id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 13 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORANT:2025:JUG.20250313.1 Rolnummer: A/24/03213 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Arbeidsrecht - Overige Invoerdatum: 2026-01-26 Raadplegingen: 538 - laatst gezien 2026-06-18 06:17 Fiche 1 De (onder)aannemer die aanspraak maakt op de betaling van de aannemingsprijs voor uitgevoerde werken moet aantonen dat er hierover een overeenkomst bestaat en dat hij de werken heeft uitgevoerd, tenzij de opdrachtgever (hoofdaannemer) dit niet betwist. Wanneer partijen bij een (onder)aannemingsovereenkomst overeenkomen dat de prijs in regie wordt betaald, spreken zij een vaste eenheidsprijs af per periode, zoals een regietarief per uur. De uitvoering te goeder trouw van de overeenkomst, in het bijzonder van de betalingsverbintenis, vereist dat de beide partijen samenwerken bij de bepaling van de uiteindelijk verschuldigde regieprijs. De uitvoerder (onderaannemer) dient een gedetailleerde afrekening te overhandigen aan de opdrachtgever (hoofdaannemer), waarbij de bestede uren worden verantwoord. De opdrachtgever (hoofdaannemer) dient de bestede uren te vergelijken met de overgelegde afrekeningen. Bij afwijkende afrekeningen of facturen dient hij onmiddellijk te protesteren, zodat de partijen hierover nog op een nuttig ogenblik kunnen overleggen en bewijsmateriaal veiligstellen. Dat prompt nazicht is geen recht van de opdrachtgever (hoofdaannemer), maar een verplichting als betalingsschuldenaar. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Bouwrecht - Aanneming Vrije woorden: aannemingsprijs, prijs in regie Fiche 2 De wettelijke aanwezigheidsregistratie (CheckinatWork) is een sociaalrechtelijke maatregel en betreft de aanwezigheid per dag, maar is niet bedoeld als registratie van prestaties met het oog op de bepaling en aanrekening van de prijs op basis van binnen die dag gewerkte uren. Het gebruik van het systeem van wettelijke aanwezigheidsregistratie werd ook niet overeengekomen als registratie met het oog op facturatie. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer Vrije woorden: aanwezigheidsregistratie, CheckinatWork Fiche 3 De rechter kan, ter oplossing van een voor hem gebracht geschil, een deskundige gelasten vaststellingen te doen en een technisch advies te geven. Het deskundigenonderzoek moet als maatregel opportuun zijn, met name nuttig, geschikt en proportioneel. De te onderzoeken feiten moeten relevant zijn voor de oplossing van het geschil en de keuze voor een deskundigenonderzoek als onderzoeksmaatregel moet worden afgewogen en gemotiveerd in het licht van het bestaan van andere onderzoeksmaatregelen. De rechter mag weigeren om een deskundigenonderzoek te bevelen wanneer de eiser zijn vordering tot deskundigenonderzoek op geen enkel gegeven grondt dat de tot staving van zijn vordering aangevoerde feiten aannemelijk kan maken. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Deskundigenonderzoek Vrije woorden: Gerechtsdeskundige, deskundigenonderzoek, opportuniteit Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 962 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen Veertiende kamer De onderneming naar buitenlands recht STELLINGEN A., TEGEN BV ALGEMENE STELLINGWERKEN B, I. SITUERING VAN HET GESCHIL Onderaannemer Stellingen A spreekt hoofdaannemer Algemene Stellingwerken B aan in betaling van 414.211,21 euro aan facturen voor stellingbouwwerken op verschillende werven in de Antwerpse haven. Hoofdaannemer Algemene Stellingwerken B betwist de hoofdeis en stelt een tegeneis in in betaling van 2.766.959,16 euro (overfacturatie) en in schadevergoeding voor het wegtrekken van de arbeiders en zwartmaking. II. PROCEDUREVERLOOP Stellingen A heeft het geding ingeleid bij dagvaarding betekend op 12 juni
- De zaak werd in beraad genomen op de openbare zitting van 13 februari 2025 nadat de raadslieden van de partijen op die zitting werden gehoord. De rechtbank hield rekening met de neergelegde syntheseconclusies en stukken. In deze procedure werd de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken nageleefd. III. EISEN Met de hoofdeis eist Stellingen A de veroordeling van Algemene Stellingwerken B tot betaling van 414.211,21 euro, te vermeerderen met een verwijlinterest aan de wettelijke rentevoet volgens de Wet Betalingsachterstand Handelstransacties (5.903,61 euro) en een schadebeding van 5.000,00 euro, en de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 10.500,00 euro. Ze vraag de afwijzing van de tegeneis, met de veroordeling van Algemene Stellingwerken B tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 22.500,00 euro. Algemene Stellingwerken B vraagt de afwijzing van de hoofdeis als ongegrond met de veroordeling van de eiser op hoofdeis tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 22.500,00 euro. Algemene Stellingwerken B stelt een tegeneis in opdat Stellingen A zou worden veroordeeld tot betaling van 2.766.959,16 euro uit hoofde van onrechtmatig gefactureerde prestaties “(foutmarge 54%)” en in telkens meer ondergeschikte orde 2.305.799,30 euro (45%), 1.332.239,59 euro (26%) en 1.014.271,19 euro (20%), telkens te vermeerderen met een verwijlinterest aan de rentevoet bepaald in artikel 5 van de Wet van 2 augustus 2002 vanaf de uitspraak, en voor zover als nodig de aanstelling van een deskundige voor de tijdregistratie van Stellingen A in 2021-2023 op werven van Algemene Stellingwerken B. Ze vraagt ook de veroordeling van Stellingen A tot betaling van 17.000,00 euro uit hoofde van afwezigheid op de werf en van 30.000,00 euro uit hoofde van zwartmaking, telkens te vermeerderen met een verwijlinterest aan de rentevoet bepaald in artikel 5 van de Wet van 2 augustus 2002 vanaf de uitspraak. Ondergeschikt eist ze de compensatie van de vorderingen in hoofdsom met de veroordeling van Stellingen A tot betaling van het saldo. IV. BEOORDELING
- Onderaannemer Stellingen A spreekt hoofdaannemer Algemene Stellingwerken B aan voor stellingbouwwerken op verschillende werven in de Antwerpse haven, onder meer voor Chemiebedrijf C, volgens een overeenkomst van 15 juni
- Er zou voor 414.211,21 euro in hoofdsom facturen openstaan. De facturen zouden niet zijn geprotesteerd. Ze brengt de facturen bij met de tijdsregistratie en aankooporders die Algemene Stellingwerken B haar zou hebben overgemaakt. Algemene Stellingwerken B zou in oktober 2023 een vraag over overfacturatie hebben gesteld, maar vervolgens gewoon de facturen hebben betaald, en de onderaannemer zou een overfacturatie snel hebben betwist zonder verdere vragen van de hoofdaannemer. Stellingen A zou de hoofdaannemer in januari en februari 2024 hebben aangemaand, zonder reactie. Op 15 april 2024 legde Stellingen A het werk neer wegens wanbetaling. Bij de wanbetaling zou de hoofdaannemer niet naar een overfacturatie hebben gewezen, maar naar een afbetalingsplan. Pas op 17 april 2024 zou Algemene Stellingwerken B een algemeen protest over overfacturatie melden. De hoofdaannemer zou met de natte vinger, maar zonder bewijs, beweren dat er meer uren zouden zijn aangerekend dan uitgevoerd. Volgens Stellingen A zou het Algemene Stellingwerken B zelf zijn geweest die ter plaatse de registratie van de uren bijhield. Ze brengt ook de elektronische registratie bij op de Chemiebedrijf C-werf. Op de kleinere werven zou er geen elektronische registratie zijn geweest. Ze betwist daarom ook de tegeneis. De berekening van Algemene Stellingwerken B van 2.766.959,16 euro zou eenzijdig zijn en niet-controleerbaar. Die tijdsberekening van Algemene Stellingwerken B zou ook foutief zijn, met onder meer ontbrekend weekendwerk en personeel. Wegens de wanbetaling zou ze de werven hebben mogen verlaten, waardoor Algemene Stellingwerken B geen aanspraak kan maken op een schadevergoeding van 17.000,00 euro. Stellingen A betwist ook dat ze Algemene Stellingwerken B zou hebben zwartgemaakt, wat nooit de bedoeling zou zijn geweest.
- Hoofdaannemer Algemene Stellingwerken B betwist de hoofdeis. Ze zou in september 2023 discrepanties hebben ontdekt tussen de gefactureerde prestaties en de uren die werden geregistreerd door het tijdsregistratiesysteem ‘Uurregistratie Y’ dat is gekoppeld aan ‘CheckinatWork’ . Ze zou dit in oktober 2023 hebben aangekaart. Ze zou in het najaar een terugbetaling hebben voorgesteld van 247.000,00 euro voor het jaar 2023, of een verrekening met facturen, als regeling. Ze zou de onderaannemer op 17 april 2024 daarvoor in gebreke hebben gesteld. Stellingen A zou tegen de besprekingen in een incassobureau hebben ingeschakeld, waarna op groepsniveau met Algemene Stellingwerken B een afbetalingsplan zou zijn afgesproken, maar met voorbehoud voor de “claim” (aanspraak) van Algemene Stellingwerken B op Stellingen A. De onderaannemer zou daarbij dreigen met het stilleggen van verschillende werven en zou de hoofdaannemer zwartmaken. Ze betwist de verweten moedwillige wanbetaling en wijst op verschillende betalingen aan het incassobureau. Het zou onduidelijk zijn welke facturen al betaald zouden zijn. Algemene Stellingwerken B zou zich kunnen beroepen op de niet-uitvoeringsexceptie wegens haar eigen tegeneis voor de overfacturatie. De overeenkomst zou ook voorzien in een opschortingsrecht (art. 8.2.4). Ze wijst daarvoor op de verplichte registratie op de werven. Ze zou de tijdsgegevens van ‘Uurregistratie Y’ en ‘CheckinatWork’ hebben vergeleken met de gefactureerde uren en 54% van de aangerekende prestaties zouden niet overeenkomen met de achterliggende gegevens van ‘CheckinatWork’. Een foutenmarge van 54% op betaalde facturen van 5.123.998,44 euro in 2021-2023 zou een overfacturatie en overbetaling zijn van 2.766.959,16 euro. Zo zouden er verschillende fouten zijn in de aangerekende uren, onder meer personen voor wie uren zijn aangerekend die nooit op de werf zouden zijn. In ondergeschikte orde brengt Algemene Stellingwerken B bepaalde assumpties in rekening: een foutenmarge van 3,22% in de registratie van Chemiebedrijf C (45%), een kleinere foutenmarge na de melding in november 2023 van 19% (26%), en een gewogen gemiddelde van de foutenmarges (20%). Het gebrek aan protest van de facturen zou geen bezwaar zijn tegen het verweer tegen de invordering, aangezien Algemene Stellingwerken B daarvoor al de overfacturatie zou hebben aangekaart, nog vóór de aanmaningen in betaling. De goedkeuring door Algemene Stellingwerken B van de uren van de arbeiders van Stellingen A gebeurde naar best vermogen en de werfleiding vertrouwde op wat de mensen van Stellingen A doorgaven. Ook het wegtrekken van de arbeiders zou foutief zijn geweest, waarvoor Algemene Stellingwerken B toepassing maakt van de contractuele boete van 1.000,00 euro per dergelijk geval voor 17 werknemers. Ze wijst ook op zwartmaking door de onderaannemer bij de opdrachtgevers, onder meer Chemiebedrijf D en Chemiebedrijf C, waarvoor ze de schade bepaalt op 15.000,00 euro per incident.
- Er is geen cijfermatige betwisting over dat Stellingen A 61 facturen uitschreef aan Algemene Stellingwerken B vanaf 16 januari 2024 tot op 22 april 2024, gemiddeld om de drie tot vijf dagen met soms verschillende facturen op dezelfde dag, voor een onbetaalde hoofdsom van 414.211,21 euro zoals weergegeven in haar stuk nr.
- Dit blijkt ook uit de neergelegde stukken (stuk Stellingen A, nr. 10). Er is evenmin een cijfermatige betwisting dat Stellingen A in de jaren 2021, 2022 en 2023 voor 5.123.998,44 euro facturen heeft uitgeschreven aan Algemene Stellingwerken B op verschillende werven. Er is ook geen betwisting over dat de door Stellingen A aan Algemene Stellingwerken B gefactureerde bedragen overeenstemmen met de telkens eerder door Algemene Stellingwerken B aan Stellingen A gerichte aankooporders. Op de zitting lichtten de raadsman van Stellingen A, de raadsman van Algemene Stellingwerken B en de CEO van de groep waartoe Algemene Stellingwerken B behoort, eensluidend de volgende werkwijze toe die op de verschillende werven werd gevolgd voor de facturatie: - de ploegbaas van Stellingen A meldde telkens op de werf aan de werfleider van Algemene Stellingwerken B welke arbeiders van Stellingen A hoeveel uren hadden gewerkt; - Algemene Stellingwerken B maakte op basis daarvan per enkele dagen of week een overzicht van die uren en deelde dat mee aan Stellingen A; - Stellingen A keek die overzichten na en gaf indien nodig aanpassingen door aan Algemene Stellingwerken B; - Algemene Stellingwerken B maakte een aankooporder op voor Stellingen A; - Stellingen A factureerde de op de aankooporders toegelaten hoofdsommen aan Algemene Stellingwerken B. Ook die werkwijze blijkt uit de neergelegde stukken (stuk Stellingen A, nr. 10). De (onder)aannemer die aanspraak maakt op de betaling van de aannemingsprijs voor uitgevoerde werken moet aantonen dat er hierover een overeenkomst bestaat en dat hij de werken heeft uitgevoerd, tenzij de opdrachtgever (hoofdaannemer) dit niet betwist. De partijen sloten op 15 juni 2023 een overeenkomst over stellingwerken in onderaanneming met Stellingen A als onderaannemer en Algemene Stellingwerken B als hoofdaannemer (stuk Stellingen A, nr. 1; stuk Algemene Stellingwerken B, nr. A.4). Die overeenkomst bepaalde onder meer het volgende: - De onderaanneming werd overeengekomen voor projecten waarop Algemene Stellingwerken B werkte en voor doorlopende onderhoudsopdrachten van Algemene Stellingwerken B (art. 3). - Er werden uurtarieven overeengekomen per type arbeider en per soort dag (art. 4). - De facturatie van Stellingen A vereiste onder meer een geldig bewijs dat de gefactureerde werken werden uitgevoerd (art. 8.1, laatste lid). Algemene Stellingwerken B kon de betalingen schorsen in het geval van een niet-nakoming door Stellingen A van haar contractuele verplichtingen (art. 8.2, 4°). - Algemene Stellingwerken B diende een registratiesysteem ter beschikking te stellen van Stellingen A dat die onderaannemer verplicht moest gebruiken (art. 7.1). Algemene Stellingwerken B diende de onderaannemer over dat systeem te informeren. Algemene Stellingwerken B kon een bedrag van 1.000,00 euro per niet-geregistreerde persoon aftrekken van de eindbetaling (art. 7.2). Indien de werken vallen onder de verplichte aanwezigheidsregistratie , diende Stellingen A in het bijzonder ook te garanderen dat ieder wie op haar instructie de site zou betreden, voorafgaand wordt geregistreerd (art. 7). - Toegangsbadges werden door de eindklant van Algemene Stellingwerken B ter beschikking gesteld (art. 4.5). - Stellingen A moest een site manager voorzien op de site om haar te vertegenwoordigen, en een vervanger indien vereist (art. 11). Stellingen A behield het gezag over haar werknemers (art. 12 en 20). - De overeenkomst liep van 1 juni 2023 tot 31 december 2023 (art. 6). De beide partijen verwijzen niettemin in conclusies en briefwisseling naar de toepassing van die overeenkomst op de feiten en vorderingen uit de periode na die termijn. - Het Belgische recht is van toepassing (art. 25, eerste lid). Die bepalingen en verplichtingen zijn gelijk aan wat de partijen overeenkwamen bij het begin van de samenwerking volgens de overeenkomst van 1 juni 2021, zij het telkens aan andere uurtarieven (stuk Algemene Stellingwerken B, nr. A.1). De rechtbank stelt het volgende vast over de facturatie en de betwisting: - De 61 facturen dateren van 16 januari 2024 tot op 22 april
- - Op 4 oktober 2023 spraken Algemene Stellingwerken B en Stellingen A elkaar over de door Algemene Stellingwerken B vermeende overfacturatie volgens een vergelijking tussen de door ‘Uurregistratie Y’ geregistreerde uren en de gefactureerde uren, waarna Algemene Stellingwerken B de onderaannemer op die dag nog e-mailde daarover (stuk Stellingen A, nr. 6; stuk Algemene Stellingwerken B, nr. B.1). Ze gaf aan dat dit verder moest worden onderzocht en dat ze ernaar neigde om het te veel aangerekende terug te eisen. Stellingen A antwoordde op 5 oktober 2024 met een engagement naar transparantie en samenwerking, maar met een afwijzing van de voorgestelde terugbetaling. - Per e-mail van 29 november 2023 wees Algemene Stellingwerken B op haar aanspraak wegens een overfacturatie van 247.000,00 euro, waarvoor ze een compensatie voorstelde met de facturen van Stellingen A (stuk Stellingen A, nr. 7; stuk Algemene Stellingwerken B, nr. B.2). Stellingen A antwoordde de dag zelf nog dat dergelijke compensatie volledig onaanvaardbaar was. Ze kondigde aan dat dergelijke inhouding aanleiding zou geven tot het terugtrekken van haar werknemers op de werven en een gerechtsprocedure. Algemene Stellingwerken B antwoordde de dag zelf dat het wegtrekken van arbeiders niemand vooruit zou helpen en stelde een nieuwe overleg voor. - Stellingen A e-mailde op 19 januari 2024 een overzicht aan Algemene Stellingwerken B van openstaande facturen van 273.824,04 euro, waarvan 211.649,54 euro voor Algemene Stellingwerken B en de rest voor verbonden vennootschappen (stuk Stellingen A, nr. 8). Ze drong aan op een spoedige betaling. - Op 29 januari 2024 e-mailde Stellingen A opnieuw een overzicht aan Algemene Stellingwerken B van openstaande facturen van 433.136,92 euro, waarvan 338.429,91 euro voor Algemene Stellingwerken B en de rest voor verbonden vennootschappen (stuk Stellingen A, nr. 8). Ze bepaalde die e-mail uitdrukkelijk als een ingebrekestelling. Ze e-mailde op 1 februari 2024 dat ze Algemene Stellingwerken B nog enkele dagen respijt gaf, maar daarna een procedure zou opstarten en eventueel haar werknemers van de werven zou halen. - Op 12 februari 2024 e-mailde Stellingen A nogmaals een overzicht aan Algemene Stellingwerken B van openstaande facturen van 472.654,22 euro, waarvan 352.069,08 euro voor Algemene Stellingwerken B en de rest voor verbonden vennootschappen (stuk Stellingen A, nr. 8). Ze beschouwde dit opnieuw als een ingebrekestelling. - Algemene Stellingwerken B antwoordde per e-mail van 12 februari 2024 dat ze een bijkomende cash-injectie had voltooid, vroeg om geduld en meldde dat ze konden bellen in de namiddag (stuk Stellingen A, nr. 8). - Op 15 april 2024 e-mailde Stellingen A dat ze haar werken schorste wegens de betalingsachterstand (stuk Stellingen A, nr. 9). Ze drong aan op de spoedige oplossing van de achterstand. Algemene Stellingwerken B antwoordde de dag zelf dat dit haar verbaasde, gelet op de gesprekken en de uitvoering van een afbetalingsplan gedurende enkele weken. Algemene Stellingwerken B stelde dat de handelingen van de onderaannemer een finale overeenkomst onmogelijk maakten. Ze verklaarde een nieuw afbetalingsplan op te stellen voor de andere openstaande facturen. - Per brief van 17 april 2024 verwees Algemene Stellingwerken B naar een eerder gemelde vastgestelde overfacturatie, en maakte ze aanspraak op de terugbetaling van het te veel gefactureerde, toen begroot op minstens 247.000,00 euro (stuk Stellingen A, nr. 3; stuk Algemene Stellingwerken B, nr. B.3). Ze stelde Stellingen A in gebreke voor de terugbetaling, evenals tot vergoeding van 17.000,00 euro wegens het verlaten van de werven en tot het staken van het in een slecht daglicht stellen van Algemene Stellingwerken B bij haar eindklanten. - De raadsman van Stellingen A stelde Algemene Stellingwerken B in gebreke op 26 april 2024 voor de toen vervallen facturen met ook al een verwijzing naar de nog te vervallen facturen (stuk Stellingen A, nr. 2). - De raadsman van Algemene Stellingwerken B maande Stellingen A op 31 mei 2024 aan in betaling van 247.000,00 euro overfacturatie en 17.000,00 euro schadevergoeding in een brief aan de raadsman van de onderaannemer (stuk Algemene Stellingwerken B, nr. B.4). De kern van de discussie over de hoofdeis en het grootste deel van de tegeneis (overfacturatie) betreft de stelling van hoofdaannemer Algemene Stellingwerken B dat de ploegbaas van de onderaannemer op verschillende werven een verkeerd aantal uren doorgaf aan de werfleider van Algemene Stellingwerken B, met name meer uren of uren van afwezige arbeiders. Op basis van de aangetoonde feiten, stelt de rechtbank een aanvaarding vast van de door Stellingen A gefactureerde werken en uren, zoals hieronder verder behandeld. Elk van de facturen van Stellingen A werd voorafgegaan door een uitdrukkelijke toelating tot facturatie van hoofdaannemer Algemene Stellingwerken B in de vorm van een aankooporder. Met de voorafgaandelijke goedkeuringen erkent hoofdaannemer Algemene Stellingwerken B de uitgevoerde uren, wat feiten zijn die tegen haar rechtsgevolgen kunnen hebben. Die erkenning is doelbewust, want ze kadert in de betalingsprocedure. Dergelijke erkenning is een bekentenis en daardoor onherroepelijk (art. 8.32). Algemene Stellingwerken B had steeds de mogelijkheid om ter plaatse de aanwezigheid van de arbeiders wier uren werden doorgegeven, na te kijken. Ze kan zich niet op haar eigen verzuim steunen om een dwaling omtrent de feiten in te roepen. Ze toont evenmin enige overmacht of andere vreemde oorzaak aan, noch bedrog door onderaannemer Stellingen A of een andere nietigheidsgrond. Dit werd bovendien zo ook uitdrukkelijk bepaald in de overeenkomst van 15 juni 2023 en de eerdere overeenkomsten (stuk Stellingen A, nr. 1; stuk Algemene Stellingwerken B, nr. A.1 t.e.m. A.4). De facturen van onderaannemer Stellingen A moesten immers een geldig bewijs hebben dat de gefactureerde werken werden uitgevoerd (art. 8.1, laatste lid). De voorafgaande aankooporders van Algemene Stellingwerken B aan Stellingen A waren dat bewijs. Wat de facturen betreft die op hoofdeis worden ingevorderd, waren de partijen voorafgaand aan de facturatie al in discussie over een vermeende overfacturatie. Ze spraken elkaar al op 4 oktober 2023 daarover en Algemene Stellingwerken B sprak toen al van een mogelijke eis in terugbetaling. Stellingen A antwoordde daarop al sinds 5 oktober 2024 ondubbelzinnig afwijzend. Niettemin bleef Algemene Stellingwerken B de uren die Stellingen A op de werf meedeelde, aanvaarden, zonder opmerkingen of voorbehoud, en bleef hoofdaannemer Algemene Stellingwerken B uitdrukkelijk toelating geven om voor die gepresteerde uren facturen op te stellen. Ook die facturen waren daardoor elk voorafgaandelijk al goedgekeurd. Bovendien, zelfs indien er geen uitdrukkelijke goedkeuring was van de hoofdaannemer, is de betwisting door Algemene Stellingwerken B waarop zowel haar verweer als haar eigen tegeneis is gebaseerd, laattijdig en onvoldoende concreet onderbouwd. Wanneer partijen bij een (onder)aannemingsovereenkomst overeenkomen dat de prijs in regie wordt betaald, spreken zij een vaste eenheidsprijs af per periode, zoals een regietarief per uur. De uitvoering te goeder trouw van de overeenkomst, in het bijzonder van de betalingsverbintenis, vereist dat de beide partijen samenwerken bij de bepaling van de uiteindelijk verschuldigde regieprijs. De uitvoerder (onderaannemer) dient een gedetailleerde afrekening te overhandigen aan de opdrachtgever (hoofdaannemer), waarbij de bestede uren worden verantwoord. De opdrachtgever (hoofdaannemer) dient de bestede uren te vergelijken met de overgelegde afrekeningen. Bij afwijkende afrekeningen of facturen dient hij onmiddellijk te protesteren, zodat de partijen hierover nog op een nuttig ogenblik kunnen overleggen en bewijsmateriaal veiligstellen. Dat prompt nazicht is geen recht van de opdrachtgever (hoofdaannemer), maar een verplichting als betalingsschuldenaar. Het tijdig nazicht door de betalingsschuldenaar van de door de betalingsschuldeiser opgegeven uren is daardoor cruciaal. De opmerkingen van hoofdaannemer Algemene Stellingwerken B vele maanden tot enkele jaren nadat de ploegbaas van onderaannemer Stellingen A die uren had opgegeven en de werfleider van Algemene Stellingwerken B ter plaatse de mogelijkheid had om dit na te gaan, zijn laattijdig en kunnen niet worden aangenomen. Door zodanig lang te wachten met het maken van die opmerkingen, ontneemt ze de mogelijkheid aan onderaannemer Stellingen A om tijdig bewijzen te verzekeren en aan te voeren, en steunt ze zich op haar eigen nalaten. Die laattijdigheid is aan Algemene Stellingwerken B zelf toerekenbaar. Ze had dagelijks de mogelijkheid om de aangegeven uren na te gaan, waarvan ze nu blijkbaar toegeeft dat ze die verantwoordelijkheid jarenlang heeft verzuimd. Zelfs indien Stellingen A bedrieglijk een hoger aantal uren zou hebben opgegeven, welk bedrog niet is bewezen, zou Algemene Stellingwerken B zeer eenvoudig de vermeende waarheid hebben kunnen achterhalen. Dit geldt des te meer nu de tegeneis ook verschillende projecten betreft die reeds lang zijn beëindigd en die door Algemene Stellingwerken B aan haar eindklanten werden doorgerekend. Eventuele lacunes hadden bij de doorfacturatie en het nazicht van de eindklant, en bij de interne nacalculatie van Algemene Stellingwerken B, vroeger moeten zijn opgemerkt. Dit geldt eens te meer nu hoofdaannemer Algemene Stellingwerken B meent dat er een afwijking is voor meer dan de helft van alle facturen van de onderaannemer. De betwisting van Algemene Stellingwerken B is ook te algemeen en niet-onderbouwd. Algemene Stellingwerken B baseert zich immers op een beperkte vergelijking van enerzijds aangegeven uren die ze aanvaardde na de mogelijkheid van nazicht, en anderzijds geregistreerde uren op de werf van Chemiebedrijf C die werden ingegeven in het kader van de wettelijk verplichte aanwezigheidsregistratie. Ze behandelt evenwel niet de concrete facturen, factuur per factuur, dag per dag, werf per werf. Ze maakte daarentegen een selectie, kwam tot een afwijkingspercentage en past dit naar analogie toe op alle facturen. De rechtbank kan daaraan geen bewijswaarde hechten wanneer de partij tegenbewijs wil leveren tegen haar eigen eerdere, zeer concrete erkenningen van gepresteerde uren, en tegen het overeengekomen systeem van nazicht en facturatie. Bovendien gaat Algemene Stellingwerken B daarbij uit van het voor haar contractspartij meest nadelige scenario, met name dat de uren die Stellingen A aangaf bij de werfleider van Algemene Stellingwerken B foutief zijn, en niet de dagen die de onderaannemer aangaf voor de wettelijk verplichte aanwezigheidsregistratie. Het is bovendien ook niet aangetoond dat de in Uurregistratie Y ingegeven gegevens duurzaam en onveranderlijk bewaard zijn gebleven, welke bewaring door de eindklant van Algemene Stellingwerken B gebeurde. Ten slotte is een discrepantie wel een geheel van feiten waarmee de rechtbank rekening kan houden, maar geeft hoofdaannemer Algemene Stellingwerken B een draagwijdte en bewijswaarde aan dat systeem van wettelijke aanwezigheidsregistratie die noch de partijen noch de wetgever daaraan gaven. De wettelijke aanwezigheidsregistratie is een sociaalrechtelijke maatregel en betreft de aanwezigheid per dag, maar is niet bedoeld als registratie van prestaties met het oog op de bepaling en aanrekening van de prijs op basis van binnen die dag gewerkte uren. Het gebruik van het systeem van wettelijke aanwezigheidsregistratie werd ook niet overeengekomen als registratie met het oog op facturatie. Het instrument van ‘Uurregistratie Y’ werd door de partijen enkel gebruikt voor de wettelijke aanwezigheidsregistratie per dag, zonder aangetoonde overeenkomst om daarop beroep te doen voor een uurregistratie. Ingeval van samenhangende verbintenissen, zoals bij wederkerige overeenkomsten, is een schuldenaar gerechtigd om zonder rechterlijke machtiging de nakoming van de eigen verbintenis op te schorten zolang de schuldeiser de eigen verbintenis tegenover hem niet nakomt. De schuldenaar moet dit opschortingsrecht te goeder trouw uitoefenen. De rechtbank aanvaardt het verweer en het middel van Algemene Stellingwerken B over de overfacturatie, niet. Algemene Stellingwerken B kon zich daarom ook niet rechtmatig beroepen op de niet-uitvoeringsexceptie. De inhouding op de facturen is een aan Algemene Stellingwerken B toerekenbare niet-nakoming. De hoofdeis in betaling van de facturen die werden opgesteld op basis van de uitdrukkelijke toelatingen van de hoofdaannemer, is gegrond. De tegeneis in terugbetaling van het beweerd te veel betaalde wegens overfacturatie, is ongegrond.
- De rechtbank gaat niet in op het ondergeschikte verzoek van Algemene Stellingwerken B om voor zover als nodig een deskundige aan te stellen. De rechter kan, ter oplossing van een voor hem gebracht geschil, een deskundige gelasten vaststellingen te doen en een technisch advies te geven. Het deskundigenonderzoek moet als maatregel opportuun zijn, met name nuttig, geschikt en proportioneel. De te onderzoeken feiten moeten relevant zijn voor de oplossing van het geschil en de keuze voor een deskundigenonderzoek als onderzoeksmaatregel moet worden afgewogen en gemotiveerd in het licht van het bestaan van andere onderzoeksmaatregelen. De rechter mag weigeren om een deskundigenonderzoek te bevelen wanneer de eiser zijn vordering tot deskundigenonderzoek op geen enkel gegeven grondt dat de tot staving van zijn vordering aangevoerde feiten aannemelijk kan maken. Een deskundigenonderzoek is in deze zaak niet opportuun. De facturatie die Algemene Stellingwerken B in vraag stelt, is gebaseerd op haar eigen aankooporders. Het onderzoek zou het tegenbewijs betreffen van feiten die reeds onherroepelijk werden bekend door Algemene Stellingwerken B. Daarenboven zijn verschillende prestaties al drie tot vier jaar oud. Prestaties van de jaren 2021 en 2022 werden pas voor het eerst in het najaar van 2023 terug in vraag gesteld. Dit getalm schendt de rechten van haar contractspartij. De aanspraak van Algemene Stellingwerken B is niet gebaseerd op vastgestelde concrete feiten per factuur, maar op een analoge toepassing van eenzijdig vastgestelde foutmarges op een enkele werf. Die eenzijdige vaststellingen zijn gebaseerd op een niet-tegensprekelijk ‘papieren’ onderzoek van gegevens die niet dienden voor uurregistratie met het zicht op facturatie, en waarvan de duurzaamheid en onveranderbaarheid niet is aangetoond. De maatregel zou ook ingaan tegen het overeengekomen bewijssysteem van registratie, nazicht en toelating tot facturatie. Ten slotte zou de onderzoeksmaatregel dienen om aan de eigen tekortkoming van Algemene Stellingwerken B bij het nazicht en registreren van het werk op de sites, te verhelpen. De onderzoeksmaatregel van het deskundigenonderzoek, die naar tijd en geld kostelijk is, is daardoor niet opportuun.
- Stellingen A vraagt de verhoging van de hoofdsommen met “de interesten (5.903,61 €)” en een schadebeding van 5.000,00 euro. Voor de aanspraak op een interest verwijst Stellingen A in conclusies uitdrukkelijk naar de rentevoet volgens de Wet van 2 augustus
- De berekening tussen haakjes in haar gevraagde beschikkende gedeelte blijkt de berekening te zijn tot op 12 juni 2024 zoals uitgerekend in haar stukken (stuk Stellingen A, nr. 12). Door de opname tussen haakjes, beschouwt de rechtbank dit niet als de beperking, maar als een verduidelijking op dat ogenblik, met daarin inbegrepen een aanspraak op de toepassing van de interest ook na die datum. Indien de eiser dit wel had willen beperken, was dit eenvoudigweg gevorderd zonder de haakjes. Aangezien beide partijen ondernemingen zijn en de betaling de vergoeding betreft van een handelstransactie, is de Wet van 2 augustus 2002 van toepassing. De vertraging in de betaling is vastgesteld, waardoor er een verwijlinterest verschuldigd is vanaf de vervaldata. Wanneer er een verwijlinterest verschuldigd is overeenkomstig de bepalingen van de Wet van 2 augustus 2002, wordt het openstaande bedrag van rechtswege en zonder ingebrekestelling verhoogd met een forfaitaire vergoeding van 40,00 euro voor de invorderingskosten van de schuldeiser en heeft de schuldeiser bovenop dat forfaitaire bedrag ook recht op een redelijke schadeloosstelling voor alle andere invorderingskosten die dat vaste bedrag te boven gaan en die ontstaan zijn door de laattijdige betaling (art. 6). De rechtbank stelt vast dat het gevorderde bedrag van 5.000,00 euro, met inbegrip daarin van het forfaitaire bedrag van 40,00 euro, 1,2% van de hoofdsommen, een redelijke schadeloosstelling is. Het gebrek aan bewezen akkoord over een schadebeding, ontneemt de schuldeiser niet haar recht op die vergoeding en redelijke schadeloosstelling.
- Algemene Stellingwerken B spreekt onderaannemer Stellingen A ook aan in betaling van een schadebeding voor 17 incidenten van het verlaten van de werf. Het is erkend dat Stellingen A op 15 april 2024 de onderaannemingswerken heeft geschorst en haar arbeiders van de werven hield. Ze e-mailde dit toen ook aan Algemene Stellingwerken B. De rechtbank stelde hoger in dit vonnis al vast dat Stellingen A een aanspraak had op de betaling van facturen vanaf 16 januari 2024 tot op 22 april
- De betalingsachterstand is een aan Algemene Stellingwerken B toerekenbare niet-nakoming. Stellingen A was gerechtigd om de uitvoering van haar verbintenissen, met name de uitvoering van de onderaannemingswerken op de verschillende sites, te schorsen. De rechtbank stelt geen rechtsmisbruik vast van Stellingen A bij die toepassing. Ze had al op 5 oktober 2024 een aanspraak van Algemene Stellingwerken B in terugbetaling wegens een vermeende overfacturatie afgewezen, en wees zelf vanaf 29 november 2023 uitdrukkelijk op de mogelijkheid om de werken te schorsen, herhaald op 29 januari
- De schorsing was aangekondigd. Door de grote omvang van het bedrag en de stelligheid van Algemene Stellingwerken B dat er ook geen betalingen meer zouden volgen, was de toepassing ook in verhouding met de aan Algemene Stellingwerken B toerekenbare fout. De schorsing is daardoor geen aan Stellingen A toerekenbare niet-nakoming. Algemene Stellingwerken B heeft daardoor geen recht op schadevergoeding. Ten slotte toont Algemene Stellingwerken B ook geen schadebeding daarover aan die de schade zou vaststellen op 1.000,00 euro per inbreuk. Ze verwijst noch in conclusies noch in de aangehaalde brieven van 17 april en 31 mei 2024 naar concrete bepalingen uit het contract. Die overeenkomst bepaalde wel een schadebeding van 1.000,00 euro per niet-geregistreerde persoon (art. 7.2), maar dit is niet toepasselijk op de schorsing van de werken en de afwezigheid van de arbeiders. Dit deel van de tegeneis is ongegrond.
- Algemene Stellingwerken B spreekt onderaannemer Stellingen A ook aan in betaling van een schadevergoeding voor het zwartmaken van de hoofdaannemer bij de opdrachtgevers, onder meer Chemiebedrijf D en Chemiebedrijf C. Ze bepaalt die schade op 15.000,00 euro per incident. Algemene Stellingwerken B bewijst geen aan Stellingen A toerekenbare niet-nakoming. Het louter contacteren van een opdrachtgever wanneer een hoofdaannemer openstaande facturen van de onderaannemer niet betaalt, is op zich niet onrechtmatig, zeker in het licht van de beschermende regelgeving van onderaannemers in het geval van betalingsachterstand door de hoofdaannemer. De rechtbank stelt niet vast dat Stellingen A bij die contactneming fouten beging en hoofdaannemer Algemene Stellingwerken B onzorgvuldig in een slecht daglicht stelde. Stellingen A schreef eindklant Chemiebedrijf D aan per e-mails van 12 en 18 april en 17 juni 2024 (stuk Algemene Stellingwerken B, nr. B.5). Ze verwees naar zichzelf als het ‘slachtoffer’ van Algemene Stellingwerken B wegens een achterstand in de betaling van haar facturen, waardoor ze zelf in de problemen zou komen. Dit was niet onzorgvuldig, maar een nog in redelijke mate getrouwe weergave van de feiten. Uit de briefwisseling tussen Algemene Stellingwerken B en de haar verbonden vennootschap X. blijkt dat ook Algemene Stellingwerken B zelf bij opdrachtgever Chemiebedrijf C registratiegegevens had opgevraagd voor het nazicht van de facturen van Stellingen A (stuk Algemene Stellingwerken B, nr. B.1). Algemene Stellingwerken B bewijst ook geen concrete schade. Dit deel van de tegeneis is ongegrond. V. GERECHTSKOSTEN
- Stellingen A is de in het gelijk gestelde partij. Voor het bepalen van de rechtsplegingsvergoeding stelt de rechtbank het bedrag van de hoofdeis vast op 419.211,21 euro, te vermeerderen met de interesten tot op de dag van de betekening van de geding inleidende dagvaarding, zoals gevorderd door de eisende partij. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt daardoor 10.988,37 euro. VI. BESLISSING Na beraad en gelet op de argumenten hierboven, beslist de rechtbank het volgende. Deze beslissing gebeurt op tegenspraak. De rechtbank verklaart de hoofdeis van Stellingen A toelaatbaar en gegrond zoals hieronder volgt. Ze veroordeelt Algemene Stellingwerken B tot betaling aan Stellingen A van: - het bedrag van 414.211,21 euro, - een verwijlinterest op het bedrag van 414.211,21 euro aan de rentevoet bepaald in artikel 5 van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties vanaf de vervaldata van de facturen van de respectievelijke hoofdsommen tot aan de dag van de betekening van de geding inleidende dagvaarding en sedertdien met een gerechtelijke interest op dit bedrag aan dezelfde rentevoet tot de dag van volledige betaling, - het bedrag van 5.000,00 euro. Ze verklaart de tegeneis van Algemene Stellingwerken B ongegrond, en wijst die tegeneis af. Ze wijst ook het ondergeschikte verzoek om een deskundige aan te stellen, af. De rechtbank verwijst Algemene Stellingwerken B in de gerechtskosten en veroordeelt haar tot betaling aan Stellingen A van de rechtsplegingsvergoeding van 10.988,37 euro, en de dagvaardingskosten van 296,08 euro. Algemene Stellingwerken B moet, na uitnodiging, de rolrechten van 165,00 euro betalen aan de Belgische Staat, FOD Financiën. Deze beslissing is gewezen door de veertiende kamer van de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, samengesteld uit: S. BUSSCHER, rechter, voorzitter van de kamer, *, rechter in ondernemingszaken, *, rechter in ondernemingszaken, en uitgesproken in openbare zitting van diezelfde kamer op 13 maart 2025 door de voorzitter van die kamer, bijgestaan door *, griffier. Een instrument voor registratie van onder meer tijd en activiteiten. 2 De onlinedienst van de FOD Sociale Zekerheid voor de wettelijke aanwezigheidsregistratie. 3 Welzijnswet 4 augustus 1996, art. 31bis e.v. PDF document ECLI:BE:ORANT:2025:JUG.20250313.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div