← België

A. t. Woonboog

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 08 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORANT:2025:JUG.20250508.1 Rolnummer: A/24/04273 Zaak: A. t. Woonboog Rechtsgebied: Bestuursrecht - Overige Invoerdatum: 2026-01-27 Raadplegingen: 435 - laatst gezien 2026-06-18 18:23 Fiche 1 De Rechtsbeschermingswet bepaalt verschillende verhaalprocedures. Wie belang heeft of had om een bepaalde opdracht te krijgen en benadeeld is of dreigt te worden door een beweerde schending, kan de rechtbank verzoeken om de beslissing te vernietigen (art. 14) of te schorsen wegens een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid (art. 15). Wie benadeeld is door een van de in artikel 14 bedoelde schendingen die door de aanbesteder zijn begaan en die de sluiting van de opdracht voorafgaan, kan een schadevergoeding eisen indien de schade en het oorzakelijk verband met de beweerde schending is bewezen (art. 16). Wanneer de burgerlijke rechter de verhaalinstantie is, zijn de bijzondere toelaatbaarheidsvereisten voor administratieve rechtbanken niet van toepassing. Omgekeerd mogen de specifieke toelaatbaarheidsvereisten wat het belang betreft voor de burgerlijke rechtbanken (art. 17 en 18 Ger.W.), de rechtstoegang niet verhinderen wanneer de Rechtsbeschermingswet, die de Europese Richtlijnen inzake overheidsopdrachten en beroepsprocedures daarover omzet, een uitdrukkelijke aanspraak met een vorderingsrecht bepaalt als verhaal. Het voor de burgerlijke rechtbank vereiste belang bestaat uit het materieel of moreel voordeel, hoe gering ook, dat wie de eis instelt, op het ogenblik van de rechtsingang mag verwachten en waardoor zijn bestaande rechtstoestand gewijzigd en verbeterd kan worden. Voor de eis om de in artikel 16 van de Rechtsbeschermingswet bedoelde schadevergoeding te verkrijgen, volstaat het voordeel van het beoogde schadeherstel als het belang bij die eis. Een discussie over de omvang van de schade die verband houdt met de inschrijving voor de opdracht na heraanbesteding of de gunning of het aanvechten daarvan, betreft het debat over de grond van de zaak, maar heeft geen invloed op het belang in het kader van de toelaatbaarheid. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSOPDRACHTEN - Aanneming werken - Gunningswijze Vrije woorden: Belang overheidsopdrachten, belang burgerlijke rechter, verhaalinstantie overheidsopdrachten Wettelijke bepalingen: Wet - 17-06-2013 - 14 - 01 ELI link Pub nr 2013203640 Wet - 17-06-2013 - 15 - 01 ELI link Pub nr 2013203640 Wet - 17-06-2013 - 16 - 01 ELI link Pub nr 2013203640 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 17 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 18 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 Het volgen van een procedure houdt geen verplichting in tot het gunnen of het sluiten van de opdracht. De aanbestedende overheid kan zowel afzien van het gunnen of het sluiten van de opdracht als de procedure herbeginnen, desnoods op een andere wijze (art. 85 Overheidsopdrachtenwet). De plaatsing van een overheidsopdracht strekt ertoe te voldoen aan de behoeften van de aanbestedende overheid. De aanbestedende overheid beschikt in principe dan ook over een aanzienlijke beoordelingsruimte bij het nemen van een beslissing om een opdracht al dan niet te gunnen en om de plaatsingsprocedure al dan niet stop te zetten. Het komt de rechtbank niet toe zich in de plaats te stellen van de aanbesteder. Wel mag de aanbesteder daarbij niet willekeurig te werk gaan en moet die beslissing steunen op deugdelijke motieven die de beslissing kunnen dragen. Ook de beslissing om af te zien van het plaatsen van de opdracht moet gemotiveerd zijn. Die beslissing moet de juridische en feitelijke motieven bevatten (art. 4 en 5 Rechtsbeschermingswet). Er moeten deugdelijke, afdoende en draagkrachtige motieven zijn die de beslissing onderbouwen. De rechtbank kan desgevraagd nagaan of de aanbestedende overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Die beginselen die mee bepaald zijn in de Rechtsbeschermingswet, zijn ook van toepassing op niet-organieke overheden die als aanbesteder optreden. De beslissing om af te zien van een gunningsprocedure en een nieuwe procedure op te starten is niet beperkt tot uitzonderlijke gevallen of tot gewichtige redenen. Het verdubbelen van de hoeveelheden in het kader van een raamopdracht is een aanzienlijke verruiming van het toepassingsgebied ervan, waardoor dit een wezenlijke wijziging is in de zin van artikel 38/5 en 38/6 KB Uitvoering. Een aanbesteder die tijdens de gunningsprocedure al opmerkt dat de hoeveelheden zouden verdubbelen en die de procedure vervolgens stopzet om er een nieuwe te beginnen, treedt zorgvuldig op. Dit maakt het motief om de gunningsprocedure stop te zetten, deugdelijk, afdoend en draagkrachtig, en de stopzettingsbeslissing die uit die motieven voortvloeit is redelijk. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSOPDRACHTEN - Aanneming werken - Gunningswijze Vrije woorden: Afzien van gunning, heraanbesteding, formele motiveringsverplichting, materiële motiveringsverplichting Wettelijke bepalingen: Wet - 17-06-2013 - 4 - 01 ELI link Pub nr 2013203640 Wet - 17-06-2013 - 5 - 01 ELI link Pub nr 2013203640 Wet - 17-06-2016 - 85 - 19 ELI link Pub nr 2016021053 Fiche 3 De rechtbank stelt op basis van de vertrouwelijke, niet-verbeterde offertes vast dat er grote verschillen zijn tussen de offertes, en kan zo gemiddeldes en variatiecoëfficiënten bepalen. Dit zijn grote verschillen die aan de uitschieters een vermoeden van abnormaliteit kunnen hechten, maar het is niet aangetoond dat die verschillen en abnormaliteit niet konden worden verantwoord in de gunningsprocedure. Variatiecoëfficiënten van 18% tot 28,5% maken de prijsverschillen wel groot, maar niet dermate groot dat ze niet zouden kunnen worden verantwoord. Wanneer de aanbesteder de offertes niet verder nagaat en het de inschrijvers niet toelaat om de prijzen te verantwoorden, terwijl de aangetoonde prijsverschillen groot zijn maar niet dermate groot dat ze niet zouden kunnen worden verantwoord, is dit een onvoldoend draagkrachtig motief om de gunningsprocedure eenvoudigweg stop te zetten. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSOPDRACHTEN - Aanneming werken - Gunningswijze Vrije woorden: Abnormale prijs, nazicht offertes overheidsopdrachten, prijsverschillen, motiveringsverplichting Fiche 4 Als verhaalinstantie moet de rechtbank de vertrouwelijkheid en het recht op eerbiediging van zakengeheimen waarborgen met betrekking tot de informatie die is vervat in de aan haar overgelegde dossiers, ook al kan ze zelf van die informatie kennis nemen en ze in haar beschouwing betrekken (art. 26 Rechtsbeschermingswet).Offertes van concurrenten met eenheidsprijzen, onder meer uurlonen, kunnen vertrouwelijke gegevens zijn. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSOPDRACHTEN - Aanneming werken - Gunningswijze Vrije woorden: Vertrouwelijkheid, overheidsopdracht, gunning Wettelijke bepalingen: Wet - 17-06-2013 - 26 - 01 ELI link Pub nr 2013203640 Fiche 5 Een beschikking in kort geding brengt geen nadeel toe aan de grond van de zaak zelf (art. 1039 Ger.W.), met name de beoordeling over de eisen in vernietiging en schadevergoeding die gesteund zijn op dezelfde oorzaak. De rechtbank kan ten gronde afwijken van wat de kortgedingrechter besliste. De afwijzing ten gronde houdt de beoordeling in over de grond van de zaak. Wanneer die in strijd is met een kortgedingbeschikking, die bij verstek werd gewezen, houdt het gezag van gewijsde van de voorlopige schorsingsbeslissing op. Het einde van het gezag van gewijsde van de voorlopige schorsingsbeslissing is een gevolg van het vonnis ten gronde. Dit vereist geen afzonderlijke actieve of verdere expliciete uitspraak of veroordeling. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Gevolgen Vrije woorden: Kort geding, gevolgen kort geding, gezag van gewijsde Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1039 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen Vonnis Veertiende kamer BV FIRMA A, TEGEN BV WOONBOOG I. SITUERING VAN HET GESCHIL Firma A spreekt Woonboog aan in schadevergoeding wegens een vermeend onrechtmatige beslissing van beëindiging van een gunningsprocedure en de impliciete niet-gunning. Ze vraagt ook om de vertrouwelijkheid op te heffen van offertes van andere inschrijvers. Woonboog betwist de eisen en vraagt de vernietiging van de getroffen maatregelen in de kortgedingbeschikking van 12 januari 2024 waarbij haar beslissing werd geschorst. II. PROCEDUREVERLOOP Firma A heeft het geding ingeleid bij dagvaarding betekend op 26 januari

  1. Bij vonnis van de vijfde kamer van deze rechtbank, afdeling Turnhout, werd de zaak verzonden naar de afdeling Antwerpen. De zaak werd in beraad genomen op de openbare zitting van 3 april 2025 nadat de raadslieden van de partijen op die zitting werden gehoord. De rechtbank hield rekening met de neergelegde syntheseconclusies en stukken. In deze procedure werd de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken nageleefd. III. EISEN Met de hoofdeis eist Firma A om de vertrouwelijkheid op te heffen van stukken 3, 4 en 5 van Woonboog. Ze vraagt om voor recht te zeggen dat de beslissing van Woonboog van 22 november 2023 ondertekend op 30 november 2023 (stopzetting plaatsingsprocedure percelen 1, 2, 3 en 4 en niet-gunning) ongeldig en niet van waarde is. Ze vraagt kennis te nemen van de kortgedingbeslissing van 12 januari 2024 en de kortgedingprocedure en de heropstart van de gunningsprocedure door Woonboog met eenzelfde voorwerp en nauwelijks gewijzigd bestek. Ze vraagt de veroordeling van Woonboog tot betaling van 84.502,00 euro (10% offertebedrag excl. btw), te vermeerderen met een interest aan de rentevoet bepaald in artikel 69 KB Plaatsing 14 januari 2023 vanaf 22 november 2023 en de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 9.000,00 euro. Woonboog vraagt de afwijzing van de hoofdeis als onontvankelijk, minstens ongegrond. Ze vraagt de vernietiging van de getroffen maatregelen in de kortgedingbeschikking van 12 januari 2024 van deze rechtbank afdeling Antwerpen en van de daarin toegekende rechtsplegingsvergoeding. Ze vraagt de veroordeling van Firma A tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 9.000,00 euro in de procedure ten gronde en een van 1.800,00 euro in de procedure in kort geding. IV. BEOORDELING A. OPDRACHT, GUNNINGSPROCEDURE EN SCHORSING
  2. Aanbesteder Woonboog schreef een overheidsopdracht uit voor onderhoud en herstellingen van individuele cv-installaties. Het was een openbare procedure en de opdracht had de vorm van een raamovereenkomst. Er waren vier percelen per regio. De geraamde waarde was 1.519.080,00 euro. Op de opdracht is de volgende regelgeving van toepassing: - Overheidsopdrachtenwet van 17 juni 2016 [voetnoot nr. 1], - Rechtsbeschermingswet van 17 juni 2013 [voetnoot nr. 2], - KB Plaatsing van 18 april 2017 [voetnoot nr. 3]. B, C en Firma A dienden offertes in.
  3. Woonboog besloot op 22 november 2023 om de opdracht stop te zetten en niet te gunnen. Ze meende dat er te grote prijsverschillen waren voor een normale prijscontrole en dat er grondige wijzigingen nodig waren aan het bestek.
  4. De stopzettingsbeslissing werd geschorst bij kortgedingbeschikking van 12 januari 2024 bij verstek. De beschikking werd niet betekend. Woonboog plaatste een nieuwe opdracht. Ze gunde die gedeeltelijk aan Firma A op 21 februari
  5. B. BELANG
  6. Firma A meent dat ze voldoende belang heeft omdat ze een schadevergoeding eist. Dit is te onderscheiden van het belang in een administratieve vernietigingsprocedure voor de Raad van State.
  7. Woonboog meent dat Firma A geen belang heeft omdat ze meedeed met de heraanbesteding en daarbij ook percelen gegund had gekregen. Hierdoor zou Firma A ook geen schade lijden.
  8. De rechtbank stelt vast dat eiser Firma A Woonboog aanspreekt in betaling van een schadevergoeding van 84.502,00 euro wegens de ‘ongeldigheid’ van de beslissing van de aanbesteder van 22 november 2023 ondertekend op 30 november 2023 om de plaatsingsprocedure stop te zetten en niet over te gaan tot gunning. De Rechtsbeschermingswet bepaalt verschillende verhaalprocedures. Wie belang heeft of had om een bepaalde opdracht te krijgen en benadeeld is of dreigt te worden door een beweerde schending, kan de rechtbank verzoeken om de beslissing te vernietigen (art. 14) of te schorsen wegens een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid (art. 15). Wie benadeeld is door een van de in artikel 14 bedoelde schendingen die door de aanbesteder zijn begaan en die de sluiting van de opdracht voorafgaan, kan een schadevergoeding eisen indien de schade en het oorzakelijk verband met de beweerde schending is bewezen (art. 16). Wanneer de burgerlijke rechter de verhaalinstantie is, zijn de bijzondere toelaatbaarheidsvereisten voor administratieve rechtbanken niet van toepassing. Omgekeerd mogen de specifieke toelaatbaarheidsvereisten wat het belang betreft voor de burgerlijke rechtbanken (art. 17 en 18 Ger.W.), de rechtstoegang niet verhinderen wanneer de Rechtsbeschermingswet, die de Europese Richtlijnen inzake overheidsopdrachten en beroepsprocedures daarover omzet, een uitdrukkelijke aanspraak met een vorderingsrecht bepaalt als verhaal. Het voor de burgerlijke rechtbank vereiste belang bestaat uit het materieel of moreel voordeel, hoe gering ook, dat wie de eis instelt, op het ogenblik van de rechtsingang mag verwachten en waardoor zijn bestaande rechtstoestand gewijzigd en verbeterd kan worden. Voor de eis om de in artikel 16 van de Rechtsbeschermingswet bedoelde schadevergoeding te verkrijgen, volstaat het voordeel van het beoogde schadeherstel als het belang bij die eis. Een discussie over de omvang van de schade die verband houdt met de inschrijving voor de opdracht na heraanbesteding of de gunning of het aanvechten daarvan, betreft het debat over de grond van de zaak, maar heeft geen invloed op het belang in het kader van de toelaatbaarheid. De eis van Firma A betreft haar aanspraak op Woonboog in de betaling van een schadevergoeding wegens een in artikel 14 van de Rechtsbeschermingswet bedoelde schending door de aanbesteder. Ze heeft daarbij belang. De eis is toelaatbaar. C. VERTROUWELIJKHEID
  9. Firma A vraagt ook inzage in de offertes van de andere inschrijvers om de motieven van de aanbesteder over de prijsverschillen en abnormale eenheidsprijzen te kunnen nagaan. Ze wil ook kunnen bewijzen wat de aanbesteder haar telefonisch had gemeld.
  10. Woonboog betwist de vraag om de vertrouwelijkheid van de offertes op te heffen. Ze wijst erop dat de offertes bedrijfs- en zakengeheimen bevatten van de inschrijvers. Wegens de commerciële belangen van de inschrijvers zouden die gegevens vertrouwelijk moeten blijven. Er zou ook geen uitspraak zijn gedaan over de regelmatigheid van de offertes of de rangschikking, waardoor er geen reden is om de offertes publiek te maken. Dit zou zeker niet aan de orde zijn geweest tijdens de heraanbesteding na wijzigingen.
  11. De rechtbank stelt vast dat de offertes van B en van C eenheidsprijzen vermelden, onder meer uurlonen (stukken Woonboog, nr. 4 en 5). Dit zijn vertrouwelijke gegevens. Als verhaalinstantie moet de rechtbank de vertrouwelijkheid en het recht op eerbiediging van zakengeheimen waarborgen met betrekking tot de informatie die is vervat in de aan haar overgelegde dossiers, ook al kan zijzelf van deze informatie kennis nemen en deze in haar beschouwing betrekken (art. 26 Rechtsbeschermingswet). Het komt haar toe om te oordelen in welke mate en op welke wijze de vertrouwelijkheid en het geheime karakter van deze informatie moeten worden gewaarborgd, rekening houdend met de vereisten van een effectieve rechtsbescherming en van de eerbiediging van het recht van verweer van de procespartijen en met het vereiste dat de procedure op alle onderdelen het recht op een eerlijk proces eerbiedigt. De rechtbank heeft de hoofdeis kunnen beoordelen op basis van de voorgelegde stukken die niet als vertrouwelijk waren aangemerkt, in het bijzonder de eigen bekentenis van Firma A over de wijzigingen tussen de opdracht waarvoor de plaatsingsprocedure werd ingetrokken, en de opdracht van de heraanbesteding. Daarnaast, voor de beoordeling van een van de motieven van de aanbesteder, met name de grootte van de prijsverschillen, spreekt de rechtbank zich verder in dit vonnis uit op basis van haar eigen kennisneming van de vertrouwelijke offertes. Ze stelt daarbij vast dat Firma A terecht aanklaagt dat het motief over de prijsverschillen tussen de offertes de beslissing van Woonboog onvoldoende kan ondersteunen. Die beoordeling verhindert evenwel niet dat een ander motief wel geldig was. Hierdoor zijn de offertes geen ter zake dienende stukken meer waarover verder tegensprekelijk en niet-vertrouwelijk debat moet plaatsvinden om een beslissing te kunnen nemen in deze zaak. Firma A toont niet aan dat de daadwerkelijke rechtsbescherming vereist dat de rechtbank haar inzage moet geven in die offertes van haar concurrenten. Dit deel van de hoofdeis is ongegrond. D. WETTIGHEID BESLISSING
  12. Firma A spreekt Woonboog aan wegens de beëindiging van de gunningsprocedure en de niet-gunning. De aanbesteder zou haar telefonisch hebben gezegd dat ze de economisch meest voordelige offerte had ingediend. Bij kortgedingbeschikking van 12 januari 2024 schorste de voorzitter van de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, de beslissing van Woonboog. De aanbesteder zou op 18 december 2023 een nieuwe opdracht hebben geplaatst en op 21 februari 2024 werden percelen 3 en 4 aan Firma A gegund. Ze meent dat de stopzettingsbeslissing ongeldig is: het zou een willekeurige beslissing zijn wat de motiveringsverplichtingen schendt. De aanbesteder moest een prijs- en kostenonderzoek voeren. De motivering dat er te grote prijsverschillen zijn, is onvoldoende. Ook de reden van wijzigingen in het bestek is onvoldoende. Dit was niet de eerste keer dat ze dergelijke opdracht op de markt zette. Firma A betwijfelt de door Woonboog opgeworpen zware onderschatting van prestaties. De waarde van de opdracht had sowieso al geraamd moeten zijn. De wijze van berekening daarvan wordt niet aangetoond. De motivering dat Firma A “waarschijnlijk” een personeelstekort had, zou eveneens arbitrair en vooringenomen zijn. De heraanbesteding zonder een rechtsgeldige stopzetting van de eerdere procedure, zou onrechtmatig zijn. Ze eist een schadevergoeding van 10% van het offertebedrag, aangezien de prijs het enige gunningscriterium was. Ondergeschikt vraagt ze de vergoeding wegens verlies van een kans, opnieuw bepaald op 10%.
  13. Woonboog betwist de eisen. Ten gronde wijst ze op de wettelijke mogelijkheid van de aanbesteder om de opdracht niet te gunnen, ook overgenomen in het bestek. Ze beperkt een eventuele motiveringsverplichting tot de Rechtsbeschermingswet. Een enkel wettig motief zou volstaan om geldig te zijn. De motiveringen in de beslissing zouden volgens haar voldoen aan de bepalingen: de prijzen waren niet met elkaar vergelijkbaar, er moest een aantal grondige wijzigingen worden aangebracht in de opdrachtdocumenten en eventuele onderaannemers moesten worden opgegeven. De wijzigingen zouden uit de nieuwe opdracht blijken zoals ook al aangehaald in de dagvaarding van Firma A zelf, zoals aanpassingen van het aantal te herstellen ketels (x2). Woonboog zou het aantal interventies immers hebben onderschat. Er zou geen verplicht prijs- en kostenonderzoek zijn indien de gunning wordt stopgezet. De raming kon niet meer worden bijgesteld tijdens de procedure. In raamovereenkomsten moet er een maximale waarde of hoeveelheid zijn om de maximale afname te kunnen bepalen. De heraanbesteding zou zijn gestart nadat de eerdere procedure werd beëindigd. Bij gebreke aan een uitzonderlijke rechtsplicht om aan Firma A te gunnen, kan ze evenmin de nietigverklaring eisen van een impliciete weigeringsbeslissing. Ze betwist ook dat indien de procedure zou zijn voortgezet, er aan Firma A zou zijn gegund. Dit zou ook niet het gevolg zijn van een vernietiging van de stopzettingsbeslissing. Er zouden ook al twee percelen aan Firma A zijn gegund na heraanbesteding, waardoor dit geen deel kan zijn van de berekening van de schadevergoeding.
  14. Het volgen van een procedure houdt geen verplichting in tot het gunnen of het sluiten van de opdracht. De aanbestedende overheid kan zowel afzien van het gunnen of het sluiten van de opdracht als de procedure herbeginnen, desnoods op een andere wijze (art. 85 Overheidsopdrachtenwet). De plaatsing van een overheidsopdracht strekt ertoe te voldoen aan de behoeften van de aanbestedende overheid. De aanbestedende overheid beschikt in principe dan ook over een aanzienlijke beoordelingsruimte bij het nemen van een beslissing om een opdracht al dan niet te gunnen en om de plaatsingsprocedure al dan niet stop te zetten. Het komt de rechtbank niet toe zich in de plaats te stellen van de aanbesteder. Wel mag de aanbesteder daarbij niet willekeurig te werk gaan en moet die beslissing steunen op deugdelijke motieven die de beslissing kunnen dragen. [voetnoot nr. 4] Ook de beslissing om af te zien van het plaatsen van de opdracht moet gemotiveerd zijn. Die beslissing moet de juridische en feitelijke motieven bevatten (art. 4 en 5 Rechtsbeschermingswet). Er moeten deugdelijke, afdoende en draagkrachtige motieven zijn die de beslissing onderbouwen. De rechtbank kan desgevraagd nagaan of de aanbestedende overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Die beginselen die mee bepaald zijn in de Rechtsbeschermingswet, zijn ook van toepassing op niet-organieke overheden die als aanbesteder optreden. Ten onrechte meent Firma A dat de stopzetting van een gunningsprocedure een uitzonderlijke maatregel moet zijn. De beslissing om af te zien van een gunningsprocedure en een nieuwe procedure op te starten is niet beperkt tot uitzonderlijke gevallen of tot gewichtige redenen. [voetnoot nr. 5] Woonboog gaf in haar beslissing van 22 november 2022 de volgende redenen voor de stopzetting: - Door de grote prijsverschillen is een normale prijscontrole niet mogelijk. - De aanbesteder dient nog “enkele grondige wijzigingen” aan te brengen in het dossier. Ze had het aantal interventies onderschat. De geselecteerde aannemer moet beschikken over voldoende eigen personeel om aan de bestekverplichtingen te voldoen wat niet mogelijk zou zijn wegens het gebrek aan opgegeven minimum. De in de inventaris aangegeven gegevens moeten worden aangepast. Er moet een optimalisatie gebeuren tussen uurlonen en forfaitposten. Eventuele onderaannemers moeten worden opgegeven. De rechtbank behandelt de motieven hieronder nader.
  15. Woonboog beriep zich op de grote prijsverschillen die een normale prijscontrole zouden verhinderen. De beoordeling van de aanbesteder dat de prijsverschillen te groot waren om de offertes te kunnen vergelijken, was voorbarig. De offertes waren nog niet verbeterd voor eventuele rekenfouten of zuiver materiële fouten. Er was ook nog geen prijs- of kostenonderzoek gebeurd. De rechtbank stelt op basis van de vertrouwelijke, niet-verbeterde offertes vast dat er grote verschillen zijn tussen de offertes. Het verschil per perceel tussen het gemiddelde van de offertes en de offerte van Firma A, was steeds meer dan 20% van dat gemiddelde. De variatiecoëfficiënt voor de vier percelen ging van 18% tot 28,5%. Dit zijn grote verschillen die aan de uitschieters een vermoeden van abnormaliteit kunnen hechten, maar het is niet aangetoond dat die verschillen en abnormaliteit niet konden worden verantwoord in de gunningsprocedure. Variatiecoëfficiënten van 18% tot 28,5% maken de prijsverschillen wel groot, maar niet dermate groot dat ze niet zouden kunnen worden verantwoord. Wanneer de aanbesteder de offertes niet verder nagaat en het de inschrijvers niet toelaat om de prijzen te verantwoorden, terwijl de aangetoonde prijsverschillen groot zijn maar niet dermate groot dat ze niet zouden kunnen worden verantwoord, is dit een onvoldoend draagkrachtig motief om de gunningsprocedure eenvoudigweg stop te zetten.
  16. Woonboog beriep zich op nog “enkele grondige wijzigingen” die ze moest aanbrengen in het dossier. Ze had het aantal interventies onderschat. De in de inventaris aangegeven gegevens moeten worden aangepast. Firma A erkende in de dagvaarding (randnr. 7) dat de hoeveelheden per perceel werden verdubbeld voor de herstellingen van individuele cv-gasketels, en dat de vervanging werd opgetrokken van tien naar dertien. Die erkenning houdt het bewijs in van de feitelijke juistheid van het motief van de aanbesteder. Het verdubbelen van de hoeveelheden in het kader van een raamopdracht is een aanzienlijke verruiming van het toepassingsgebied ervan, waardoor dit een wezenlijke wijziging is in de zin van artikel 38/5 en 38/6 KB Uitvoering. Een aanbesteder die tijdens de gunningsprocedure al opmerkt dat de hoeveelheden zouden verdubbelen en die de procedure vervolgens stopzet om er een nieuwe te beginnen, treedt zorgvuldig op. Dit maakt het motief om de gunningsprocedure stop te zetten, deugdelijk, afdoend en draagkrachtig, en de stopzettingsbeslissing die uit die motieven voortvloeit is redelijk. Een enkel wettig motief is voldoende. De rechtbank stelt niet vast dat de overige motieven die al dan niet geldig zijn, andere schendingen zouden inhouden dan van de motiveringsverplichting. De rechtbank kan op basis van die beoordeling besluiten dat de beslissing van aanbesteder Woonboog om de gunning stop te zetten, gesteund is op een deugdelijk, afdoend en draagkrachtig motief en dat die beslissing wettig was. Er is geen schending aangetoond. De hoofdeis van Firma A om voor recht te zeggen dat die beslissing van Woonboog ongeldig was en om de aanbesteder te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding, is gesteund op het tegendeel. Die hoofdeis is ongegrond. De rechtbank merkt ook op dat het bestek van de heraanbesteding bepaalde dat voor de gunning van twee percelen “een minimum personeelsbestand” vereist is “van 4 voltijdse medewerkers” en nogmaals telkens vier voltijdse medewerkers per bijkomend perceel (stuk Woonboog, nr. 6, p. 7, art. I.13). Dit is een wijziging ten opzichte van het bestek van de stopgezette opdracht. De rechtbank stelt al vast dat de hoofdeis ongegrond is. Ze is niet gevat met een eis over de geldigheid van dit deel van het bestek van de heraanbesteding. E. GEZAG VAN GEWIJSDE SCHORSINGSBESLISSING
  17. Firma A vraagt de rechtbank om kennis te nemen van de kortgedingbeslissing van 12 januari 2024 en van die kortgedingprocedure voor de voorzitter van deze rechtbank.
  18. Woonboog vraagt om de vernietiging van de getroffen maatregelen in die kortgedingbeschikking van 12 januari 2024 en van de daarin toegekende rechtsplegingsvergoeding.
  19. De rechtbank heeft kennisgenomen van de kortgedingbeschikking. De voorzitter stelde vast dat Woonboog verstek liet en dat de rechtspleging, vorderingen en middelen niet in strijd waren met de openbare orde, waarna hij de schorsing beval van de beslissing van Woonboog van 22 november 2023 waarbij de plaatsingsprocedure werd stopgezet en de opdracht niet werd gegund. De beschikking in kort geding bracht geen nadeel toe aan de grond van de zaak zelf (art. 1039 Ger.W.), met name de beoordeling over de eisen in vernietiging en schadevergoeding die gesteund zijn op dezelfde oorzaak. De rechtbank kan met dit vonnis daarom afwijken van wat de kortgedingrechter besliste. De afwijzing van de hoofdeis in dit vonnis houdt de beoordeling in over de grond van de zaak en is in strijd met de kortgedingbeschikking die bij verstek werd gewezen. Het gezag van gewijsde van de voorlopige schorsingsbeslissing, houdt hierdoor op. Het einde van het gezag van gewijsde van de voorlopige schorsingsbeslissing is een gevolg van dit vonnis. Dit vereist geen afzonderlijke actieve of verdere expliciete uitspraak of veroordeling. De rechtbank spreekt daarom geen “vernietiging” uit van die beschikking, zoals op tegeneis gevraagd. Tegen die beschikking stond immers ook een of meerdere rechtsmiddelen open. Deze rechtbank is niet bevoegd om kennis te nemen van een hoger beroep tegen die kortgedingbeschikking, noch een eventueel ander rechtsmiddel. De tegeneis in vernietiging die verder gaat dan de vaststelling van het einde van het voorlopig gezag van gewijsde, is ontoelaatbaar. V. GERECHTSKOSTEN
  20. Woonboog is de in het gelijk gestelde partij. Voor het bepalen van de rechtsplegingsvergoeding stelt de rechtbank vast dat Firma A enerzijds de betaling eist van 84.502,00 euro, te vermeerderen met de interesten, en anderzijds de vaststelling van een nietigheid. Dit laatste is meer dan enkel een middel. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor de eis in schadevergoeding is de hogere van de twee. Het basisbedrag bedraagt daardoor 4.709,30 euro.
  21. De kortgedingrechter sprak zich in zijn beschikking van 12 januari 2024 reeds uit over de gerechtskosten in die schorsingsprocedure. Deze rechtbank is niet bevoegd om kennis te nemen van een hoger beroep tegen die beschikking, noch een eventueel ander rechtsmiddel. De eis om voor die procedure een afwijkende rechtsplegingsvergoeding te bepalen, is niet toelaatbaar. VI. BESLISSING Na beraad en gelet op de argumenten hierboven, beslist de rechtbank het volgende. Deze beslissing gebeurt op tegenspraak. De rechtbank verklaart de hoofdeis van Firma A toelaatbaar, maar ongegrond, en wijst die hoofdeis af. Ze wijst de tegeneisen van Woonboog wat betreft de kortgedingprocedure, af. Ze verwijst Firma A in de gerechtskosten en veroordeelt haar tot betaling aan Woonboog van de rechtsplegingsvergoeding van 4.709,30 euro. Firma A moet, na uitnodiging, de rolrechten van 165,00 euro betalen aan de Belgische Staat, FOD Financiën. Deze beslissing is gewezen door de veertiende kamer van de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, samengesteld uit: S. BUSSCHER, rechter, voorzitter van de kamer, N. SCHEPENS, rechter in ondernemingszaken, L. STUYCK, rechter in ondernemingszaken, en uitgesproken in openbare zitting van diezelfde kamer op 8 mei 2024 door de voorzitter van die kamer, bijgestaan door L. VAN HOOIJDONK, griffier. Voetnoten: 1 Wet 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten, BS 14 juli
  22. 2 Wet 17 juni 2013 betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies, BS 21 juni
  23. 3 KB 18 april 2017 plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren, BS 9 mei
  24. Vgl.: RvSt 27 december 2024, 261.889, F. t. provincie Limburg; RvSt 27 november 2023, 258.032, Sofico; RvSt 7 april 2023, 256.241, Air Products, Dräger Medica.
  25. Vgl. RvSt 27 november 2023, 258.032, Sofico. PDF document ECLI:BE:ORANT:2025:JUG.20250508.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.241 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.032 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.889 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.