalwerken B toerekenbare fouten in de uitvoering van de overeenkomst. De rechtbank stelt niet vast dat Algemene Aannemingen A daarbij te weinig aandacht had voor de rechtmatige belangen van de schuldenaar. Ze maande Staalwerken B aan voor de uitvoering van werken op 10 augustus 2022 en nodige haar vervolgens tweemaal uit voor vaststellingen per e-mails van 6 en 16 september 2022. De mededeling van de verslaggeving van die vaststellingen op 15 november 2022 is niet onmiddellijk aansluitend op de rondgang, maar ook niet onredelijk laat. De gunning van de rest van de opdracht aan een derde aannemer met uitvoering en facturatie in de maand januari 2023, volgend op het winterbouwverlof, is evenmin onredelijk laat: van een hoofdaannemer kan niet redelijkerwijze worden verwacht dat die op enkele dagen tijd een derde aannemer vindt om andermans werken te voltooien. Staalwerken B was niet aanwezig bij de vaststellingen van de staat en de stand van de werken. Algemene Aannemingen A had zorgvuldiger kunnen zijn bij het plannen van de vaststellingen, maar Staalwerken B draagt de grotere verantwoordelijkheid voor haar afwezigheid. Als contractspartner te goeder trouw diende Algemene Aannemingen A er alle zorg aan te verstrekken zoals een voorzichtig en redelijk contractant om tot tegensprekelijke vaststellingen te komen. Algemene Aannemingen A had Staalwerken B tweemaal uitgenodigd, op 6 september 2022 voor vaststellingen op 14 september, en op 16 september 2022 voor vaststellingen op 21 september 2022 rekening houdend met de beschikbaarheid in de toen geopende school. Op vraag van de rechtbank bevestigde de raadsman van Staalwerken B op de zitting dat er “een vijftigtal” mensen werken bij en voor Staalwerken B en dat die op verschillende werven en sites van klanten worden ingeschakeld. Staalwerken B had voldoende redelijke mogelijkheid om zich te laten vertegenwoordigen door één van die medewerkers op de door Algemene Aannemingen A voorgestelde data. De eenvoudige weigering omdat dit niet zou passen voor de (vaste vertegenwoordiger van
  3. de)bestuurder van de onderneming, zonder zelf data op korte termijn voor te stellen en zonder toelichting waarom niemand van de andere “vijftigtal” medewerkers aanwezig kon zijn, was kennelijk onzorgvuldig van Staalwerken B. Aangezien de verslaggeving is opgesteld door een partijdeskundige na redelijke uitnodiging van de schuldenaar, en die schuldenaar door haar eigen keuze niet vertegenwoordigd was, kan die laatste zich niet tegen die vaststellingen beroepen op haar eigen onrechtmatige afwezigheid, behoudens tegenbewijs van de schuldenaar tegen die vaststellingen. Het proces-verbaal van de gerechtsdeurwaarder heeft authentieke waarde voor wat die deurwaarder zintuiglijk kon vaststellen. C. SCHADE EN GEVOLGEN VAN DE ONTBINDING 7. Algemene Aannemingen A eist een schadevergoeding van 12.235,63 euro: factuur derde aannemer C van 8.014,40 euro, factuur deskundige D van 1.994,13 euro, deurwaarderskost ingebrekestellingen en proces-verbaal van 957,63 euro, en meerwerken opvolging 1.269,47 euro. Ze vraagt ook een maximale rechtsplegingsvergoeding. 8. Staalwerken B betwist de schadebegroting. Het eerste deel van de factuur van 8.014,40 euro zou misschien met de werken te maken hebben, maar het tweede deel in geen geval. De andere kosten zouden niet zijn bewezen of niet toerekenbaar aan Staalwerken B. 9. De ontbinding van een overeenkomst heeft onder meer de twee volgende gevolgen. De ontbinding heeft, in beginsel, ‘ex tunc’ uitwerking en heeft tot gevolg dat de partijen opnieuw in dezelfde toestand moeten worden geplaatst als die waarin zij zich zouden hebben bevonden indien zij niet hadden gecontracteerd. De ontbonden overeenkomst kan voor hen geen grondslag van rechten of verplichtingen zijn. Uit het feit van die ontbinding met terugwerkende kracht vloeien restitutieverbintenissen voort. Een tweede mogelijk gevolg is een recht op schadevergoeding ten gevolge van de ontbinding en de contractuele niet-nakoming die eraan ten grondslag ligt (art. 1184, tweede lid, oud BW). Die schadevergoeding beoogt de schuldeiser te verplaatsen naar de toestand waarin hij zou hebben verkeerd indien de overeenkomst zou zijn uitgevoerd en is te onderscheiden van de restitutieverbintenis. Het ene sluit het andere niet uit, terwijl de schuldeiser door de samenwerking van de gevolgen van de ontbinding en de schadevergoeding niet in een betere positie terecht kan komen ten gevolge van de niet-nakoming en de ontbinding dan wanneer de overeenkomst zou zijn uitgevoerd. De overeenkomst hield opvolgende verbintenissen in van uitvoering van werken en betalingen, wat voor een aanzienlijk deel is uitgevoerd. De overeenkomst volledig doen terugdraaien, is in feite zeer moeilijk en zou onwenselijk zijn. De partijen tonen ook niet aan dat die uitgevoerde werken nutteloos of waardeloos waren. De terugwerking van de ontbinding wordt daarom gematigd door (
  4. i)het toekennen van de onderaannemingsprijs voor de daadwerkelijk uitgevoerde en geleverde werken, en (
  5. ii)het toekennen van een vergoeding voor de schade wegens de vastgestelde niet-nakomingen. De onderaannemingsprijs wordt hieronder verder behandeld. Algemene Aannemingen A legt een factuur voor van partijdeskundige D van 29 september 2022 van 1.994,13 euro excl. btw (2.412,89 euro incl. btw) voor de erelonen en kosten van de vaststelling van de stand en de staat van de onderaannemingswerken van Staalwerken B. De uitgave is met voldoende redelijke mate van zekerheid aangetoond. Indien de opdracht zou zijn uitgevoerd zoals overeengekomen, was er geen nood geweest aan de vaststellingen van partijdeskundige D. Het is maar door de niet-nakoming en de ontbinding en door de weigering van Staalwerken B om aanwezig te zijn, dat de tussenkomst van dergelijke derde noodzakelijk was. Bij gebreke aan die tussenkomst zou er enkel een proces-verbaal zijn van een gerechtsdeurwaarder, wat wel authentieke vaststellingen zijn, maar geen technisch bevoegde beoordeling inhoudt. Een eigen verslag van de schuldeiser zou beduidend minder bewijswaarde hebben dan een verslag van een partijdeskundige. De kost van die deskundige is daarom schade die voortkomt uit de niet-nakoming en de ontbinding. De kost is beperkt tot de hoofdsom zonder de belasting over de toegevoegde waarde, aangezien Algemene Aannemingen A belastingsplichtig is en niet aantoont dat ze die belasting niet kon recupereren, zoals ook begroot door de schuldeiser. Algemene Aannemingen A legt een factuur voor van 975,81 euro van gerechstdeurwaarder Courboin voor proces-verbaal van vaststelling op 21 september 2022 (672,51 euro), een betekening van een brief op 16 juni 2022 (285,12 euro), een dagvaarding in kort geding (303,30 euro) met de toerekening van een betaling van 672,51 euro. De uitgave is met voldoende redelijke mate van zekerheid aangetoond. Enkel de vaststellingen van 21 september 2022 voor een kost van 672,51 euro, zijn noodzakelijk gemaakt door de niet-nakoming en de ontbinding. Over de kortgedingkosten is reeds een uitspraak tussengekomen, waarbij er bovendien niet wordt aangetoond hoe die procedure waarin Algemene Aannemingen A in het ongelijk werd gesteld noodzakelijk is gemaakt door de aan Staalwerken B verweten niet-nakoming. De betekening van de brief was evenmin noodzakelijk en als schade te beschouwen: er waren zijn voldoende andere zekere communicatiemiddelen ter beschikking. Algemene Aannemingen A vraagt de vergoeding van “kosten meerwerken voor de opvolging van het Project” voor 1.269,47 euro, verwijzend naar een zelf gemaakt overzicht van eigen prestaties van 4.221,23 euro. Dit wordt niet verder toegelicht. De vermelde prestaties en kosten worden niet door stukken onderbouwd. Noch de schade noch de noodzakelijke veroorzaking door de ontbinding of fout, is bewezen. Algemene Aannemingen A legt een factuur voor van derde aannemer C van 8.014,40 euro van 24 januari 2023. De prijs die aan een derde wordt betaald na vervanging of voortijdige beëindiging van een overeenkomst, maakt niet noodzakelijk en in haar volledigheid schade uit. Wat de niet-uitgevoerde werken betreft, kan de meerkost een schade zijn, zoals de stijging van de prijs en de bijkomende kosten die vereist zijn om het werk later uit te voeren. Wat gebreken betreft in de eerder uitgevoerde werken, kunnen de herstellingskosten als schade in aanmerking komen. De gerechtsdeurwaarder stelde op 21 september 2022 het volgende vast, met verwijzing naar foto’s: - geen fietsbeugels; - de metalen steunpalen waren niet opgespoten of opgevoegd; - de metalen palen hadden geen afwateringsopeningen voor condenswater en vertoonden daar roestvorming; - de poort kon niet op slot worden gezet en er ontbrak een slagplaat; - de houten platen werden maar voorlopig ondersteund door kleine houten stutten en hangen door; - algemeen was de afwerking slordig; - de uitvoering van de dakgoot was slordig en oneffen; - de plaatsing en bevestiging van opvulplaten was gebrekkig; - de gehele uitvoering stond geknikt. De partijdeskundige stelde schade vast. Hij adviseerde de levering van fietsbeugels voor een kost van 2.250,00 euro. De poort zou niet geschikt zijn en aangepast moeten worden: er ontbrak een slaglat, de opening was verkeerd uitgelijnd en verhinderde de slotsluiting, en er ontbrak beslag. De houten wanden zouden beter moeten worden uitgelijnd en gemonteerd met voldoende ondersteuning. De volkernplaten dakrandafwerking zou gebrekkig zijn en opnieuw moeten worden uitgevoerd. Hij adviseerde een kost voor staalwerk van 3.500,00 euro (op de offerte van Staalwerken B van 5.900,65 euro) en een kost voor houten wanden van 1.824,25 euro. Zoals hoger vastgesteld, hebben de vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder authentieke waarde voor wat hij zelf kon vaststellen, en kan Staalwerken B zich niet op haar eigen onrechtmatige afwezigheid beroepen tegen de vaststellingen van de partijdeskundige. Staalwerken B geeft geen enkele concrete opmerking tegen die vaststellingen en beoordelingen en levert geen enkel tegenbewijs. Derde aannemer C rekende het volgende aan voor 8.014,40 euro, zonder nadere prijsbepaling per onderdeel: - Demonteren, vernieuwen en plaatsen volkernplaten, vastschroeven, aanmaak kader en bevestiging; inclusief materiaal (gegalvaniseerd staal); - Ondergieten paalvoeten met krimpvrije mortel; - Maken van roestvaststalen palen voor ondersteuning houten panelen; - Voorzien van gegalvaniseerde slaglat voor de dubbele poort (geschroefd); - Testen slot en uitwerken “indien nodig”; - Aankoop en plaatsing drie fietsenrekken. De onderdelen van het ondergieten van de paalvoeten, van de ondersteuning van de houten panelen, van het voorzien van de gegalvaniseerde slaglat en van de levering van de fietsenrekken, zijn werken die Staalwerken B niet had uitgevoerd. De schadevergoeding is beperkt tot de meerkost. De rest is het herstel van gebreken in de werken. Algemene Aannemingen A duidt niet welk onderdeel van de werken aan 8.014,40 euro behoren tot de schade, en welk onderdeel moet worden uitgesplitst tussen de prijs die ze even goed nog aan Staalwerken B was verschuldigd en een meerkost. Van de kost voor de fietsenrekken van 2.250,00 euro is erkend door Algemene Aannemingen A dat ze dit even goed aan Staalwerken B verschuldigd was, waardoor dat alvast geen schade uitmaakt. Aangezien de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten krijgt om het onderdeel van de oorspronkelijke prijs meer concreet en nauwkeurig te begroten, stelt ze die naar redelijkheid en billijkheid (‘ex aequo et bono’) vast op 3.000,00 euro (met inbegrip van de kost voor de fietsenrekken van 2.250,00 euro). Het saldo van 5.014,40 euro is schade die voor vergoeding in aanmerking komt. Het totaal van de schade is daardoor 7.681,04 euro (1.994,13 euro, 672,51 euro en 5.014,40 euro). 10. Algemene Aannemingen A vraagt de verhoging van de hoofdsom met een gerechtelijke interest. Wanneer een partij een gerechtelijke interest vraagt zonder verdere toelichting, is dit duidelijk een eis om naast de hoofdsom ook een vergoeding toe te kennen voor de vertraging in de betaling van de hoofdsom in de vorm van een interest vanaf het instellen van de eis, doorgaans bij dagvaarding. De vergoedende interest maakt een integrerend deel uit van de vergoeding van de schade die is veroorzaakt door een contractuele niet-nakoming. Hij vormt een aanvullende vergoeding voor de schade die voortvloeit uit de vertraging die bij de schadeloosstelling is opgelopen. Er kan geen interest worden toegekend voor een periode die het ontstaan van de schade voorafgaat. De gevraagde start bij de dagvaarding van 31 maart 2023, gaat het ontstaan van de schade niet vooraf en kan worden aangenomen als het startpunt van de interest. Om tot een zo volledig mogelijk schadeherstel te komen, loopt die interest aan de wettelijke rentevoet. D. TEGENEIS ONDERAANNEMINGSPRIJS 11. Staalwerken B spreekt hoofdaannemer Algemene Aannemingen A aan in betaling van facturen voor de werf in X (9.000,00 euro van 29 juni 2022 en 4.455,00 euro van 27 juli 2022) en voor de werf Y (saldo van 493,57 euro op een totaal van 9.871,67 euro). Staalwerken B zou Algemene Aannemingen A op 8 augustus 2022 hebben aangemaand in betaling van facturen voor de werf in X en voor de werf Y. Voor de werf in X zou ze als aannemer bij partijbeslissing de prijs zelf kunnen bepalen. Voor de werf in Y betwist Staalwerken B dat er een inhouding zou zijn overeengekomen tot aan de definitieve oplevering. 12. Algemene Aannemingen A betwist de tegeneis. De factuur van 493,57 euro van project Y zou een inhouding betreffen tot aan de definitieve oplevering, en zou nog niet verschuldigd zijn. De facturen van 9.000,00 euro en 4.455,00 euro en het bedrag van 2.847,52 euro zouden het project betreffen waarvan de overeenkomst werd ontbonden, waardoor onderaannemer Staalwerken B niet gerechtigd zou zijn op de betaling van de prijs. 13. Staalwerken B schreef de volgende facturen uit aan Algemene Aannemingen A: - factuur nr. 20220244 van 29 juni 2022 van 9.000,00 euro, btw verlegd, met de vermelding van tweede voorschotfactuur werf X; - factuur nr. 20220273 van 27 juli 2022 van 4.455,00 euro, btw verlegd, met de vermelding derde voorschotfactuur werf X; - factuur nr. 20220072 van 22 februari 2022 van 9.871,67 euro, btw verlegd, met verwijzing naar vorderingsstaat nr. 2021162-03 voor de werf Y. De onderaannemer die aanspraak maakt op de betaling van de onderaannemingsprijs voor uitgevoerde werken moet aantonen dat er hierover een overeenkomst bestaat en dat hij de werken heeft uitgevoerd, tenzij de hoofdaannemer dit niet betwist. De rechtbank behandelt de facturen hieronder per project. 14. Algemene Aannemingen A vraagt de afwijzing van de tegeneis als onontvankelijk, maar ontwikkelt daarover geen concreet verweermiddel. De rechtbank stelt geen ontoelaatbaarheid van de tegeneis vast. 15. De rechtbank besloot hoger in dit vonnis dat Staalwerken B na de ontbinding alsnog recht heeft op het deel van de onderaannemingsprijs voor de daadwerkelijk uitgevoerde en geleverde werken. Ze stelde ook al dat Staalwerken B als uitvoerende onderaannemer bij gebreke aan andersluidende overeenkomst de prijs bepaalt bij partijbeslissing, met beperkte controle door de rechtbank indien die prijs kennelijk onredelijk of onjuist is, en de uitvoering van de aangerekende werken moet aantonen indien dit betwist wordt. Staalwerken B bracht op 20 juni 2022 openstaande facturen in herinnering, waarop Algemene Aannemingen A antwoordde op 20 juni 2022 (stukken Staalwerken B, nr. 47 en 48). Staalwerken B e-mailde op 27 juli 2022 een overzicht van openstaande facturen, onder meer nr. 20220072 (stuk Staalwerken B, nr. 66). Algemene Aannemingen A e-mailde op 29 juni 2022 dat de gefactureerde 9.000,00 euro maar zou worden betaald na “het volledig afwerken van het geheel en oplevering met de klant”. Algemene Aannemingen A protesteerde op 27 juli 2022 de factuur van 27 juli 2022 van 4.455,00 euro btw verlegd en protesteerde die factuur opnieuw op 28 juli 2022. De raadsman van Staalwerken B stelde Algemene Aannemingen A in gebreke op 8 augustus 2022 voor de openstaande facturen, met een protest namens Algemene Aannemingen A op 10 augustus 2022. De facturen voor werf X van samen 13.455,00 euro werden tijdig betwist door Algemene Aannemingen A. Er is geen vermoeden van aanvaarding. Staalwerken B gaf op 16 juni 2022 de volgende prijsbepaling voor de gehele werken (22.891,67 euro): - materialen: 10.126,67 euro - werkuren: 11.400,00 euro - tekenwerk: 1.365,00 euro Staalwerken B deelde op 20 juni 2022 mee dat de materiaalkost en het tekenwerk hetzelfde waren, en dat er tot dan voor 4.212,00 euro aan uren gewerkt was (81 uren aan 52,00 euro per uur) met een totaal tot dan van 15.703,67 euro en nog een afwerking van 90u (4.680,00 euro). Hiervan werd 6.000,00 euro betaald. De facturen van samen 13.455,00 euro werden niet betaald. Uit de onderhandelingen in juni 2022 tussen de partijen blijkt dat het bedrag van 9.000,00 euro betrekking zou hebben op de voltooiing van alle toen nog voorziene werken (stukken Staalwerken B, nr. 51 en 52). Het bedrag van 4.455,00 euro is volgens Staalwerken B 6.655,00 euro aan overige openstaande werkuren

(121u)met aftrok van de niet-uitgevoerde fietsenstalling (stuk Staalwerken B, nr. 66). De werken waren nog niet voltooid. De gerechtsdeurwaarder stelde op 21 september 2022 het volgende vast, met verwijzing naar foto’s: - geen fietsbeugels; - de metalen steunpalen waren niet opgespoten of opgevoegd; - de metalen palen hadden geen afwateringsopeningen voor condenswater en vertoonden daar roestvorming; - geen slagplaat voor (het slot van) de poort; - de houten platen werden maar voorlopig ondersteund. De rechtbank stelt vast dat onderaannemer Staalwerken B niet aantoont dat ze voor 11.400,00 euro aan nuttige werkuren heeft uitgevoerd. Ze beperkt de aanspraak op de onderaannemingsprijs wat de uren betreft tot de stand van zaken op 20 juni 2022 van 81 uren, hetzij een prijs van 4.212,00 euro. De rechtbank stelt vast dat onderaannemer Staalwerken B niet aantoont dat ze naast het tekenwerk aan 1.365,00 euro en de werkuren aan 4.212,00 euro, ook nog materialen ter waarde van 10.126,67 euro heeft geleverd. Ze verstrekt daarvan geen enkel bewijs, zoals bijvoorbeeld aankoop- of leveringsbonnen. Dit wordt tegengesproken door de vaststelling van de gerechtsdeurwaarder van de stand van de werken, en door de eigen erkenning van Staalwerken B dat ze de werken schorste en niet alles leverde. Staalwerken B stelt wel terecht dat de initiële, niet-aanvaarde budgettering en offerte van 5.900,65 euro, veel te laag was. Dit blijkt al uit de vergelijking met de beperkte afwerkingen en herstellingswerken van de derde aannemer op wie Algemene Aannemingen A beroep deed en die al 8.014,40 euro kostten. Algemene Aannemingen A, die ten onrechte haar aanvankelijk budget bleef aanhouden en die ten onrechte concludeerde dat ze voor de door de onderaannemer geleverde werken en materialen niets verschuldigd was, verstrekt evenmin enige gedetailleerde waardebepaling van de geleverde materialen. Uit de vergelijking van de opdracht en de geleverde werken zoals vastgesteld door de gerechtsdeurwaarder, en bij gebreke aan enig ander nuttig bewijselement dat de partijen aan de rechtbank hebben voorgelegd, stelt de rechtbank geen geleverde materialen vast boven een waarde van 8.500,00 euro. De rechtbank stelt samengevat geen bewijs vast van de prijs voor het uitgevoerde en geleverde deel van de opdracht boven 14.077,00 euro (4.212,00 euro uren, 1.365,00 euro tekenwerk, en 8.500,00 euro materialen). Algemene Aannemingen A betaalde reeds 6.000,00 euro. De factuur van 9.000,00 euro is verschuldigd voor 8.077,00 euro. Het saldo en de factuur van 4.455,00 euro zijn niet verschuldigd.
  1. Voor het project Y blijft de factuur nr. 20220072 van 22 februari 2022 van 9.871,67 euro, btw verlegd, onbetaald voor 493,57 euro. De factuur verwees naar vorderingsstaat nr. 2021162-03 voor de werf Y. Algemene Aannemingen A ontkent niet dat de aangerekende werken zijn uitgevoerd aan die prijs, maar meent 5% te kunnen inhouden in afwachting van de definitieve oplevering. Algemene Aannemingen A erkent de voltooiing van de werken, maar bewijst geen overeenkomst over dergelijke inhouding. De volledige factuur is verschuldigd.
  2. Staalwerken B eist de verhoging van de hoofdsommen met een schadebeding van 10% en met een verwijlinterest aan een rentevoet van 10% per jaar. Ze bewijst geen kennisneming door de schuldenaar van haar algemene betalingsvoorwaarden, noch het akkoord ermee. De betaalde factuur werd voldaan toen de verstandhouding reeds conflictueus was, waardoor de rechtbank niet kan aannemen dat de partijen stilzwijgend elkaars algemene voorwaarden zouden hebben aanvaard. Aangezien beide partijen ondernemingen zijn en de betaling de vergoeding betreft van een handelstransactie, is de Wet van 2 augustus 2002 van toepassing. De vertraging in de betaling is vastgesteld, waardoor er een verwijlinterest verschuldigd is vanaf de vervaldata. Wanneer er een verwijlinterest verschuldigd is overeenkomstig de bepalingen van de Wet van 2 augustus 2002, wordt het openstaande bedrag van rechtswege en zonder ingebrekestelling verhoogd met een forfaitaire vergoeding van 40,00 euro voor de invorderingskosten van de schuldeiser en heeft de schuldeiser bovenop dat forfaitaire bedrag ook recht op een redelijke schadeloosstelling voor alle andere invorderingskosten die dat vaste bedrag te boven gaan en die ontstaan zijn door de laattijdige betaling (art. 6). Het gebrek aan bewezen akkoord over een schadebeding, ontneemt de schuldeiser niet haar recht op die vergoeding en redelijke schadeloosstelling. Het geding werd opgestart door de schuldenaar van de facturen en de schuldeiser verzond slechts enkele aanmaningen. De facturen voor de werf X waren kennelijk onjuist. De rechtbank kent 5% toe van de toegekende hoofdsom voor de werf Y, inclusief het bedrag van 40,00 euro, bij gebreke aan bewijs van hogere schade.
  3. Ondergeschikt vraagt Algemene Aannemingen A de compensatie. Een van de aanspraken betreft een schadevergoeding, die pas met de huidige uitspraak vaststaat. De rechtbank kent de gerechtelijke compensatie toe op de datum van dit vonnis. E. UITVOERBAARHEID, ZEKERHEIDSSTELLING EN KANTONNEMENT
  4. De eisende partij op tegeneis vraagt dat de beslissing uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Eindvonnissen zijn in principe uitvoerbaar bij voorraad (art. 1397, eerste lid Ger.W.). Dit moet niet nog eens uitdrukkelijk worden bevestigd. V. GERECHTSKOSTEN
  5. Aangezien beide partijen onderscheidenlijk omtrent een geschilpunt in het ongelijk werden gesteld, past het om de kosten van het geding om te slaan en de rechtsplegingsvergoeding te compenseren. De eisende partij dient de dagvaardingskosten te dragen en de verwerende partij de rolrechten. Er is daardoor ook geen reden om een maximale rechtsplegingsvergoeding toe te kennen, zoals gevorderd. VI. BESLISSING Na beraad en gelet op de argumenten hierboven, beslist de rechtbank het volgende. Deze beslissing gebeurt op tegenspraak. De rechtbank verklaart de hoofdeis van Algemene Aannemingen A toelaatbaar en gegrond zoals hieronder volgt. Ze veroordeelt Staalwerken B tot betaling aan Algemene Aannemingen A van: - het bedrag van 7.681,04 euro, - een interest op het bedrag van 7.681,04 euro aan de wettelijke rentevoet bepaald in artikel 2, § 1 van de Wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest vanaf 31 maart 2023 tot de dag van volledige betaling. Ze verklaart de tegeneis van Staalwerken B toelaatbaar en gegrond zoals hieronder volgt. Ze veroordeelt Algemene Aannemingen A tot betaling aan Staalwerken B van: - het bedrag van 8.570,57 euro, btw verlegd, - een verwijlinterest op het bedrag van 8.570,57 euro aan de rentevoet bepaald in artikel 5 van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties vanaf de vervaldagen van de facturen van de respectievelijke hoofdsommen tot aan de dag van de betekening van de geding inleidende dagvaarding en sedertdien met een gerechtelijke interest op dit bedrag aan dezelfde rentevoet tot de dag van volledige betaling, - het bedrag van 49,36 euro. Ze wijst het op hoofdeis en op tegeneis meergevorderde af als ongegrond. Ze spreekt de gerechtelijke schuldvergelijking uit op de datum van dit vonnis tussen de aanspraken van de beide partijen zoals in dit vonnis vastgesteld. De rechtbank slaat de gerechtskosten om wat de rechtsplegingsvergoedingen betreft. Algemene Aannemingen A draagt de dagvaardingskosten. Staalwerken B moet, na uitnodiging, de rolrechten van 165,00 euro betalen aan de Belgische Staat, FOD Financiën. Deze beslissing is gewezen door de veertiende kamer van de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, samengesteld uit: S. BUSSCHER, rechter, voorzitter van de kamer, *, rechter in ondernemingszaken, *, rechter in ondernemingszaken, en uitgesproken in openbare zitting van diezelfde kamer op 20 juni 2024 door de voorzitter van die kamer, bijgestaan door *, griffier. Voetnoten:
  6. Vgl.: W. GOOSSENS, Aanneming van werk. Het gemeenrechtelijk dienstencontract, Brugge, die Keure, 2003, 298-300; B. KOHL, Contrat d'entreprise in Répertoire pratique du droit belge, Brussel, Bruylant, 2016, nr. 97, p. 220-
  7. Vgl.: W. GOOSSENS, Aanneming van werk. Het gemeenrechtelijk dienstencontract, Brugge, die Keure, 2003, 654-656; B. KOHL, Contrat d'entreprise in Répertoire pratique du droit belge, Brussel, Bruylant, 2016,
  8. PDF document ECLI:BE:ORANT:2024:JUG.20240620.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.