← België

ECLI:BE:ORANT:2026:JUG.20260129.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 29 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORANT:2026:JUG.20260129.1 Rolnummer: A/17/04104 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2026-02-03 Raadplegingen: 746 - laatst gezien 2026-06-18 14:42 Fiche 1 Op een gespecialiseerde aannemer rusten informatieverplichtingen. Hij moet de opdrachtgever ook verwittigen voor de ontwerpfouten van de ingenieur of architect die wegens zijn specialiteit voor hem manifest zijn. De hoofdaannemer moet ten aanzien van de opdrachtgever instaan voor de fouten in de uitvoering van de opdracht door de onderaannemer op wie hij beroep deed (art. 1797 oud BW). UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Bouwrecht - Aanneming - Aansprakelijkheid buiten de tienjarige aansprakelijkheid Vrije woorden: Aansprakelijkheid aannemer, gespecialiseerde aannemer, informatieverplichtingen, aansprakelijkheid hoofdaannemer voor onderaannemer Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1797 - 34 ELI link Pub nr 1804032154 Fiche 2 Wanneer de schade is veroorzaakt door de onderscheiden fouten van de aannemer en het studiebureau, zijn ze samen in solidum aansprakelijk. Een gebrek aan eigen fout van de hoofdaannemer die voor de wanpresterende onderaannemer moet instaan, verhindert de gezamenlijke gehoudenheid van die hoofdaannemer met het studiebureau niet. Het studiebureau en de hoofdaannemer zijn uiteindelijk samen schuldenaar, door hun onderscheiden verbintenissen maar ongeacht de grondslag daarvan, voor dezelfde schade. Tussen de in solidum gehouden schuldenaars onderling wordt de schuld van rechtswege verdeeld en ieder van hen is tot bijdrage gehouden voor zijn aandeel in de schuld. De rechtbank kan een vordering in vrijwaring of in regres reeds inwilligen onder de voorwaarde van de latere betaling aan de benadeelde (voorwaardelijke indeplaatsstelling). UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Modaliteiten - Hoofdelijke verbintenis - In solidum Vrije woorden: Aansprakelijkheid aannemer, aansprakelijkheid studiebureau, aansprakelijkheid in solidum, regresvordering, verhaal, voorwaardelijke indeplaatsstelling Fiche 3 De eigenaar van een pand die door een daad, een verzuim of eender welke gedraging het evenwicht tussen de eigendommen verbreekt door aan een naburige eigenaar hinder op te leggen die de gewone ongemakken van het nabuurschap overtreft, is een rechtmatige en passende vergoeding tot herstel van het verstoorde evenwicht verschuldigd. Iemand kan slechts tot vergoeding van schade ingevolge een abnormale burenhinder gehouden zijn, indien die burenhinder is veroorzaakt door een daad, een verzuim of een gedraging die hem kan worden toegerekend. Die principes gelden eveneens tussen mede-eigenaars van onroerend goed waarvan het eigendomsrecht verdeeld is volgens kavels die elk een privatief gedeelte en een aandeel in gemeenschappelijke onroerende bestanddelen bevatten. De opdrachtgever van werken is op basis van burenhinder aansprakelijk voor de hinder door de aannemingswerken wanneer die hinder inherent was aan de betrokken werken, in dit geval funderingswerken, met name omdat die werkzaamheden en de wijze waarop ze zijn uitgevoerd minstens stilzwijgend waren toegestaan, ongeacht of die hinder gedeeltelijk ook is veroorzaakt door een fout van de (onder)aannemer. Een aannemer is in beginsel geen nabuur en heeft geen attribuut van eigendomsrecht over de grond of de gebouwen waarop of waaraan de werken worden uitgevoerd. Hij kan zich er contractueel toe verbinden om de opdrachtgever te vrijwaren voor aanspraken van derden, met inbegrip van naburen, voor schade ten gevolge van de werken en dit ongeacht fout. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Hinder - Burenhinder Vrije woorden: Burenhinder, aannemingswerken, aansprakelijkheid opdrachtgever, aansprakelijkheid aannemer, contractuele vrijwaringsverbintenis foutloze burenhinder Fiche 4 Een schorsing wegens wanbetaling houdt, indien voldaan aan de wettelijke voorwaarden, een schorsing in van de dekking onder de verzekeringsovereenkomst. De schorsing van de dekking ontheft de verzekeraar tijdelijk, maar definitief, van zijn dekkingsverplichting voor de schadegevallen die plaatsvonden tussen het begin van de schorsing en de aanzuivering van de achterstallige premies. De betaling van de achterstallige premies heeft dus geen retroactief effect. De wetsbepalingen over de schorsing van de verzekeringsdekking zijn van dwingend recht, tenzij uit de bewoordingen zelf blijkt dat de mogelijkheid wordt gelaten om er van af te wijken door bijzondere bedingen (art. 56 Verzekeringswet). UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering Vrije woorden: Aansprakelijkheidsverzekering, schorsing verzekeringsdekking Wettelijke bepalingen: Wet - 04-04-2014 - 69 - 23 ELI link Pub nr 2014011239 Wet - 04-04-2014 - 56 - 23 ELI link Pub nr 2014011239 Wet - 04-04-2014 - 71 - 23 ELI link Pub nr 2014011239 Fiche 5 In de aansprakelijkheidsverzekering is het ‘schadegeval' in beginsel niet het voorvallen van schade waarvoor de verzekerde wordt aangesproken, noch de toerekenbare contractuele fout die daartoe aanleiding gaf, maar wel het aansprakelijk kunnen worden gesteld van de verzekerde door een schadelijder voor veroorzaakte schade. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Aansprakelijkheidsverzekering Vrije woorden: Aansprakelijkheidsverzekering, schadegeval Fiche 6 Een ABR-verzekeraar is vaak gehouden tot twee dekkingen, afhankelijk van de verzekeringsovereenkomst: de dekking voor verlies van en schade aan de werken van verzekeringsnemer (‘afdeling I'), en de dekking voor de burgerlijke aansprakelijkheid van de verzekerden voor schade aan derden, desgevallend met inbegrip van foutloze aansprakelijkheid voor burenhinder (‘afdeling II'). Met een dekking voor de burgerlijke aansprakelijkheid voor schade aan derden ‘in excedent', zoals bepaald in de ABR-polis in deze zaak, bedoelen de partijen ‘aanvullend' op andere verzekeringsovereenkomsten, in tweede rang. Die dekking ‘in excedent' geldt maar na uitputting van de andere verzekeringsdekkingen voor burgerlijke aansprakelijkheid die de aansprakelijke verzekerden hebben afgesloten. Dit is geen samenloop of gelijktijdige dekking: de schadelijders en verzekerden moeten eerst de dekking uitputten onder de BA-verzekeringen van de aansprakelijke verzekerden, waarna de ABR-polis in tweede rang kan worden aangesproken. Een dekking in de ABR-polis voor de burgerlijke aansprakelijkheid ‘in DIC' (‘difference in conditions') is een dekking voor dekkingsvoorwaarden die in de ABR-polis verschillen van de dekkingsvoorwaarden in de BA-verzekeringen van de aansprakelijke aannemers. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering Vrije woorden: ABR-verzekering (alle bouwplaatsrisico's), verzekering in tweede rang, verzekering in excedent, verzekering in verschil in limieten (DIL, difference in limits), verzekering in verschil in voorwaarden (DIC, difference in conditions) Tekst van de beslissing Ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen Vonnis Veertiende kamer Maatschappij G, en Eigenaar B, TEGEN Vastgoed A, Aannemingen C, Ingenieursstudies E, Architect F, Funderingen D, en Maatschappij G, Maatschappij H, Beroepsverzekeraar I, INHOUD I. Situering van het geschil 4 II. Procedureverloop 5 III. Eisen 5 IV. Beoordeling 8 A. Deskundigenonderzoek 8 B. Aansprakelijkheden, vrijwaringen en regres 9 1. Standpunten 9 2. Eisen tussen de buren – mede-eigenaars 11 3. Vrijwaringen foutloze schade 12 4. Vrijwaringen schade uit fout en regres 14 C. Verzekeringsdekkingen 16 1. Standpunten 16 2. Dekking onder BA-polis Ingenieursstudies E 18 3. Dekking onder BA-polis Funderingen D 24 4. Dekking onder ABR-polis(sen) 25 V. Gerechtskosten 26 VI. Beslissing 29 I. SITUERING VAN HET GESCHIL Het geschil betreft beschadigingen naar aanleiding van verbouwingswerken aan de verbouwde en herbestemde kazerne te X. Vastgoed A is eigenaar van de kelder, het gelijkvloers en de eerste verdieping, en Eigenaar B van de tweede verdieping. Vastgoed A was de opdrachtgever, Aannemingen C de hoofdaannemer en Funderingen D de onderaannemer voor funderings- en beschoeiingswerken. Ingenieursstudies E was de ingenieur stabiliteit en Architect F was de architect. Eiseres Maatschappij G was ABR-verzekeraar van Eigenaar B. Maatschappij H was de ABR-verzekeraar van hoofdaannemer Aannemingen C. Maatschappij G was ook de BA-verzekeraar van onderaannemer Funderingen D. Beroepsverzekeraar I was de verzekeraar van Ingenieursstudies E (beroeps- en bedrijfsaansprakelijkheid). De met Vastgoed A verbonden vennootschap Vastgoed Abis [gepseudonimiseerd] was eveneens opdrachtgever voor een gedeelte van de werken (afwerkingen) en zou een ABR-verzekering hebben afgesloten bij ABRVerzekeraar J. ABRVerzekeraar J [gepseudonimiseerd] was ook de BA-verzekeraar van Aannemingen C. Vastgoed Abis en ABRVerzekeraar J zijn niet betrokken in het geding. Eigenaar B en Maatschappij G spreken Vastgoed A aan naar aanleiding van de schade. Vastgoed A betwist die hoofdeisen niet, en spreekt Aannemingen C aan in vrijwaring samen met ingenieur Ingenieursstudies E en Beroepsverzekeraar I. Aannemingen C gedraagt zich wat de vrijwaringseis voor foutloze schade naar de wijsheid van de rechtbank, maar betwist de vrijwaringseis voor de foutschade. Ze spreekt gedeeltelijk ondergeschikt Funderingen D aan in vrijwaring. Onderaannemer Funderingen D en Maatschappij G betwisten de vrijwaringseisen. Aannemingen C en Beroepsverzekeraar I stellen ondergeschikt vrijwarings- en regresvorderingen in tegen de andere partijen met wie ze samen zouden worden veroordeeld ten opzichte van Vastgoed A. Niemand spreekt de architect nog ten gronde aan. Vastgoed A spreekt ook verzekeraar Beroepsverzekeraar I aan. Aannemingen C spreekt Maatschappij G aan, en ondergeschikt ook Maatschappij H en Beroepsverzekeraar I. Onderaannemer Funderingen D spreekt ondergeschikt Maatschappij H aan. Maatschappij H betwist dat ze tot dekking is gehouden Ook Beroepsverzekeraar I betwist de eisen in dekking. Het faillissement van verweerder Ingenieursstudies E werd geopend op 29 mei 2018, en gesloten wegens ontoereikend actief op 5 april 2022. II. PROCEDUREVERLOOP Maatschappij G en Eigenaar B hebben het geding ingeleid bij dagvaarding betekend op 26 mei 2017 aan Vastgoed A. Op verzoek van Vastgoed A werd op 23 juni 2017 een dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring betekend aan Aannemingen C, Ingenieursstudies E en Architect F. Op 4 juli 2017 legde Maatschappij H een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst neer. Op 25 juli 2017 legden Funderingen D en Maatschappij G een verzoekschrift vrijwillige tussenkomst neer. Bij vonnis van 17 mei 2018 werd ir. Y aangesteld als deskundige. Op verzoek van Vastgoed A werd op 4 maart 2019 een dagvaarding in gedwongen tussenkomst, vrijwaring en gemeenverklaring betekend aan Beroepsverzekeraar I. Bij vonnis van 19 november 2020 werd Beroepsverzekeraar I bevolen om tussen te komen en werd de aanstelling van ir. Y als deskundige bevestigd. De zaak werd in beraad genomen op de openbare zitting van 8 januari 2025 nadat de raadslieden van de vertegenwoordigde partijen op die zitting werden gehoord. De rechtbank hield rekening met de neergelegde syntheseconclusies en stukken. In deze procedure werd de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken nageleefd. III. EISEN Maatschappij G en Eigenaar B eisen de veroordeling van Vastgoed A tot betaling van 42.700,00 euro aan Maatschappij G, te vermeerderen met een vergoedende interest op 40.000,00 euro vanaf 10 februari 2017 en op 2.700,00 euro vanaf 19 december 2017 tot aan de dag van de betekening van de dagvaarding en sedertdien met een gerechtelijke interest aan dezelfde rentevoet, en tot betaling aan Eigenaar B van 5.000,00 euro, te vermeerderen met een vergoedende interest op 47.700,00 euro vanaf 1 januari 2016 tot 9 februari 2017 en op 5.000,00 euro vanaf 10 februari 2017 tot aan de dag van de betekening van de dagvaarding en sedertdien met een gerechtelijke interest aan dezelfde rentevoet, en de kosten van het geding met inbegrip van de expertisekosten van 800,00 euro en met rechtsplegingsvergoedingen van 1.412,79 euro voor Maatschappij G van 3.924,42 euro voor Eigenaar B. Vastgoed A eist de veroordeling van Aannemingen C om haar te vrijwaren ten belope van alle bedragen in hoofdsom, interest en kosten, waartoe ze veroordeeld wordt ten aanzien van de eisers voor wat betreft de foutloze aansprakelijkheid. Ze eist de veroordeling van Aannemingen C, Ingenieursstudies E in faling en Beroepsverzekeraar I in solidum om haar te vrijwaren ten belope van alle bedragen in hoofdsom, interest en kosten, waartoe ze veroordeeld wordt ten aanzien van de eisers voor wat betreft de aansprakelijkheid op basis van fout. Ondergeschikt eist ze de veroordeling van Aannemingen C tot vrijwaring voor wat betreft de foutloze aansprakelijkheid voor alle bedragen, en de veroordeling voor wat betreft de foutaansprakelijkheid van Aannemingen C voor 35% en van Ingenieursstudies E in faling en Beroepsverzekeraar I voor 65%, en om voor recht te zeggen dat de vrijstelling die Beroepsverzekeraar I kan opwerpen beperkt is tot 3.900,00 euro in plaats van 6.250,00 euro. Ze eist de veroordeling van Aannemingen C, Ingenieursstudies E in faling en Beroepsverzekeraar I, tot de verwijzing van de kosten en tot betaling van een derde van de expertisekosten (1.296,57 euro) en, in solidum, tot de kosten van de vrijwaringsvordering met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 3.750,00 en de dagvaardingskost. Op de zitting meldt de raadsman van Vastgoed A dat die partij afstand doet van de ingestelde eisen tegen de gefailleerde Ingenieursstudies E. Aannemingen C vraagt eraan akte te verlenen dat ze zich naar de wijsheid van de rechtbank gedraagt in het kader van de vrijwaringsvordering van Vastgoed A over het aspect schade zonder fout, en eist de veroordeling van Funderingen D en Maatschappij G in gehele vrijwaring voor het aspect foutloze schade zo in hoofdsom, interesten en alle mogelijke kosten. Wat de aansprakelijkheid met fout betreft, vraagt Aannemingen C in hoofdorde de afwijzing van de eisen en om voor recht te zeggen dat er geen toerekenbare contractuele fout of nalatigheid van Funderingen D bewezen is, en ondergeschikt om die vorderingen maar voor maximaal 35% gegrond te verklaren met afwijzing van het meergevorderde of anders gevorderde, en om in nog ondergeschikte orde Funderingen D en Maatschappij G te veroordelen om haar daarvoor te vrijwaren. Meer ondergeschikt eist Aannemingen C de veroordeling van Maatschappij H tot vrijwaring voor het deel van de foutloze schade, ook indien er onvoldoende bewijs is van een fout van Funderingen D, voor de bedragen en aankleven waartoe ze zou worden veroordeeld. Ze eist ook de vrijwaring door Beroepsverzekeraar I in zoverre ze samen met dan wel in solidum met de gefailleerde zou zijn gehouden, zonder vrijstelling, en ondergeschikt die vrijstelling te bepalen op maximaal 3.900,00 euro. Ze vraagt de afwijzing van de eis in regres door Beroepsverzekeraar I als onontvankelijk wegens ‘obscuri libellum’, en minstens als ongegrond. Ze vraagt de verwijzing tot de kosten van het geding van Funderingen D en van Maatschappij G en van Maatschappij H en ondergeschikt van Beroepsverzekeraar I, voor telkens 1.883,72 euro ten aanzien van Vastgoed A, van Funderingen D en Maatschappij G, van Beroepsverzekeraar I en van Maatschappij H. Architect F vraagt eraan akte te nemen dat niemand haar nog aanspreekt, en akte te verstrekken van de impliciete afstand door Vastgoed A van de oorspronkelijke tusseneis, en aanvaarding daarvan door Architect F onder voorwaarde van de betaling van de rechtsplegingsvergoeding. Ze vraagt de veroordeling van Vastgoed A tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 1.883,72 euro. Funderingen D en Maatschappij G vraagt de afwijzing van alle vorderingen tot vergoeding of in vrijwaring tegen haar als ongegrond, met voor recht te zeggen dat de veroorzaakte schade in haar geheel foutloze schade betreft. Ondergeschikt eist ze de dekking door Maatschappij H voor elk bedrag waartoe ze zou worden veroordeeld. Ze eist de veroordeling van Eigenaar B en van Maatschappij G tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 1.800,00 euro. Maatschappij H vraagt vast te stellen dat Eigenaar B en Maatschappij G afstand deden van hun eerdere vorderingen tegen haar. Ze vraagt de afwijzing van de eis van Aannemingen C en van Funderingen D als ongegrond, minstens de herleiding van de vordering van Funderingen D tot maximaal de helft (art. 99, §2 Verz.W.), en om hen te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van rechtsplegingsvergoedingen van 3.924,42 euro ten aanzien van Eigenaar B en Maatschappij G, van 3.924,42 euro ten aanzien van Aannemingen C, en van 3.139,53 euro ten aanzien van Funderingen D. Beroepsverzekeraar I vraagt akte te verlenen aan de afstanden door Maatschappij G en door Eigenaar B van vorderingen, en om hen te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 3.942,42 euro door Maatschappij G en van 1.020,35 euro door Eigenaar B. Ze vraagt om voor recht te zeggen dat er geen dekking verschuldigd is voor het schadegeval en om de eis van Vastgoed A af te wijzen als ongegrond, met de veroordeling van die partij tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 3.924,42 euro. Ze vraagt om alleszins geen solidaire of ‘in solidum’ veroordeling uit te spreken. Ondergeschikt, indien er wel dekking verschuldigd zou zijn, vraagt ze om opnieuw geen ‘in solidum’ veroordeling uit te spreken, en om de eis van Vastgoed A hoogstens gegrond te verklaren voor 65% van 30.000,00 euro voor foutaansprakelijkheid (19.500,00 euro), voor 6% btw daarop (1.170,00 euro), voor 65% van de expertisekosten (2.528,31 euro incl. btw), voor 65% van de rechtsplegingsvergoeding van 1.726,74 euro, voor 65% van de interesten en alles onder aftrok van een maximumvrijstelling van 6.250,00 euro, met afwijzing van het meergevorderde. Beroepsverzekeraar I stelt uiterst ondergeschikt een regresvordering in tegen de andere partijen met wie ze samen zou worden veroordeeld ten opzichte van Vastgoed A, en om hen te veroordelen tot betaling aan haar van alle bedragen boven haar eigen beperkte aandeel, en tot de kosten van het geding daarvoor met een rechtsplegingsvergoeding van 1.883,72 euro. Ze vraagt de afwijzing van de ondergeschikte vrijwaringseis van Aannemingen C als ontvankelijk, maar ongegrond, en vraagt ondergeschikt om het regres te beperken tot maximaal het procentueel zeer beperkte aandeel in de schade zoals hoger uiteengezet. IV. BEOORDELING A. DESKUNDIGENONDERZOEK 1. De rechtbank stelde ir. Y aan als deskundige bij vonnis van 17 mei 2018. Ze ontving op 22 januari 2024 zijn eindverslag. Hij adviseert onder meer het volgende: - De scheefstand van de kolom is veroorzaakt door (

  1. i)haar fundering gedeeltelijk vrij te graven en hierbij de grond te gaan “roeren”, en (
  2. ii)die fundering te onderwerpen aan trillingen, veroorzaakt bij het inbrengen van de profielen van de berlinerwand . Het aanstoten van een aanwezig anker zal zeker geen positieve bijdrage hebben gehad, maar was niet de basisoorzaak. - De keuze van een berlinerwand als techniek voor de beschoeiing van een bouwput, zonder de zool voorafgaandelijk te ondervangen, was conceptueel fout. Het concept van een berlinerwand [voetnoot 1] was door de ingenieur voorgeschreven en is zonder voorbehoud overgenomen door de uitvoerende aannemer. - De schade had vermeden kunnen worden door voorafgaand aan de uitvoering van de berlinerwand de bestaande zool te versterken door het inbrengen van micropalen onder de bestaande zool. Dit heeft zich achteraf bewezen doordat na de inbreng van de micropalen, als bewarende maatregel, er zich geen nieuwe schade meer heeft voorgedaan. - In de technische aansprakelijkheid weegt de conceptuele fout duidelijk zwaarder door dan de fouten gemaakt bij uitvoering, te verdelen als volgt: o ir. Ingenieursstudies E: 65%, o onderaannemer Funderingen D: 35%. Van bij het concept had ingenieur Ingenieursstudies E een ondervanging van de zool moeten voorzien met micropalen. Enkel op deze manier was een uitvoering met de techniek van de berlinerwand technisch te verantwoorden. Het feit dat de zetting zich heeft voorgedaan vooraleer de kelder werd uitgegraven doet hieraan geen afbreuk. Ook Funderingen D draagt een technische verantwoordelijkheid in dit schadegeval: als gespecialiseerd aannemer had ze de bouwpartners moeten verwittigen voor deze, in de gegeven omstandigheden, risicovolle techniek. De technische verantwoordelijkheid van de aannemer wordt versterkt doordat ze de zool voorafgaandelijk gedeeltelijk had ontgraven zonder hiervoor een toestemming te vragen aan de stabiliteitsingenieur, en dat ze het profiel dat was vastgelopen op een grondanker had gerecupereerd, wat in voorkomend geval aanleiding kan geven tot een ontspanning van de grond in de nabijheid van de funderingszool. - Onderaannemer Funderingen D had de door Ingenieursstudies E voorgeschreven uitvoeringstechniek gevolgd, maar bij de uitvoering van de berlinerwand twee aanpassingen doorgevoerd. Dit werd niet ter goedkeuring voorgelegd. De rechtbank stelde op 18 april 2024 zijn eindstaat van kosten en erelonen vast op 3.889,71 euro incl. btw. B. AANSPRAKELIJKHEDEN, VRIJWARINGEN EN REGRES 1. Standpunten 2. Mede-eigenaar Eigenaar B en haar ABR-verzekeraar Maatschappij G spreken andere mede-eigenaar Vastgoed A aan naar aanleiding van verbouwingswerken in opdracht van die laatste aan de verbouwde en herbestemde kazerne te X. Vastgoed A is eigenaar van de kelder, het gelijkvloers en de eerste verdieping, en Eigenaar B van de tweede verdieping. Vastgoed A deed beroep op hoofdaannemer Aannemingen C. Op 25 januari 2017 werd een proces-verbaal van schadevaststelling ondertekend door Eigenaar B en door Aannemingen C (niet door Vastgoed A) voor schade van Eigenaar B door verschillende oorzaken van samen 45.000,00 euro: 7.500,00 euro zettingsschade voorgevel, foutloos; 30.000,00 euro zetting gietijzeren kolom, door fout; 7.500,00 euro verspreide stoornissen door realisatie muuropeningen, foutloos. Op de vrijstelling van 5.000,00 euro na, werd dit betaald door Maatschappij G. Eigenaar B en Maatschappij G spreken Vastgoed A aan op basis van burenhinder (art. 544 oud BW, art. 3.101 BW). De deskundige zou de verantwoordelijkheid voor de foutschade hebben verdeeld als 65% voor studiebureau Ingenieursstudies E en 35% voor onderaannemer Funderingen D. De foutschade en de foutloze schade zijn toerekenbaar aan Vastgoed A als opdrachtgever voor de werken, waarbij het al dan niet gebrek aan fout de aannemer betreft en niet die opdrachtgever. Het “overdragen” van aansprakelijkheid naar de aannemer, is niet tegenstelbaar aan de benadeelde buur. Vastgoed A zou zich daartegen niet verweren. Eigenaar B en Maatschappij G betwisten dat de andere betrokken partijen hen nog kunnen aanspreken voor een rechtsplegingsvergoeding omdat ze niets meer van die andere partijen meer zouden vorderen in de syntheseconclusie. 3. Mede-eigenaar Vastgoed A bevestigt de hoofdeis voor de 45.000,00 euro excl. btw schade wegens burenhinder, de btw van 2.700,00 euro en de interesten, expertisekosten en procedurekosten, maar wijst op de contractueel aan Aannemingen C overgedragen aansprakelijkheid. Ze spreekt Aannemingen C daarom aan in vrijwaring. De aannemingsovereenkomst zou dit uitdrukkelijk bepalen voor foutloze aansprakelijkheid wegens burenhinder (art. 16.3.2 e.v.). Voor de foutschade, spreekt ze Aannemingen C aan samen met Beroepsverzekeraar I, de verzekeraar van ingenieur Ingenieursstudies E, in solidum, op basis van het advies van de deskundige over de verdeling van verantwoordelijkheid. Aannemingen C zou dit niet betwisten. 4. Aannemingen C gedraagt zich wat de vrijwaringseis voor foutloze schade van tweemaal 7.500,00 euro betreft, naar de wijsheid van de rechtbank. Ze betwist vrijwaringseis voor de foutschade. Ze betwist vooreerst dat ze in solidum gehouden kan zijn met studiebureau Ingenieursstudies E en dier verzekeraar Beroepsverzekeraar I bij gebreke aan enige eigen fout; ze wordt immers maar als hoofdaannemer aangesproken voor aan de onderaannemer Funderingen D verweten fouten. Het artikel 1797 van het oude BW dat de aansprakelijkheid van de hoofdaannemer uitbreidt naar fouten van de onderaannemer, zou daartoe beperkt zijn, zonder uitbreiding naar fouten van andere derden. Vastgoed A zou zelf moeten instaan voor de schade veroorzaakt door haar studiebureau. Ze betwist ten tweede ook de aan onderaannemer Funderingen D verweten fouten. Ze wijst erop dat de gerechtsdeskundige geen fout adviseerde in zijn twee voorverslagen, en daarop maar terugkwam in zijn eindverslag. Ondergeschikt dient Funderingen D haar te vrijwaren omwille van de door de deskundige geadviseerde fout. Eveneens ondergeschikt dient de onderaannemer haar te vrijwaren omdat die onderaannemer het zou hebben verzuimd om haar risicovolle funderings- en beschoeiingswerken te verzekeren onder de ABR-polis van ABRVerzekeraar J, ABR-verzekeraar van opdrachtgever Vastgoed A, voor wat de foutloze aansprakelijkheid voor burenhinder betreft. Die polis zou door Vastgoed Abis zijn aangegaan, en niet door Vastgoed A, maar ook Vastgoed Abis zou opdrachtgever zijn en de hoofdaannemingsovereenkomst mee hebben afgesloten. De eigen ABR-verzekering van Aannemingen C bij Maatschappij H zou daaraan geen afbreuk doen. Aannemingen C betwist de stelling van de onderaannemer dat ze ook zelf een in funderings- en beschoeiingswerken gespecialiseerde aannemer zou zijn, waarbij ook de deskundige geen eigen verantwoordelijkheid zou hebben aangehouden voor de hoofdaannemer. Aannemingen C betwist dat ze zou moeten instaan voor de kosten van dagvaarding van Beroepsverzekeraar I, zoals beweerd door Vastgoed A. Aannemingen C werpt de ‘exceptio obscuri libellum’ op tegen de vage regresvordering van Beroepsverzekeraar I tegen haar. Beroepsverzekeraar I zou zich op een schorsing beroepen, maar zou hebben verzuimd om dit door een ingebrekestelling te doen voorafgaan. Aannemingen C wijst er ook op dat de polisvoorwaarden (art. 5.7) zouden bepalen dat er geen vrijstelling van toepassing zou zijn voor de afdeling bedrijfsaansprakelijkheid. 5. Architect Architect F merkt op dat niemand haar nog aanspreekt en wijst op een impliciete afstand door Vastgoed A van de oorspronkelijke tusseneis. Ze aanvaardt die afstand onder de voorwaarde van de betaling van een rechtsplegingsvergoeding. 6. Onderaannemer Funderingen D (fundering en beschoeiing) en haar BA-verzekeraar Maatschappij G betwisten de vrijwaringseisen. De volledige schade zou foutloze schade zijn en de deskundige zou foutief ook foutschade hebben vastgesteld. De deskundige zou vier mogelijke oorzaken bespreken en telkens uitsluiten: de keuze voor een berlinerwand als uitvoeringswijze, het graven van putten naast de bestaande fundering van gietijzeren kolom; de aanwezigheid van grondankers, en de grondwaterverlaging nodig voor de uitvoering van de onderschoeiingen en de kelderverdieping. Het besluit van de deskundige dat de schade zou zijn veroorzaakt door het gedeeltelijk vrijgraven van de fundering en het daarbij roeren van de grond, zou foutief zijn. Ze kan daardoor niet tot vrijwaring gehouden zijn voor de foutschade. Ook voor de foutloze schade zou ze niet aansprakelijk zijn, bij gebreke aan een fout en bij gebreke aan een contractuele vrijwaring daarvoor. Het was ook Aannemingen C die volgens de hoofdaannemingsovereenkomst voor verzekeringsdekking had moeten instaan. Funderingen D betwist dat ze foutloze aansprakelijkheid had moeten verzekeren: ze zou al als ‘onderaannemer’ zijn vermeld in de Maatschappij H-polis, de ABR-polis van Aannemingen C. Ze zou niet ook zelf een dekking hebben moeten voorzien onder de ABR-polis die de opdrachtgever Vastgoed A had afgesloten. Ze betwist de interpretatie van die bepaling door de hoofdaannemer. 7. Beroepsverzekeraar I betwist het verweer van Funderingen D. Ze wijst op de vaststellingen van de deskundige en wijst ook erop dat die deskundige zelf een stabiliteitsingenieur is. Die deskundige had een eigen uitvoeringsfout van de onderaannemer vastgesteld, los van de ontwerpfout van Ingenieursstudies E en los van een informatieverplichting daarover. Ze stelt ondergeschikt een regresvordering in, indien ze tot verzekeringsdekking zou zijn gehouden. Ze betwist dat die regresvordering vaag zou zijn. Het deel over de verzekeringsdekking wordt hieronder verder behandeld. 2. Eisen tussen de buren – mede-eigenaars 8. De eigenaar van een pand die door een daad, een verzuim of eender welke gedraging het evenwicht tussen de eigendommen verbreekt door aan een naburige eigenaar hinder op te leggen die de gewone ongemakken van het nabuurschap overtreft, is een rechtmatige en passende vergoeding tot herstel van het verstoorde evenwicht verschuldigd. Iemand kan slechts tot vergoeding van schade ingevolge een abnormale burenhinder gehouden zijn, indien die burenhinder is veroorzaakt door een daad, een verzuim of een gedraging die hem kan worden toegerekend. Die principes gelden eveneens tussen mede-eigenaars van onroerend goed waarvan het eigendomsrecht verdeeld is volgens kavels die elk een privatief gedeelte en een aandeel in gemeenschappelijke onroerende bestanddelen bevatten. De rechtbank stelt vast dat de deskundige op correcte gronden adviseerde dat er schade is veroorzaakt door het gedeeltelijk vrij graven van de fundering met roering daarbij van de grond het onderwerpen aan trillingen bij het inbrengen van de profielen van de berlinerwand. De rechtbank stelt eveneens vast dat verweerder Vastgoed A de hoofdeis bevestigt voor de 45.000,00 euro excl. btw schade wegens burenhinder, de btw van 2.700,00 euro en de interesten, expertisekosten en procedurekosten. Eigenaar B en Maatschappij G spreken Vastgoed A terecht aan voor de veroorzaakte schade, wat niet wordt betwist door die nabuur. Als opdrachtgever is ze op basis van burenhinder aansprakelijk voor de hinder door de aannemingswerken aangezien die hinder inherent was aan de betrokken funderingswerken, met name omdat die werkzaamheden en de wijze waarop ze zijn uitgevoerd minstens stilzwijgend waren toegestaan, ongeacht of die hinder gedeeltelijk ook is veroorzaakt door een fout van de (onder)aannemer. Het proces-verbaal van schadevaststelling bepaalde de schade op 45.000,00 euro “excl. btw” (stuk Eigenaar B, nr. 2). Dit houdt een voorbehoud in om ook de belasting over de toegevoegde waarde te verhalen indien die niet kon worden gerecupereerd. Aangezien Vastgoed A instemt met een btw-bedrag van 2.700,00 euro, is de rechtbank in die verhouding gebonden aan dat akkoord. De hoofdeisen in betaling van 42.700,00 euro aan Maatschappij G en in betaling aan Eigenaar B van 5.000,00 euro, zijn daarom gegrond. 9. Eigenaar B en Maatschappij G vragen de verhoging van de schadebedragen met een vergoedende interest vanaf 1 januari 2016. De vergoedende interest maakt een integrerend deel uit van de vergoeding van de schade. Hij vormt een aanvullende vergoeding voor de schade die voortvloeit uit de vertraging die bij de schadeloosstelling is opgelopen. Er kan geen interest worden toegekend voor een periode die het ontstaan van de schade voorafgaat. In het geval een schade zich uitstrekt over een langere periode, kan de rechter op het totale bedrag van de schadevergoeding een interest toekennen vanaf een gemiddelde datum. Eigenaar B en Maatschappij G lichten niet toe waarom er al vanaf 1 januari 2016 een interest zou moeten lopen. Gelet op het voorvallen van de schade vanaf 4 augustus 2016 en het proces-verbaal van schadebepaling op 25 januari 2017 op basis van ramingen, kan een interest worden toegekend vanaf de gemiddelde datum daartussen, hetzij vanaf 30 oktober 2016. Om tot een zo volledig mogelijk schadeherstel te komen, loopt die interest aan de wettelijke rentevoet. De begindatum van 30 oktober 2016 geldt evenwel enkel voor de hieronder behandelde vrijwaringseisen en eisen in verzekeringsdekking, die immers worden betwist. Gelet op het akkoord van Vastgoed A met de interest zoals gevorderd door Eigenaar B en Maatschappij G, waaraan de rechtbank geen afbreuk mag doen, loopt de interest ten aanzien van haar wel vanaf 1 januari 2016. 3. Vrijwaringen foutloze schade 10. Er is geen betwisting over dat er 15.000,00 euro schade bij Eigenaar B is veroorzaakt door de aannemingswerken in opdracht van Vastgoed A, zonder dat een fout als oorzaak is vastgesteld. 11. Een aannemer is in beginsel geen nabuur en heeft geen attribuut van eigendomsrecht over de grond of de gebouwen waarop of waaraan de werken worden uitgevoerd. Over de vraag of hoofdaannemer Aannemingen C voor de foutloze schade moet instaan, gedraagt die partij zich naar de wijsheid van de rechtbank. Het zich naar de wijsheid gedragen, komt neer op een betwisting zonder concrete motivering. Wat de foutloze schade betreft, betwist Aannemingen C niet concreet dat ze zich ertoe had verbonden om Vastgoed A te vrijwaren. De rechtbank stelt inderdaad vast dat de partijen bij de hoofdaanneming overeenkwamen dat Aannemingen C de volledige aansprakelijkheid aanvaardde voor onder andere schade aan derden of aan hun goederen, die zich heeft voorgedaan “ten gevolge van of door de uitvoering van de werken” (stuk Vastgoed A, nr. 1; stuk Aannemingen C, nr. 1; art. 16.3.2) en ook een verzekering zou aangaan voor de aansprakelijkheid van de opdrachtgever voor burenhinder en dit ook in het geval dat er geen fout van de aannemer zou zijn (art. 16.3.4). Aannemingen C nam die aansprakelijkheid “als enige” op zich en diende de opdrachtgever voor die schade “te beschermen” (art. 16.3.5). De rechtbank leidt daaruit af dat Aannemingen C zich ertoe verbond om opdrachtgever Vastgoed A te vrijwaren voor aanspraken van derden, met inbegrip van naburen, voor schade ten gevolge van de werken en dit ongeacht fout. De vrijwaringseis van Vastgoed A tegen Aannemingen C voor de foutloze schade is gegrond. De toekenning van de vrijwaringseis voor de foutloze schade wordt beperkt tot de bedragen exclusief de belasting over de toegevoegde waarde. Het is bewezen dat 42.700,00 euro aan Eigenaar B werd betaald, na afhouding van de vrijstelling van 5.000,00 euro, maar er ligt geen bewijs voor dat het saldo van 2.700,00 euro boven de vastgestelde schade van 45.000,00 euro de btw uitmaakt. Daarvan worden bijvoorbeeld geen herstellingsfacturen bijgebracht, noch een toelichting over de niet-recuperatie. Dit is inderdaad 6% van 45.000,00 euro, maar de loutere vermelding bij de overschrijving tussen de verzekeringsmaatschappij en de verzekeringsnemer van “vergoeding btw”, is onvoldoende bewijs. Dit deel van de tusseneis, die door de gedraging naar de wijsheid in beginsel betwist was, wordt niet bewezen en is ongegrond. 12. De rechtbank stelt niet vast dat onderaannemer Funderingen D zich ertoe verbonden heeft om hoofdaannemer Aannemingen C te vrijwaren voor aanspraken van derden, in het bijzonder naburen, voor schade ten gevolge van de onderaannemingswerken zonder fout. Ze stelt evenmin vast dat Funderingen D zich er bovendien toe had verbonden om die aansprakelijkheid of vrijwaringsverplichting te doen verzekeren. De overeenkomst tussen Aannemingen C en Funderingen D bepaalde in de bijzondere voorwaarden een enkele zinsnede die daarop betrekking zou hebben volgens de partijen: “opname van jullie als onderaannemer, ivm art. 544” (stuk Aannemingen C, nr. 2, p. 2). De vermelding van “art. 544” is een voor aannemers gebruikelijke verwijzing naar de foutloze aansprakelijkheid voor burenhinder, die onder het toenmalige goederenrecht werd verbonden aan het eigendomsbegrip van artikel 544 van het oude Burgerlijk Wetboek. Dit is evenwel niet gebiedend geschreven naar de onderaannemer, in tegenstelling tot verschillende andere bijzondere voorwaarden die wel verplichtingen van de onderaannemer bepaalden. De vermelding van “opname van jullie als onderaannemer” is gericht aan de onderaannemer, door het gebruik van het woord “jullie”, maar die “jullie” betreft het voorwerp van de clausule, zonder die onderaannemer ook als onderwerp (schuldenaar) tot iets te verplichten. Hieruit leidt de rechtbank af dat Aannemingen C zich ertoe verbond om ook de onderaannemer (“jullie”) ‘op te nemen’ ‘in verband met’ een foutloze aansprakelijkheid voor burenhinder, met name door de eventuele aansprakelijkheid te verzekeren in de polis van Aannemingen C. De rechtbank stelt ook niet vast dat onderaannemer Funderingen D zich ertoe verbonden heeft om een aansprakelijkheid voor schade van derden, in het bijzonder naburen, ten gevolge van de onderaannemingswerken zonder fout, te laten verzekeren in een ABR-polis van de opdrachtgever. Het hogervermelde beding heeft hoogstens een verbintenis doen ontstaan voor Aannemingen C om de onderaannemer te verzekeren, maar niet omgekeerd voor de onderaannemer om zichzelf te laten verzekeren in polissen van derden. Dit kan niet worden afgeleid uit de enkele zinsnede “opname van jullie als onderaannemer, ivm art. 544”. Dit wordt ook door niets anders ondersteund; zo wordt nergens enige melding gemaakt van een ABR-polis van de opdrachtgever, of op welke wijze de onderaannemer de opdrachtgever daartoe kon verplichten. Zelfs indien het beding dubbelzinnig was, toont Aannemingen C niet aan dat haar interpretatie van dat zinsdeel, met name dat de onderaannemer niet enkel een foutloze aansprakelijkheid voor schade bij derden op zich neemt maar die ook nog eens doet verzekeren in een polis van een derde, gebruikelijk is in het betrokken gewest (art. 1159 oud BW). Bij dergelijke onduidelijkheid die een interpretatie zou behoeven, zou die interpretatie ook in het nadeel van Aannemingen C gebeuren, aangezien het betrokken beding volgens die hoofdaannemer in haar voordeel zou zijn opgesteld (art. 1162 oud BW). [voetnoot 2] De tusseneis van Aannemingen C tegen Funderingen D is voor wat de foutloze schade betreft, ongegrond. 4. Vrijwaringen schade uit fout en regres 13. Wat de schade wegens fout betreft, adviseerde de deskundige correct dat de keuze van een berlinerwand als techniek voor de beschoeiing van een bouwput, zonder de zool voorafgaandelijk te ondervangen, conceptueel fout was en dat Funderingen D als gespecialiseerd aannemer de bouwpartners voor die risicovolle techniek had moeten verwittigen. Hij adviseerde eveneens correct dat Funderingen D de zool voorafgaandelijk gedeeltelijk had ontgraven zonder de stabiliteitsingenieur daarin te kennen. De deskundige is tot die besluiten gekomen na een gedegen onderzoek. Funderingen D herhaalt haar betwisting van de vaststellingen van de deskundige, en Aannemingen C sluit zich daarbij in eerste instantie aan. Zij brengen evenwel geen nieuwe opmerkingen bij of andere opmerkingen dan die reeds tijdens de gerechtsexpertise werden gemaakt en die de deskundige reeds behandelde in het onderzoek (eindverslag, p. 14-15 en 20). Er wordt niet concreet aangetoond waarom het eindbesluit van de deskundige technisch onjuist is. Ze leggen bijvoorbeeld ook geen nieuwe technische nota’s neer van een partijdeskundige die op technisch vlak het eindverslag inhoudelijk zou betwisten. Ze herhalen eenvoudigweg wat de deskundige reeds onderzocht en afwees. Hierdoor zijn de aan de Ingenieursstudies E en aan Funderingen D verweten feiten met voldoende redelijke mate van zekerheid vastgesteld. Dit zijn niet-nakomingen in de uitvoering van de onderscheiden opdrachten die aan hen toerekenbaar zijn. Door de conceptuele fout was het ontwerp van Ingenieursstudies E als stabiliteitsingenieur gebrekkig. Funderingen D had die fout als gespecialiseerde funderingsaannemer moeten kunnen vaststellen. Het niet verwittigen van de opdrachtgever voor dergelijke voor haar manifeste conceptfout, is een schending van de op haar als gespecialiseerde aannemer rustende informatieverplichtingen. Hoofdaannemer Aannemingen C was daarin zelf niet gespecialiseerd. Het afwijken van het ontwerp zonder de stabiliteitsingenieur daarin te kennen, is een schending van de verplichting om de opdracht conform en volgens de regels van de kunst uit te voeren. Ingenieursstudies E en Funderingen D zijn contractueel aansprakelijk voor die toerekenbare niet-nakomingen. Aannemingen C verbond zich ten aanzien van Vastgoed A tot een uitvoering van de werken volgens de regels van de kunst. Als hoofdaannemer dient ze ook in te staan voor de fouten in de uitvoering van de opdracht door de onderaannemer op wie ze beroep deed (art. 1797 oud BW). Ze is contractueel aansprakelijk ten aanzien van opdrachtgever Vastgoed A. De vrijwaringseis van Vastgoed A tegen Aannemingen C voor de schade wegens fout, is gegrond. De tusseneis van Aannemingen C tegen Funderingen D is voor wat die schade betreft, eveneens gegrond. 14. De stabiliteitsingenieur en de onderaannemer hebben onderscheiden fouten gemaakt. De deskundige heeft evenwel terecht kunnen adviseren, en de rechtbank stelt dit eveneens vast, dat de schade door de beide fouten is veroorzaakt. Ten aanzien van opdrachtgever Vastgoed A zijn Ingenieursstudies E en hoofdaannemer Aannemingen C daardoor samen, in solidum, aansprakelijk. Het gebrek aan eigen fout van hoofdaannemer Aannemingen C, die voor de onderaannemer moet instaan, verhindert de gezamenlijke gehoudenheid niet. Ingenieursstudies E en Aannemingen C zijn uiteindelijk samen schuldenaar, door hun onderscheiden verbintenissen maar ongeacht de grondslag daarvan, voor dezelfde schade. Vastgoed A kan hierdoor naar eigen keuze, hen beide aanspreken tot betaling van het geheel. 15. Er is geen betwisting over de schadebepaling van 30.000,00 euro. Ingenieursstudies E, Funderingen D en Aannemingen C zijn evenwel niet gebonden door het akkoord tussen Vastgoed A en de eisers over de belasting over de toegevoegde waarde en het startpunt van de interest. De toekenningen van de vrijwaringseisen worden beperkt tot de bedragen exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, en met de interest slechts vanaf 30 oktober 2016. 16. Beroepsverzekeraar I zet de tusseneis voor haar regresvordering uiteen in conclusies. Ze wijst op een in-solidumgehoudenheid en op de verdeling van de technische verantwoordelijkheid in het verslag van de deskundige. De rechtbank oordeelt dat die motivering voldoende begrijpelijk is. Aannemingen C heeft daarop ook geantwoord in conclusies. Zelfs indien een exceptie wegens onduidelijkheid van de verwoording zou kunnen worden opgeworpen tegen een tusseneis, stelt de rechtbank vast dat er geen sprake is van een dermate grote onduidelijkheid dat dit tot de nietigheid van een procedurestuk en/of van de tusseneis aanleiding zou moeten geven. De tusseneis is toelaatbaar. Verder in dit vonnis stelt de rechtbank vast dat Beroepsverzekeraar I gehouden is om dekking te verlenen voor de schuld waartoe Ingenieursstudies E in solidum moet instaan met de aannemers. Tussen de in solidum gehouden schuldenaars onderling wordt de schuld van rechtswege verdeeld en ieder van hen is tot bijdrage gehouden voor zijn aandeel in de schuld. De rechtbank stelt concrete omstandigheden vast die een verdeling daarvan rechtvaardigen. De deskundige heeft op correcte wijze vastgesteld dat de fouten van Funderingen D en de fout van Ingenieursstudies E hebben bijgedragen tot het ontstaan van de schade in een verhouding van Ingenieursstudies E 65% (19.500,00 euro) en Funderingen D 35% (10.500,00 euro). De rechtbank stelt die onderlinge verdeling (65% en 35%) voor het deel van de schade van 30.000,00 euro vast tussen enerzijds Ingenieursstudies E en anderzijds Funderingen D voor die hoofdsom. Die verhouding voor de hoofdsom zal nog beperkt wijzigen omdat Beroepsverzekeraar I een vrijstelling kan tegenstellen, maar in tegenstelling tot de aannemers daarbovenop wel de belasting over de toegevoegde waarde aanvaardde. Het deel van Funderingen D wordt in de verhouding met Vastgoed A door Aannemingen C gedragen. De rechtbank kan een vordering in vrijwaring of in regres reeds inwilligen onder de voorwaarde van de latere betaling aan de benadeelde (voorwaardelijke indeplaatsstelling). [voetnoot 3] De in solidum gehouden schuldenaar die meer dan zijn aandeel zal betalen, krijgt een verhaalsrecht tegen de andere medeschuldenaar naar evenredigheid tot de hoger vastgestelde aandelen. De ondergeschikte eisen van Beroepsverzekeraar I en van Aannemingen C op elkaar in regres, zijn in die mate gegrond. Ingenieursstudies E en Beroepsverzekeraar I zijn niet tezamen in solidum gehouden. Het deel van Ingenieursstudies E dat niet door Beroepsverzekeraar I wordt betaald, met name de vrijstelling, wordt door de insolvabiliteit naar evenredigheid omgeslagen over de andere in solidum gehouden medeschuldenaars die wel in staat zijn om te betalen, met name Aannemingen C. C. VERZEKERINGSDEKKINGEN 1. Standpunten 17. Mede-eigenaar Vastgoed A spreekt niet enkel Aannemingen C en ingenieur Ingenieursstudies E aan, maar ook Beroepsverzekeraar I, de verzekeraar van die laatste. Vastgoed A betwist dat er geen dekking zou zijn omdat de dekkingsperiode zou zijn verstreken. De polis liep immers nog tot 29 augustus 2018 terwijl de schade en de schade-eis van 2016 dateren, en Beroepsverzekeraar I zou tot dekking zijn gehouden zolang de polis liep. De polisclausule die strengere voorwaarden zou opleggen dan art. 142 Verz.W., zou nietig zijn. Een schorsing van de dekking wegens wanbetaling zou geen schorsing van de verzekeringsovereenkomst inhouden, waarop Beroepsverzekeraar I zich zou kunnen beroepen. Dit zou ook gelden voor niet-verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen. De laattijdige aangifte zou niet door Beroepsverzekeraar I worden bewezen, en zou ook geen exceptie zijn die Beroepsverzekeraar I zou kunnen inroepen omdat dit het schadegeval niet zou voorafgaan. Ze betwist dat ze Beroepsverzekeraar I laattijdig zou hebben betrokken en wijst erop dat ze zelf niet bij de schadevaststelling zou zijn betrokken. Een vrijstelling zou maximaal 3.900,00 euro kunnen bedragen (20% van 19.500,00 euro (65% verantwoordelijkheid Ingenieursstudies E van 30.000,00 euro schade)). 18. Hoofdaannemer Aannemingen C spreekt naast onderaannemer Funderingen D ook dier verzekeraar Maatschappij G aan. Ze spreekt ondergeschikt ook Maatschappij H aan, haar eigen ABR-verzekeraar. Maatschappij H zou vóór het deskundigenonderzoek al betrokken zijn geweest in de verzekeringsexpertise, bijgestaan door Expertisebureau Z. Die verzekeringsexpert zou ook het schadevaststellingsverslag mee hebben ondertekend. Aannemingen C stelt dat de vrijstelling van 50.000,00 euro onder afdeling II – burgerlijke aansprakelijkheid, niet van toepassing zou zijn, omdat er voor burenhinder een afzonderlijke en lagere vrijstelling van 2.500,00 euro zou zijn met de 50.000,00 euro als het minimale contractbedrag (art. 5.2.2, 2°). Een evenredige verdeling tussen de verzekeraars zal na de uitspraak door hen moeten worden geregeld. Aannemingen C spreekt eveneens ondergeschikt Beroepsverzekeraar I aan als verzekeraar van Ingenieursstudies E indien ze in solidum met hen gehouden zou zijn. Aannemingen C wijst er ook op dat de polisvoorwaarden (art. 5.7) zouden bepalen dat er geen vrijstelling van toepassing zou zijn voor de afdeling bedrijfsaansprakelijkheid. 19. Onderaannemer Funderingen D spreekt ondergeschikt Maatschappij H, ABR-verzekeraar van hoofdaannemer Aannemingen C, aan in dekking. 20. Maatschappij H, ABR-verzekeraar van hoofdaannemer Aannemingen C, betwist dat ze tot dekking is gehouden. Eigenaar B en Maatschappij G zouden niet bewijzen dat de foutschade onder de ABR-polis gedekt zou zijn. De eisers zouden dit algemeen eisen, zonder concreet aan te tonen dat de schade onder de dekking valt. Het betreft ook schade aan goederen van derden, wat onder afdeling II van de polis zou vallen. Funderingen D en Ingenieursstudies E zijn inderdaad verzekerden daaronder, maar de dekking geldt slechts “in excedent van de bestaande polissen BA”. De polissen van het studiebureau en de onderaannemer zouden in de eerste plaats moeten tussenkomen. Er zou voor foutschade onder afdeling II ook een vrijstelling zijn van minimaal 50.000,00 euro, wat hoger is dan de schade van 30.000,00 euro. Voor de foutloze schade zouden Eigenaar B, Maatschappij G en Aannemingen C opnieuw niet bewijzen dat de schade onder de dekking zou vallen. Ook die aansprakelijkheid zou onder afdeling II maar gedekt zijn na uitputting van de BA-polissen, dan wel voor gunstigere voorwaarden in de ABR-polis (‘DIC’). Aannemingen C zou haar BA-verzekeraar niet betrekken en de polis niet voorleggen. Ze wijst ook op de samenloop tussen de twee ABR-polissen (art. 99, § 2 Verz.W.), en aanvankelijk mogelijk drie, maar intussen blijkt ABRVerzekeraar J enkel Vastgoed Abis te verzekeren en niet Vastgoed A. Het risico van Funderingen D had contractueel moeten zijn gedekt in de ABR-polis van de opdrachtgever, waardoor de vordering van Funderingen D in evenredigheid met haar fout zou moeten worden beperkt. Voor de foutloze schade zou een vrijstelling gelden van 2.500,00 euro. Maatschappij H dringt aan op een rechtsplegingsvergoeding van Eigenaar B en Maatschappij G, die haar oorspronkelijk wel hadden aangesproken, waarvan zij vervolgens afstand deden. 21. Beroepsverzekeraar I, BA-verzekeraar van de gefailleerde Ingenieursstudies E, betwist de eisen in dekking. Het zou een niet-verplichte aansprakelijkheidsverzekering zijn. De dekking zou maar gelden voor schade-eisen die tijdens de geldigheidsduur van de polis worden ingesteld en die betrekking hebben op schade die tijdens dezelfde duur is voorgevallen (art. 2.4.1 algemene voorwaarden). Het zou niet zijn bewezen dat de schade zou zijn voorgevallen binnen een waarborgperiode en dat de schade-eis werd ingediend binnen een waarborgperiode. De waarborg zou zijn geschorst door de wanbetaling door verzekeringsnemer Ingenieursstudies E. Ze zou Ingenieursstudies E daarover vaak hebben aangemaand, waarna laattijdig betalingen volgden, wat tot schorsingsperiodes leidde van 15 juni tot 9 juli 2016, van 9 september tot 16 september 2016, en van 19 november 2016 tot 11 juli 2017. De dubbele voorwaarde zou geldig zijn. De cassatierechtspraak waarnaar Vastgoed A verwijst, zou een verplichte verzekering (WAM) betreffen. De schade zou op 4 augustus 2016 zijn gemeld, maar er is geen bewijs van wanneer de schade zich zou hebben voorgedaan, waarbij de werken zijn aangevat op 16 juni 2016, na de schorsing die de dag ervoor begon. De schade-eisen bij brief van Maatschappij G van 22 december 2016 en bij dagvaarding van 23 juni 2017, zouden beide binnen de schorsingsperiode vallen van 19 november 2016 tot 11 juli 2017. Ondergeschikt wijst Beroepsverzekeraar I erop dat er geen aangifte werd gedaan: Ingenieursstudies E was overgegaan tot ondertekening van de schadevaststelling zonder dat ze dit had aangegeven. Beroepsverzekeraar I zou maar twee jaar na de eerste dagvaarding worden betrokken, toen het onderzoek reeds liep. Ondergeschikt zou de dekking moeten beperkt blijven tot het aandeel van verzekerde Ingenieursstudies E, zijnde 65% van de hoofdsom, van de btw, van de interest, van de expertisekosten, en van de rechtsplegingsvergoeding. Dit zou ook niet in solidum met de anderen kunnen gebeuren. De vrijstelling van 6.250,00 euro zou daarvan moeten worden afgetrokken. Dit zou niet vallen onder de afdeling bedrijfsschade waarop geen vrijstelling van toepassing is, maar onder de afdeling beroepsaansprakelijkheid. Ook de verdedigingskosten van Beroepsverzekeraar I zouden meegerekend moeten worden, waardoor het maximum van de vrijstelling van 6.250,00 euro zou zijn behaald. Beroepsverzekeraar I spreekt ook Eigenaar B en Maatschappij G aan in de kosten, aangezien ze oorspronkelijk een eis instelden en daarvan vervolgens afstand deden. Ze betwist daarnaast enige dekking voor de foutloze aansprakelijkheid en foutloze schade, bij gebreke aan aangetoonde fout en bij gebreke aan dekking voor foutloze aansprakelijkheid. 2. Dekking onder BA-polis Ingenieursstudies E 22. Ingenieur Ingenieursstudies E had haar beroepsaansprakelijkheid verzekerd bij Beroepsverzekeraar I (stukken Beroepsverzekeraar I, nr. 13 en 14). Aangezien de betwisting een aanspraak betreft op verzekeringsdekking wegens aan Ingenieursstudies E verweten fouten in de uitvoering van de contractuele opdracht als stabiliteitsingenieur, betreft dit de dekking beroepsaansprakelijkheid en niet bedrijfsaansprakelijkheid (stuk Beroepsverzekeraar I, nr. 13/14, art. 2.1 algemene voorwaarden versie ARIN 2010). De verzekeraar beroept zich op een schorsing tijdens periodes van wanbetaling van de premies door de verzekeringsnemer. In tegenstelling tot wat Vastgoed A beweert, houdt een schorsing wegens wanbetaling, indien voldaan aan de wettelijke voorwaarden, wel degelijk een schorsing in van de dekking onder de verzekeringsovereenkomst. De Verzekeringswet bepaalt uitdrukkelijk dat de “niet-betaling van de premie op de vervaldag” grond kan opleveren tot schorsing van “de dekking” mits de verzekeraar de schuldenaar in gebreke heeft gesteld (art. 69 Verzekeringswet). De schorsing van de dekking ontheft de verzekeraar tijdelijk, maar definitief, van zijn dekkingsverplichting voor de schadegevallen die plaatsvonden tussen het begin van de schorsing en de aanzuivering van de achterstallige premies. De betaling van de achterstallige premies heeft geen retroactief effect. [voetnoot 4] Aangezien het een niet-verplichte aansprakelijkheidsverzekering betrof, was een schorsing van de dekking wegens premiewanbetaling die het schadegeval voorafging, tegenstelbaar aan de benadeelde schadelijder (art. 151, § 2 Verzekeringswet). De aangehaalde wetsbepalingen over de schorsing van de verzekeringsdekking zijn van dwingend recht, tenzij uit de bewoordingen zelf blijkt dat de mogelijkheid wordt gelaten om er van af te wijken door bijzondere bedingen (art. 56 Verzekeringswet). De bepaling in de algemene voorwaarden over de omvang van de waarborg in de tijd (art. 2.4) betreft de looptijd van de polis en de verplichtingen van de verzekeraar na het einde van de overeenkomst, zoals geregeld in artikel 142 van de Verzekeringswet. De bewoordingen komen overeen met de verstrengingsmogelijkheid die de wet toelaat. Dit betreft niet de schorsing van de dekking wegens wanbetaling, die zowel in de polis (art. 6.4) als in de wet (art. 69 e.v.) elders wordt geregeld. Voor zover die polisbepalingen over de omvang van de waarborg in de tijd ook betrekking moesten hebben op de schorsing wegens wanbetaling, stelt de rechtbank vast dat dit een niet toegelaten afwijking is van de wetsbepalingen over de schorsing van de verzekeringsdekking, en laat ze dergelijke nietige afwijkingen buiten werking. De Beroepsverzekeraar I-polis is een aansprakelijkheidsverzekering. Het ‘schadegeval’ is in beginsel niet het voorvallen van schade waarvoor de verzekerde wordt aangesproken, maar wel het aansprakelijk kunnen worden gesteld van de verzekerde door een schadelijder voor veroorzaakte schade. [voetnoot 5] De verzekeringsovereenkomst beperkt het begrip schadegeval tot de daadwerkelijke schade-eis die de aansprakelijkheid van de verzekerde in het gedrang brengt (stuk Beroepsverzekeraar I, nr. 13/14, art. 1.8 algemene voorwaarden versie ARIN 2010), en definieert die schade-eis als een “burgerlijke vordering van derden die schriftelijk tegen de verzekerde of de verzekeraar wordt ingesteld” op basis van de verzekerde aansprakelijkheid (art. 1.7). De rechtbank stelt vast dat er drie beschadigingen hebben plaatsgevonden. De deskundige bepaalt dit als volgt (eindverslag, p. 16): - scheuren in de voorste kopgevel, - zettingen van de vloerplaat en van een gietijzeren kolom, - zettingen van de zijgevels. Dit stemt ook overeen met het verslag van verzekeringsexpert Expertisebureau X, expert voor Maatschappij G (de ABR-verzekeraar van Eigenaar B), van 26 januari 2017 na een plaatsbezoek met de verzekeringsexperts X (Expertisebureau X, voor Maatschappij G), Z (Expertisebureau Z, voor Maatschappij H, ABR-verzekeraar van Aannemingen C) en Y (Expertisebureau Y, voor ABRVerzekeraar J, BA-verzekeraar van Aannemingen C), en met partijen Aannemingen C, Funderingen D en Ingenieursstudies E (stuk Eigenaar B, nr. 11). Beroepsverzekeraar I wordt aangesproken in dekking van de aansprakelijkheid voor foutschade, met name de zettingen van de gietijzeren kolom, bepaald op 30.000,00 euro. Het verzekerde schadegeval onder de aansprakelijkheidsverzekering vond dus plaats op het ogenblik dat verzekerde Ingenieursstudies E aansprakelijk kon worden gesteld voor de schade door de zettingen van de gietijzeren kolom. Dit is niet hetzelfde ogenblik als het moment van de eigenlijke zetting en beschadiging, noch van de toerekenbare contractuele fout die daartoe aanleiding gaf. Het schadegeval, met name het kunnen worden aangesproken van Ingenieursstudies E voor de schade door de zettingen van de gietijzeren kolom, is een gedekt risico onder de polis van Beroepsverzekeraar I. Als verzekeraar die zich op een schorsing wil beroepen en zo beweert bevrijd te zijn van haar verbintenis tot dekking, dient Beroepsverzekeraar I de schorsing te bewijzen. De rechtbank stelt het volgende vast over de data van de beschadigingen en van het aanspreken van de verzekerde stabiliteitsingenieur Ingenieursstudies E: - Verzekeringsexpert Expertisebureau X (voor Maatschappij G, ABR-verzekeraar van Eigenaar B) en verzekeringsexpert Expertisebureau Y (voor ABRVerzekeraar J, BA-verzekeraar van Aannemingen C) kwamen in november 2016 al ter plaatse om schade vast te stellen, volgens de e-mail van Expertisebureau Y van 6 september 2018 aan Aannemingen C (stuk Aannemingen C, nr. 5, bijlage). De kolomscheefstand zou volgens Expertisebureau Y zijn vastgesteld na de realisatie van de berlinerwand, maar voorafgaand aan de eerste uitgraving voor verankering. - Verzekeringsexpert Expertisebureau X (voor Maatschappij G, ABR-verzekeraar van Eigenaar B) schreef verzekeringsexpert Expertisebureau Y (voor ABRVerzekeraar J, BA-verzekeraar van Aannemingen C) aan op 30 november 2016 (stuk Aannemingen C, nr. 16). Expertisebureau X verwees naar de samenkomst ter plaatse op 24 november 2016, vermeldde de risicovolle uitvoeringen en vermeldde dat er nog geen debat was gevoerd over aansprakelijkheden bij gebreke aan aanwezigheid van de ABR-verzekeraar van Aannemingen C. - Verzekeringsexpert Expertisebureau Z (voor Maatschappij H, ABR-verzekeraar van Aannemingen C) schreef stabiliteitsingenieur Ingenieursstudies E aan over de schade op 22 december 2016 en verwoordde dit als een ingebrekestelling (stuk Beroepsverzekeraar I, nr. 2). Ze wees op een rondgang samen met de verzekeringsexperts Expertisebureau X en Expertisebureau Y op 16 december 2016. - De verzekeringsexperts besloten volgens het verslag van verzekeringsexpert Expertisebureau X van 26 januari 2017 tot de volgende drie schades, schade-omvangen en tijdsbepalingen (stuk Eigenaar B, nr. 11, p. 3): o scheuren in de voorste kopgevel, foutloze schade, bepaald op 7.500,00 euro, ontstaan vóór het zomerbouwverlof van 2016; o zettingen van de gietijzeren kolom, door fout, bepaald op 30.000,00 euro, ontstaan eind augustus / begin september 2016; o zettingen langs de zijgevels, foutloze schade, bepaald op 7.500,00 euro, ontstaan najaar 2016. - Een e-mail van Maatschappij G (als ABR-verzekeraar van Eigenaar B) aan Beroepsverzekeraar I van 9 februari 2017 verwees naar een enkel schadegeval op “4/8/2016” (stuk Beroepsverzekeraar I, nr. 3). Dit hield eveneens een ingebrekestelling in. - Beroepsverzekeraar I antwoordde Maatschappij G op 16 februari 2017 met een weigering van dekking wegens een schorsing door wanbetaling (stuk Beroepsverzekeraar I, nr. 4). Ze betwistte ook de tegenstelbaarheid van de schadebepaling. - Ingenieursstudies E verklaarde op 28 februari 2017 onder meer het volgende aan Beroepsverzekeraar I, Maatschappij G en verzekeringsexperts (stuk Beroepsverzekeraar I, nr. 18): o melding schade in appartementen door Eigenaar B aan Aannemingen C na afbraak: 4 augustus 2016, o vergadering ter plaatse: 5 augustus 2016, o uitvoering berlinerwand: 19 en 20 augustus 2016, o melding scheefstand kolom: 22 augustus 2016, o melding mogelijk raken grondanker: 22 augustus 2016, o vergadering ter plaatse en bespreking afwijking in uitvoering Funderingen D met zetting en verschuiving als gevolg: 23 augustus 2016, o vergaderingen ter plaatse over remediëring: 24, 25 en 26 augustus 2016. - Op de aanvangsvergadering van de gerechtsexpertise op 7 augustus 2018 verklaarde verzekeringsexpert Expertisebureau X dat de eerste scheuren in het appartement van de tweede verdieping reeds tot stand waren gekomen voorafgaand aan het intrillen van profielen vanaf 16 augustus 2016, dat de zetting van de vloerplaat werd vastgesteld “eind augustus / begin september” 2016 , dat Aannemingen C op 22 augustus 2016 de scheefstand van de tweede gietijzeren kolom meldde, en dat hij het in vraag stelde dat de schade zou zijn opgetreden direct na het stoten op iets hards bij het inbrengen van het profiel (voorverslag, p. 5). De raadsman van Aannemingen C betwistte op de aanvangsvergadering dat er in augustus al schade zou zijn vastgesteld en wees op een eerste schade in september 2016 (voorverslag, p. 6). - Op 19 november 2018 verzochten de raadslieden van Vastgoed A aan Beroepsverzekeraar I om vrijwillig tussen te komen (stuk Beroepsverzekeraar I, nr. 8). De raadslieden van Beroepsverzekeraar I wezen dit op 18 december 2018 af, met een verwijzing naar een gebrek aan aangifte door Ingenieursstudies E en de schorsing van de dekking (stuk Beroepsverzekeraar I, nr. 9). De partijen maken de rechtbank geen briefwisseling of verslaggeving over van vlak na de vaststellingen van de schade. De rechtbank stelt het volgende vast over de schorsing van de verzekeringsdekking van Beroepsverzekeraar I (stuk Beroepsverzekeraar I, nr. 15): - Beroepsverzekeraar I maande Ingenieursstudies E aan per aangetekende brief op 19 april 2016 in betaling van de premie, met ingebrekestelling om te betalen binnen vijftien dagen vanaf de dag volgend op de afgifte ter post van de brief, en met aankondiging van het gevolg “dat de waarborg van de polis geschorst wordt vanaf de 16e dag om 0u00, te rekenen vanaf de dag volgend op de afgifte ter post” van de brief. Er liep vervolgens een schorsingsperiode vanaf 5 mei 2016 die volgens de verklaring van Beroepsverzekeraar I liep tot 19 mei 2016. - Beroepsverzekeraar I maande Ingenieursstudies E aan per aangetekende brief op 30 mei 2016 in betaling van de premie, met ingebrekestelling om te betalen binnen vijftien dagen vanaf de dag volgend op de afgifte ter post van de brief, en met aankondiging van het gevolg “dat de waarborg van de polis geschorst wordt vanaf de 16e dag om 0u00, te rekenen vanaf de dag volgend op de afgifte ter post” van de brief. Er liep vervolgens een schorsingsperiode vanaf 15 juni 2016 die volgens de verklaring van Beroepsverzekeraar I liep tot 9 juli 2016. - Beroepsverzekeraar I maande Ingenieursstudies E aan per aangetekende brief op 24 augustus 2016 in betaling van de premie, met ingebrekestelling om te betalen binnen vijftien dagen vanaf de dag volgend op de afgifte ter post van de brief, en met aankondiging van het gevolg “dat de waarborg van de polis geschorst wordt vanaf de 16e dag om 0u00, te rekenen vanaf de dag volgend op de afgifte ter post” van de brief. Er liep vervolgens een schorsingsperiode vanaf 9 september 2016 die volgens de verklaring van Beroepsverzekeraar I liep tot 16 september 2016. - Beroepsverzekeraar I maande Ingenieursstudies E aan per twee aangetekende brieven op 3 november 2016 in betaling van premies, met ingebrekestelling om te betalen binnen vijftien dagen vanaf de dag volgend op de afgifte ter post van de brief, en met aankondiging van het gevolg “dat de waarborg van de polis geschorst wordt vanaf de 16e dag om 0u00, te rekenen vanaf de dag volgend op de afgifte ter post” van de brief. Er liep vervolgens een schorsingsperiode vanaf 19 november 2016 die volgens de verklaring van Beroepsverzekeraar I liep tot 2 september 2017. Intussen maande de verzekeraar Ingenieursstudies E ook op 7 februari 2017 opnieuw aan. De rechtbank stelt vast dat het met voldoende redelijke mate van zekerheid is aangetoond dat de zettingen van de gietijzeren kolom plaatsvonden in de periode eind augustus - begin september 2016. Dit werd volgens de verzekeringsexperts besloten volgens het verslag van verzekeringsexpert Expertisebureau X van 26 januari 2017, en dit stemt overeen met de verklaring van verzekerde Ingenieursstudies E op 28 februari 2017 aan Beroepsverzekeraar I dat er op 23 augustus 2016 werd vergaderd over een zetting en verschuiving. Er worden geen stukken bijgebracht die een ander tijdstip aannemelijk maken en dit werd in de onverdachte periode van de verzekeringsexpertise niet tegengesproken. Wat het tijdstip van het verzekerde schadegeval betreft, stelt de rechtbank vast dat er volgens de beschikbare stukken niet onmiddellijk over verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid van de ingenieur werd gesproken. De verzekeringsexpertises betroffen aanvankelijk ook de schadeverzekeraars (ABR-polissen van Aannemingen C en Eigenaar B) en de BA-verzekeraar van Aannemingen C, maar niet die van Ingenieursstudies E. Verzekeringsexpert Expertisebureau X schreef ook op 30 november 2016 dat er nog geen debat was geweest over aansprakelijkheden. Pas op 22 december 2016 schreef Expertisebureau Z, verzekeringsexpert van Maatschappij H, ABR-verzekeraar van Aannemingen C, ingenieur Ingenieursstudies E aan over de schade. Niettemin was Ingenieursstudies E al wel betrokken bij de eerdere plaatsbezoeken in het kader van de uitvoering van de werken en van haar ingenieursopdracht. Ze wist van het voorvallen van schade en van de wens van de schadelijder om dit hersteld te zien. Ze diende redelijkerwijze te weten dat ze aansprakelijk kon worden gesteld door de schadelijder voor de veroorzaakte schade. Ze diende dit redelijkerwijze te weten vanaf de vergadering van 23 augustus 2016 en de dagen daarna, in welke periode de schade en de oorzaken werden besproken tussen de werfactoren en schadelijder Eigenaar B. Er was dekking tussen 9 juli 2016 en 9 september 2016, en tussen 16 september 2016 en 19 november 2016, met vervolgens een schorsing vanaf 19 november 2016 tot 2 september 2017. Het schadegeval dat zich tussen 23 augustus 2016 en de dagen daarna plaatsvond, situeert zich in die dekkingsperiode tussen 9 juli 2016 en 9 september 2016. Beroepsverzekeraar I bewijst niet dat de dekking geschorst was toen het schadegeval zich voordeed. Ze is gehouden tot dekking. 23. Er is geen foutloze aansprakelijkheid van Ingenieursstudies E vastgesteld, noch de verzekering daarvan door Beroepsverzekeraar I. De dekking blijft beperkt tot de schade wegens fout. 24. Een gebrek aan tijdige aangifte door de verzekeringsnemer verhindert de betaling aan de benadeelde niet. Dit is geen exceptie of verval van recht dat haar oorzaak vindt in een feit dat het schadegeval voorafgaat. Daarenboven toont Beroepsverzekeraar I niet aan welk concreet nadeel daardoor is ontstaan voor de verzekeraar, wat tot een vermindering van de prestatie zou kunnen leiden tot beloop van dat nadeel. Ook op vraag van de rechtbank kan de raadsman van Beroepsverzekeraar I op de zitting geen concreet nadeel aantonen dat tot een evenredige vermindering van de dekkingsprestatie zou leiden. 25. Beroepsverzekeraar I wijst er terecht op dat de dekking in eerste instantie beperkt is tot de aansprakelijkheid van verzekerde Ingenieursstudies E voor de schade die door fout is ontstaan. De verzekerde is evenwel in solidum gehouden om de foutschade te vergoeden. Beroepsverzekeraar I is daardoor eveneens gehouden om dekking te verlenen voor de schuld waartoe Ingenieursstudies E in solidum moet instaan met de aannemers. Hoger staat de rechtbank de tusseneis in regres toe indien Beroepsverzekeraar I meer betaalt dan het aandeel van de verzekerde. 26. De polis bepaalt een vrijstelling op 20%, met een minimum van 1.250,00 euro en een maximum van 6.250,00 euro (stuk Beroepsverzekeraar I, nr. 13/14, bijvoegsel nr. 15). De vrijstelling is toepasselijk op het totaal van de uitgaven van de verzekeraar (algemene voorwaarden, art. 5.7). Voor de verdedigingskosten is een afzonderlijke vrijstelling bepaald van 1.250,00 euro (stuk Beroepsverzekeraar I, nr. 13/14, bijvoegsel nr. 15). Beroepsverzekeraar I telt de uitgaven van haar eigen raadsman ten onrechte bij de schade om de vrijstelling vervolgens daarop toe te passen. Die kosten zijn slechts onderdeel van de waarborg en voorwerp van de vrijstelling die de verzekerde zelf moet dragen, indien de aansprakelijkheidsverzekeraar de leiding van het geding nam. De concrete kosten van Beroepsverzekeraar I werden evenwel gemaakt in haar eigen verdediging wegens de onterechte dekkingsweigering, en niet in het kader van de verdediging van de verzekerde. Dit kan niet op de verzekerde of de benadeelde worden verhaald. De bepaling over de vrijstelling van een dekking bedrijfsaansprakelijkheid is niet relevant, aangezien het schadegeval de dekking beroepsaansprakelijkheid betreft. De schade waarvoor Ingenieursstudies E wordt aangesproken is 19.500,00 euro, hetzij 65% van schade van 30.000,00 euro. Beroepsverzekeraar I aanvaardt ondergeschikt wel de belasting over de toegevoegde waarde daarop, hetzij 1.170,00 euro, samen 20.670,00 euro. De vrijstelling bedraagt daardoor 4.134,00 euro. Beroepsverzekeraar I wordt maar voor een enkel schadegeval aangesproken, met name de aanspraak tegen Ingenieursstudies E voor de schade door de zettingen van de gietijzeren kolom. Hierdoor is er maar een enkele vrijstelling van toepassing. Beroepsverzekeraar I is gehouden tot betaling van 16.536,00 euro aan de benadeelde, in dit geval aan de partij die de benadeelde betaalde en zo in de rechten op verzekeringstussenkomst trad door indeplaatsstelling. 3. Dekking onder BA-polis Funderingen D 27. Hoofdaannemer Aannemingen C spreekt Maatschappij G aan als BA-verzekeraar van Funderingen D. Maatschappij G en Funderingen D bevestigen dat Maatschappij G BA-verzekeraar is van Funderingen D, betwisten de aansprakelijkheid van de onderaannemer, maar nemen in conclusies geen enkel concreet standpunt in over die verzekeringsdekking. Er is geen concreet verweer tegen de aanspraak in verzekeringsdekking. Ten overvloede wordt vastgesteld dat dezelfde raadsman optreedt voor de verzekeraar en de verzekerde. De aansprakelijkheid van de verzekerde wordt hoger in dit vonnis vastgesteld. De eis tegen de verzekeraar in dekking is gegrond. 4. Dekking onder ABR-polis(sen) 28. Hoofdaannemer Aannemingen C had bij Maatschappij H een polis Alle Bouwplaatsrisico’s afgesloten (stuk Aannemingen C, nr. 7; stuk Maatschappij H, nr. 1). De rechtbank stelt geen dekking vast onder de polis Alle Bouwplaatsrisico’s van hoofdaannemer Aannemingen C bij Maatschappij H. Maatschappij H was als ABR-verzekeraar gehouden tot twee dekkingen: de dekking voor verlies van en schade aan de werken van verzekeringsnemer Aannemingen C (‘afdeling I’), en de dekking voor de burgerlijke aansprakelijkheid voor schade aan derden, met inbegrip van foutloze aansprakelijkheid voor burenhinder (‘afdeling II’) (stuk Aannemingen C, nr. 7; stuk Maatschappij H, nr. 1; art. 5.1.1 en 5.1.2). Enkel de tweede afdeling kan van toepassing zijn in deze betwisting. De dekking voor de burgerlijke aansprakelijkheid voor schade aan derden gold als een verzekering “in excedent van de bestaande polissen BA” (art. 5.1.2, eerste lid). Met “in excedent” bedoelen de partijen ‘aanvullend’ op andere verzekeringsovereenkomsten, dus maar in tweede rang. [voetnoot 6] Die dekking onder de ABR-polis gold daarom maar na uitputting van de andere verzekeringsdekkingen voor burgerlijke aansprakelijkheid die de aansprakelijke verzekerden hadden afgesloten. Dit is geen samenloop of gelijktijdige dekking: de schadelijders en verzekerden moeten eerst de dekking uitputten onder de BA-verzekeringen van de aansprakelijke verzekerden, waarna de ABR-polis van Maatschappij H in tweede rang kan worden aangesproken. Wat de concrete dekking voor foutloze aansprakelijkheid voor burenhinder betreft, is er ook een dekking in “DIC [voetnoot 7] met de BA-polis van de aannemer”, met name een dekking voor dekkingsvoorwaarden die in de ABR-polis verschillen van de dekkingsvoorwaarden in de BA-verzekeringen van de aansprakelijke aannemers. De stelling van Aannemingen C dat er prioritaire dekking is door Maatschappij H voor aansprakelijkheid ten aanzien van derden (afdeling II), en niet in tweede rang na uitputting van de BA-polissen, is in strijd met de verzekeringsovereenkomst. Hoger in dit vonnis stelt de rechtbank vast dat Aannemingen C ten aanzien van Vastgoed A aansprakelijk is voor foutloze schade en voor de schade wegens fout, dat Ingenieursstudies E aansprakelijk is voor de schade wegens fout en dat ook Funderingen D aansprakelijk is voor schade wegens fout. Maatschappij H is daarom maar tot dekking gehouden na uitputting van de aansprakelijkheidsverzekeringen van die drie partijen. Het is ook vastgesteld dat die partijen aansprakelijkheidsverzekeringen aangingen. De BA-verzekeraar van Aannemingen C was volgens het verslag van verzekeringsexpert Expertisebureau X van 26 januari 2017, ABRVerzekeraar J, vertegenwoordigd door verzekeringsexpert Expertisebureau Y, en had ook deelgenomen aan de verzekeringsexpertise (stuk Eigenaar B, nr. 11). Dit was ook vermeld in een brief van Expertisebureau Z van 22 december 2016 (stuk Beroepsverzekeraar I, nr. 2). De BA-verzekeraar van Funderingen D is Maatschappij G, tweemaal partij in deze procedure. De aansprakelijkheidsverzekeraar van Ingenieursstudies E is Beroepsverzekeraar I, eveneens partij. De BA-polissen van Aannemingen C en Funderingen D worden niet als stukken neergelegd. Nochtans had Maatschappij H al gewezen op de prioritaire tussenkomst van de BA-polissen van andere bouwactoren in haar eerste conclusie van 26 februari 2025. Er wordt niet bewezen dat de aansprakelijkheidsverzekeringen van de betrokkenen zijn uitgeput, waardoor er niet is bewezen dat er voldaan is aan de voorwaarden voor de dekking ‘in excedent’ onder afdeling II van de ABR-polis van Maatschappij H. De rechtbank heropent de debatten daarover niet. Aannemingen C en Funderingen D hadden hun BA-polissen zelf kunnen neerleggen. Elke andere aangesproken partij had de overlegging kunnen eisen. Ze hebben dit verzuimd. De partijen hebben ook in burgerlijke zaken recht op een uitspraak binnen een redelijke termijn. De ondergeschikte tusseneis van Aannemingen C en de ondergeschikte tusseneis van Funderingen D en Maatschappij G, tegen Maatschappij H, zijn ongegrond. 29. Er wordt verwezen naar een mogelijke dekking onder de ABR-polis van ABRVerzekeraar J. ABRVerzekeraar J is geen partij. Verzekeringsnemer Vastgoed Abis is evenmin partij. Er is geen verweer tegen de hoofdeis van opdrachtgever Vastgoed A over een verlies aan dekking bij gebreke aan het aanspreken van de ABR-verzekeraar van de opdrachtgever. Er wordt geen verbintenis bewezen van een betrokken partij om een risico onder de ABR-polis van een van de opdrachtgevers te hebben laten verzekeren. De rechtbank dient zich daarom niet uit te spreken over een eventuele dekking onder die ABR-polis van ABRVerzekeraar J. V. GERECHTSKOSTEN 30. In de procesverhouding tussen enerzijds Maatschappij G en Eigenaar B en anderzijds Vastgoed A, zijn Maatschappij G en Eigenaar B de in het gelijk gestelde partijen. Het is een enkele procesverhouding, waarbij de eisers ook door dezelfde raadsman worden vertegenwoordigd, waardoor er maar een enkele rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is. Voor het bepalen van de rechtsplegingsvergoeding stelt de rechtbank het bedrag van de hoofdeis vast op 47.700,00 euro, te vermeerderen met de interesten tot op de dag van de betekening van de geding inleidende dagvaarding, zoals gevorderd door de eisende partij. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt daardoor 3.924,42 euro. Vastgoed A moet ook instaan voor de dagvaardingskosten van de geding inleidende dagvaarding die op verzoek van Maatschappij G en Eigenaar B werd betekend. 31. In de procesverhouding tussen Vastgoed A en Aannemingen C, is Vastgoed A de in het gelijk gestelde partij. Een tusseneis in vrijwaring doet een nieuwe procesverhouding ontstaan en geeft aanleiding tot een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding. Hetzelfde basisbedrag van 3.924,42 euro is van toepassing. Aannemingen C moet instaan voor de dagvaardingskosten van de dagvaarding in tussenkomst die op verzoek van Vastgoed A werd betekend op 23 juni 2017. 32. In de procesverhouding tussen Vastgoed A en Beroepsverzekeraar I, is Vastgoed A de in het gelijk gestelde partij. Een tusseneis in verzekeringsdekking doet een nieuwe procesverhouding ontstaan en geeft aanleiding tot een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding. De dekking werd geëist voor 26.100,00 euro (volledige schade 30.000,00 euro – vrijstelling 3.900,00 euro). Het basisbedrag bedraagt 3.139,53 euro. Beroepsverzekeraar I moet instaan voor de dagvaardingskosten van de dagvaarding in tussenkomst die op verzoek van Vastgoed A werd betekend op 4 maart 2019. 33. In de procesverhouding tussen enerzijds Aannemingen C en anderzijds Funderingen D en Maatschappij G, wordt geen enkele partij volledig in het gelijk gesteld, maar is Aannemingen C de partij die het meeste in het gelijk wordt gesteld. Een tusseneis in vrijwaring doet een nieuwe procesverhouding ontstaan en geeft aanleiding tot een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding. De rechtbank beperkt het bedrag van de vordering waarop de rechtsplegingsvergoeding wordt bepaald tot dat deel van de vrijwaringseis die wordt toegekend, met name 30.000,00 euro. Het basisbedrag bedraagt 3.139,53 euro. 34. Er was wel degelijk een procesverhouding tussen Architect F en Vastgoed A. Die laatste had Architect F bij exploot van 23 juni 2017 doen dagvaarden in gedwongen tussenkomst en vrijwaring voor de vorderingen van Eigenaar B en Maatschappij G. Een latere afstand daarvan, al dan niet stilzwijgend, doet die procesverhouding niet retroactief teniet, maar brengt de veroordeling tot de kosten met zich mee (art. 827 Ger.W.). In die procesverhouding is Architect F de in het gelijk gestelde partij. Een tusseneis in vrijwaring doet een nieuwe procesverhouding ontstaan en geeft aanleiding tot een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding. Hetzelfde basisbedrag van 3.924,42 euro is van toepassing. 35. Er was eveneens een procesverhouding tussen Eigenaar B en Maatschappij G enerzijds en Funderingen D en Maatschappij G anderzijds. Eigenaar B en Maatschappij G hadden hen immers in rechte aangesproken op tusseneis bij conclusie van 30 augustus 2024 en eiste de betaling van een vergoeding voor de schade. Een latere afstand daarvan, al dan niet stilzwijgend, doet die procesverhouding niet retroactief teniet, maar brengt de veroordeling tot de kosten met zich mee (art. 827 Ger.W.). In die procesverhouding waren Funderingen D en Maatschappij G de in het gelijk gestelde partijen. Voor het bepalen van de rechtsplegingsvergoeding stelt de rechtbank het bedrag van de hoofdeis vast op 47.700,00 euro, te vermeerderen met de interesten tot op de dag van de betekening van de geding inleidende dagvaarding, zoals destijds gevorderd. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt daardoor 3.924,42 euro. 36. Er was eveneens een procesverhouding tussen Eigenaar B en Maatschappij G enerzijds en Maatschappij H anderzijds. Eigenaar B en Maatschappij G hadden haar immers in rechte aangesproken op tusseneis bij conclusie van 30 augustus 2024 en eiste de dekking van de schade. Een latere afstand daarvan, al dan niet stilzwijgend, doet die procesverhouding niet retroactief teniet, maar brengt de veroordeling tot de kosten met zich mee (art. 827 Ger.W.). In die procesverhouding was Maatschappij H de in het gelijk gestelde partij. Voor het bepalen van de rechtsplegingsvergoeding stelt de rechtbank het bedrag van de hoofdeis vast op 47.700,00 euro, te vermeerderen met de interesten tot op de dag van de betekening van de geding inleidende dagvaarding, zoals destijds gevorderd. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt daardoor 3.924,42 euro. 37. In de procesverhouding tussen Maatschappij H en Aannemingen C, is Maatschappij H de in het gelijk gestelde partij. Een tusseneis in verzekeringsdekking doet een nieuwe procesverhouding ontstaan en geeft aanleiding tot een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding. De dekking werd geëist voor het deel van de foutloze schade, hetzij 15.000,00 euro. Het basisbedrag bedraagt 1.726,74 euro. 38. In de procesverhouding tussen enerzijds Maatschappij H en anderzijds Funderingen D en Maatschappij G, is Maatschappij H de in het gelijk gestelde partij. Funderingen D en Maatschappij G eisten vrijwaring tegen de aanspraken van Aannemingen C, met name het geheel van de foutloze schade (15.000,00 euro) en 35% van de foutschade (35% van 30.000,00 euro, hetzij 10.500,00 euro), samen 25.500,00 euro. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt daardoor 3.139,53 euro. 39. Er was eveneens een procesverhouding tussen Eigenaar B en Maatschappij G enerzijds en Beroepsverzekeraar I anderzijds. Eigenaar B en Maatschappij G hadden haar immers in rechte aangesproken op tusseneis bij conclusie van 30 augustus 2024 en eiste de betaling van een vergoeding voor de schade. Een latere afstand daarvan, al dan niet stilzwijgend, doet die procesverhouding niet retroactief teniet, maar brengt de veroordeling tot de kosten met zich mee (art. 827 Ger.W.). In die procesverhouding was Beroepsverzekeraar I de in het gelijk gestelde partij. Voor het bepalen van de rechtsplegingsvergoeding stelt de rechtbank het bedrag van de hoofdeis vast op 47.700,00 euro, te vermeerderen met de interesten tot op de dag van de betekening van de geding inleidende dagvaarding, zoals destijds gevorderd. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt daardoor 3.924,42 euro. 40. De expertisekosten bedroegen 3.889,71 euro. Ze werden voorgeschoten door Maatschappij G (eiser), door Vastgoed A en door Aannemingen C, elk voor een derde (1.296,57 euro). Uiteindelijk stelt de rechtbank Aannemingen C, Beroepsverzekeraar I en Funderingen D en Maatschappij G gedeeltelijk in het ongelijk. Ze bepaalt daarom dat die drie partij elk een derde van de expertisekosten moeten dragen. Beroepsverzekeraar I dient het aandeel van Vastgoed A aan die laatste te betalen, en Funderingen D en Maatschappij G dienen het aandeel van eiser Maatschappij G te dragen. VI. BESLISSING Na beraad en gelet op de argumenten hierboven, beslist de rechtbank het volgende. Deze beslissing gebeurt op tegenspraak. De rechtbank verleent akte aan de afstand van vordering door Vastgoed A van haar vordering tegen de gefailleerde Ingenieursstudies E. Ze verklaart de hoofdeis van Maatschappij G en Eigenaar B toelaatbaar en gegrond zoals hieronder volgt. Ze veroordeelt Vastgoed A tot betaling aan Eigenaar B van: - het bedrag van 5.000,00 euro, - een interest aan de wettelijke rentevoet bepaald in artikel 2, § 1 van de Wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest op 47.700,00 euro vanaf 1 januari 2016 tot 9 februari 2017 en op 5.000,00 euro vanaf 10 februari 2017 tot de dag van volledige betaling. Ze veroordeelt Vastgoed A tot betaling aan hoofdeiser Maatschappij G van: - het bedrag van 42.700,00 euro, - een interest aan de wettelijke rentevoet bepaald in artikel 2, § 1 van de Wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest op 40.000,00 euro vanaf 10 februari 2017 en op 2.700,00 euro vanaf 19 december 2017, tot de dag van volledige betaling. Ze verklaart de tusseneis van Vastgoed A tegen Aannemingen C toelaatbaar en gegrond zoals hieronder volgt. Ze veroordeelt Aannemingen C tot het vrijwaren van Vastgoed A tegen de vordering van Eigenaar B en Maatschappij G die de rechtbank in dit vonnis vaststelt, beperkt tot 25.500,00 euro (10.500,00 euro + 15.000,00 euro) en de interesten daarop gerekend vanaf 30 oktober 2016. In het kader van die vrijwaring veroordeelt de rechtbank Aannemingen C tot betaling aan Vastgoed A van de bedragen die Vastgoed A in uitvoering van deze beslissing betaalt aan Eigenaar B en Maatschappij G, in hoofdsom beperkt tot 25.500,00 euro, en de daarop toegekende interest vanaf 30 oktober 2016. Ze verklaart de tusseneis van Vastgoed A tegen Beroepsverzekeraar I toelaatbaar en gegrond zoals hieronder volgt. Ze veroordeelt Beroepsverzekeraar I tot het verlenen van verzekeringsdekking en tot betaling aan Vastgoed A van de bedragen die Vastgoed A in uitvoering van deze beslissing betaalt aan Eigenaar B en Maatschappij G, in hoofdsom beperkt tot 16.536,00 euro incl. btw (19.500,00 euro + 1.170,00 euro btw – 4.134,00 euro vrijstelling), en de daarop toegekende interest vanaf 30 oktober 2016. Ze beveelt de veroordelingen van Aannemingen C en van Beroepsverzekeraar I ten gunste van Vastgoed A voor het deel schade van 26.100,00 euro (10.500,00 euro + 19.500,00 euro – 3.900,00 euro), te vermeerderen met interest, in solidum, waardoor Vastgoed A Beroepsverzekeraar I voor het geheel van 27.036,00 euro (16.536,00 euro + 10.500,00 euro) kan aanspreken en Aannemingen C voor 45.000,00 euro (25.500,00 euro + 19.500,00 euro) kan aanspreken, telkens te vermeerderen met interest, en de rechtbank hierbij die respectievelijke betalingen beveelt door Beroepsverzekeraar I en Aannemingen C aan Vastgoed A voor zover Vastgoed A dit in uitvoering van deze beslissing ook betaalde aan Eigenaar B en Maatschappij G. Ze verklaart de tusseneisen van Aannemingen C en Beroepsverzekeraar I op elkaar in regres, toelaatbaar en gegrond, voor het deel schade van 26.100,00 euro. Ze stelt de onderlinge verhouding vast op 15.600,00 euro voor Beroepsverzekeraar I en 10.500,00 euro voor Aannemingen C. Ze veroordeelt elk van hen tot betaling aan de andere van hetgeen die andere aan Vastgoed A betaalt boven het eigen aandeel in die verhouding. Ze verklaart de tusseneis van Aannemingen C tegen Funderingen D en Maatschappij G, toelaatbaar en gegrond Ze veroordeelt Funderingen D en Maatschappij G tot het vrijwaren van Aannemingen C tegen de vordering van Vastgoed A die de rechtbank in dit vonnis vaststelt, beperkt tot 10.500,00 euro en de interesten daarop gerekend vanaf 30 oktober 2016, resp. tot het verlenen van verzekeringsdekking daarvoor. In het kader van die vrijwaring en dekking veroordeelt de rechtbank Funderingen D en Maatschappij G tot betaling aan Aannemingen C van de bedragen die Aannemingen C in uitvoering van deze beslissing betaalt aan Vastgoed A, in hoofdsom beperkt tot 10.500,00 euro, en de daarop toegekende interest vanaf 30 oktober 2016. Ze verklaart de tusseneis van Aannemingen C tegen Maatschappij H, toelaatbaar, maar ongegrond, en wijst die tusseneis af. Ze verklaart de tusseneis van Funderingen D en Maatschappij G tegen Maatschappij H, toelaatbaar, maar ongegrond, en wijst die tusseneis af. Ze wijst ook het anders- of meergevorderde af als ongegrond. In de procesverhouding tussen enerzijds Eigenaar B en Maatschappij G en anderzijds Vastgoed A, verwijst de rechtbank Vastgoed A in de gerechtskosten en veroordeelt ze haar tot betaling aan Eigenaar B en Maatschappij G van de enkele rechtsplegingsvergoeding van 3.924,42 euro, en de dagvaardingskosten van 694,53 euro met inbegrip van rolrechten. In de procesverhouding tussen Vastgoed A en Aannemingen C, verwijst de rechtbank Aannemingen C in de gerechtskosten en veroordeelt ze haar tot betaling aan Vastgoed A van de rechtsplegingsvergoeding van 3.924,42 euro, en de dagvaardingskosten van 405,22 euro. Aannemingen C dient zelf in te staan voor het deel van de expertisekosten van 1.296,57 euro. In de procesverhouding tussen Vastgoed A en Beroepsverzekeraar I, verwijst de rechtbank Beroepsverzekeraar I in de gerechtskosten en veroordeelt ze haar tot betaling aan Vastgoed A van de rechtsplegingsvergoeding van 3.139,53 euro, de dagvaardingskosten van 385,76 euro, en een deel van de expertisekosten van 1.296,57 euro. In de procesverhouding tussen enerzijds Aannemingen C en anderzijds Funderingen D en Maatschappij G, verwijst de rechtbank Funderingen D en Maatschappij G in de gerechtskosten en veroordeelt ze hen tot betaling aan Aannemingen C van de enkele rechtsplegingsvergoeding van 3.139,53 euro. De rechtbank veroordeelt Funderingen D en Maatschappij G tot betaling aan hoofdeiser Maatschappij G van het deel van de expertisekosten van 1.296,57 euro. In de procesverhouding tussen Architect F en Vastgoed A, verwijst de rechtbank Vastgoed A in de gerechtskosten en veroordeelt ze haar tot betaling aan Architect F van de rechtsplegingsvergoeding van 3.924,42 euro. In de procesverhouding tussen Eigenaar B en Maatschappij G enerzijds en Funderingen D en Maatschappij G anderzijds, verwijst de rechtbank Eigenaar B en Maatschappij G in de gerechtskosten en veroordeelt ze hen tot betaling aan Funderingen D en Maatschappij G van de enkele rechtsplegingsvergoeding van 3.924,42 euro. In de procesverhouding tussen Eigenaar B en Maatschappij G enerzijds en Maatschappij H, verwijst de rechtbank Eigenaar B en Maatschappij G in de gerechtskosten en veroordeelt ze hen tot betaling aan Maatschappij H van de rechtsplegingsvergoeding van 3.924,42 euro. In de procesverhouding tussen Maatschappij H en Aannemingen C, verwijst de rechtbank Aannemingen C in de gerechtskosten en veroordeelt ze haar tot betaling aan Maatschappij H van de rechtsplegingsvergoeding van 1.726,74 euro. In de procesverhouding tussen enerzijds Maatschappij H en anderzijds Funderingen D en Maatschappij G, verwijst de rechtbank Funderingen D en Maatschappij G in de gerechtskosten en veroordeelt ze hen tot betaling aan Maatschappij H van de rechtsplegingsvergoeding van 3.139,53 euro. In de procesverhouding tussen Eigenaar B en Maatschappij G enerzijds en Beroepsverzekeraar I anderzijds, verwijst de rechtbank Eigenaar B en Maatschappij G in de gerechtskosten en veroordeelt ze hen tot betaling aan Beroepsverzekeraar I van de rechtsplegingsvergoeding van 3.924,42 euro. Deze beslissing is gewezen door de veertiende kamer van de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, samengesteld uit: S. BUSSCHER, rechter, voorzitter van de kamer, *, rechter in ondernemingszaken, *, rechter in ondernemingszaken, en uitgesproken in openbare zitting van diezelfde kamer op 29 januari 2026 door de voorzitter van die kamer, bijgestaan door *, griffier. Voetnoten: 1. Berlinerwand: een wand opgebouwd uit verticale profielen en horizontale planken (tussen de flenzen van die profielen). 2. Vgl. Cass. 7 september 1979, ECLI:BE:CASS:1979:ARR.19790907.3, Arr.Cass. 1979-80, 23, en naar anal. art. 5.66, eerste lid, 3° BW dat steunt op de cassatierechtspraak die van toepassing was op het betrokken contract cf. Wetsvoorstel houdende Boek 5 “Verbintenissen” van het Burgerlijk Wetboek, KAMER, 2020-21, nr. 1806/001, 78. 3. Vgl.: Cass. 3 mei 2013, C.12.0378.N, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130503.3. 4. Vgl. SCHUERMANS, L. en VAN SCHOUBROECK, C, Grondslagen van het Belgische verzekeringsrecht, Intersentia, 2015, 408, nr. 543. 5. Vgl. Cass. 21 april 2023, C.22.0226.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230421.1N.1. 6. Vgl. COUNE, C, “L'assurance par rangs, une situation à distinguer du concours d'assurance”, noot onder Cass. 21 februari 2011, TBH 2012, afl. 3,

(287)
  1. “Difference in conditions”, vrij vertaald als ‘verschil in voorwaarden’, in de betekenis zoals uiteengezet. PDF document ECLI:BE:ORANT:2026:JUG.20260129.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1979:ARR.19790907.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110221.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130503.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230421.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.