← België

ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20250313.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 13 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20250313.1 Rolnummer: A/24/00915 Rechtsgebied: Financieel recht Invoerdatum: 2026-01-05 Raadplegingen: 841 - laatst gezien 2026-06-18 21:42 Fiches 1 - 2 Wanneer de betalingsdienstgebruiker geen consument is, kunnen partijen overeenkomen dat bepaalde bepalingen van boek VII WER, waaronder artikel VII.44 WER, niet van toepassing zijn (art. VII.29 WER). Een contractuele uitsluiting van aansprakelijkheid voor niet-toegestane betalingstransacties is enkel toegestaan wanneer de betalingsdienstgebruiker geen consument is. Wanneer transacties plaatsvinden op privérekeningen, blijft de hoedanigheid van consument behouden, ook indien gebruik wordt gemaakt van een professioneel platform. De uitsluiting kan dan niet worden tegengeworpen. De bepaling op grond van artikel VII.44, §1, vierde lid WER dat de betaler in ieder geval alle verliezen draagt indien de bank kan bewijzen dat de betaler grof nalatig is geweest en één of meer van de in artikel VII.38 genoemde verplichtingen niet is nagekomen, geldt ook wanneer de betalingsdienstgebruiker het onrechtmatig gebruik niet kon vaststellen. De bewijslast van grove nalatigheid rust op de betalingsdienstaanbieder (art. VII.44, §4 WER en art. 8.4 BW). De loggegevens volstaan in dit concrete geval niet om grove nalatigheid aan te tonen. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BANK - EN KREDIETWEZEN - Algemeen (bank- en kredietwezen) Vrije woorden: niet-toegestane betalingstransacties; uitsluiting aansprakelijkheid voor niet-toegestane betalingstransacties; phishing Tekst van de beslissing Repertoriumnummer Uitgifte Uitgereikt aan Uitgereikt aan Uitgereikt aan Datum van uitspraak op op op Rolnummer € € € A/24/00915 M1  Niet aan te bieden aan de ontvanger Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel Vonnis Aangeboden op Achtste kamer Niet te registreren Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel – A/24/00915– pag. 1 A/24/00915 IN DE ZAAK VAN

  1. [AB], wonende te [ADRES 1] en met rijksregisternummer [RRN 1] (hierna “[AB]”);
  2. [CD], wonende te [ADRES 2] en met rijksregisternummer [RRN 2]; eisende partijen; hierna gezamenlijk “eisers” genoemd; vertegenwoordigd ter zitting door meester [ADVOCAAT 1] TEGEN
  3. [DE BANK], met zetel te [ADRES 3], en ingeschreven bij de Kruispuntbank voor Ondernemingen onder het nummer [ONDNR 1] (hierna “[DE BANK]”); verwerende partij; vertegenwoordigd ter zitting door meester [ADVOCAAT 2] I. PROCEDURE
  4. De rechtbank heeft kennis genomen van het dossier van de rechtspleging, waaronder de volgende stukken: - de gedinginleidende dagvaarding van [DAG]2024; - de beschikking van [DAG]2024 gewezen overeenkomstig artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek; - de syntheseconclusie van eisers, neergelegd ter griffie op [DAG]2024; - de syntheseconclusie van [DE BANK], neergelegd ter griffie op [DAG]2025; - de stukkenbundels van partijen. De rechtbank heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van [DATUM]. Daarna werden de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen. De rechtbank stelt vast dat de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd is. Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel – Vonnis – A/24/00915 – pag. 2 II. DE FEITEN De pertinente feiten, relevant voor de beoordeling van het geschil, zijn als volgt samen te vatten:
  5. [DE BANK] is een Belgische erkende kredietinstelling die betalingsdiensten aanbiedt aan zowel particulieren als ondernemers. Eisers zijn klant bij [DE BANK], houders van een zichtrekening met bankrekeningnummer [REKENING 1] en een spaarrekening met bankrekeningnummer [REKENING 2] en derhalve betalingsdienstgebruikers. EF BV1 is de voormalige vennootschap van eisers. Zij was tevens klant bij [DE BANK], houder van een zichtrekening met bankrekeningnummer [REKENING 3] en een spaarrekening met bankrekeningnummer [REKENING 4].
  6. In de periode 1 augustus 2021 tot en met 4 augustus 2021 vonden er verschillende betalingstransacties plaats met voormelden bankrekeningen van zowel eisers persoonlijk als van [EF] die eisers als frauduleus aanduiden. Eisers deden op 4 augustus 2021 melding van de vaststelling van deze frauduleuze transacties bij de fraudedienst van [DE BANK]. [DE BANK] bevestigde op 5 augustus 2021 de ontvangst van de fraudemelding en verzocht eisers om een feitenrelaas te bezorgen. [DE BANK] gaf ook aan dat eisers een klacht bij de politie dienden in te dienen en kopie van het proces-verbaal dienden over te maken. Op 6 augustus 2021 deed [AB] aangifte van de feiten bij de politie van Politiezone [POLITIEZONE X] waarvan een proces-verbaal met nummer [PVNR 1] werd opgemaakt met de volgende inhoud (de rechtbank citeert uit stuk 2 van eiseres): “[INHOUD POLITIEKLACHT 1].” [AB] bezorgde dezelfde dag een kopie van voormeld procedure-verbaal aan [DE BANK], evenals nog bijkomende informatie over de frauduleuze transacties. Op 6 september 2021 schreef [DE BANK] dat zij het fraudeonderzoek had afgerond. Volgens [DE BANK] had de fraude kunnen plaatsvinden omdat [AB] – onder misleiding – aan iemand anders cijfercodes zou hebben doorgegeven die hij zelf zou hebben aangemaakt met zijn [DE BANK]- kaartlezer, bankkaart en geheime code. [DE BANK] stelde dat dit een grove nalatigheid was, zodat eisers niet in aanmerking kwamen voor de terugbetaling van de geleden schade. [DE BANK] gaf wel aan 10.721,00 euro te hebben kunnen recupereren, wat zij terugstortte aan eisers. Tussen partijen werd nog uitvoerig gecommuniceerd over de frauduleuze transacties en hoe deze zouden hebben kunnen plaatsvinden. [DE BANK] bleef bij haar standpunt dat zij niet zou tussenkomen. 1 [EF] BV, met zetel te [ADRES 4] (hierna “[EF]”). Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel – Vonnis – A/24/00915 – pag. 3
  7. Op 23 mei 2023 stelden eisers – via hun raadsman – [DE BANK] in gebreke om tot betaling van 37.766,12 euro over te gaan naar aanleiding van de frauduleuze betalingstransacties die hadden plaatsgevonden met [DE BANK]rekeningen van eisers en van [EF]. Volgens eisers ging het om niet- toegestane betalingstransacties in de zin van artikel 32, §2, derde lid van het Wetboek Economisch Recht (“WER”). Eisers meende dat [DE BANK] tot betaling gehouden was op grond van artikelen VII.43 en VII.44 WER en betwistten dat zij grof nalatig zouden waren geweest. [DE BANK] antwoordde op 13 juni 2022 dat zij bij haar standpunt bleef dat zij niet verantwoordelijk kon worden gesteld. Volgens [DE BANK] had de fraude plaatsgevonden met de professionele rekening van [EF] en was haar aansprakelijkheid voor professionele klanten beperkt. [DE BANK] meende ook dat zij de nodige inspanningen had geleverd om de bedragen te recupereren.
  8. Op 29 februari 2024 dagvaardden eisers [DE BANK] voor deze rechtbank. III. DE VORDERINGEN VAN PARTIJEN
  9. De vordering van eisers strekt ertoe (de rechtbank citeert uit de syntheseconclusie): “In hoofdorde: Verweerster te veroordelen tot het bedrag van 37.766,12 euro te betalen aan concluanten, te vermeerderen met de moratoire interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 05.08.2021 tot datum van dagvaarding en vanaf dan te vermeerderen met de gerechtelijke interesten tot datum van integrale betaling. In ondergeschikte orde: Verweerster te veroordelen tot het bedrag van 37.716,12 euro te betalen aan concluanten, te vermeerderen met de moratoire interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 05.08.2021 tot datum van dagvaarding en vanaf dan te vermeerderen met de gerechtelijke interesten tot datum van integrale betaling. Hoe dan ook: Verweerster te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, voor concluanten begroot op: - Dagvaardingskosten: 344,81 euro - Rechtsplegingsvergoeding: 3.000,00 euro Het te vellen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, spijts alle verhaal, zonder borgstelling en met verbod van kantonnement.”
  10. [DE BANK] concludeert tot de afwijzing van de vordering als onontvankelijk, minstens ongegrond en de veroordeling van eisers tot de kosten van het geding. Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel – Vonnis – A/24/00915 – pag. 4 IV. BEOORDELING IV.
  11. BEVOEGDHEID
  12. De bevoegdheid van de rechtbank wordt niet betwist. De rechtbank stelt vast dat zij materieel bevoegd is op grond van artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek. De zaak betreft een geschil tussen of tegen ondernemingen, in de zin van artikel I.1, 1° van het Wetboek van Economisch Recht, en behoort niet tot de exclusieve bevoegdheid van een ander rechtscollege. De rechtbank ziet geen reden om zich ambtshalve onbevoegd te verklaren. IV.
  13. ONTVANKELIJKHEID
  14. [DE BANK] besluit in hoofdorde tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering van eisers wegens gebrek aan belang en hoedanigheid in de zin van artikelen 17 en 18 Ger.W. Volgens [DE BANK] blijkt uit de rekeninguittreksels duidelijk dat [DE BANK]rekening waarop de frauduleuze transacties gebeurden, toebehoorde aan [EF], zodat het [EF] is die schade heeft gelden en dus over het vereiste belang en hoedanigheid beschikken om een vordering tot schadevergoeding in te stellen, en niet eisers. [DE BANK] meent dat eisers voor hun privé verliezen [EF] dienen aan te spreken omdat hun gelden naar [DE BANK]rekening van [EF] waren overgeschreven. Eisers betwisten deze stelling van [DE BANK] en concluderen daarnaast dat deze argumentatie de grond van de zaak betreft.
  15. De procespartij die beweert houder te zijn van een subjectief recht, ook al wordt dat recht betwist, beschikt over het vereiste procesrechtelijk belang en de vereiste hoedanigheid om een rechtsvordering in te stellen. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het door de eiser aangevoerd subjectief recht valt niet onder het onderzoek naar de ontvankelijkheid, maar onder dit naar de gegrondheid van de eis (zie Cass. 26 januari 2017, C.16.0291.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170126.3; Cass. 11 januari 2017 P.16.0703.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170111.4; Cass. 29 oktober 2015, C.13.0374.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151029.2; Cass. 16 november 2007, C.06.0144.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071116.4).] Omdat eisers aanvoeren dat zij een subject recht kunnen laten gelden tegen [DE BANK] omdat zij ook persoonlijk het slachtoffer zijn geworden van fraude door phishing waarvoor [DE BANK] aansprakelijk is, aanvaart de rechtbank in het licht van voormelde cassatierechtspraak, dat eisers over het vereiste belang en de vereiste hoedanigheid beschikken om de vordering in te stellen. De argumenten van [DE BANK] betreffen de grond van de zaak en worden hieronder beoordeeld. De rechtbank stelt geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid vast. De vordering van eisers is dan ook ontvankelijk. Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel – Vonnis – A/24/00915 – pag. 5 IV.
  16. GEGRONDHEID
  17. Volgens [DE BANK] hebben eisers geen schade geleden omdat er geen sprake was van schade naar aanleiding van de overschrijvingen van [DE BANK]rekeningen van eisers naar [DE BANK]rekeningen van [EF]. Omdat volgens [DE BANK] er pas sprake was van schade wanneer de gelden van [DE BANK]rekeningen van [EF] verlieten, zou dus enkel [EF] schade hebben geleden en niet eisers. Eisers betwisten dit standpunt van [DE BANK] en voeren aan dat 40.000,00 euro van hun persoonlijke bankrekeningen door de fraudeur in eerste instantie werd doorgesluisd naar de professionele rekeningen van [EF], om vervolgens doorgestort te worden naar vreemde [DE BANK]rekeningen. Het gerecupereerde bedrag van 10.721,00 euro werd volledig toegeschreven aan de schade van [EF] – die intussen op 29 december 2023 vereffend en ontbonden is –. De herkomst van de gelden is volgens eisers dus privégeld, zodat zij wel degelijk de schade hebben geleden. De rechtbank volgt het standpunt van [DE BANK] niet, maar wel dat van eisers. De frauduleuze actie is aangevat op de privé bankrekeningen van eisers. Het is de fraudeur, en niet eisers, die de betalingen voor een totaal van 40.000,00 euro naar [DE BANK]rekeningen van [EF] deed, om vervolgens door te storten. Dit blijkt uit de stukken. De betalingstransacties van deze privé bankrekeningen van eisers naar [DE BANK]rekeningen van [EF] waren reeds frauduleus en hebben uiteindelijk tot de schade in hoofde van eisers geleden. Eisers waren bovendien gerechtigd om het gerecupereerde bedrag toe te rekenen aan het verlies van [EF]. Het argument van [DE BANK] dat eisers niet schadebeperkend hebben opgetreden tezake, overtuigt niet. Eisers waren eigenaar van de vennootschap [EF]. Beiden werden het slachtoffer van de fraude. Het is niet ernstig om thans te stellen dat eisers zich maar tegen [EF] hadden moeten richten. De overige argumenten van [DE BANK] hieromtrent kunnen de rechtbank niet van het tegendeel overtuigen. De schade in hoofde van eisers wordt voldoende bewezen.
  18. Ondergeschikt concludeert [DE BANK] dat het aansprakelijkheidsregime van artikel VII.44 WER niet van toepassing is omdat partijen hiervan contractueel zijn afgeweken (overeenkomstig artikel VII.29 WER). Volgens [DE BANK] gebeurden de kwestieuze betalingstransacties via het [DE BANK platform] voor professionelen en heeft zij haar aansprakelijkheid terzake uitgesloten. [DE BANK] beroept zich op de Algemene Bepalingen en de Voorwaarden Beveiliging van de [PLATFORM]overeenkomst. Wanneer de betalingsdienstgebruiker geen consument is, kunnen partijen inderdaad overeenkomen dat bepaalde artikelen in boek VII van het WER, waaronder artikel VII.44 WER, niet van toepassing zijn (op grond van artikel VII.29 WER). In deze zaak concluderen eisers evenwel terecht dat de bescherming van artikel VII.44 WER niet kan worden uitgesloten, en dus van toepassing is, omdat zij schade hebben geleden in hun hoedanigheid als consumenten. Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel – Vonnis – A/24/00915 – pag. 6 Dat eisers ook voor de handelingen die zij stelden in private sfeer [DE BANK platform] gebruikten, neemt hun hoedanigheid van consument voor deze handelingen niet weg. Hierboven is gebleken dat de fraude voor 40.000,00 euro gebeurde met de privé bankrekeningen van eisers, waarbij zij de hoedanigheid van consument hebben, zodat [DE BANK] haar aansprakelijkheid niet kan uitsluiten. Dat de gelden door de fraudeur eerst werden doorgestort naar de professionele rekening van [EF] – waarop de aansprakelijkheidsuitsluiting eventueel wel kon worden toegepast –, verandert hieraan niets. De gelden blijven privé, eisers blijven consumenten met betrekking tot de kwestieuze betalingstransacties.
  19. In uiterst ondergeschikte orde voert [DE BANK] aan dat zij hoe dan ook niet aansprakelijk is, gelet op de vermeende grove nalatigheid van eisers op grond van artikel VII.44, §1, vierde lid WER. De rechtbank acht de discussie over de toepasselijkheid van artikel VII.43 WER niet relevant. Dit artikel bepaalt dat de betalingsdienstaanbieder in principe aansprakelijk is voor niet-toegestane betalingstransacties en de gedebiteerde gelden onmiddellijk moet terugbetalen, in afwachting van een latere (eventuele) verdeling van de aansprakelijkheid. Aangezien de rechtbank in dit vonnis een definitief oordeel velt over de aansprakelijkheid, is een beoordeling van de voorlopige aansprakelijkheidsverdeling op basis van artikel VII.43 WER overbodig. Daarom zal de rechtbank zich hierover niet uitspreken. Eisers beroepen zich op artikel VII.44, §1, tweede lid WER. Zij stellen dat zij geen enkele handeling hebben verricht – niet geklikt op een link, geen gegevens of codes doorgegeven – en dat zij het onrechtmatige gebruik daardoor niet vooraf konden vaststellen. Volgens hen heeft het tweede lid van artikel VII.44 WER voorrang op het vierde lid, waardoor [DE BANK] zich niet kan beroepen op grove nalatigheid om aan haar aansprakelijkheid te ontkomen. De rechtbank volgt het standpunt van [DE BANK] dat artikel VII.44, vierde lid WER ook van toepassing is wanneer eisers het onrechtmatig gebruik niet konden vaststellen. Dit artikel heeft geen voorrang op het tweede lid. De rechtbank oordeelt dat de uitsluitingsgrond in het vierde lid steeds van toepassing is wanneer een betalingsdienstgebruiker met grove nalatigheid heeft gehandeld, zelfs wanneer het tweede lid eveneens van toepassing is. De basisregel van artikel VII.44 WER is dat het verlies dat de betaler zelf dient te dragen ingevolge een niet-toegestane betalingstransactie vóór de kennisgeving van het onrechtmatig gebruik van het betalingsinstrument beperkt blijft tot 50,00 euro (artikel VII.44, §1, eerste lid WER). In afwijking hiervan, moet de betaler geen enkel verlies dragen (i) indien hij het onrechtmatig gebruik van het betaalinstrument niet kon vaststellen voordat de betaling plaatsvond (artikel VII.44, §1, tweede lid, 1° WER) of (ii) wanneer de betalingsdienstaanbieder geen sterke cliëntauthenticatie verlangt (artikel VII.44, tweede lid, §2 WER). De betaler draagt in ieder geval alle verliezen indien bank kan bewijzen dat de betaler grof nalatig is geweest en één of meer van de in artikel VII.38 genoemde verplichtingen niet is nagekomen (artikel VII.44, §1, vierde lid WER). Wanneer een betalingsdienstgebruiker ontkent dat hij een uitgevoerde betalingstransactie heeft toegestaan, vormt het gebruik van een betaalinstrument, dat door de betalingsdienstaanbieder is geregistreerd, op zichzelf niet noodzakelijkerwijze afdoende bewijs dat betaler frauduleus heeft gehandeld of opzettelijk of met grove nalatigheid een of meer van de verplichtingen uit hoofde van artikel VII.38 WER niet is nagekomen. De betalingsdienstaanbieder dient ondersteunend bewijs te verstrekken om fraude of grove nalatigheid van de zijde van de betaler te bewijzen. Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel – Vonnis – A/24/00915 – pag. 7 (artikel VII.42, §2 WER). De bewijslast inzake bedrog, opzet of grove nalatigheid rust immers op de betalingsdienstaanbieder (artikel VII.44, §4 WER). Overeenkomstig het vierde lid van artikel 8.4 van het Burgerlijk Wetboek (“BW”) wordt in geval van twijfel hij die de door hem beweerde rechtshandelingen of feiten moet bewijzen, in het ongelijk gesteld, tenzij de wet anders bepaalt. Het is aan derhalve [DE BANK] om het bewijs te leveren – met een redelijke mate van zekerheid – van grove nalatigheid in hoofde van de eisers om haar aansprakelijkheid te weerleggen (artikel VII.44, §4 WER en artikelen 8.4 en 8.5 BW). Eisers betwisten dat zij grof nalatig zijn geweest. Zij erkennen op 1 augustus 2021 een dubieuze e-mail te hebben ontvangen, maar ontkennen op de daarin vermelde link te hebben geklikt. Volgens hen verwees de e-mail naar [DE BANK] Touch, terwijl zij geen gebruikers zijn van [DE BANK] Touch. Daarnaast betwisten zij enige handeling te hebben verricht die heeft geleid tot of bijgedragen aan de fraude, waardoor grove nalatigheid volgens hen uitgesloten is. [DE BANK] stelt daarentegen dat de betalingen zijn ondertekend met de [DE BANK ondertekeningsapplicatie], een applicatie waarmee gebruikers via een smartphone kunnen inloggen op het [DE BANK platform] en betalingstransacties kunnen ondertekenen. Omdat de installatie van de [DE BANK ondertekeningsapplicatie] niet mogelijk is zonder gebruik van de [DE BANK]-kaartlezer, [DE BANK]kaart en de persoonlijke geheime code, meent [DE BANK] dat eisers noodzakelijkerwijs bepaalde handelingen hebben verricht. [DE BANK] zet in haar conclusie de stappen uiteen die doorlopen moeten worden voor deze installatie. Niettegenstaande [DE BANK] een zeer lijvig stukkenbundel neerlegt, meent de rechtbank dat zij er niet in slaagt om in concreto met een redelijke mate van zekerheid aan te tonen dat eisers de schade vooraf konden vaststellen, noch dat zij met grove nalatigheid zouden hebben gehandeld (artikelen 8.4 en 8.5 van het Burgerlijk Wetboek). [DE BANK] toont evenmin in concreto aan dat eisers hun verbintenissen uit artikel VII.38 WER zouden hebben miskend. Slechts een klein deel van de stukken van [DE BANK] heeft specifiek betrekking op deze zaak. Er is geen bewijs voorhanden dat waarschuwingsberichten werden verzonden tijdens het vermeende installatieproces van de [DE BANK ondertekeningsapplicatie]. Eisers hebben steeds ontkend enige handeling te hebben verricht. De rechtbank kan, uitsluitend op basis van de loggegevens van [de bank] en zonder aanvullende bewijsstukken, niet tot een ander besluit komen. Gezien de bewijslast en het bewijsrisico die op [DE BANK] rusten, volstaat deze informatie niet om het tegendeel aan te tonen. In deze zaak kan op basis van de stukken niet worden vastgesteld dat eisers hun geheime code of hun bankrekeningnummer zouden hebben kenbaar gemaakt aan een derde, noch dat zij handelingen gesteld zouden hebben waardoor de [DE BANK ondertekeningsapplicatie] op een ander toestel kon worden geïnstalleerd. Eisers hebben onmiddellijk actie ondernomen wanneer zij vaststelden dat de kwestieuze betalingstransacties hadden plaatsgevonden. Zij hebben [DE BANK] onmiddellijk op de hoogte gebracht en een afspraak gemaakt om klacht bij de politie te gaan neerleggen. Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel – Vonnis – A/24/00915 – pag. 8 Samengevat oordeelt de rechtbank dat [DE BANK] niet voldoet aan de op haar rustende bewijslast met betrekking tot de door haar aangevoerde vermeende grove nalatigheid in hoofde van eiseres. Op grond van de stukken en de conclusies, niet kan worden vastgesteld dat eisers de frauduleuze betalingstransacties zouden hebben kunnen vaststellen voordat ze hadden plaatsgevonden, noch dat zij op enig moment grof nalatig zijn geweest, zodat zij geen enkel verlies moeten dragen (in de zin van artikel VII.44, §4, tweede lid WER). Het verweer van [DE BANK] wordt afgewezen wegens gebrek aan bewijs. De overige argumenten kunnen de rechtbank niet van het tegendeel overtuigen. Op basis van alle voorgaande elementen wordt de vordering van eisers op grond van artikel VII.44, §1, tweede lid WER gegrond verklaard, zoals hierna bepaald.
  20. [DE BANK] concludeert in ieder geval en uiterst ondergeschikt dat de vordering van eisers beperkt dient te worden tot 13.094,00 euro. De rechtbank verwijst naar haar eerdere overwegingen en stelt vast dat eisers gerechtigd waren het gerecupereerde bedrag toe te rekenen aan het verlies van [EF]. [DE BANK] slaagt er niet in de rechtbank te overtuigen dat de hoofdsom moet worden herleid.
  21. Eveneens in ieder geval, en uiterst ondergeschikt, stelt [DE BANK] dat er geen moratoire intresten verschuldigd zijn vanaf 5 augustus 2021, maar pas vanaf 23 mei 2022, de datum waarop eisers volgens [DE BANK] een formele ingebrekestelling hebben gestuurd. Een ingebrekestelling is echter niet aan een specifieke vorm gebonden. Voor een geldige ingebrekestelling volstaat het dat de schuldeiser op duidelijke en ondubbelzinnige wijze aan de schuldenaar kenbaar maakt dat de verbintenis moet worden nageleefd. Aangezien uit de communicatie blijkt dat eisers reeds op 4 augustus 2021 melding hebben gemaakt van de fraude, tonen zij voldoende aan dat zij op dat moment duidelijk en ondubbelzinnig hun intentie tot terugvordering kenbaar hebben gemaakt aan [DE BANK]. Dit wordt bovendien bevestigd door de reactie van [DE BANK] op deze melding. De rechtbank oordeelt daarom dat de vergoedende intresten ingaan op 5 augustus
  22. V. UITVOERBAARHEID
  23. De uitvoerbaarheid bij voorraad van dit vonnis volgt uit artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek.
  24. De rechter die uitspraak doet over de vordering zelf, kan overeenkomstig artikel 1406 van het Gerechtelijk Wetboek beslissen dat er geen reden is tot kantonnement voor alle veroordelingen die hij uitspreekt of voor een deel ervan, indien de vertraging in de regeling de schuldeiser aan Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel – Vonnis – A/24/00915 – pag. 9 een ernstig nadeel blootstelt. Eisers vragen om het recht op kantonnement uit te sluiten. [DE BANK] verzet zich hiertegen. Eisers tonen niet aan dat de vertraging in de regeling hen een ernstig nadeel berokkent dat verder gaat dan het nadeel dat voortvloeit uit de gewone duur van de gerechtelijke procedure. Er is dan ook geen grond om het recht op kantonnement uit te sluiten. VI. GERECHTSKOSTEN
  25. [DE BANK] wordt als de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten van het geding overeenkomstig artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek. Het geschil betreft een vordering in de schaal van 20.000,01 euro tot 40.000,00 euro. Partijen vragen de rechtbank niet om af te wijken van het basisbedrag. De rechtbank kent het overeenstemmende basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding toe.
  26. Overeenkomstig artikel 269/2, § 1 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten wordt [DE BANK] veroordeeld tot betaling van het rolrecht aan de Belgische Staat, FOD Financiën. VII. BESLISSING De rechtbank doet uitspraak op tegenspraak en na erover te hebben beraadslaagd, neemt de rechtbank de volgende beslissing: Verklaart de vordering van eisers tegen [DE BANK] ontvankelijk en gegrond. Veroordeelt [DE BANK] om aan eisers de som te betalen van 37.766,12 euro, te vermeerderen met de vergoedende intrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf 5 augustus 2021 tot heden en meer de verwijlintrest vanaf heden tot op de dag van de gehele betaling. Veroordeelt [DE BANK] tot de kosten van het geding, aan de zijde van eisers begroot en door de rechtbank vereffend op: - dagvaarding (met inbegrip van de bijdrage Begrotingsfonds 344,81 euro juridische tweedelijnsbijstand) - rechtsplegingsvergoeding 3.000,00 euro Verklaart de bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, die werd gestort door eisers, definitief verworven voor het fonds. Veroordeelt [DE BANK] tot betaling van het rolrecht ten belope van 165,00 euro na uitnodiging hiertoe door FOD Financiën. Bevestigt de uitvoerbaarheid van het vonnis en het recht op kantonnement. Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel – Vonnis – A/24/00915 – pag. 10 Dit vonnis is gewezen door de achtste kamer van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel, samengesteld als volgt: - mevrouw R. Indeganck, rechter, voorzitter van de kamer, - de heer MVM, rechter in ondernemingszaken, - de heer FG, rechter in ondernemingszaken, die de zitting hebben bijgewoond en aan het beraad hebben deelgenomen. Het vonnis wordt overeenkomstig artikel 6, eerste lid van het verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden uitgesproken door mevrouw R. Indeganck, rechter, voorzitter van de kamer, in aanwezigheid van de heer PDM, griffier, op de openbare terechtzitting van de achtste kamer van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel van 13 maart 2025 PDM FG MVM R. Indeganck Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel – Vonnis – A/24/00915 – pag. 11 PDF document ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20250313.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071116.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151029.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170111.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170126.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.