← België

ECLI:BE:ORANT:2025:JUG.20250102.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 02 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORANT:2025:JUG.20250102.1 Rolnummer: A/21/02678 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2026-01-26 Raadplegingen: 556 - laatst gezien 2026-06-18 14:29 Fiche 1 Bij de kwalificatie van een overeenkomst moet de rechtbank zich niet noodzakelijk richten naar de kwalificatie die de partijen eraan hebben gegeven. Ze kan die kwalificatie door een andere vervangen indien de regelmatig aan haar oordeel onderworpen gegevens binnen en buiten de overeenkomst de door de partijen aan hun overeenkomst de gegeven kwalificatie uitsluiten. Aangezien de eiser zelf geen werken uitvoerde, maar wel contracten sloot met aannemers om de werken uit te voeren en ook met de architect om de werken te ontwerpen en controleren, en vervolgens de opstallen verkocht, trad ze niet op als hoofdaannemer maar als verkoper-promotor. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Soorten overeenkomsten Vrije woorden: Kwalificatie van het contract, aanneming, vastgoedpromotor Fiche 2 De aannemer moet de werken uitvoeren in overeenstemming met de contractuele documenten, de regels van de kunst en het goede vakmanschap. De hoofdaannemer moet ten aanzien van de opdrachtgever instaan voor de fouten van zijn onderaannemer (art. 1797 oud BW). UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Bouwrecht - Aanneming Vrije woorden: Onderaannemer, aansprakelijkheid hoofdaannemer, uitvoering werken Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1797 - 34 ELI link Pub nr 1804032154 Fiche 3 De verkoper moet een conforme en gebreksvrije zaak leveren aan de koper. Hij is als verkoper vrijwaring verschuldigd voor verborgen gebreken. De ontwikkelaar gaat als promotor-verkoper ook de resultaatsverbintenis aan om het overeengekomen werk te doen oprichten en te leveren zonder gebreken, waardoor hij contractueel aansprakelijk is voor alle gebreken en tekortkomingen daarin, ongeacht of de werken al dan niet door de bouwpromotor zelf werden ontworpen, gecontroleerd of uitgevoerd, behoudens bevrijdende vreemde oorzaak. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Koop-verkoop - Koop op plan Vrije woorden: Koop, koop op plan, vrijwaring, verborgen gebreken, verkoper-promotor, resultaatsverbintenis Fiche 4 De aanspraken van de opdrachtgever op de aannemer(

  1. s)wegens gebreken in de uitvoering van de werken, zijn voor overdracht vatbare rechten. Die rechten zijn zodanig nauw verbonden met de verkochte zaak dat het belang erbij afhankelijk is van de eigendom van die zaak. Bij de verkoop van de werken aan de kopers, zijn de rechten op de aannemers op die eindkopers overgegaan als toebehoren bij de zaak (art. 1615 oud BW, kwalitatieve rechten). Die overdracht beperkt de contractuele vorderingsrechten tegen de aannemers: de eindkopers verkrijgen daarmee niet meer rechten op de aannemers dan dat de verkoper-opdrachtgever zelf had. De rechten waarvan de verkoper-opdrachtgever als overdrager nog een belang behoudt om ze uit te oefenen, worden niet geacht in de overdracht begrepen te zijn (Cass. 9 maart 2020, C.19.0178.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200309.3N.4). Dergelijk behouden belang kan bestaan in een verweer door de verkoper-opdrachtgever tegen aanspraken van de aannemer, met ‘verweer' in de ruimere betekenis van het woord met inbegrip van niet-uitvoeringsexcepties en schuldvergelijking. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Koop-verkoop - Verplichtingen verkoper Vrije woorden: Koop, kwalitatieve rechten, overdracht van vorderingen, belang, behoud van belang Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1615 - 34 ELI link Pub nr 1804032154 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 17 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 18 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 5 De ontbinding van het contract heeft onder meer de twee volgende gevolgen. De ontbinding heeft, in beginsel, ‘ex tunc' uitwerking en heeft tot gevolg dat de partijen opnieuw in dezelfde toestand moeten worden geplaatst als die waarin zij zich zouden hebben bevonden indien zij niet hadden gecontracteerd. De ontbonden overeenkomst kan voor hen geen grondslag van rechten of verplichtingen zijn. Uit het feit van die ontbinding met terugwerkende kracht vloeien restitutieverbintenissen voort. Een tweede mogelijk gevolg is een recht op schadevergoeding ten gevolge van de ontbinding en de contractuele niet-nakoming die eraan ten grondslag ligt (art. 1184, tweede lid, oud BW). Die schadevergoeding beoogt de schuldeiser te verplaatsen naar de toestand waarin hij zou hebben verkeerd indien de overeenkomst zou zijn uitgevoerd en is te onderscheiden van de restitutieverbintenis. Het ene sluit het andere niet uit, terwijl de schuldeiser door de samenwerking van de gevolgen van de ontbinding en de schadevergoeding niet in een betere positie terecht kan komen ten gevolge van de niet-nakoming en de ontbinding dan wanneer de overeenkomst zou zijn uitgevoerd. Wanneer het contract opvolgende verbintenissen inhoudt van uitvoering van werken en betalingen, en dit voor een aanzienlijk deel is uitgevoerd, kan het volledig doen terugdraaien van het contract in feite zeer moeilijk of onwenselijk zijn. In dacht geval, en zeker indien die uitgevoerde werken uiteindelijk nut of waarde hadden, kan de terugwerking van de ontbinding worden gematigd. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Ontbinding Vrije woorden: Ontbinding van het contract, gerechtelijke ontbinding, ontbindende voorwaarde, gevolgen van de ontbinding, restitutie, schadevergoeding Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1184 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Fiche 6 Wanneer het deskundigenonderzoek is bevolen bij verstek ten aanzien van een partij, kan die zonder verdere formaliteiten deelnemen aan het deskundigenonderzoek, onder meer door erbij aanwezig te zijn. In dat geval verlopen zowel het onderzoek als de verdere rechtspleging ten aanzien van die partij op tegenspraak (art. 980 Ger.W.). UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Verstek (Gerechtelijk Wetboek) Vrije woorden: Verstek, tegenspraak, deskundigenonderzoek Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 980 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen Veertiende kamer Mr. X., in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van BV ONTWIKKELAAR A, TEGEN BV ALGEMENE AANNEMER B, BV C, D en E, I. SITUERING VAN HET GESCHIL De zaak betreft de betwisting tussen promotor Ontwikkelaar A, aannemer Algemene Aannemer B (hierna ook “Algemene Aannemer B”), onderaannemer C en kopers D en E, over gebreken in dakwerken en gevolgschade in woningen te X. De curator over het faillissement van Ontwikkelaar A spreekt aannemer Algemene Aannemer B aan in schadevergoeding voor de door de deskundige vastgestelde en geadviseerde gebreken en schade. Hij spreekt de aannemer ook aan in vergoeding voor vertraging en voor het in onderaanneming hebben gegeven van de werken zonder toelating. Kopers D en E spreken aannemer Algemene Aannemer B aan in schadevergoeding, ondergeschikt ook samen met de gefailleerde Ontwikkelaar A. Algemene Aannemer B betwist de hoofdeis en de tusseneis, en spreekt onderaannemer C aan in vrijwaring. II. PROCEDUREVERLOOP Ontwikkelaar A heeft het geding ingeleid bij dagvaarding betekend op 28 mei 2021 aan Algemene Aannemer B voor de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen. Algemene Aannemer B heeft C in tussenkomst betrokken bij dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring betekend op 16 juni 2021. Bij vonnis van 29 juni 2021 van de AB12de kamer heeft de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, zich onbevoegd verklaard en de zaak verzonden naar deze ondernemingsrechtbank, afdeling Antwerpen. Dit werd bij verstek uitgesproken ten aanzien van de partij C die niet verscheen. Bij vonnis van 2 december 2021 werd arch. Y aangesteld als gerechtsdeskundige. Op 2 maart 2022 legden D en E een verzoekschrift vrijwillige tussenkomst neer. De zaak werd in beraad genomen op de openbare zitting van 5 december 2024 nadat de aanwezige raadslieden van de vertegenwoordigde partijen op die zitting werden gehoord. De rechtbank hield rekening met de neergelegde conclusies en stukken. In deze procedure werd de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken nageleefd. III. EISEN Met de hoofdeis eist de curator over het faillissement van Ontwikkelaar A de veroordeling van Algemene Aannemer B tot betaling van een schadevergoeding van 77.744,00 euro, ondergeschikt 48.865,00 euro, en alleszins van een schadevergoeding van 1.000,00 euro voor het (deels) in onderaanneming hebben gegeven van de opdracht. Hij vraagt ook om voor recht te zeggen dat de dagvaarding de aanmaning was voor de vertragingsvergoeding en dat Algemene Aannemer B moet worden veroordeeld tot betaling van een vertragingsboete van tweemaal 40,00 euro per dag tot de datum waarop de herstellingswerken door een derde integraal zijn uitgevoerd. Hij vraagt ook om voor recht te zeggen dat de dagvaarding geldt als aanmaning voor de ontbinding volgens artikel 1 van bepaling 11 en dat de overeenkomst wordt ontbonden lastens Algemene Aannemer B met haar veroordeling tot schadevergoeding, voorlopig begroot op 1,00 euro, en dat de gefailleerde niets meer verschuldigd is aan Algemene Aannemer B. Hij vraagt de veroordeling van Algemene Aannemer B tot een gerechtelijke interest en de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 3.500,00 euro. Ze vraagt dat de beslissing uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard zonder zekerheidsstelling en met uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement. Algemene Aannemer B vraagt om de hoofdeis, indien ontvankelijk, te herleiden tot 38.357,15 euro (48.865,00 euro – 10.507,85 euro), en om de vrijwaringsvordering, indien ontvankelijk, te herleiden tot een aandeel van 63% in de technische verantwoordelijkheid. Algemene Aannemer B vraagt de afwijzing van de tusseneis van D en E, indien ontvankelijk, als ongegrond en minstens te herleiden tot hun privatieve kavel en het aandeel van Algemene Aannemer B in de technische verantwoordelijkheid, met de veroordeling van de eisers op tusseneis tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 3.750,00 euro. Ze vraagt de veroordeling van C tot vrijwaring voor alle veroordelingen lastens haar, in hoofdsom en in interesten en kosten inclusief de gerechtskosten van 3.750,00 euro. D en E vragen om voor recht te zeggen dat de foutieve uitvoering van de dakwerken stabiliteitsbedreigende gebreken zijn die in causaal verband staan met de schade aan de dakbedekking en de schade in hun woning. Ze vragen in hoofdorde om de veroordeling van Algemene Aannemer B tot integrale schadevergoeding van de schade: voor het dak een vergoeding van 50.500,00 euro excl. btw herstelkost platte daken en 1,00 euro provisioneel herstelkost hellende daken, en voor de woning een vergoeding van 5.348,20 euro (4.420,00 euro + btw) herstelkost, telkens te vermeerderen met een vergoedende interest aan de wettelijke rentevoet vanaf 29 september 2023 (neerlegging eindverslag), en een mindergenot van 510,00 euro per maand vanaf 13 februari 2021 (datum ingenottreding) tot aan het integrale herstel. Ondergeschikt vragen ze hetzelfde, maar Algemene Aannemer B in solidum veroordeeld met Ontwikkelaar A. Uiterst ondergeschikt vragen ze de veroordeling van Algemene Aannemer B en Ontwikkelaar A, in solidum, tot integrale schadevergoeding van de schade: voor het dak een vergoeding volgens het eindverslag van 94.070,24 euro, aan de woning van “1.76,90 euro” (1.076,90 euro, gelet op de verwijzing naar het eindverslag) en een mindergenot van 170,00 euro per maand vanaf 13 februari 2021 tot aan de integrale herstelling. Wat de kosten betreft vagen D en E in hoofdorde de veroordeling van Algemene Aannemer B tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 7.500,00 euro, en ondergeschikt hetzelfde in solidum met Ontwikkelaar A. Op de zitting verduidelijken ze dat de eis in hoofdorde van 50.500,00 euro excl. btw, moet worden opgeteld bij de door de deskundige begrote herstellingskosten, en dat de hellende daken geen herstelling behoeven. IV. BEOORDELING A. TEGENSPRAAK 1. Wanneer het deskundigenonderzoek is bevolen bij verstek ten aanzien van een partij, kan die zonder verdere formaliteiten deelnemen aan het deskundigenonderzoek, onder meer door erbij aanwezig te zijn. In dat geval verlopen zowel het onderzoek als de verdere rechtspleging ten aanzien van die partij op tegenspraak (art. 980 Ger.W.). 2. De rechtbank stelt vast dat bestuurder C van C verschillende keren aanwezig was op expertiseverrichtingen, onder meer vanaf het eerste plaatsbezoek, zoals genoteerd door de deskundige (eindverslag, p. 2, 21 en 26). De overige partijen bevestigen dit op de zitting. De procedure verloopt op tegenspraak en niet meer bij verstek ten aanzien van C. B. DESKUNDIGENONDERZOEK 3. Bij vonnis van 2 december 2021 stelde de rechtbank arch. Y aan als deskundige. De rechtbank ontving op 29 september 2023 haar eindverslag. Ze adviseerde en besloot onder meer het volgende: - Algemene Aannemer B voerde voor Ontwikkelaar A dakwerken uit aan vier woningen in X (p. 19). Algemene Aannemer B vertrouwde het werk in onderaanneming toe aan C. C verklaarde het werk in onderaanneming aan nog een derde te hebben moeten toevertrouwen wegens tijdsgebrek (p. 33). - Er zijn lekken gesignaleerd sinds 5 oktober 2020 (p. 19). - De dakwerken aan de platte daken en aan de hellende daken, en de dakafwerkingen van [bekleding x], zijn niet uitgevoerd volgens de normen van WTCB (Buildwise), de plaatsingsvoorschriften van de fabrikanten en de regels van het goede vakmanschap (p. 33). - Er zijn geen uitvoeringsdetails voor de goede uitvoering van de dakranden en aansluitingen, wat de verantwoordelijkheid is van de coördinator (p. 33). - De ‘hoofdaannemer’ (Ontwikkelaar A) is verantwoordelijk voor de gebreken aan de werken die niet waren opgenomen in de offerte van Algemene Aannemer B voor de platte daken (p. 33). - De schade in woningen 1 en 2 zijn een rechtstreeks gevolg van gebreken aan de dakbekledingen en dakranden (p. 33). Het gebrek aan dampscherm geeft ook op termijn condensatieproblemen tegen de – eveneens gebrekkig geplaatste – dakbekleding met blaasvorming en degradatie van de dakhuid en onderliggende dakconstructie tot gevolg. - Ontwikkelaar A is verantwoordelijk voor 37% als ‘hoofdaannemer’ en coördinator; en Algemene Aannemer B is verantwoordelijk voor 63% als onderaannemer (p. 35). Ze adviseert de volgende kosten: - Herstelling woning 2: 260,00 euro voor plafond traphal, 630,00 euro badkamer: samen 890,00 euro excl. btw (1.076,90 euro incl. btw). - Mindergenot woning 2: 10% van huurwaarde (1.700,00 euro per maand): 170,00 euro per maand. - Herstelling woning 1: 310,00 euro voor gelijkvloers, 140,00 euro voor slaapkamer verdieping: samen 450,00 euro excl. btw. - Mindergenot woning 1: 5% huurwaarde: 75,00 euro per maand. - Herstelling platte daken en dakranden: 77.744,00 euro, waarvan 63% inbegrepen in de offerte van onderaannemer Algemene Aannemer B en 37% niet inbegrepen in die offerte of onvoldoende gedetailleerd bij de aanvraag, en daarom voor rekening van de ‘hoofdaannemer’. Bij bevel van 21 december 2023 stelde de rechtbank de erelonen en kosten van de expertise vast op 7.748,36 euro incl. btw. C. KWALIFICATIE VAN DE OVEREENKOMST TUSSEN ONTWIKKELAAR A EN ALGEMENE AANNEMER B 4. Algemene Aannemer B verwijst naar zichzelf als onderaannemer. De overeenkomst tussen Ontwikkelaar A en Algemene Aannemer B is getiteld “onderaannemingscontract”, terwijl de brief van Ontwikkelaar A voor de mededeling ervan aan Algemene Aannemer B verwijst naar het “aannemingscontract” (stuk Ontwikkelaar A, nr. 2; stuk Algemene Aannemer B, nr. 1). De overeenkomsten met de kopers verwijzen naar Ontwikkelaar A niet als hoofdaannemer of aannemer, maar als bouwheer, verkoper of kandidaat-verkoper (stukken D en E, nr. 1 en 3). 5. Bij de kwalificatie van een overeenkomst moet de rechtbank zich niet noodzakelijk richten naar de kwalificatie die de partijen eraan hebben gegeven. Ze kan die kwalificatie door een andere vervangen indien de regelmatig aan haar oordeel onderworpen gegevens binnen en buiten de overeenkomst de door de partijen aan hun overeenkomst de gegeven kwalificatie uitsluiten. Ontwikkelaar A en Algemene Aannemer B kwamen overeen dat Algemene Aannemer B werken zou uitvoeren. Ontwikkelaar A kwam dat ook overeen met andere nevenaannemers en voerde zelf geen werken uit. Ontwikkelaar A contracteerde wel zelf de architect voor het ontwerp en de controle van de werken. Ze verkocht vervolgens de constructies aan de eindkopers, onder meer de in deze zaak betrokken kopers D en E. Aangezien Ontwikkelaar A zelf geen werken uitvoerde, maar wel contracten sloot met aannemers om de werken uit te voeren en ook met de architect om de werken te ontwerpen en controleren, en vervolgens de opstallen verkocht, trad Ontwikkelaar A niet op als hoofdaannemer maar als verkoper-promotor. D. GROND VAN DE ZAAK 6. De curator over het faillissement van Ontwikkelaar A spreekt aannemer Algemene Aannemer B aan in schadevergoeding voor de door de deskundige vastgestelde en geadviseerde gebreken in de dakwerken en schade. Tot de opdracht zouden ook de studies en details hebben behoord. De curator betwist een gedeelde aansprakelijkheid of verantwoordelijkheid. Dit zou geen technische aangelegenheid zijn, maar een juridische, wat de deskundige ook zou aangeven. Het zou Ontwikkelaar A niet kunnen worden verweten dat “haar architect” onvoldoende uitvoeringsdetails zou hebben opgemaakt. De aannemer zou ook nooit achter dergelijke details hebben gevraagd. Die aannemer zou gespecialiseerd dakwerker zijn. De aannemer zou de werken ook met vertraging hebben uitgevoerd. De curator spreekt aannemer Algemene Aannemer B ook aan in betaling van een vaste schadevergoeding voor het in verder in onderaanneming uitbesteden van de werken tegen de overeenkomst in, van 1.000,00 euro (art. 11.1). Hij eist ook de ontbinding van de overeenkomst wegens de ernstige aan Algemene Aannemer B toerekenbare fouten. De ernst zou ook blijken uit het gebrek aan herstelling door Algemene Aannemer B en het gebrek aan medewerking bij de voorgaande minnelijke expertise. Hij eist ook een schadevergoeding voor vertraging volgens de in de onderaannemingsovereenkomst bepaalde boete van 40,00 euro per werkdag. Hij betwist dat de gefailleerde zelf een fout beging door één derde-aannemer een dringend herstel van het dak te hebben laten uitvoeren. 7. Kopers D en E spreken Algemene Aannemer B aan in schadevergoeding wegens de door de deskundige vastgestelde gebreken. Ze zouden de aannemer kunnen aanspreken op basis van de koopakte waarmee ze de vorderingen op de aannemers van de verkoper overnamen, als toepassing van artikel 1615 van het oude Burgerlijk Wetboek. Ondergeschikt spreken ze haar samen in solidum aan met de gefailleerde Ontwikkelaar A. Ze zouden al tijdens een werfbezoek op 20 augustus 2020 vochtplekken hebben vastgesteld door een lek in het dak. Ze verwijzen naar de door de deskundige vastgestelde gebreken, maar betwisten de door haar geadviseerde herstelwijze en schadebepaling. Er zijn dermate veel opmerkingen over de verschillende daken en onzekerheden, dat ze voorstellen om het volledige dak te vervangen, in plaats van lokale herstellingen zoals geadviseerd door de deskundige. Ze ramen die kosten van afbraak en vervanging met kraan op 50.500,00 euro excl. btw, met een voorbehoud voor nog offertes. Ze bepalen hun gevolgschade op 4.420,00 euro (3.520,00 euro herstellingen (2 man, 4 dagen aan 55,00 euro per uur), 400,00 euro huur stelling en 500,00 euro materiaal). Ze eisen dit 100% van Algemene Aannemer B, aangezien de schade volledig werd veroorzaakt door de gebreken in de dakwerken. Ze vragen een mindergenot van 30% van de huurwaarde (510,00 euro per maand) en niet slechts 10% zoals geadviseerd. De kopers kwalificeren de gebreken als stabiliteitsbedreigende gebreken in de toepassing van artikel 1792 en 2270 oud BW. 8. Algemene Aannemer B betwist de hoofdeis. Ze wijst op het akkoord over haar offerte van 23 oktober 2019, waarmee de aannemer op 31 oktober 2019 zou hebben ingestemd, en het nadien ondertekende contract. Ze zou op C beroep hebben gedaan omdat Ontwikkelaar A zou hebben aangedrongen op een snelle uitvoering van de werken. Ze zou de werken in het voorjaar van 2020 hebben geschorst omdat haar facturen niet zouden zijn betaald. De werken zouden op 30 juni 2020 zijn beëindigd. Ze zou op 5 oktober 2020 zijn ingelicht over infiltraties, waarover ze zelf haar onderaannemer C zou hebben ingelicht. Ze betwist dat Ontwikkelaar A haar nog kan aanspreken sinds de verkoop aan de kopers. Ondergeschikt wijst ze erop dat Ontwikkelaar A haar niet voor 100% kan aanspreken, maar hoogstens voor 63%, met een eigen aansprakelijkheid van 37%. Ze zou evenmin aansprakelijk zijn voor de schade door het openliggen van de werken tijdens de schorsing. Van de schadevergoeding zouden ook nog de openstaande facturen moeten worden afgetrokken van samen 10.507,85 euro (de slotafrekening van 5% (2.107,85 euro), meerwerken (3.400,00 euro) en herstellingswerken brand (5.000,00 euro)). Ze betwist de aanrekening van 1.000,00 euro, aangezien dat deel van de voorwaarden niet zou zijn ondertekend, en aangezien ze net beroep moest doen op een derde onderaannemer omdat Ontwikkelaar A zelf de werf zou hebben laten aanslepen door de inhouding op de facturen van de onderaannemer. De onderaanneming zou zijn gebeurd met akkoord van Ontwikkelaar A. Ze zou dit ook hebben vermeld in briefwisseling van 29 januari en 19 juni 2020. Ze betwist ook de eis in ontbinding. Ze wijst erop dat de werken al zijn voltooid op 30 juni 2020. Ze spreekt onderaannemer C aan in vrijwaring. Algemene Aannemer B betwist ook de tusseneis van de kopers. Ze wijst erop dat ze geen contractuele band met hen heeft en beroept zich op de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent. Waar de kopers in de rechten van Ontwikkelaar A zouden zijn gesubrogeerd, kunnen zij niet een in-solidum-aansprakelijkheid eisen van Ontwikkelaar A samen met Algemene Aannemer B. Algemene Aannemer B wijst ook erop dat ze niet tweemaal voor dezelfde aansprakelijkheid kan worden veroordeeld. Ze wijst ook erop dat de kopers geen vordering kunnen stellen voor de gemeenschappelijke delen. Ze meent ook dat de kopers ten onrechte zich verzetten tegen de door de deskundige voorgestelde herstellingswijze. Ze betwist de hogere schadebedragen in vergelijking met het advies van de deskundige. Ze spreekt onderaannemer C aan in vrijwaring. 9. Als aannemers moesten Algemene Aannemer B, C en de verdere onderaannemers, de werken uitvoeren in overeenstemming met de contractuele documenten, de regels van de kunst en het goede vakmanschap. De gebreken in de werken zijn vastgesteld door de deskundige en worden op zich ook niet ontkend door Ontwikkelaar A of de uitvoerders. De rechtbank stelt vast dat de expert deskundig en op basis van vaststellingen, stukken en haar onderzoek heeft kunnen besluiten dat de werken van C en Algemene Aannemer B niet volgens de regels van de kunst zijn uitgevoerd. De rechtbank stelt zo de gebreken in de werken vast. De vastgestelde uitvoeringsfouten zijn aan C en Algemene Aannemer B toerekenbare fouten. Algemene Aannemer B dient in te staan voor de fouten van haar onderaannemer (art. 1797 oud BW). Als verkoper moest Ontwikkelaar A een conforme en gebreksvrije zaak leveren aan de kopers. Ze is als verkoper vrijwaring verschuldigd voor verborgen gebreken. De kopers konden Ontwikkelaar A daarvoor aanspreken. Daarenboven ging Ontwikkelaar A als promotor-verkoper de resultaatsverbintenis aan om het overeengekomen werk te doen oprichten en te leveren zonder gebreken, waardoor ze contractueel aansprakelijk is voor alle gebreken en tekortkomingen daarin, ongeacht of de werken al dan niet door de bouwpromotor zelf werden ontworpen, gecontroleerd of uitgevoerd, behoudens bevrijdende vreemde oorzaak. Er werd al gewaarschuwd door de kopers over waterschade die ze vaststelden voorafgaand aan de aankoop. De kopers kunnen ook zelf Algemene Aannemer B rechtstreeks aanspreken. Hoger werd reeds vastgesteld dat Algemene Aannemer B aannemer was en dat Ontwikkelaar A promotor-verkoper was, en niet zelf een aannemer. De aanspraken van promotor Ontwikkelaar A op de aannemer(
  2. s)wegens gebreken in de uitvoering van de werken, zijn voor overdracht vatbare rechten. Die rechten zijn zodanig nauw verbonden met de verkochte zaak dat het belang erbij afhankelijk is van de eigendom van die zaak. Bij de verkoop van de opstallen aan kopers D en E zijn die rechten op de aannemers op die eindkopers overgegaan als toebehoren bij de zaak (art. 1615 oud BW, kwalitatieve rechten). Louter ten overvloede wordt dit ook bevestigd in de notariële aankoopakte wat de aansprakelijkheid betreft voor stabiliteitsbedreigende gebreken (stuk D en E, nr. 3, p. 6). Die bevestiging doet geen afbreuk aan de overdracht op de kopers van de aanspraken van de promotor-verkoper op de aannemer voor lichte verborgen gebreken. Er wordt geen aanvaarding door Ontwikkelaar A of door de kopers opgeworpen, aangetoond of vastgesteld van de gebreken in de dakwerken die aanleiding gaven tot de gevolgschade in de woning van kopers D en E. Er wordt ook niet opgeworpen, aangetoond of vastgesteld dat Ontwikkelaar A of de kopers hun vorderingen laattijdig instelden, of zodanig lang hebben gewacht dat er een getalm zou zijn dat enkel als een aanvaarding van de gebreken en een afstand van recht zou kunnen worden beschouwd. De kopers verwezen bij en na de voorlopige oplevering naar de infiltraties, wat een duidelijk en voldoende voorbehoud was om de verkoper en aannemer daarvoor te kunnen aanspreken (stuk D en E, nr. 12). Algemene Aannemer B werd tijdig aangesproken. De aansprakelijkheid betreft ook verborgen gebreken voor de infiltraties die niet eerder konden worden ontdekt. Er is niet aangetoond dat die gebreken de stevigheid of stabiliteit van de werken of een groot deel ervan op lange of kortere termijn in het gedrang kunnen brengen. Dit is echter niet van belang, aangezien er bij de oplevering naar die infiltraties werd verwezen als voorbehoud en aangezien er daarnaast een aansprakelijkheid wordt vastgesteld voor lichte verborgen gebreken, buiten de bijzondere aansprakelijkheid voor stabiliteitsbedreigende gebreken. De deskundige heeft eveneens terecht kunnen vaststellen dat een deel van de schade is veroorzaakt door een onvolledige opdracht van Algemene Aannemer B en onvoldoende coördinatie. Van de herstellingskosten heeft 48.854,00 euro betrekking op de uitvoeringsfouten van Algemene Aannemer B en haar onderaannemer, en 28.879,00 euro op de onvoldoende detaillering in de offerteaanvraag van Ontwikkelaar A aan Algemene Aannemer B en werken die niet inbegrepen waren in de offerte van Algemene Aannemer B (eindverslag, p. 33 en 35-36). De deskundige stelt zo een verdeling vast van de technische verantwoordelijkheid op 63% voor uitvoerder Algemene Aannemer B en haar onderaannemers, en 37% voor “Ontwikkelaar A / Architect”. De rechtbank stelt zo vast dat de fouten van de aannemers hebben bijgedragen aan het tot stand komen van de schade voor 63%, en de fouten van de promotor en haar architect voor 37%. De rechtbank stelt geen fout van aannemer Algemene Aannemer B vast om Ontwikkelaar A daarover in te lichten, die zou leiden tot een aanpassing van die verdeling. Ontwikkelaar A was immers zelf een ervaren promotor en bouwpartner, die bovendien als algemene aannemer, dakdekker en ruwbouwaannemer inschrijvingen had in de Kruispuntbank van Ondernemingen. Er is geen kennisongelijkheid vastgesteld tussen die twee partijen, en evenmin een schending van informatieverplichtingen in hoofde van Algemene Aannemer B. De deskundige maakt geen onderscheid tussen een fout van de architect en van de promotor zelf. Noch de aannemers, noch promotor Ontwikkelaar A, noch de kopers hebben die architect betrokken in het deskundigenonderzoek of deze procedure. Daarnaast had Ontwikkelaar A als opdrachtgever van Algemene Aannemer B de verbintenis om de uitvoering van de werken mogelijk te maken, met inbegrip van het verschaffen van de vereiste ontwerpdocumenten en -details. De rechtbank behoudt daarom de aansprakelijkheid van promotor Ontwikkelaar A voor de totstandkoming van de schade aan 37%. Dit heeft een gevolg op de verdeling van aansprakelijkheid en op de aan de kopers overgedragen vorderingen. De aanspraak met vorderingsrechten die de kopers hebben verworven van promotor-verkoper Ontwikkelaar A, is beperkt tot de aanspraak die Ontwikkelaar A zelf had op Algemene Aannemer B. Promotor Ontwikkelaar A kon de aannemer maar voor 63% aanspreken, en diende het saldo van 37% zelf te dragen en eventueel te verhalen op de architect, die evenwel door niemand in dit geding werd betrokken. Het waren inderdaad samenlopende fouten van Ontwikkelaar A en van Algemene Aannemer B die tot de schade hebben geleid. De rechtbank veroordeelt hen evenwel niet tot een gezamenlijke gehoudenheid ten gunste van de kopers, met een mogelijkheid van een volledige aanspraak op één van hen. Kopers D en E spreken Ontwikkelaar A en Algemene Aannemer B immers niet aan met twee oorspronkelijk eigen vorderingen. In eerste instantie konden de kopers promotor Ontwikkelaar A voor het geheel aanspreken, aangezien zij enkel met Ontwikkelaar A een overeenkomst hadden met vrijwaringsverplichtingen en een resultaatsverbintenis van Ontwikkelaar A. Daarnaast verkregen de kopers in tweede instantie ook de aanspraken met vorderingsrechten van die promotor op aannemer Algemene Aannemer B. Het is maar door die verwerving van de kwalitatieve rechten dat ze zich ook bijkomend kunnen richten tot de aannemer. Binnen die rechtsband moeten ze echter de eigen verantwoordelijkheid van de promotor ondergaan, die werd bepaald op 37%. Het klopt dat er een eventueel in solidum aansprakelijkheid zou zijn tussen de aannemer en de architect, in het voordeel van Ontwikkelaar A, maar noch Ontwikkelaar A, noch de aannemer, noch de kopers bewijzen een aan de architect toerekenbare fout die onderscheiden is van de eigen fouten die de deskundige vaststelde in hoofde van Ontwikkelaar A. Het toekennen van een volledige schadevergoeding ten laste van de aannemer is onverenigbaar met de vastgestelde eigen aansprakelijkheid van de promotor, in wier rechten de kopers zijn getreden om net die aannemer te kunnen aanspreken. Daardoor is de aanspraak van kopers D en E op aannemer Algemene Aannemer B eveneens beperkt tot 63%. 10. Kopers D en E eisen een integrale vervanging van het dak. De deskundige stelde ook vochtschade vast in het pand nr. 2, terwijl de bewoners van twee woningen nr. 1 en 2 - tussen 0 en 3 - hebben verklaard geen schade te hebben (eindverslag, p. 23-24). De gebreken in het dak zijn wel verspreid over het volledige door de aannemers aangelegde dak, boven de vier woningen. De herstellingskosten zoals geadviseerd door de deskundige en zoals opgenomen in de conclusies en tusseneis van de kopers, betreffen het volledige dak boven de vier woningen. Het dak is geen gemeenschappelijk deel volgens de aankoopakte: elk huis heeft een eigen dak. Het feit dat dit in één opdracht is uitgevoerd en dat er eventueel onduidelijke overgangen zijn tussen de huizen, neemt niet weg dat elk van de woningen slechts een deel van het dak heeft. Bij gebreke aan bewijs van kopers D en E dat ze eigenaar zijn van de daken boven de drie andere woningen, en bij gebreke aan een concrete uitsplitsing van de kosten over de vier daken, kan de rechtbank zich hierover nog niet verder uitspreken. De rechtbank heropent daarover de debatten. 11. Kopers D en E eisen de integrale vergoeding van de gevolgschade en het mindergenot. De deskundige bepaalde gevolgschade van die kopers op 1.076,90 euro incl. btw: 260,00 euro voor het plafond van de traphal, en 630,00 euro voor de badkamer, samen 890,00 euro excl. btw (1.076,90 euro incl. btw). De rechtbank meent dat de kopers terecht de schade aanvullen met de huurkost van een stelling (400,00 euro excl. btw) die niet inbegrepen leek in de door de deskundige aangehouden eenheidsprijzen. De kopers wijzen ten onrechte op de aanrekening van dagdelen aangezien de schadebepaling voornamelijk op basis van de oppervlakte is bepaald en niet de werkuren. De schade wordt verhoogd met 400,00 euro excl. btw tot 1.290,00 euro excl. btw, hetzij 1.560,90 euro incl. btw. De deskundige bepaalde het mindergenot van de woning van die kopers op 10% van de huurwaarde (1.700,00 euro per maand): 170,00 euro per maand. De rechtbank sluit zich aan bij die schadebepaling door de deskundige. De vochthinder was relatief beperkt en verantwoordt geen mindergenot van 30% van de huurwaarde, zoals gevraagd door de kopers. Zij tonen dergelijke omvang niet aan. De rechtbank bepaalt de periode vanaf de ingebruikneming in februari 2021 tot en met de negende maand na de maand van het eindverslag (t.e.m. juni 2024), waarna de werken hadden kunnen zijn uitgevoerd indien ze zouden zijn besteld. De rechtbank houdt daarbij immers ook rekening met de verplichting van de kopers om de redelijke maatregelen te treffen om de schadelijke gevolgen van de niet-nakoming te voorkomen en te beperken. Die schade van 170,00 euro per maand voor 41 maanden is 6.970,00 euro. De gevolgschade en het mindergenot is zo samen 8.530,90 euro (1.560,90 euro en 6.970,00 euro). Aangezien de aanspraak van kopers D en E op aannemer Algemene Aannemer B beperkt is tot 63%, is de hoofdeis voor dit deel gegrond voor 5.374,47 euro. Ze vragen een vergoedende interest aan de wettelijke rentevoet vanaf 29 september 2023. De vergoedende interest maakt een integrerend deel uit van de vergoeding van de schade die is veroorzaakt door een contractuele niet-nakoming. Hij vormt een aanvullende vergoeding voor de schade die voortvloeit uit de vertraging die bij de schadeloosstelling is opgelopen. Er kan geen interest worden toegekend voor een periode die het ontstaan van de schade voorafgaat. In het geval een schade zich uitstrekt over een langere periode, kan de rechter op het totale bedrag van de schadevergoeding een interest toekennen vanaf een gemiddelde datum. De gevolgschade is reeds opgetreden en heeft het actief van de kopers negatief aangetast, ongeacht een eventueel gebrek aan uitgave om die gevolgschade te herstellen. Een interest kan worden toegekend. De datum van 29 september 2023 gaat het ontstaan van die aantasting niet vooraf en kan worden toegekend. Om tot een zo volledig mogelijk schadeherstel te komen, loopt die interest aan de wettelijke rentevoet. 12. Algemene Aannemer B wordt maar voor een deel van de schade aansprakelijk gehouden, waardoor de rechtbank ook de ondergeschikte eis van kopers D en E moet behandelen. Daarbij wordt ook de veroordeling van Ontwikkelaar A “in solidum” gevorderd. Het faillissement van Ontwikkelaar A werd geopend. De kopers dienden op 26 december 2023 elk een schuldvordering in voor 1,00 euro. De vordering tot veroordeling wordt beschouwd als de vordering tot vaststelling van die schuldvordering in het passief van het faillissement. Met dit vonnis stelt de rechtbank al vast dat de kopers een schuldvordering hebben voor de gevolgschade en het mindergenot van samen 3.156,43 euro (37% van 8.530,90 euro). De heropening van de debatten betreft ook de nadere bepaling van het saldo van de schuldvordering wat het dak betreft. 13. Ook de curator over het faillissement van promotor Ontwikkelaar A kan aannemer Algemene Aannemer B nog aanspreken. Het klopt dat, zoals hoger vastgesteld, verschillende aanspraken van de promotor op de aannemer als toebehoren bij de werken is overgedragen naar de kopers, onder meer de in het geding betrokken kopers D en E. De rechten waarvan Ontwikkelaar A als overdrager nog steeds belang heeft om ze uit te oefenen, worden niet geacht in de overdracht begrepen te zijn (Cass. 9 maart 2020, C.19.0178.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200309.3N.4). Aannemer Algemene Aannemer B spreekt de promotor aan in betaling van facturen over de werken en herstellingswerken. De promotor heeft nog het belang behouden bij de rechten die kaderen in het verweer tegen die aanspraken van de aannemer, met verweer in de ruimere betekenis van het woord met inbegrip van niet-uitvoeringsexcepties en schuldvergelijking. De rechtbank stelt geen aan Algemene Aannemer B toerekenbare vertraging in de werken vast. Ontwikkelaar A neemt een eis daarover op in haar conclusie, maar zet hierover geen middel uiteen. Ze bewijst noch een concrete uitvoeringstermijn, noch de aan Algemene Aannemer B toerekenbare overschrijding ervan. De rechtbank stelt geen aan Algemene Aannemer B toerekenbare fout vast van het in onderaanneming hebben gegeven van de werken. De partijen waren inderdaad overeengekomen dat een onderaanneming de schriftelijke goedkeuring vereiste van promotor Ontwikkelaar A. Wanneer ondernemingen een schriftelijke goedkeuring overeenkomen, is dit een bewijsbeding en worden ze niet vermoed om andere bewijsmiddelen te hebben willen uitsluiten. De rechtbank stelt vast dat de onderaanneming aan C gebeurde met de instemming van Ontwikkelaar A. Terecht wijst Algemene Aannemer B erop dat haar e-mail van 29 januari 2020 verwijst naar gesprekken tussen de promotor en de aannemer over de noodzaak om bijkomende mensen in te schakelen. Ook uit e-mails tussen Algemene Aannemer B en Ontwikkelaar A met onderaannemer C in kopie, bleek dat Ontwikkelaar A op de hoogte was van de tussenkomst van onderaannemers (stuk Algemene Aannemer B, nr. 18; stuk Ontwikkelaar A, nr. 9). Promotor Ontwikkelaar A voerde zelf geen werken uit, maar behield wel een controle daarover. Tijdens en kort na de uitvoering maakte Ontwikkelaar A geen voorbehoud bij het beroep op onderaannemers en ze heeft Algemene Aannemer B daarvoor ook nooit in gebreke gesteld. Uit die feiten blijkt dat de inschakeling van een onderaannemer gebeurde met instemming van Ontwikkelaar A. Ze kan de aannemer niet aanspreken wegens het loutere feit van onderaanneming. De rechtbank stelde wel al vast dat Algemene Aannemer B en haar onderaannemer de werken niet volgens de regels van de kunst hebben uitgevoerd. Algemene Aannemer B dient in te staan voor de fouten van die onderaannemer (art. 1797 oud BW). Ze is aansprakelijk voor die niet-nakoming ten aanzien van haar opdrachtgever Ontwikkelaar A. De aanspraken in schadevergoeding zijn overgedragen aan de kopers, zoals kopers D en E. De eis in ontbinding is niet mee overgedragen, aangezien Ontwikkelaar A er belang bij hield in het kader van het verweer tegen de aannemer. De rechtbank stelt vast dat de gebreken in de werken een ernstige fout uitmaken die aan Algemene Aannemer B toerekenbaar is. De herstellingskosten zijn immers groter dan de door de aannemer aangerekende prijs. De eis in ontbinding van de aannemingsovereenkomst tussen Ontwikkelaar A en Algemene Aannemer B wegens een aan die laatste toerekenbare ernstige niet-nakoming, is gegrond. De ontbinding van een overeenkomst heeft onder meer de twee volgende gevolgen. De ontbinding heeft, in beginsel, ‘ex tunc’ uitwerking en heeft tot gevolg dat de partijen opnieuw in dezelfde toestand moeten worden geplaatst als die waarin zij zich zouden hebben bevonden indien zij niet hadden gecontracteerd. De ontbonden overeenkomst kan voor hen geen grondslag van rechten of verplichtingen zijn. Uit het feit van die ontbinding met terugwerkende kracht vloeien restitutieverbintenissen voort. Een tweede mogelijk gevolg is een recht op schadevergoeding ten gevolge van de ontbinding en de contractuele niet-nakoming die eraan ten grondslag ligt (art. 1184, tweede lid, oud BW). Die schadevergoeding beoogt de schuldeiser te verplaatsen naar de toestand waarin hij zou hebben verkeerd indien de overeenkomst zou zijn uitgevoerd en is te onderscheiden van de restitutieverbintenis. Het ene sluit het andere niet uit, terwijl de schuldeiser door de samenwerking van de gevolgen van de ontbinding en de schadevergoeding niet in een betere positie terecht kan komen ten gevolge van de niet-nakoming en de ontbinding dan wanneer de overeenkomst zou zijn uitgevoerd. De overeenkomst hield opvolgende verbintenissen in van uitvoering van werken en betalingen, wat voor een aanzienlijk deel is uitgevoerd. De overeenkomst volledig doen terugdraaien, is in feite zeer moeilijk en zou onwenselijk zijn. De partijen tonen ook niet aan dat die uitgevoerde werken uiteindelijk volledig nutteloos of waardeloos waren, ondanks de hoge herstellingskosten. De terugwerking van de ontbinding wordt daarom gematigd door het behoud van de aan Algemene Aannemer B betaalde prijs voor de uitgevoerde en geleverde werken, maar zonder recht op een bijkomende vergoeding of prijs voor de aannemer. Hierdoor stelt de rechtbank vast dat aannemer Algemene Aannemer B geen recht heeft op betaling van de twee facturen van 24 juni en 1 november 2021 voor samen 5.507,85 euro. Een uitzondering betreft de factuur van 5.000,00 euro van 1 november 2021 voor herstellingswerken naar aanleiding van een brand. Het voorwerp daarvan staat los van de oorspronkelijke opdracht en ontbonden overeenkomst. De uitvoering en prijs worden niet onderbouwd betwist. Het algemene protest van 22 november 2021 betwist niet de uitvoering en toont evenmin aan dat de aangerekende prijs kennelijk onredelijk of onjuist was (stuk Algemene Aannemer B, nr. 36). De verdere vaststelling van de aanspraken tussen Algemene Aannemer B en de boedel, is nog afhankelijk van het verdere debat over de nadere bepaling van het saldo van de schuldvordering van de kopers wat het dak betreft, en de vordering daarover van de curator op Algemene Aannemer B. Dit debat is heropend. E. VRIJWARING DOOR C 14. Algemene Aannemer B spreekt onderaannemer C aan in vrijwaring. C betwist de aansprakelijkheid voor de gebreken niet. C dient Algemene Aannemer B te vrijwaren voor de gevolgen van de gebreken in haar werken. De eis in vrijwaring is gegrond. V. BESLISSING Na beraad en gelet op de argumenten hierboven, beslist de rechtbank het volgende. Deze beslissing gebeurt op tegenspraak. De rechtbank verklaart de hoofdeis van mr. X in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van Ontwikkelaar A, toelaatbaar en reeds gedeeltelijk gegrond zoals hieronder volgt. Ze ontbindt de aannemingsovereenkomst tussen Ontwikkelaar A en Algemene Aannemer B wegens een aan die laatste toerekenbare ernstige niet-nakoming. Ze matigt de gevolgen ervan door het behoud van de aan Algemene Aannemer B betaalde prijs voor de uitgevoerde en geleverde werken door die aannemer, maar zonder recht voor Algemene Aannemer B op een bijkomende vergoeding of prijs, met uitzondering voor de factuur voor de brandherstelling. De rechtbank verklaart de tusseneis van D en E toelaatbaar en reeds gedeeltelijk gegrond zoals hieronder volgt. Ze veroordeelt Algemene Aannemer B tot betaling aan D en E van: - het bedrag van 5.374,47 euro, - een vergoedende interest op het bedrag van 5.374,47 euro aan de wettelijke rentevoet bepaald in artikel 2, § 1 van de Wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest vanaf 29 september 2023 tot de dag van volledige betaling. Ze zegt voor recht, met het oog op de opname in het passief van het faillissement, dat D en E alvast een vordering hebben op gefailleerde Ontwikkelaar A van 3.156,43 euro. Ze verklaart de tusseneis van Algemene Aannemer B toelaatbaar en gegrond zoals hieronder volgt. Ze veroordeelt C tot vrijwaring van Algemene Aannemer B voor de bedragen waartoe ze in dit vonnis wordt veroordeeld, met inbegrip van hoofdsommen en interesten. Ze heropent de debatten over de eisen van de partijen in vergoeding, opneming en vrijwaring met betrekking tot de schade aan het dak, met inbegrip van de vaststelling van de aanspraken tussen Algemene Aannemer B en de curator over die schade en over de brandherstellingsfactuur. Ze legt voor die heropening de volgende conclusietermijnen op: - voor D en E: ten laatste op 3 maart 2025; - voor de curator over het faillissement van Ontwikkelaar A: ten laatste op 3 april 2025; - voor Algemene Aannemer B: ten laatste op 3 mei 2025; - voor C: ten laatste op 3 juni 2025. De rechtbank wijst erop dat de laatste conclusie de vorm moet aannemen van een syntheseconclusie en bepaalt de rechtsdag op donderdag DATUM van ** tot ** voor de veertiende kamer, waarop het debat ook zal worden hernomen voor alle nog niet in dit vonnis beslechte onderdelen. Ze schort de beslissing over de kosten op. Deze beslissing is gewezen door de veertiende kamer van de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, samengesteld uit: S. BUSSCHER, rechter, voorzitter van de kamer, *, rechter in ondernemingszaken, *, rechter in ondernemingszaken, en uitgesproken in openbare zitting van diezelfde kamer op 2 januari 2025 door de voorzitter van die kamer, bijgestaan door *, griffier. PDF document ECLI:BE:ORANT:2025:JUG.20250102.1 Gerelateerde publicatie(
  3. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200309.3N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.