id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Antwerpen Vonnis/arrest van 02 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORANT:2026:JUG.20260202.1 Rolnummer: A/25/01583 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2026-02-18 Raadplegingen: 677 - laatst gezien 2026-06-18 06:25 Fiche 1 Een opzeggingsvergoeding is te onderscheiden van een schadebeding. Met het schadebeding gaan de partijen akkoord over de omvang van schade door een eventuele niet-nakoming van verbintenissen. De opzeggingsvergoeding houdt verband met de eenzijdige beëindiging van de overeenkomst (opzegging), met een wettelijke of contractuele opzeggingsbevoegdheid, en betreft de vergoeding die de opzegger daarvoor aan de opgezegde moet betalen, los van een niet-nakoming van verbintenissen. Een opzegging is een mededelingsplichtige rechtshandeling en vereist een kennisgeving aan de opgezegde partij: de kennisgeving is niet aan vormvoorwaarden verbonden, maar is wel constitutief voor de opzegging. Die wilsverklaring moet gericht zijn aan de bestemmeling en moet als rechtshandeling de rechtsgevolgen van de opzegging beogen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis Vrije woorden: Opzegging, opzeggingsbeding, opzeggingsvergoeding, schadebeding Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1226 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Fiche 2 Elk beding van een overeenkomst gesloten tussen ondernemingen dat, alleen of in samenhang met één of meer andere bedingen, een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van de partijen, is onrechtmatig (art. VI.91/3, § 1 WER). Het gebruik van het woord “kennelijk” verplicht de rechtbank tot terughoudendheid: het onevenwicht moet manifest en evident zijn voor eenieder die dit redelijk zou beoordelen. Voor de beoordeling van het onrechtmatige karakter van een beding worden alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, de algemene economie van de overeenkomst, alle geldende handelsgebruiken, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de producten waarop de overeenkomst betrekking heeft (art. VI.91/3, § 2 WER). Een opzeggingsclausule is gebruikelijk in de evenementsector. Een opzeggingsvergoeding van 100% is misschien niet de standaard, maar is ook niet ongebruikelijk. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDELSPRAKTIJKEN - Onrechtmatige bedingen Vrije woorden: Onrechtmatige bedingen, onrechtmatige bedingen tussen ondernemingen, marktpraktijken, gebruiken Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - VI.91/3 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 3 De gebondenheid aan algemene contractsvoorwaarden vereist dat de wederpartij voor of bij de contractsluiting kennis had van die voorwaarden of ten minste de mogelijkheid had om hiervan effectief kennis te nemen en zij hiermee heeft ingestemd. De loutere verwijzing naar die contractsvoorwaarden voor of bij de contractsluiting is daartoe, in beginsel, ontoereikend. De ondertekende overeenkomst bevat evenwel niet enkel de verwijzing naar de toepassing van die voorwaarden, maar ook de bevestiging van de kennisneming daarvan. Uit de ondertekening van een overeenkomst met inbegrip van de verklaring van zowel kennisneming van algemene voorwaarden als het akkoord daarmee, kan de rechtbank afleiden dat de contractspartij kennis heeft kunnen nemen van die voorwaarden en hiermee heeft ingestemd. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Totstandkoming overeenkomst Vrije woorden: Algemene contractsvoorwaarden, algemene voorwaarden, totstandkoming contract Tekst van de beslissing Ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen Vonnis Tiende kamer NV X EVENTS, TEGEN BV BEDRIJF Y, I. SITUERING VAN HET GESCHIL EN SAMENVATTING VAN DE BESLISSING Beursorganisator X Events spreekt deelnemer Bedrijf Y aan in betaling van een opzeggingsvergoeding voor een geannuleerde deelname aan de beurs [Beursnaam] 2024 in Eventlocatie X. Deelnemer Bedrijf Y betwist de hoofdeis. Met deze beslissing geeft de rechtbank X Events grotendeels gelijk en kent ze de hoofdeis in grote mate toe. De tegeneis van Bedrijf Y wordt afgewezen. De rechtbank beslist dit omwille van de hieronder verder uitgewerkte redenen. II. PROCEDUREVERLOOP X Events heeft het geding ingeleid bij dagvaarding betekend op 26 maart
- De zaak werd in beraad genomen op de openbare zitting van 19 januari 2026 nadat de raadslieden van de partijen op die zitting werden gehoord. De rechtbank hield rekening met de neergelegde syntheseconclusies en stukken. In deze procedure werd de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken nageleefd. III. EISEN Met de hoofdeis eist X Events de veroordeling van Bedrijf Y tot betaling van 6.113,00 euro, te vermeerderen met een conventionele interest aan een rentevoet van 8% per jaar vanaf 24 november 2024, en de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 1.412,79 euro. Ze vraagt de afwijzing van de tegeneis, voor zover ontvankelijk, als ongegrond. Ze vraagt dat de beslissing uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard zonder zekerheidsstelling en met uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement. Bedrijf Y vraagt de afwijzing van de hoofdeis als ongegrond. Ze vraagt vast te stellen dat de algemene voorwaarden van eisers niet in het contractuele veld zijn getreden en niet-tegenwerpbaar zijn aan Bedrijf Y. Ze vraagt met de veroordeling van de eiser op hoofdeis tot de kosten van het geding met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 1.440,00 euro. Ondergeschikt vraagt ze om voor recht te zeggen dat artikel 6.2.1 van de algemene voorwaarden een schadebeding is, en kennelijk buitensporig is, en om dit te matigen tot een symbolische euro. Meer ondergeschikt vraagt ze om voor recht te zeggen dat artikel 6.2.1 van de algemene voorwaarden onrechtmatig is en nietig te verklaren. IV. BEOORDELING
- Beursorganisator X Events spreekt deelnemer Bedrijf Y aan over een geannuleerde deelname aan de beurs [Beursnaam] 2024 in Eventlocatie X. Bedrijf Y zou zich hebben ingeschreven tijdens de beurs [Beursnaam] 2022 op 17 november 2022 en zou dit op 5 november 2024 hebben geannuleerd. De inschrijving zou elektronisch zijn gebeurd voor een prijs van 5.113,00 euro excl. btw. Die inschrijving zou de aanvaarding hebben ingehouden van de algemene voorwaarden, zoals uitdrukkelijk bevestigd boven de handtekening van de deelnemer. X Events benadrukt ook dat de partijen al een bestaande handelsrelatie hadden, en dat de voorwaarden terug te vinden waren op de website van X Events. Daarnaar werd ook verwezen op de facturen voor de eerdere beursdeelname, die zonder voorbehoud zouden zijn betaald. De voorschotfacturen van 14 februari en 21 november 2023 en de saldofactuur van 23 juli 2024 zouden niet zijn geprotesteerd, maar bleven onbetaald. Bedrijf Y zou op 28 oktober 2024 telefonisch hebben laten uitschijnen niet te willen deelnemen en e-mailde op 5 november 2024, 15 dagen voor de start van de beurs, dat ze niet zou meedoen. X Events eist daarvoor een vergoeding van 100% van de prijs en van 1.000,00 euro, en baseert zich op haar artikel 6.2.1 over de opzegging. X Events kwalificeert dit als een opzeggingsvergoeding, en geen schadebeding, waardoor er geen matiging zou kunnen plaatsvinden. Ze crediteerde de facturen. Ze betwist dat het beding onrechtmatig zou zijn, waarbij een opzeggingsbeding niet onder het toepassingsgebied zou vallen van de specifieke onrechtmatige bedingen tussen ondernemingen. Ze betwist de overmacht waarop de deelnemer zich laattijdig heeft willen beroepen (ziekte personeel). Ze wijst ook op het gebrek aan tijdige betwisting. Ze betwist ook de mate van de door de verweerder gevraagde matiging, waarbij de geëiste vergoeding ook met de werkelijke schade zou overeenstemmen.
- Deelnemer Bedrijf Y betwist de hoofdeis. Ze bevestigt dat een contract tot stand kwam, maar betwist de toepassing van de algemene voorwaarden van X Events. Ze zou daarvan geen kennis hebben gehad. De aangevinkte bevestiging van de voorwaarden vermeldde nergens waar die voorwaarden stonden, wat pas zou volgen met de latere bevestiging. De verwijzing bij ondertekening was ook generiek naar “rules and regulations” (vrij vertaald: regels), maar niet naar specifieke algemene voorwaarden noch naar een concrete vindplaats. Naarmate de beurs naderde zou ze worden geconfronteerd met ziekte van sleutelpersoneel, waarna ze op 28 oktober 2024 meldde dat haar deelname niet bevestigd was en op 5 november 2024 formeel kennis gaf dat ze niet zou deelnemen. De betrokken ruimte werd herbestemd en gebruikt als “media corner” (vrij vertaald: mediahoek). Op 25 november 2024 crediteerde X Events de eerdere facturen en factureerde ze 6.113,00 euro als “cancellation fee” (vrij vertaald: annuleringsvergoeding). Bedrijf Y wijst erop dat X Events zelf afstand zou hebben gedaan van haar eigen voorwaarden, omdat ze er geen beroep op had gedaan bij de aanhoudende niet-betaling van de facturen. Door de niet-toepassing zou enkel het gemene recht gelden, waarbij Bedrijf Y erop wijst dat de organisator geen schade bewijst. Ondergeschikt zou artikel 6.2 dubbelzinnig zijn en tegen de organisator moeten worden geïnterpreteerd. Het beding zou een schadebeding zijn en tot nul moeten worden gematigd, bij gebreke aan echte schade. Meer ondergeschikt zou het beding ook onrechtmatig zijn door het creëren van een kennelijk onevenwicht (art. VI.91/3 WER) en het buitensporige karakter van de vergoeding (art. VI.91/5, 8° WER).
- De rechtbank stelt vast dat de partijen wilsovereenstemming hadden over de deelname van Bedrijf Y aan de beurs [Beursnaam] 2024 in de maand november 2024, en dat de algemene voorwaarden van X Events daarop van toepassing zijn, zoals ze hieronder verder beoordeelt. De rechtbank moet aan de hand van de neergelegde bewijsstukken de wil van de partijen achterhalen, in overeenstemming met de toepasselijke bewijsregels. Uit de eensluidende verklaringen van de partijen stelt de rechtbank vast dat er een wilsovereenstemming tussen hen bestond over de deelname van Bedrijf Y aan de beurs [Beursnaam] 2024 in de maand november
- Bedrijf Y erkent in conclusies ook dat haar vertegenwoordiger tijdens de beurs van 2022 een inschrijvingsformulier elektronisch ondertekende (conclusie, randnr. 6). De gebondenheid aan algemene contractsvoorwaarden vereist dat de wederpartij voor of bij de contractsluiting kennis had van die voorwaarden of ten minste de mogelijkheid had om hiervan effectief kennis te nemen en zij hiermee heeft ingestemd. De loutere verwijzing naar die contractsvoorwaarden voor of bij de contractsluiting is daartoe, in beginsel, ontoereikend. De ondertekende overeenkomst bevat evenwel niet enkel de verwijzing naar de toepassing van die voorwaarden, maar ook de bevestiging van de kennisneming daarvan. Het ondertekende inschrijvingsformulier vermeldde immers de kennisneming van de “rules and regulations”, wat vermeld stond achter de titel “General terms & conditions” (vrij vertaald: algemene voorwaarden). Uit de ondertekening van een overeenkomst met inbegrip van de verklaring van zowel kennisneming van algemene voorwaarden als het akkoord daarmee, kan de rechtbank afleiden dat de contractspartij kennis heeft kunnen nemen van die voorwaarden en hiermee heeft ingestemd, wat dan een feitelijk vermoeden uitmaakt dat rust op met elkaar overeenstemmende ernstige en precieze aanwijzingen. Daarenboven ontving Bedrijf Y verschillende keren daarna documenten met een verwijzing naar die voorwaarden: de e-mail van 22 november 2022 met de bestelbevestiging, de facturen voor de voorschotten van 14 februari en 21 november 2023, de saldofactuur van 23 juli 2024, en de e-mails van 28 oktober 2024 en 26 november 2024 (stukken X Events, nr. 4, 5, 6, 7, 10, 11 en 15). De op de facturen vermelde websitelink komt tot de algemene voorwaarden van X Events, met inbegrip van artikel 6 waarover deze zaak gaat, zij het in een actuelere versie
(2025)dan in
- Kort na ontvangst van die documenten betwistte Bedrijf Y nooit de toepassing of de kennis van die algemene voorwaarden. De rechtbank stelt geen afstand vast door X Events van de toepassing van de algemene voorwaarden. De niet-betaling van de aanvankelijke facturen werd wel degelijk gevolgd door herinneringen en aanmaningen op 7 februari, 21 maart, 20 juni, 14 augustus, 24 september en 21 oktober 2024 (stukken X Events, nr. 8 en 9). Het gebrek aan actieve invordering is onvoldoende bewijs van een afstand, welke in beginsel immers niet wordt vermoed.
- De toepasselijke algemene voorwaarden bevatten een beding over “afstand van deelname” (art. 6.2). Dat artikel is hetzelfde in de Nederlandstalige versie en de Franstalige versie. Een opzeggingsvergoeding is te onderscheiden van een schadebeding. Met het schadebeding gaan de partijen akkoord over de omvang van schade door een eventuele niet-nakoming van verbintenissen. De opzeggingsvergoeding houdt verband met de eenzijdige beëindiging van de overeenkomst (opzegging), met een wettelijke of contractuele opzeggingsbevoegdheid, en betreft de vergoeding die de opzegger daarvoor aan de opgezegde moet betalen, los van een niet-nakoming van verbintenissen. Een opzegging is een mededelingsplichtige rechtshandeling en vereist een kennisgeving aan de opgezegde partij: de kennisgeving is niet aan vormvoorwaarden verbonden, maar is wel constitutief voor de opzegging. [voetnoot nr. 1] Die wilsverklaring moet gericht zijn aan de bestemmeling en moet als rechtshandeling de rechtsgevolgen van de opzegging beogen. De rechtbank besluit dat het artikel 6.2 een opzeggingsbeding is met een opzeggingsvergoeding, en geen schadebeding voor een contractuele niet-nakoming, zoals hieronder verder beoordeeld. De rechtbank stelt vast dat de deelneming aan de concrete beurs waarover de overeenkomst gaat, een verbintenis is van Bedrijf Y als deelnemer, maar dat de overeenkomst in het artikel 6 ook de mogelijkheid bepaalt voor een deelnemer om niet deel te nemen aan de beurs. Dit niet-deelnemen aan de beurs houdt in dit geval ook het einde in van de overeenkomst. Hiermee komen de partijen de bevoegdheid overeen voor een van de partijen om de overeenkomst op te zeggen. Bedrijf Y maakte ook daadwerkelijk gebruik van haar bevoegdheid om de overeenkomst eenzijdig op te zeggen. Per e-mail van 28 oktober 2024 antwoordde ze op de bevestigingse-mail van X Events over de beurs van 20-21 november 2024, dat ze die dag met de organisator had gebeld en dat de deelname aan de beurs nog niet bevestigd was (stuk X Events, nr. 11; stuk Bedrijf Y, nr. 1). Ze e-mailde op 5 november 2022 dat ze niet zou deelnemen, en verzocht om de creditering van de facturen waarmee de prijs eerder was aangerekend (stuk X Events, nr. 12). Door de ter kennis gegeven opzegging is Bedrijf Y de opzeggingsvergoeding verschuldigd zoals overeengekomen. Door de opzegging binnen de dertig dagen voor de openingsdatum van de beurs, bedraagt die vergoeding de prijs van 5.113,00 euro (inschrijvingsgeld en andere overeengekomen kosten, art. 5.1.2) verhoogd met een vaste vergoeding van 1.000,00 euro wegens de laattijdigheid van de opzegging (art. 6.2.1, 4°) samen 6.113,00 euro. De rechtbank stelt geen dubbelzinnigheid of onduidelijkheid vast in het beding. De bewoordingen zijn helder en er werden daarover ook geen vragen gesteld kort na de toepassing. Er is daarom geen aanleiding tot een interpretatie ervan in het nadeel van de ene of de andere partij.
- De rechtbank stelt niet vast dat het betrokken artikel 6.2 van de algemene voorwaarden onrechtmatig zou zijn, en daardoor nietig. Elk beding van een overeenkomst gesloten tussen ondernemingen dat, alleen of in samenhang met één of meer andere bedingen, een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van de partijen, is onrechtmatig (art. VI.91/3, § 1 WER). Het gebruik van het woord “kennelijk” verplicht de rechtbank tot terughoudendheid: het onevenwicht moet manifest en evident zijn voor eenieder die dit redelijk zou beoordelen. De rechtbank stelt geen kennelijk onevenwicht vast tussen de rechten en plichten van de partijen dat door de betrokken clausule zou zijn geschapen. De clausules waarnaar Bedrijf Y verwijst waarin X Events zich bepaalde eenzijdige bevoegdheden toekent bij het (her)schikken van de standen op de beurs of die aansprakelijkheid beperkt of uitsluit, hebben geen betrekking op de toegepaste opzeggingsbevoegheid of de gevraagde opzeggingsvergoeding. Die clausules hingen ook niet samen. Bedrijf Y bewijst niet dat het artikel 6.2, alleen of samen met andere clausules, kennelijk een onevenwicht tot stand bracht tussen de rechten en plichten van de partijen. Bovendien worden voor de beoordeling van het onrechtmatige karakter alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, de algemene economie van de overeenkomst, alle geldende handelsgebruiken, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de producten waarop de overeenkomst betrekking heeft (art. VI.91/3, § 2 WER). Een opzeggingsclausule is gebruikelijk in de evenementsector. Een opzeggingsvergoeding van 100% is misschien niet de standaard, maar is ook niet ongebruikelijk. [voetnoot nr. 2] Het is ook aannemelijk dat een eventorganisator die voor een beurs al vanaf twee jaar tevoren deelnemers begon te zoeken, niet op enkele weken vóór die beurs eenvoudig een deelnemer zou kunnen vervangen. Behoudens bewijs van het tegendeel wordt vermoed onrechtmatig te zijn: het beding dat ertoe strekt in geval van niet-uitvoering of vertraging in de uitvoering van de verbintenissen van de andere partij, schadevergoedingsbedragen vast te stellen die kennelijk niet evenredig zijn aan het nadeel dat door de onderneming kan worden geleden (art. VI.91/5, 8° WER). De betrokken clausule bepaalt geen bedrag als schadevergoeding voor het geval van een niet-uitvoering of vertraging van de uitvoering van de verbintenissen. De bepaling betreft een foutloze beëindigingsbevoegdheid en de vergoeding is geen vaste vergoeding voor schade wegens een wanprestatie. De voortijdige beëindiging in deze zaak en zoals voorzien in de betrokken clausule, was een contractueel bepaalde mogelijkheid en geen tekortkoming. Er wordt evenmin aangetoond dat de opzeggingsvergoeding een private straf zou uitmaken of regelgeving van openbare orde of dwingend recht zou schenden. De rechtbank stelt geen onrechtmatige speculatie vast door X Events op een niet-nakoming. Ze stelt evenmin een omzeiling vast van de dwingende regelgeving inzake schadebedingen.
- Ook opzeggingsbedingen zijn vatbaar voor rechtsmisbruik. De rechtbank stelt geen misbruik vast. Bedrijf Y toont niet aan dat X Events door aanspraak te maken op de overeengekomen opzeggingsvergoeding na de opzegging, haar rechten zou uitoefenen op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de uitoefening ervan door een bedachtzaam en voorzichtig organisator in dezelfde omstandigheden, gelet op alle omstandigheden van de zaak en in het bijzonder de reeds hoger uiteengezette feiten. Nadat Bedrijf Y had aangekondigd dat ze eventueel niet meer zou deelnemen, had X Events haar per e-mail van 28 oktober 2024 onmiddellijk herinnerd aan de in de algemene voorwaarden bepaalde opzeggingsvergoeding (stuk X Events, nr. 10). Het was integendeel Bedrijf Y die het herhaaldelijk verzuimde om de overeenkomst te goeder trouw uit te voeren door de aanvankelijke facturen voor de deelnameprijs niet te betalen, door niet te antwoorden op die facturen en door ook nadien niet te antwoorden op de eerste aanspraak van X Events van 26 november 2024 in betaling van de opzeggingsvergoeding (stuk X Events, nr. 15). Ook de herbestemming van de standplaats toont geen rechtsmisbruik aan in hoofde van X Events. X Events had daartoe het recht wegens de opzegging door deelnemer Bedrijf Y. Dit is ook een toepassing van het beginsel van schadebeperking.
- Aangezien de clausule een opzeggingsvergoeding bepaalt en geen schadebeding is, is het in de regel niet aan de rechter om de verhouding tussen het overeengekomen bedrag en de schade die door die eenzijdige beëindiging kan worden veroorzaakt, te beoordelen. [voetnoot nr. 3] Zelfs indien het uitdrukkelijk schadevergoedend deel van 1.000,00 euro voor matiging vatbaar zou zijn, bewijst Bedrijf Y niet dat dit bedrag kennelijk het bedrag te boven gaat dat de partijen konden vaststellen om de schade te vergoeden. Het is integendeel zeer aannemelijk dat X Events op dergelijke korte termijn geen andere beursdeelnemer had kunnen vinden om de stand van Bedrijf Y over te nemen, die ook al twee jaar daaraan voorafgaand was aangegaan. Het is evenzeer aannemelijk dat X Events daarbovenop nog schade kon lijden door een niet-ingeklede stand te hebben op de beurs. Eventuele kosten om de stand daarom aan te kleden of aan sterke korting te doen invullen, al zij het door een sponsorende partner, zou daarom voor schadevergoeding in aanmerking kunnen zijn gekomen. Bij een matiging van een schadebeding, dat hier zelfs niet aan de orde is, kan de rechtbank volstaan met de waarschijnlijkheid van die aannames, aangezien het aan de schuldenaar toekomt om de voorwaarden voor matiging te bewijzen.
- Het verweer van overmacht wordt niet meer ingeroepen. De rechtbank stelt evenmin een grond van overmacht vast. Er is ook niet aangetoond dat de ziekte van personeel dat het nut van de deelname aan de beurs zou verminderen, een onoverkomelijke verhindering is voor die deelname.
- X Events vraagt de verhoging van de hoofdsom met een conventionele interest aan een rentevoet van 8% per jaar vanaf 24 november
- De algemene voorwaarden bepaalden een rentevoet van 8% per jaar voor laattijdig betaalde facturen (art. 5.3). De opzeggingsvergoeding is evenwel geen prijs voor een dienst, werk of levering, en had niet moeten worden gefactureerd. Er is daarom ook geen belasting over de toegevoegde waarde op van toepassing. De clausule is niet van toepassing op de hoofdsom. Het betreft een geldschuld, waardoor er een verwijlinterest van toepassing is. Dit is geen vertraagde vergoeding van een handelstransactie. De interest loopt aan de gewone wettelijke rentevoet, vanaf de ingebrekestelling op 20 december
- De eisende partij op hoofdeis vraagt dat de beslissing uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement. Eindvonnissen zijn in principe uitvoerbaar bij voorraad (art. 1397, eerste lid Ger.W.). De rechtbank kan aan de voorlopige tenuitvoerlegging de voorwaarde verbinden dat een zekerheid wordt gesteld (art. 1400, § 1 Ger.W.). Geen van de partijen vraagt de rechtbank om dergelijke zekerheidstelling. Ze dient zich daarom niet over de uitsluiting ervan uit te spreken. De rechtbank kan beslissen dat er geen reden is tot kantonnement voor de veroordelingen die ze uitspreekt of voor een deel ervan, indien de vertraging in de regeling de schuldeiser aan een ernstig nadeel blootstelt (art. 1406 Ger.W.). Dit verzoek wordt niet verder gemotiveerd, laat staan bijzonder gemotiveerd. Bij gebreke aan aangevoerde redenen, kan op dit verzoek niet worden ingegaan. V. GERECHTSKOSTEN
- X Events is de in het gelijk gestelde partij. Voor het bepalen van de rechtsplegingsvergoeding stelt de rechtbank het bedrag van de hoofdeis vast op 6.113,00 euro, te vermeerderen met de interesten tot op de dag van de betekening van de geding inleidende dagvaarding, zoals gevorderd door de eisende partij. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt daardoor 1.412,79 euro.
- De eisende partij op hoofdeis is btw-plichtig en kan de belasting over de toegevoegde waarde op de betekeningskosten recupereren, zodat er geen aanleiding bestaat om die belasting toe te kennen. Die kosten zullen daarom maar kunnen worden toegekend voor 375,46 euro. VI. BESLISSING Na beraad en gelet op de argumenten hierboven, beslist de rechtbank het volgende. Deze beslissing gebeurt op tegenspraak. De rechtbank verklaart de hoofdeis van X Events toelaatbaar en gegrond zoals hieronder volgt. Ze veroordeelt Bedrijf Y tot betaling aan X Events van: - het bedrag van 6.113,00 euro, - een verwijlinterest op het bedrag van 6.113,00 euro aan de wettelijke rentevoet bepaald in artikel 2, § 1 van de Wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest vanaf 20 december 2024 tot aan de dag van de betekening van de geding inleidende dagvaarding en sedertdien met een gerechtelijke interest op dit bedrag aan dezelfde rentevoet tot de dag van volledige betaling. Ze wijst het meergevorderde af als ongegrond. Ze verklaart de tegeneis van Bedrijf Y toelaatbaar, maar ongegrond, en wijst de tegeneis af. Ze verwijst Bedrijf Y in de gerechtskosten en veroordeelt haar tot betaling aan X Events van de rechtsplegingsvergoeding van 1.412,79 euro, en de dagvaardingskosten van 375,46 euro. Bedrijf Y moet, na uitnodiging, de rolrechten van 165,00 euro betalen aan de Belgische Staat, FOD Financiën. Deze beslissing is gewezen door de tiende kamer van de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, samengesteld uit: S. BUSSCHER, rechter, voorzitter van de kamer, *, rechter in ondernemingszaken, *, rechter in ondernemingszaken, en uitgesproken in openbare zitting van diezelfde kamer op 2 februari 2026 door de voorzitter van die kamer, bijgestaan door *, griffier. Voetnoten:
- Vgl. VERMANDER, F., De opzegging van overeenkomsten, Intersentia, 2014, 537-
- Vgl. Orb. Gent (afd. Kortrijk) 30 november 2022, DAOR 2023, 40, noot F. POLLEFEYT.
- Vgl. Cass. 6 september 2002, C.00.0150.N, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020906.
- PDF document ECLI:BE:ORANT:2026:JUG.20260202.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020906.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div