id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 03 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORANT:2025:JUG.20250403.1 Rolnummer: A/24/03858 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2026-01-26 Raadplegingen: 488 - laatst gezien 2026-06-18 15:31 Fiche 1 Wanneer de partijen bij een aannemingsovereenkomst geen prijs afspreken en evenmin uitdrukkelijk een wijze van prijsbepaling overeenkomen, worden ze vermoed de prijsbepaling op voorhand achterwege te laten en beroep te doen op de prijsbepaling door partijbeslissing. De prijs wordt dan in eerste instantie door de aannemer bepaald, rekening houdend met de door hem nuttig gedane uitgaven en bestede uren, de aangekochte materialen, de kost van de onderaannemers en het materieel, de waarde van de werken op zich, maar ook de subjectieve waarde voor de opdrachtgever, en de door hem gewoonlijk aangerekende prijzen. De aannemer moet die bevoegdheid van prijsbepaling te goeder trouw uitvoeren, onder meer door de opdrachtgever op de hoogte te houden, en met een controlemogelijkheid voor de rechter: de opdrachtgever kan de afrekening betwisten indien hij kan aantonen dat de afrekening kennelijk onredelijk of onjuist is. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Bouwrecht - Aanneming Vrije woorden: Aanneming, prijsbepaling, prijs in vrije rekening, meerwerken Fiche 2 Wanneer een aannemer het oprichten van een gebouw op zich heeft genomen aan vaste prijs, volgens een met de eigenaar van de grond vastgelegd en overeengekomen plan, kan hij geen vermeerdering van de prijs vorderen, noch onder voorwendsel van vermeerdering van de arbeidslonen of van de bouwstoffen, noch onder voorwendsel van verandering of vergrotingen die in het plan zijn aangebracht, tenzij voor die veranderingen of vergrotingen schriftelijke toestemming is verleend, en de prijs ervan met de eigenaar is overeengekomen. De tuinaanneming in deze zaak (vrijmaken en afvoeren graszone, grindwerk en aanplantingen) betreft niet het oprichten van een gebouw. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Bouwrecht - Aanneming Vrije woorden: Prijs aanneming, meerwerken Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1793 - 34 ELI link Pub nr 1804032154 Fiche 3 Ook bij de prijsbepaling bij partijbeslissing moeten de partijen elkaar voorafgaand aan de wilsovereenstemming over de meerwerken, de informatie verstrekken die de goede trouw hen vereist te geven, in het licht van de hoedanigheid van de partijen, hun redelijke verwachtingen en het voorwerp van het contract (art. 5.16 BW). UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Totstandkoming overeenkomst - Precontractuele aansprakelijkheid Vrije woorden: Aanneming, prijsbepaling, prijs in vrije rekening, precontractuele informatieverplichtingen Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - 28-04-2022 - 5.16 - 27 ELI link Pub nr 2022A32058 Tekst van de beslissing Ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen Veertiende kamer BV TUINWERKEN A TEGEN BV B. I. SITUERING VAN HET GESCHIL Tuinaannemer Tuinwerken A spreekt opdrachtgever B. aan in betaling van het saldo van de prijs die bij partijbeslissing zou zijn vastgesteld. Opdrachtgever B. betwist de hoofdeis en beroept zich op een vaste prijs. II. PROCEDUREVERLOOP Tuinwerken A heeft het geding ingeleid bij dagvaarding betekend op 23 augustus
- De zaak werd in beraad genomen op de openbare zitting van 13 maart 2025 nadat de raadslieden van de partijen op die zitting werden gehoord. De rechtbank hield rekening met de neergelegde syntheseconclusies en stukken. In deze procedure werd de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken nageleefd. III. EISEN Met de hoofdeis eist Tuinwerken A de veroordeling van B. tot betaling van 4.895,00 euro, te vermeerderen met een interest aan de rentevoet bepaald in artikel 5 van de Wet van 2 augustus 2002 vanaf 24 april 2024 tot aan de dag van de betekening van de dagvaarding en sedertdien met een gerechtelijke interest aan dezelfde rentevoet, een vergoeding van 489,50 euro, te vermeerderen met een gerechtelijke interest aan de wettelijke rentevoet sinds de dag van de betekening van de dagvaarding, en de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 1.350,00 euro. Ze vraagt dat de beslissing uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard zonder zekerheidsstelling en met uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement. B. vraagt de afwijzing van de hoofdeis als ongegrond met de veroordeling van de eiser op hoofdeis tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 1.350,00 euro. B. stelt een tegeneis in in aanstelling van een deskundige, met de veroordeling van Tuinwerken A tot de consignering van het voorschot van de expertisekosten. IV. BEOORDELING
- Tuinaannemer Tuinwerken A spreekt opdrachtgever B. aan in betaling van het saldo van de factuur van 18 april 2024 (saldo van 4.895,00 euro van factuur van 18.895,00 euro). Na de offerte van 24.000,00 euro zouden de werken verschillende keren zijn gewijzigd. Ze zou de gevraagde aanpassingen hebben uitgevoerd. Ze wijst op de prijsbepaling bij partijbeslissing. Ze betwist dat ze zaken dubbel aanrekende. De verplaatsing van het tuinhuis zou niet zijn inbegrepen in de prijs voor het planten van rododendrons. Dit zouden geen ‘voorbereidende werken’ zijn. De rijplaten zouden niet zijn inbegrepen in de offerte omdat dit pas zou zijn genoodzaakt door het verplaatsen van het tuinhuis en een partij hout. Er zou geen deskundige nodig zijn voor de loutere prijsbepaling.
- Opdrachtgever B. betwist de hoofdeis. De afrekening zou onmiddellijk zijn geprotesteerd. Ze wijst op de offerte van 24.000,00 euro, de schrapping van het nieuwe gazon van 7.950,00 euro en enkele opties, waardoor er maar 13.650,00 euro verschuldigd zou zijn. Dit zou een vaste prijs zijn. Enkel voor de aanplanting van rododendrons zou een eenheidsprijs van 950,00 euro per stuk zijn overeengekomen. De aannemer zou zonder akkoord meerwerken hebben aangerekend: die zouden zonder voorbehoud zijn uitgevoerd door de aannemer, zonder melding dat daarvoor een andere prijs verschuldigd zou zijn. Die bijkomend aangerekende prestaties zouden deel uitmaken van de offerteprijs. De verplaatsing van het tuinhuis zou zijn inbegrepen in de vaste prijs. De door de aannemer als stuk neergelegde schetsen, zouden nooit aan de opdrachtgever zijn overgemaakt. Op de enige schets die ze zou hebben ontvangen, zou het tuinhuis al zijn ingepland in de nieuwe locatie. De uitvoering met rijplaten zou ook inbegrepen moeten zijn in de vaste prijs aangezien die vereiste al van in het begin gekend had moeten zijn. Ondergeschikt zou een deskundige moeten worden aangesteld voor de afrekening.
- Tuinwerken A schreef op 18 april 2024 een factuur uit aan B. van 18.895,00 euro btw verlegd. De aannemer die aanspraak maakt op de betaling van de aannemingsprijs voor uitgevoerde werken moet aantonen dat er hierover een overeenkomst bestaat en dat hij de werken heeft uitgevoerd, tenzij de opdrachtgever dit niet betwist. Op 22 april 2024 e-mailde een van de bestuurders van B. dat er meerprijzen zonder akkoord werden aangerekend, dat die prijzen ontspoorden, dat ze de factuur protesteerde en dat ze een deelbetaling van 14.000,00 euro zou doen met voorbehoud. Die e-mail van 22 april 2024 is een tijdig en concreet protest. Er is geen aanvaarding van de factuur. De rechtbank stelt evenwel vast dat dit protest en het verweer tegen de hoofdeis in hoofdsom ongegrond is, zoals hieronder verder behandeld. Er worden geen ondertekende overeenkomsten aan de rechtbank overgemaakt. Uit de eensluidende verklaringen van de partijen stelt de rechtbank vast dat er een wilsovereenstemming tussen hen bestond over de offerte van Tuinwerken A van 19 maart 2024 aan de bestuurders van B. voor 24.000,00 euro excl. btw, waarnaar de beide partijen verwijzen. De werken betroffen: - vrijmaken en afvoeren graszone: 1.500,00 euro - grindwerk: 1.450,00 euro - ongeveer 10 rododendrons van 1,75m breedte aan 950,00 euro per stuk: 9.500,00 euro - opplanten perceel azalea’s: 1.200,00 euro - opplanten perceel rododendrons van 60 cm breedte: 1.200,00 euro - opplanten perceel viburnum tinus: 1.200,00 euro - vernieuwen gazon: 7.950,00 euro Die offerte is ook voor een groot deel uitgevoerd. De offerte werd opgesteld aan de bestuurders in persoon, maar de overeenkomst werd uiteindelijk gesloten door de onderneming, aan wie de factuur werd gericht en die ook de deelbetaling uitvoerde. Ten onrechte beweert B. dat er geen vaste prijs werd overeengekomen van 24.000,00 euro voor de in de offerte vermelde werken, maar dat er opties zouden zijn aangeboden waaruit ze vrije keuze zou hebben. De offerte vermeldde nergens opties, maar lijstte concrete werken op met de prijs per onderdeel. Uit niets blijkt dat B. het recht had om zomaar bepaalde werken eruit te laten. Dit debat is echter niet relevant, aangezien geen enkele partij een verdere uitvoering eist of een vergoeding eist voor minderwerk. Tuinwerken A rekende uiteindelijk 18.895,00 euro btw verlegd aan, samengesteld als volgt: 1) vrijmaken en afvoeren graszone: 1.500,00 euro 2) grindwerk: 1.450,00 euro 3) 10 rododendrons: 9.500,00 euro 4) opplanten perceel azalea’s: 1.200,00 euro 5) leveren boomschors voor rododendrons: 1.200,00 euro 6) wegvoeren rot hout: 1.220,00 euro 7) huren en (ver)plaatsen rijplaten: 500,00 euro 8) verplaatsen tuinhuis: 2.200,00 euro 9) vergoeding opgestookte rijplaat: 125,00 euro De eerste vier posten van samen 13.650,00 euro zijn oorspronkelijk overeengekomen werken die aan de overeengekomen prijs zijn aangerekend. Dit deel van de hoofdsom is ook niet betwist en is omvat in de deelbetaling van 14.000,00 euro. Van de vijf andere posten wordt de uitvoering niet betwist. Op vraag van de rechtbank bevestigt de raadsman van B. op de zitting immers dat al de aangerekende werken werden uitgevoerd. Hierover bestond ook in de aanvankelijke briefwisseling geen betwisting. De overeenkomst over die gewijzigde en bijkomende werken vereiste ook geen schriftelijk contract tussen de beide partijen, die ondernemingen zijn. De opdracht betrof niet het oprichten van een gebouw (art. 1793 oud BW). Die vijf laatste posten zijn niet inbegrepen in de oorspronkelijke opdracht. Het betreft handelingen en leveringen die niet vallen onder de in de aanvaarde offerte beschreven werken. B. bewijst niet dat het tuinhuis noodzakelijk moest worden verplaatst voor de oorspronkelijke werken. De uiteindelijke plaatsing verschilt ook van de plaats aangeduid op stuk nr. 2 en p. 7 van haar conclusie, waar het tuinhuis achteraan de tuin kon blijven staan tussen rododendrons. B. stelt ten onrechte dat er geen prijs voor meerwerken kan worden aangerekend indien er voorafgaandelijk geen prijs werd overeengekomen. Voor de bijkomende werken spraken de partijen inderdaad geen prijs af en kwamen ze evenmin uitdrukkelijk een wijze van prijsbepaling overeen. In dat geval, worden de partijen bij een aannemingsovereenkomst vermoed de prijsbepaling op voorhand achterwege te laten en beroep te doen op de prijsbepaling door partijbeslissing. [voetnoot 1] Er wordt geen tegenbewijs geleverd tegen dat vermoeden. De prijs wordt dan in eerste instantie door de aannemer bepaald, rekening houdend met de door hem nuttig gedane uitgaven en bestede uren, de aangekochte materialen, de kost van de onderaannemers en het materieel, de waarde van de werken op zich, maar ook de subjectieve waarde voor de opdrachtgever, en de door hem gewoonlijk aangerekende prijzen. De aannemer moet die bevoegdheid van prijsbepaling te goeder trouw uitvoeren, onder meer door de opdrachtgever op de hoogte te houden, en met een controlemogelijkheid voor de rechter: de opdrachtgever kan de afrekening betwisten indien hij kan aantonen dat de afrekening kennelijk onredelijk of onjuist is. B. betwist de meerprijs voor de verplaatsing van het tuinhuis (2.200,00 euro), waarbij ze aanklaagt dat de aannemer dit niet verduidelijkt, maar dat het buiten proportie is voor iets dat nog geen dag duurde voor één persoon. De bewijslast dat de door de aannemer bepaalde prijs kennelijk onredelijk of onjuist is, ligt evenwel bij B.. De loutere bewering dat de prijs buitenproportioneel is, is onvoldoende. Ze legt niet bijvoorbeeld een offerte voor van een andere aannemer of inschatting door een partijdeskundige. De arbeidskost van zelfs een enkele dag wordt ook verhoogd met materieelkosten (andere dan de afzonderlijk aangerekende rijplaten) en de algemene bedrijfskosten. Bij gebreke aan enig bewijs dat de meerprijs kennelijk onredelijk of onjuist is, is dit verweer ongegrond. Voor de rijplaten (500,00 euro) legt B. uittreksels voor van websites van verhuurfirma’s. De opdrachtgever gaat er echter aan voorbij dat de huur van dergelijk materieel aan de door haar vermelde lage dagprijzen, een minimale huurperiode vereist van enkele dagen, en dat die prijzen worden verhoogd met de arbeidskost, de transportkost en de algemene bedrijfskosten. De loutere verwijzing naar de lagere daghuurprijs, is onvoldoende bewijs dat de meerprijs kennelijk onredelijk of onjuist is. B. voert geen andere concrete of becijferde betwisting van de overige posten. De rechtbank stelt ook vast dat opdrachtgever B. bij haar niet-onderbouwd verweer, niet te goeder trouw handelt. Ze voert geen enkel concreet en becijferd verweer tegen de posten van samen 16.195,00 euro binnen de totale prijs van 18.895,00 euro, aangezien ze enkel twee posten concreet betwist van samen 2.700,00 euro. Niettemin betaalde ze maar 14.000,00 euro in plaats van 16.195,00 euro. Ten slotte moeten de partijen ook bij de prijsbepaling bij partijbeslissing elkaar voorafgaand aan de wilsovereenstemming over de meerwerken, de informatie verstrekken die de goede trouw hen vereist te geven, in het licht van de hoedanigheid van de partijen, hun redelijke verwachtingen en het voorwerp van het contract (art. 5.16 BW). B. toont geen concrete niet-nakoming daarover aan, noch schade die daaruit zou voortvloeien. De rechtbank stelt dit evenmin vast. De hoofdsom is verschuldigd.
- De rechter kan, ter oplossing van een voor hem gebracht geschil, een deskundige gelasten vaststellingen te doen en een technisch advies te geven. Het deskundigenonderzoek moet als maatregel opportuun zijn, met name nuttig, geschikt en proportioneel. De te onderzoeken feiten moeten relevant zijn voor de oplossing van het geschil en de keuze voor een deskundigenonderzoek als onderzoeksmaatregel moet worden afgewogen en gemotiveerd in het licht van het bestaan van andere onderzoeksmaatregelen. De rechter mag weigeren om een deskundigenonderzoek te bevelen wanneer de eiser zijn vordering tot deskundigenonderzoek op geen enkel gegeven grondt dat de tot staving van zijn vordering aangevoerde feiten aannemelijk kan maken. In deze zaak heeft de rechtbank de eisen kunnen behandelen en de middelen kunnen beantwoorden zonder dat er bewijsmaatregelen moesten worden getroffen. B. heeft voor haar verweer immers geen feiten voldoende aannemelijk gemaakt om de onderzoeksmaatregel van een deskundigenonderzoek, die naar tijd en geld kostelijk is, te verantwoorden. Ze heeft bijvoorbeeld geen concrete offertes voor de aangerekende meerwerken van andere aannemers of becijferde adviezen van partijdeskundigen, neergelegd om de feiten die het verweer onderbouwen voldoende aannemelijk te maken om dit aan een deskundige voor te leggen. Dergelijke maatregel lijkt niet opportuun.
- Tuinwerken A vraagt de verhoging van het openstaande saldo van de hoofdsom met een verwijlinterest aan de rentevoet bepaald in artikel 5 van de Wet van 2 augustus 2002 vanaf 24 april 2024, een vergoeding van 489,50 euro (10%) en een gerechtelijke interest daarop aan de wettelijke rentevoet. Ze bewijst geen kennisneming door de schuldenaar van algemene betalingsvoorwaarden, noch het akkoord ermee. Aangezien beide partijen ondernemingen zijn en de betaling de vergoeding betreft van een handelstransactie, is de Wet van 2 augustus 2002 van toepassing. De vertraging in de betaling is vastgesteld, waardoor er een verwijlinterest verschuldigd is vanaf de dag na de betalingstermijn volgens die wet, zijnde dertig kalenderdagen, hetzij vanaf 19 mei
- Wanneer er een verwijlinterest verschuldigd is overeenkomstig de bepalingen van de Wet van 2 augustus 2002, wordt het openstaande bedrag van rechtswege en zonder ingebrekestelling verhoogd met een forfaitaire vergoeding van 40,00 euro voor de invorderingskosten van de schuldeiser en heeft de schuldeiser bovenop dat forfaitaire bedrag ook recht op een redelijke schadeloosstelling voor alle andere invorderingskosten die dat vaste bedrag te boven gaan en die ontstaan zijn door de laattijdige betaling (art. 6). De rechtbank stelt vast dat het gevorderde bedrag van 10% van het onbetaalde saldo, met inbegrip daarin van het forfaitaire bedrag van 40,00 euro, een redelijke schadeloosstelling is. Het gebrek aan bewezen akkoord over een schadebeding, ontneemt de schuldeiser niet haar recht op die vergoeding en redelijke schadeloosstelling. De vergoedende interest maakt een integrerend deel uit van de vergoeding van de schade die is veroorzaakt door een contractuele niet-nakoming. Hij vormt een aanvullende vergoeding voor de schade die voortvloeit uit de vertraging die bij de schadeloosstelling is opgelopen. Gelet op de vertraging in de betaling van de schadevergoeding, kan een interest worden toegekend vanaf de dagvaarding zoals gevraagd. Om tot een zo volledig mogelijk schadeherstel te komen, loopt die interest aan de wettelijke rentevoet.
- De eisende partij op hoofdeis vraagt dat de beslissing uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement. Eindvonnissen zijn in principe uitvoerbaar bij voorraad (art. 1397, eerste lid Ger.W.). De rechtbank kan aan de voorlopige tenuitvoerlegging de voorwaarde verbinden dat een zekerheid wordt gesteld (art. 1400, § 1 Ger.W.). Geen van de partijen vraagt de rechtbank om dergelijke zekerheidstelling. Ze dient zich daarom niet over de uitsluiting ervan uit te spreken. De rechtbank kan beslissen dat er geen reden is tot kantonnement voor de veroordelingen die ze uitspreekt of voor een deel ervan, indien de vertraging in de regeling de schuldeiser aan een ernstig nadeel blootstelt (art. 1406 Ger.W.). Dit verzoek wordt niet verder gemotiveerd, laat staan bijzonder gemotiveerd. Bij gebreke aan aangevoerde redenen, kan op dit verzoek niet worden ingegaan. V. GERECHTSKOSTEN
- Tuinwerken A is de in het gelijk gestelde partij. Voor het bepalen van de rechtsplegingsvergoeding stelt de rechtbank het bedrag van de hoofdeis vast op 5.384,50 euro, te vermeerderen met de interesten tot op de dag van de betekening van de geding inleidende dagvaarding, zoals gevorderd door de eisende partij. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt daardoor 1.020,35 euro.
- De eisende partij op hoofdeis is btw-plichtig en kan de belasting over de toegevoegde waarde op de betekeningskosten recupereren, zodat er geen aanleiding bestaat om die belasting toe te kennen. Deze kosten zullen daarom maar kunnen worden toegekend voor 224,56 euro. VI. BESLISSING Na beraad en gelet op de argumenten hierboven, beslist de rechtbank het volgende. Deze beslissing gebeurt op tegenspraak. De rechtbank verklaart de hoofdeis van Tuinwerken A toelaatbaar en gegrond zoals hieronder volgt. Ze veroordeelt B. tot betaling aan Tuinwerken A van: - het bedrag van 4.895,00 euro, btw verlegd, - een verwijlinterest op het bedrag van 4.895,00 euro aan de rentevoet bepaald in artikel 5 van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties vanaf 19 mei 2024 tot aan de dag van de betekening van de geding inleidende dagvaarding en sedertdien met een gerechtelijke interest op dit bedrag aan dezelfde rentevoet tot de dag van volledige betaling, - het bedrag van 489,50 euro, - een interest op het bedrag van 489,50 euro aan de wettelijke rentevoet bepaald in artikel 2, § 1 van de Wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest vanaf de dag van de betekening van de geding inleidende dagvaarding tot de dag van volledige betaling. Ze wijst het meergevorderde af als ongegrond. Ze verklaart de tegeneis van B. om een deskundige aan te stellen, ongegrond, en wijst die tegeneis af. De rechtbank verwijst B. in de gerechtskosten en veroordeelt haar tot betaling aan Tuinwerken A van de rechtsplegingsvergoeding van 1.020,35 euro, en de dagvaardingskosten van 224,56 euro. B. moet, na uitnodiging, de rolrechten van 165,00 euro betalen aan de Belgische Staat, FOD Financiën. Deze beslissing is gewezen door de veertiende kamer van de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, samengesteld uit: S. BUSSCHER, rechter, voorzitter van de kamer, *, rechter in ondernemingszaken, *, rechter in ondernemingszaken, en uitgesproken in openbare zitting van diezelfde kamer op 4 april 2025 door de voorzitter van die kamer, bijgestaan door *, griffier. voetnoot 1: Vgl.: GOOSSENS, W., Aanneming van werk. Het gemeenrechtelijk dienstencontract, Brugge, die Keure, 2003, 298-300; KOHL, B., Contrat d'entreprise in Répertoire pratique du droit belge, Brussel, Bruylant, 2016, nr. 97, p. 220-
- PDF document ECLI:BE:ORANT:2025:JUG.20250403.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div