id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 21 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:ORANT:2024:JUG.20241021.1 Rolnummer: A/24/00033 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2026-01-26 Raadplegingen: 492 - laatst gezien 2026-06-18 06:18 Fiche 1 Wanneer partijen onderhandelen over een mogelijke overeenkomst, dienen ze te handelen in overeenstemming met de eisen van de goede trouw. Ze zijn verplicht om elkaar tijdens de precontractuele onderhandelingen de informatie te geven die onder meer de goede trouw en de gebruiken hen opleggen te geven, in het licht van de hoedanigheid van de partijen, hun redelijke verwachtingen en het voorwerp van het contract. Zo moet de professionele dienstverlener, bij een grote kennisongelijkheid tussen de partijen, de leek-opdrachtgever ook bijstaan bij de beoordeling van de opportuniteit van de voorgenomen diensten in het licht van het nut en de kosten. Bij de niet-nakoming van die verplichtingen tijdens de precontractuele onderhandelingen, kunnen de partijen tegenover elkaar buitencontractuele aansprakelijkheid oplopen (art. 5.15, tweede lid, 5.16 en 5.17 BW). Wanneer een voorafgaand akkoord van de opdrachtgever nodig is om bepaalde onderzoeken uit te voeren, op kosten van die opdrachtgever, vereisen de aard van dat garagecontract en de goede trouw in het licht van die kennisongelijkheid tussen de partijen, dat de garagist zorgvuldig de onderzoeken adviseert die vereist zijn om het probleem met de wagen op te sporen en dat hij daarbij nodeloze onderzoekskosten vermijdt. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Totstandkoming overeenkomst - Precontractuele aansprakelijkheid Vrije woorden: Precontractuele aansprakelijkheid, goede trouw, onderhandelingen, garagist, informatieverplichtingen, adviesverplichting Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - 28-04-2022 - 5.15 - 27 ELI link Pub nr 2022A32058 Burgerlijk Wetboek - 28-04-2022 - 5.16 - 27 ELI link Pub nr 2022A32058 Burgerlijk Wetboek - 28-04-2022 - 5.17 - 27 ELI link Pub nr 2022A32058 Fiche 2 De garagist die wordt gecontracteerd voor een onderzoek en herstellingswerken aan een wagen, moet als dienstverlener de diensten uitvoeren in overeenstemming met de overeenkomst en de regels van de kunst en het goede vakmanschap. Die aansprakelijkheid is een foutaansprakelijkheid. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Huur werk en diensten Vrije woorden: Garagist, dienstverleningscontract, uitvoering diensten, aansprakelijkheid Tekst van de beslissing Ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen Vonnis Tiende kamer BV KLANT A, TEGEN NV WAGENS B, I. SITUERING VAN HET GESCHIL Klant A spreekt garagist Wagens B aan in terugbetaling van onderzoekskosten na een panne van een bestelwagen Type C.A [gespeudonimiseerd] na ongeveer 120.000 km, en in vergoeding van stilligschade. II. PROCEDUREVERLOOP Klant A heeft het geding ingeleid bij dagvaarding betekend op 22 december
- De zaak werd in beraad genomen op de openbare zitting van 23 september 2024 nadat de bestuurder van de eisende partij en de raadsman van de verwerende partij op die zitting werden gehoord. De rechtbank hield rekening met de neergelegde syntheseconclusies en stukken. In deze procedure werd de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken nageleefd. III. EISEN Met de hoofdeis eist Klant A de veroordeling van Wagens B tot betaling van 2.454,17 euro, te vermeerderen met de btw en een gerechtelijke interest, van 840,00 euro, te vermeerderen met een gerechtelijke interest, en de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 910,00 euro. Wagens B vraagt de afwijzing van de hoofdeis als ongegrond, voor zover ontvankelijk, met de veroordeling van de eiser op hoofdeis tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 910,00 euro. IV. BEOORDELING
- Klant A spreekt verkoper en garagist Wagens B aan in terugbetaling van onderzoekskosten van 2.454,17 euro excl. btw en een vergoeding van 40,00 euro per dag (840,00 euro) gebruiksderving voor een bestelwagen Type C.A. De auto werd gekocht in het najaar van
- Ze zou op 24 augustus 2023 in panne zijn gevallen na ongeveer 120.000 km op de autosnelweg bij [stad T.] (Frankrijk). Na een eerste (onjuiste) diagnose door een depanneur (Garage X) zou Wagens B de wagen naar een Autofabrikant C [gespeudonimiseerd] garage in [stad T.] overbrengen voor onderzoek, en vervolgens naar Wagens B in België. Dit zou kaderen in de Autofabrikant C Bijstand van Klant A dat gekoppeld zou zijn aan het onderhoudscontract. Daar zou de verweerder verschillende dure onderzoeken hebben uitgevoerd in overleg met Klant A, die zou hebben aangegeven niet in te staan voor de kosten, maar zonder contact te nemen met de garages in Frankrijk die ook onderzoek hadden gedaan. Uiteindelijk zou de oplossing in de lijn liggen met de eerdere diagnose van de Autofabrikant C garage in [stad T.]. Klant A verbindt zich tot betaling van 4.997,31 euro excl. btw, omdat ze anders de auto niet zou terugkrijgen, met voorbehoud om de diagnosekosten van 2.454,17 euro excl. btw terug te vorderen. Ze verwijt Wagens B het volgende: geen informatie-inwinning bij de Autofabrikant C garage in [stad T.], geen informatie-inwinning bij Autofabrikant C Bijstand, ze had eerst de pomp moeten controleren wat eenvoudig is en een onderdeel is waaraan vaker problemen voorkomen, en het advies dat het demonteren van de cilinderkop de enige manier was om voort te gaan zou foutief zijn geweest. De auto zou 50 dagen onbeschikbaar zijn geweest (29 september tot 17 november 2023), waarvoor ze een vergoeding eist van 40,00 euro per dag voor een beperktere periode.
- Garagist Wagens B betwist de hoofdeis. De garantietermijn was verstreken toen de auto in 2023 stilviel. Het protest van de factuur zou ongegrond zijn en het herstel zou in overleg met Klant A zijn gebeurd. Het zou standaard zijn om een volledige diagnose te maken van een binnengebrachte wagen. Ze zou eerst de piste hebben onderzocht volgens de diagnose van Garage X in [stad T.], waarnaar Klant A zelf zou hebben verwezen, waardoor ze de cilinderkop endoscopisch onderzocht en erna de cilinderkop moest demonteren als enige methode om een defect in een piston van een cilinder te kunnen nagaan. Ze zou aan Klant A hebben gemeld dat een tussenkomst van Autofabrikant C afhankelijk zou zijn van het type schade. Nadat er geen schade zou zijn vastgesteld aan de cilinders, werden de verstuivers onderzocht en bleken er vier defect te zijn. Dit vereiste de vervanging van het hele brandstofsysteem incl. hogedrukpomp en de reiniging van de brandstoftank. De reële herstellingskost zou 10.773,89 euro zijn, herleid tot 4.997,31 euro als commerciële geste voor de materialen, waarna er een akkoord zou zijn over die kost. Ze stemt niet in met het protest van Klant A, waardoor Wagens B zelf ook nog zou moeten instaan voor de vervangingskost van de pomp en de uren voor het demonteren en hermonteren van de cilinderkop. Ze zou niet moeten instaan voor een gebruiksderving.
- Opdrachtgever Klant A deed beroep op garagist Wagens B voor onderzoek en herstellingswerken aan haar wagen, destijds aangekocht bij die garagist. Ze spreekt de dienstverlenende garagist aan wegens voorgehouden niet-nakomingen van haar verplichtingen. Wanneer partijen onderhandelen over een mogelijke overeenkomst, dienen ze te handelen in overeenstemming met de eisen van de goede trouw. Ze zijn verplicht om elkaar tijdens de precontractuele onderhandelingen de informatie te geven die onder meer de goede trouw en de gebruiken hen opleggen te geven, in het licht van de hoedanigheid van de partijen, hun redelijke verwachtingen en het voorwerp van het contract. Zo moet de professionele dienstverlener, bij een grote kennisongelijkheid tussen de partijen, de leek-opdrachtgever ook bijstaan bij de beoordeling van de opportuniteit van de voorgenomen diensten in het licht van het nut en de kosten. [voetnoot 1] Bij de niet-nakoming van die verplichtingen tijdens de precontractuele onderhandelingen, kunnen de partijen tegenover elkaar buitencontractuele aansprakelijkheid oplopen (art. 5.15, tweede lid, 5.16 en 5.17 BW). In deze zaak betreffen de onderhandelingen een overeenkomst waarbij een garagist een wagen zal onderzoeken en, in functie van de resultaten van het onderzoek, herstellen. De opdrachtgever is een leek en bevindt zich daarbij in een kennisnadeel in vergelijking met de professionele garagist. Wanneer een voorafgaand akkoord van de opdrachtgever nodig is om bepaalde onderzoeken uit te voeren, op kosten van die opdrachtgever, vereisen de aard van dat garagecontract en de goede trouw in het licht van die kennisongelijkheid tussen de partijen, dat de garagist zorgvuldig de onderzoeken adviseert die vereist zijn om het probleem met de wagen op te sporen en dat hij daarbij nodeloze onderzoekskosten vermijdt. Vervolgens dient de dienstverlener de diensten uit te voeren in overeenstemming met de overeenkomst en de regels van de kunst en het goede vakmanschap. Die aansprakelijkheid is een foutaansprakelijkheid. De rechtbank stelt het volgende vast: - Klant A e-mailde Wagens B op 9 oktober 2023 dat een Franse garagist haar had verteld dat een injector geblokkeerd was en een cilinderzuiger had beschadigd (stuk Wagens B, nr. 3). Toen Wagens B daarop onmiddellijk antwoordde of Klant A wist welke cilinder het zou zijn, om erna een verstuiver te kunnen uitbouwen voor een endoscopisch onderzoek alvorens de cilinderkop uit te bouwen, antwoordde Klant A dat ze dat niet wist, maar dat ze de week ervoor al aan Wagens B had gezegd om met de Autofabrikant C garage van [stad T.] te bellen die “een volledige diagnose uitgevoerd” had en de oorzaak had gevonden (stuk Wagens B, nr. 5). Wagens B antwoordde dezelfde dag nog dat ze met een endoscopisch onderzoek geen schade kan vaststellen, en dat de “enige manier voor verder te gaan zoeken naar het probleem op uw wagen” betond uit het demonteren van de cilinderkop. - Klant A ging op 9 oktober 2023 akkoord met het uitvoeren van het endoscopisch onderzoek van de cilinderkop door Wagens B, maar meldde uitdrukkelijk dat de partijen erna nog zouden spreken “over de vraag wie wat gaat betalen” (stuk Wagens B, nr. 7). - Op 12 oktober 2023 e-mailde Klant A opnieuw aan Wagens B dat ze niet begreep waarom niemand bij Wagens B de vorige garagisten, onder meer de Autofabrikant C garage van [stad T.], contacteerde “die via Autofabrikant C Bijstand oorzaak en bestek meegaf” (stuk Wagens B, nr. 12). - Nog voordat Wagens B het onderzoek aanvatte, e-mailde Klant A op 16 oktober 2023 met een weergave van de uitleg die ze zou hebben gekregen van de Autofabrikant C garage van [stad T.], met name de beschadiging van de hogedrukpomp door ijzervijlsel, wat die garagist ook aan Autofabrikant C Bijstand zou hebben gemeld met een bestek (stuk Wagens B, nr. 16). - Op 17 oktober 2023 antwoordde Wagens B dat ze de hogedrukpomp ook zelf al had “gecontroleerd maar niets aan gevonden” (stuk Wagens B, nr. 17). In haar antwoord op dezelfde dag meldde Klant A haar instemming met het door Wagens B aangeraden onderzoek, maar verwees ze voor de “onderzoekskosten (of herstelkosten)” naar haar eerdere e-mail van 9 oktober 2023 (stuk Wagens B, nr. 18). - Nadat Klant A telefonisch door Wagens B ervan op de hoogte werd gesteld dat er toch een probleem was met de hogedrukpomp, en niet met de cilinderzuigers, verwees ze per e-mail van 24 oktober 2023 opnieuw naar het onderzoek van de Autofabrikant C garage in [stad T.] die eveneens een probleem met de hogedrukpomp had ontdekt (stuk Wagens B, nr. 21). - Het bestek van Wagens B van 25 oktober 2023 vermeldde de onderzoekskost van 2.454,17 euro excl. btw (stuk Wagens B, nr. 24). Klant A had daarbij geschreven dat ze dat bedrag betaalde “onder voorbehoud van alle rechten”. - Wagens B bevestigde per e-mail van 17 november 2023 dat Klant A de wagen kon afhalen (stuk Wagens B, nr. 27). Klant A antwoordde met een herhaling van haar voorbehoud, “inclusief het recht om het bedrag terug te vorderen alsook het recht om een schadevergoeding te vorderen, bijvoorbeeld wegens gebruiksderving” (stuk Wagens B, nr. 29). - Het werkplaatsverslag van Wagens B van 17 november 2023 bevestigde dat er ijzervijlsel in de hogedrukpomp werd aangetroffen (stuk Klant A, nr. 30). - Op 17 november 2023 factureerde Wagens B 4.130,01 euro excl. btw, met inbegrip van 2.454,17 euro excl. btw voor de diagnose van de cilinder (stuk Klant A, nr. 27). Uit die feiten besluit de rechtbank dat Klant A er niet mee heeft ingestemd dat ze definitief de kosten van het onderzoek zou dragen. De instemming met het onderzoek en de kosten hield geen afstand van recht in door Klant A. Dit ging immers consequent gepaard met de uitdrukkelijke voorbehouden van de opdrachtgever om de kosten terug te vorderen, op 9, 17 en 25 oktober en 17 november
- De rechtbank besluit ook dat Wagens B een nutteloos onderzoek heeft uitgevoerd. Een zorgvuldig garagist-dienstverlener te goeder trouw zou eerst de bevindingen van de eerdere onderzoeken nagaan alvorens een kostelijk eigen onderzoek te starten, in het bijzonder wanneer de opdrachtgever daarop uitdrukkelijk wijst en eveneens in het bijzonder wanneer het eerdere onderzoek is gebeurd door iemand van dezelfde bedrijfsgroep, met name de Autofabrikant C garage in [stad T.]. Daarenboven erkende Wagens B zelf dat de Autofabrikant C garage in [stad T.] na slechts een beperkt visueel onderzoek de ware oorzaak van de panne had kunnen vinden. Bij de keuze tussen een duurder onderzoek met demontagewerk, en een beperkter visueel onderzoek, zou een voorzichtige en redelijke dienstverlener te goeder trouw eerst het beperkter visueel onderzoek hebben aangeraden en uitgevoerd. De keuze om eerst het duurdere onderzoek uit te voeren, was onzorgvuldig en niet eigen aan hoe een voorzichtige en redelijke garagist te goeder trouw de onderhandelingen zou hebben gevoerd, haar opdrachtgever zou hebben geïnformeerd en geadviseerd, en vervolgens de overeenkomst zou zijn aangegaan. Bovendien, na de onderhandelingen waarin Wagens B onzorgvuldig had opgetreden, had zij de opdracht ook niet zorgvuldig uitgevoerd. Ze had immers wel een onderzoek gedaan naar de hogedrukpomp, maar ondanks de snelle (en juiste) diagnose door de Autofabrikant C garage in [stad T.] na een beperkt visueel onderzoek, had Wagens B de problemen aan de hogedrukpomp niet gevonden na haar eerste eigen onderzoek. De fouten van Wagens B zijn met voldoende redelijke mate van zekerheid bewezen. Ze is hiervoor aansprakelijk. Wagens B toont niet aan hoe een eventuele commerciële tegemoetkoming voor materiaalkosten een vergoeding inhouden van de schade wegens de vastgestelde niet-nakoming. Ze wijst ook onterecht erop dat ze eenvoudigweg eerst die piste zou hebben onderzocht waarnaar opdrachtgever Klant A zelf verwees, volgens de diagnose van Garage X in [stad T.]: op het ogenblik dat Wagens B haar advies gaf, had Klant A immers ook al regelmatig naar het onderzoek van de Autofabrikant C garage in [stad T.] verwezen. De rechtbank merkt ten slotte ook op dat Klant A er regelmatig op wees dat Autofabrikant C Bijstand de resultaten van het onderzoek van de Autofabrikant C garage in [stad T.] aan Wagens B had gegeven, terwijl Wagens B zelf geen enkel stuk bijbrengt over de inlichtingen die Autofabrikant C Assistance haar had verschaft.
- Indien Wagens B zorgvuldig was opgetreden, door eerst een deugdelijk onderzoek te doen van de hogedrukpomp en het brandstofsysteem waar ook volgens de Autofabrikant C garage van [stad T.] het probleem lag, was er geen onderzoek naar de cilinderkop met demontage en hermontage nodig geweest. De kosten van dat onderzoek van 2.454,17 euro excl. btw hadden met zekerheid vermeden kunnen worden indien Wagens B de vastgestelde fouten niet had begaan. Indien Wagens B zorgvuldig was opgetreden, had Klant A haar wagen eerder teruggekregen. Reeds op 9 oktober 2023 had Klant A met Wagens B ge-e-maild om met de Autofabrikant C garage van [stad T.] te bellen die “een volledige diagnose uitgevoerd” had en de oorzaak had gevonden. Pas op 17 november 2023 kreeg ze haar wagen terug. Een visueel onderzoek kort na 9 oktober 2023 had het probleem reeds kunnen duiden. De gevraagde vergoeding berekend op een periode van 21 dagen, gaat de totale periode van onbeschikbaarheid niet te boven en kan worden toegekend. Het bestaan van de gebruiksderving is met voldoende redelijke mate van zekerheid aangetoond. Aangezien de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten krijgt om ook de omvang van die schade meer concreet en nauwkeurig te begroten, stelt ze die naar redelijkheid en billijkheid (‘ex aequo et bono’) vast op 40,00 euro per dag, hetzij 840,00 euro voor 21 dagen. Klant A is een btw-plichtige onderneming. Ze bewijst niet dat ze de belasting over de toegevoegde waarde niet heeft kunnen recupereren. De schadevergoeding wordt daarom zonder die belasting op de herstellingskost toegekend.
- Klant A vraagt de verhoging van de hoofdsommen met een gerechtelijke interest. Daarmee wordt gebruikelijk een interest bedoeld vanaf de dagvaarding aan de wettelijke rentevoet, tenzij een hogere rentevoet van toepassing zou zijn. De vergoedende interest maakt een integrerend deel uit van de vergoeding van de schade die is veroorzaakt door een contractuele niet-nakoming. Hij vormt een aanvullende vergoeding voor de schade die voortvloeit uit de vertraging die bij de schadeloosstelling is opgelopen. Er kan geen interest worden toegekend voor een periode die het ontstaan van de schade voorafgaat. De datum van de dagvaarding gaat de betaaldatum van de factuur voor de herstellingskosten en de onbeschikbaarheidsperiode niet vooraf, en kan daarom worden aangenomen als startdatum. Om tot een zo volledig mogelijk schadeherstel te komen, loopt die interest aan de wettelijke rentevoet. V. GERECHTSKOSTEN
- Klant A is de in het gelijk gestelde partij. Ze deed geen beroep op een advocaat en kan daarom geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding.
- De eisende partij op hoofdeis is btw-plichtig en kan de belasting over de toegevoegde waarde op de betekeningskosten recupereren, zodat er geen aanleiding bestaat om die belasting toe te kennen. Deze kosten zullen daarom maar kunnen worden toegekend voor 200,50 euro. VI. BESLISSING Na beraad en gelet op de argumenten hierboven, beslist de rechtbank het volgende. Deze beslissing gebeurt op tegenspraak. De rechtbank verklaart de hoofdeis van Klant A toelaatbaar en gegrond zoals hieronder volgt. Ze veroordeelt Wagens B tot betaling aan Klant A van: - het bedrag van 3.294,17 euro, - een vergoedende interest op het bedrag van 3.294,17 euro aan de wettelijke rentevoet bepaald in artikel 2, § 1 van de Wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest vanaf de dag van de betekening van de geding inleidende dagvaarding tot de dag van volledige betaling. Ze wijst het meergevorderde af als ongegrond. De rechtbank verwijst Wagens B in de gerechtskosten en veroordeelt haar tot betaling aan Klant A van de dagvaardingskosten van 200,50 euro. Wagens B moet, na uitnodiging, de rolrechten van 165,00 euro betalen aan de Belgische Staat, FOD Financiën. Deze beslissing is gewezen door de tiende kamer van de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, samengesteld uit: S. BUSSCHER, rechter, voorzitter van de kamer, *, rechter in ondernemingszaken, *, rechter in ondernemingszaken, en uitgesproken in openbare zitting van diezelfde kamer op 21 oktober 2024 door de voorzitter van die kamer, bijgestaan door *, griffier. Voetnoot 1: Vgl. A. DE BOECK, Informatierechten- en plichten bij de totstandkoming en uitvoering van overeenkomsten. Grondslagen, draagwijdte en sancties, Antwerpen, Intersentia, 2000, p. 449, nr.
- PDF document ECLI:BE:ORANT:2024:JUG.20241021.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div