← België

ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20250716.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 16 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20250716.1 Rolnummer: A/2022/00966 Rechtsgebied: Handelsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-10-27 Raadplegingen: 805 - laatst gezien 2026-06-19 04:19 Fiche 1 Maatschappen zijn vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid (cf. art. 46 WVV). Door deze een rechtspersoonlijkheid te geven, wordt zij een VOF dan wel commanditaire vennootschap. Dit werd door de wetgever bevestigd in het nieuwe art. 4:22, al. 1 WVV, maar was reeds de gebruikelijke visie onder het W. Venn. Artikel 4:22 wilde dit slechts “onderstrepen”, en spreekt niet van een verandering aan de stand van het recht . De procedure voor ‘omzetting' zoals bepaald in het W.Venn. en WVV is niet van toepassing op het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid door een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, aangezien deze procedure de omzetting van een rechtspersoon naar een andere rechtspersoon (of entiteit zonder rechtspersoonlijkheid) betreft. Het toepassingsgebied van deze procedure is beperkt tot vennootschappen met rechtspersoonlijkheid (zie art. 774 W.Venn. zoals bevestigd door art. 14:1 WVV). Dit betekent niet dat dergelijke omvorming van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid niet mogelijk zou zijn, het betekent dat ze van een andere aard is dan de omzetting van een rechtspersoon: bij de omvorming van maatschap naar VOF, is er geen sprake van omzetting van een rechtspersoon, maar van een verkrijging van rechtspersoonlijkheid door een vennootschap die geen rechtspersoonlijkheid heeft, waardoor zij een rechtspersoonlijkheid verwerft. Er wordt dus een rechtspersoon opgericht op grond van de reeds bestaande feitelijke maatschap. Dat de maatschap daarvoor niet eerst moet worden ontbonden is logisch: anders zou het nooit mogelijk zijn om rechtspersoonlijkheid aan dergelijke maatschap te verlenen, omdat de maatschap niet langer bestaat. Het zou elke betekenis aan het bevestigend karakter van art. 4:22, al. 1 WVV ontnemen Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Omzetting vennootschap Wettelijke bepalingen: Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - 4:22 Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - 774 Fiche 2 Het louter stilzitten en niet uitoefenen van een recht gedurende een bepaalde tijd volstaat niet om rechtsverwerking of rechtsmisbruik te aanvaarden – hiertoe bestaat het regime van de bevrijdende verjaring. Verjaringstermijnen zijn van openbare orde. Als er binnen verjaringstermijn wordt gedagvaard, moeten bijzondere redenen voorhanden zijn om aan te tonen dat dergelijke dagvaarding laattijdig is wegens rechtsverwerking. De stelplicht hiervoor rust op diegene die rechtsverwerking inroept. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Algemeen (verjaring (burgerlijk recht)) Tekst van de beslissing IN DE ZAAK VAN 1. VOF BEDRIJFSNAAM2 […] (“Eiser”) eisende partij op hoofdvordering; verwerende partij op tegenvordering; TEGEN 2. NV [VERWEERDER], […] (hierna “Verweerder”); verwerende partij op hoofdvordering; eisende partij op tegenvordering; EN 3. Mevrouw A.B. […] (hierna “mevr. A.B.”); Verwerende partij in gedwongen tussenkomst op tussenvordering; […] I. FEITEN De pertinente feiten, relevant voor de beoordeling van het geschil, zijn als volgt samen te vatten: 1. De oorsprong van het geschil tussen de partijen Het geschil tussen partijen vindt de oorsprong in een overeenkomst van 17 november 1989 getiteld “concessieovereenkomst” tussen enerzijds Verweerder [..] en mevr. A.B. “voor de concessiehouder” (stuk 1 van Eiser en stuk 1 van [VERWEERDER], hierna “de Concessieovereenkomst”). Uit de inhoud van deze Overeenkomst blijkt dat Verweerder, in haar hoedanigheid van concessiegever aan haar concessiehouder een concessie tot de verkoop van [..]producten en hun onderhoudsproducten toekende of beoogde toe te kennen voor een duur van twee jaar met ingang op 1 december 1989 voor de provincies Luik en Luxemburg. Per aangetekende brieven van 11 juli 1990 gericht aan “BEDRIJFSNAAM1 BVBA” (vrije vertaling van “BEDRIJFSNAAM1 SPRL”), zustervennootschap van Eiser (hierna “BEDRIJFSNAAM1 BV”) en aan “BEDRIJFSNAAM2” heeft Verweerder de Concessieovereenkomst, dan wel de commerciële relatie met BEDRIJFSNAAM2, met onmiddellijke ingang beëindigd wegens tegenvallende verkoopcijfers. Per aangetekende brief van 8 augustus 1990 met de vermelding “BEDRIJFSNAAM2” in de briefhoofding heeft mevr. A.B. aan Verweerder ter kennis gebracht dat zij niet instemde met de voorstelling van de feiten door en de handelswijze van Verweerder, dat BEDRIJFSNAAM1 BV en BEDRIJFSNAAM2 afzonderlijke ondernemingen betroffen, dat er sprake was van een onrechtmatige verbreking van de Concessieovereenkomst met BEDRIJFSNAAM2 en dat zij de begroting van de geleden schade in een latere brief zou overmaken. Per brief van 25 september 1990 met de vermelding “BEDRIJFSNAAM2” in de briefhoofding begrootte mevr. A.B. de geleden schade op 8.093.700 BEF en verzocht Verweerder om dit bedrag te betalen. Per brief van 2 november 1990 gericht aan BEDRIJFSNAAM1 BVBA, betwistte Verweerder de bovenstaande aanspraken en weigerde zij tot betaling van een schadevergoeding over te gaan. 2. De verschillende procedures voorafgaand aan deze procedure 2.1. Procedure ingeleid door BVBA BEDRIJFSNAAM2 Op 30 juli 1991 heeft BVBA BEDRIJFSNAAM2 Verweerder gedagvaard voor de rechtbank van koophandel te Nijvel tot betaling van een schadevergoeding voor de onrechtmatige verbreking van de Concessieovereenkomst. Bij vonnis van 14 juni 1994 verklaarde de rechtbank van koophandel van Nijvel de vordering van BVBA BEDRIJFSNAAM2 niet ontvankelijk gezien de rechtbank, lopende de procedure, had vastgesteld dat BVBA BEDRIJFSNAAM2 niet geldig was opgericht en niet beschikte over rechtspersoonlijkheid. 2.2. Procedure ingeleid door mevrouw A.B. Op 16 februari 1994, lopende de procedure ingeleid door BVBA BEDRIJFSNAAM2, heeft mevr. A.B. Verweerder gedagvaard voor de rechtbank van koophandel van Nijvel tot betaling van een schadevergoeding voor de onrechtmatige verbreking van de Concessieovereenkomst. In deze procedure stelde mevr. A.B. de contractspartner van Verweerder te zijn en gerechtigd te zijn op een schadevergoeding wegens de onrechtmatige beëindiging van de Concessieovereenkomst. Bij vonnis van 19 januari 1996 stelde de rechtbank van koophandel van Nijvel een “affectio societatis” vast tussen het echtpaar B. en stelde dat er tussen hen, in feite, een VOF onder de benaming “BEDRIJFSNAAM2” was ontstaan. De rechtbank van koophandel van Nijvel besloot hieruit dat mevr. A.B. niet in eigen naam tegen Verweerder kon optreden wegens een gebrek aan rechtsband en verklaarde diens vordering ontvankelijk maar ongegrond. Middels verzoekschrift van 16 april 1996 heeft mevr. A.B. hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van 19 januari 1996 en hield zij stand de contractspartij van Verweerder te zijn, minstens juridisch verbonden te zijn wegens de (uiteindelijke) niet-oprichting van de vennootschap BEDRIJFSNAAM2. Deze zaak was initieel ingeschreven onder het rolnummer 1996/AR/1229 voor het hof van beroep van Brussel, maar werd op 11 december 2000 van de rol weggelaten. Intussen werd deze zaak (op verzoek van [VERWEERDER]) opnieuw op de rol gezet in toepassing van art. 730 Ger. W., het rolnummer 2023/AR/462 toegekend en opnieuw in staat gesteld. [VERWEERDER] heeft in deze procedure voor het hof van beroep van Brussel, BEDRIJFSNAAM2 in gedwongen tussenkomst gedagvaard. Op 22 december 2023 deed mevr. A.B. in deze procedure afstand van rechtsvordering. Op 21 maart 2024 nam het hof van beroep hiervan akte bij tussentijds arrest. Bij arrest van 8 november 2024 bevestigde het hof van beroep deze afstand van recht. Het hof van beroep oordeelde er ook in over een vordering van verweerder tegen mevr. A.B. met betrekking tot tergend en roekeloos geding en procesrechtsmisbruik. 2.3. De huidige procedure Op 17 juli 2001 hebben mevr. A.B. en de heer B. voor de notaris verklaard dat zij sedert 1989 een exclusieve verkoopconcessieovereenkomst hadden gesloten met [VERWEERDER] en de activiteiten hiervoor uitoefenden onder BEDRIJFSNAAM2 VOF (Eiser). De notariële akte van 17 juli 2001 had als doel “de regularisatie” van deze (onregelmatige) VOF en de neerlegging van haar statuten. Bijna twee jaar later, op 18 juni 2003, dagvaardde Eiser Verweerder voor de toenmalige rechtbank van koophandel van Brussel. De zaak werd, volgens Eiser in afwachting van een procedure tussen enerzijds de zustervennootschap BEDRIJFSNAAM1 BV en anderzijds Verweerder die verschillende gelijkenissen vertoonde, naar de rol verzonden. Nadat het hof van beroep van Brussel in de zaak tussen BEDRIJFSNAAM1 BV en [VERWEERDER] het arrest van 30 juni 2017 wees waarin [VERWEERDER] werd veroordeeld tot betaling van o.a. een winstderving en financieringscommissies, heeft Eiser net geen vijf jaar later, op 4 april 2022, deze rechtbank aangeschreven om de huidige zaak opnieuw op de rol te zetten in toepassing van art. 730 Ger. W. Verweerder heeft hierop, op 23 juni 2022, mevr. A.B. gedagvaard in gedwongen tussenkomst. Deze rechtbank besliste bij vonnis van 6 december2023 tot opschorting van de huidige procedure “totdat er een eindvonnis is in de zaak hangende voor het hof van beroep van Brussel (2023/AR/462) over de vordering van mevrouw A.B. tot het bekomen van een schadevergoeding van [VERWEERDER] voor de vermeende onrechtmatige beëindiging van de Concessieovereenkomst”. Aangezien na afstand van recht door mevr. A.B. dergelijk eindarrest werd bekomen (zie hoger), werd de huidige procedure in staat gesteld. II. VORDERINGEN VAN PARTIJEN De vordering van Eiser strekt ertoe (de rechtbank citeert uit de syntheseconclusie): “De vorderingen van Eiser ontvankelijk en gegrond te verklaren, en vervolgens: - [VERWEERDER] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van 726.975,63 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 8 augustus 1990 tot de datum van dagvaarding en vanaf dan te vermeerderen met de gerechtelijke interesten aan dezelfde interestvoet tot op de dag van volledige betaling. Met betrekking tot de tegenvorderingen van [VERWEERDER]: - deze onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren.” En in alle geval: - [VERWEERDER] te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op [..] euro (basisbedrag). De vordering van Verweerder strekt ertoe (de rechtbank citeert uit de syntheseconclusie): “De vorderingen van [VERWEERDER] onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren; De vordering in gedwongen tussenkomst en vrijwaring van [[VERWEERDER]] ontvankelijk en gegrond te verklaren; De tegenvordering van [VERWEERDER] ontvankelijk en gegrond te verklaren; [VERWEERDER] en [mevr. A.B.] hoofdelijk en ondeelbaar te veroordelen tot betaling van een bedrag ten belope van 250.000 EUR aan [VERWEERDER]; [VERWEERDER] voorbehoud te verlenen haar vordering uit te breiden gekoppeld aan verdere argumentatie vanwege GC en Eiser; De vordering ten aanzien van [VERWEERDER] en [mevr. A.B.] te vermeerderen met de verwijlintresten aan de wettelijke interestvoet op de hoofdsom conform de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, en dit te berekenen vanaf 19 januari 1996 tot op datum van onderhavige dagvaarding, en vanaf dan meer de gerechtelijke interesten aan de wettelijke interestvoet op de hoofdsom tot op datum van algehele betaling. [VERWEERDER] en [mevr. A.B.] desgevallend te veroordelen in de kosten van het geding en alle uitvoeringskosten, met inbegrip van de dagvaardingskosten en de rechtsplegingsvergoeding in hoofde van [VERWEERDER], zoals voorzien in artikel 1022 Ger. Wetb.” De vordering van mevrouw A.B. strekt ertoe (de rechtbank citeert uit de syntheseconclusie): “De vorderingen van mevrouw A.B. ontvankelijk en gegrond te verklaren, en vervolgens: De vorderingen van [VERWEERDER] onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren; [VERWEERDER] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van 5.000 euro aan mevrouw A.B.; [VERWEERDER] te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief een rechtsplegingsvergoeding van 21.000 euro.” III. BEOORDELING [...] 3. Ontvankelijkheid Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de vordering van Eiser wegens gebrek aan belang en hoedanigheid. Eiser brengt echter verschillende elementen en argumenten aan waaruit blijkt dat zij bepaalde subjectieve rechten wenst af te dwingen. De procespartij die beweert houder te zijn van een subjectief recht, ook al wordt dat recht betwist, beschikt over het vereiste procesrechtelijk belang en de vereiste hoedanigheid om een rechtsvordering in te stellen. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het door de Eiser aangevoerd subjectief recht valt niet onder het onderzoek naar de ontvankelijkheid, maar onder dit naar de gegrondheid van de eis (zie Cass. 26 januari 2017, C.16.0291.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170126.3; Cass. 11 januari 2017 P.16.0703.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170111.4; Cass. 29 oktober 2015, C.13.0374.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151029.2; Cass. 16 november 2007, C.06.0144.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071116.4). Verweerder betwist verder de ontvankelijkheid van de vordering van Eiser wegens verjaring. Dit middel is ongegrond: - Op het ogenblik van het ontstaan van de vordering (de onrechtmatige verbreking van de Concessieovereenkomst, zoals hieronder gedefinieerd, op 11 juli 1990) was de toepasselijke verjaringstermijn 30 jaar (toenmalig art. 2262 BW). De wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, die dit wijzigde, werkt niet retroactief (art. 10 van de wet van 10 juni 1998), en bepaalde dat de verjaringstermijn in kwestie nog 10 jaar verder liep (voor zover niet langer dan 30 jaar in totaal). De verjaringstermijn voor de vordering liep dus tot 27 juli 2008. Op 13 juni 2003 werd de huidige vordering ingesteld, dus de verjaringstermijn werd tijdig gestuit. - Een dagvaarding voor het gerecht stuit de verjaring tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken (art. 2244, §1, tweede lid Oud BW). De rechtbank stelt geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid vast. De vordering van Eiser is ontvankelijk. Verweerder stelt tegen mevr. A.B. een vordering in voor buitencontractuele aansprakelijkheid wegens deloyale proceshouding en procesmisbruik. Deze vordering werd reeds uitgebreid behandeld en afgewezen door het hof van beroep in haar arrest van Brussel 8 november 2024 (stuk 49 Eiser). Dergelijk arrest heeft gezag van gewijsde, en de vordering in dezen is dan ook niet toelaatbaar. De ontvankelijkheid van de vordering van Verweerder tegen Eiser en de ontvankelijkheid van de vordering van mevr. A.B. wordt voor het overige niet betwist. De rechtbank stelt geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid vast. De vorderingen van Verweerder en mevr. A.B. zijn eveneens ontvankelijk. 4. Gegrondheid 4.1. Rechtsverwerking, schending van redelijke termijn en tegenvordering met betrekking tot procesrechtsmisbruik Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de vordering van Eiser wegens rechtsverwerking. De rechtbank meent dat dit een kwestie van gegrondheid is, en beoordeelt de betreffende vraag hieronder. Rechtsverwerking is de figuur waarbij de titularis van een recht of van een bevoegdheid dat recht of die bevoegdheid niet uitoefent omdat hij

  1. a)vrijwillig een houding heeft aangenomen die (objectief) strijdig is met de uitoefening van dat recht of die bevoegdheid en
  2. b)de wederpartij rechtmatig kon vertrouwen op die houding (vergelijk S. STIJNS, “La ‘rechtsverwerking’: fin d’une attente (dé)raisonnable”, JT 1990, 686-687). Door die tegenstrijdige en/of deloyale houding heeft de titularis zijn recht of bevoegdheid ‘verwerkt’. Bedoeling tot afstand speelt geen rol, met de objectieve goede trouw strijdig gedrag volstaat. Rechtsverwerking is echter geen autonoom rechtsbeginsel, en kan slechts een rol spelen indien er sprake is van rechtsmisbruik (vergelijk T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek Verbintenissenrecht, tweede ed., 2023, Larcier-Intersentia, 1008). Vooraleer hiervan sprake kan zijn, moet worden aangetoond dat schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die kennelijk de grenzen van een normale rechtsuitoefening door een normaal zorgvuldige persoon heeft overschreden. Er moeten bijkomende elementen zijn, boven de niet-oefening van een recht, opdat hiertoe voldoende staving zou kunnen zijn. Het louter stilzitten en niet uitoefenen van een recht gedurende een bepaalde tijd volstaat niet om rechtsverwerking of rechtsmisbruik te aanvaarden – hiertoe bestaat het regime van de bevrijdende verjaring. Verjaringstermijnen zijn van openbare orde. Als er binnen verjaringstermijn wordt gedagvaard, moeten bijzondere redenen voorhanden zijn om aan te tonen dat dergelijke dagvaarding laattijdig is wegens rechtsverwerking. De stelplicht hiervoor rust op diegene die rechtsverwerking inroept. Eiser duidt dit op geen enkele wijze. De handelingen die haar oprichtster in eigen naam, stelt, zijn hierbij irrelevant. Er blijkt voor het overige op geen enkele andere manier dat Eiser het rechtmatig vertrouwen heeft gewekt dat het procesrecht niet meer zou worden uitgeoefend, andere dan het laten verlopen van een tijdsperiode. Er is dus geen sprake van rechtsverwerking of rechtsmisbruik door Eiser. Aangezien de tegenvordering tot schadevergoeding van Verweerder tegen Eiser bovendien op het bestaan van rechtsmisbruik is gebaseerd, is ook deze tegenvordering ongegrond. Verweerder werpt verder op dat het recht op behandeling van een zaak binnen een redelijke termijn zou zijn geschonden. Zoals Verweerder terecht aanhaalt, moet hierbij rekening worden gehouden onder meer met de complexiteit van de zaak en de houding van elke partij. Er is geen vaste termijn die in ieder geval een schending van de redelijke termijn inhoudt, en een langere termijn voor afhandeling betekent niet noodzakelijk een schending van het recht op behandeling van een zaak binnen een redelijke termijn. In dezen overweegt de rechtbank dat: - Er wel degelijk sprake is van aanzienlijke juridische complexiteit van de zaak, onder meer met betrekking tot de partijen bij de overeenkomst. Deze complexiteit volgt onder meer uit de wet van 12 april 1995, die gevolgen had voor het regime waaronder één van de partijen bij deze vordering opereerde, en uit de meerdere verschillende procedures die naast elkaar lopen – waarbij deze laatste situatie mede in de hand werd gewerkt door acties van Verweerder; en - De lange duur van behandeling is allerminst enkel aan de duur van de procesgang of aan Eiser te wijten, maar eveneens in belangrijke mate aan het gedrag van Verweerder zelf – die op geen enkele wijze blijk heeft gegeven van een wens op een snellere rechtsbedeling, zoals het hof van beroep van Brussel suggereerde in het arrest van 8 november 2024. De rechtbank merkt op dat Verweerder ook geen enkel van de haar voorhanden zijnde middelen om huidige zaak vroeger te beëindigen heeft aangewend of pogen aan te wenden; en in tegendeel waar mogelijk elk aan haar beschikbaar middel heeft aangewend dat voorhanden was – met een duidelijk en langdurig vertragend effect. Zo heeft Verweerder zelf de opschorting van huidige procedure in het licht van het aanhangig zijn van een procedure voor het hof van beroep gevorderd, terwijl zij zelf door het hof van beroep werd geacht aan de oorzaak te liggen van de lange duur van deze andere procedures (zie arrest van hof van beroep te Brussel van 8 november 2024, stuk 49 Eiser). De rechtbank wijst er bovendien ook op dat het niet de enkele verantwoordelijkheid van eisende partij om de zaak in staat te stellen (zie lager). Dat Eiser hierbij, als Eiser, de procedure in principe aanstuurt, doet daar niet vanaf; ook aan Verweerder zijn immers meerdere middelen voorhanden om een niet bewegende procedure in beweging te brengen indien zij een vonnis wenst te bekomen in een hangende procedure (wat zij bijvoorbeeld heeft gedaan in de procedure hangende voor het hof van beroep van Brussel onmiddellijk nadat onderhavige procedure opnieuw werd geactiveerd door Eiser). - Stuiting van de verjaring houdt op zich geen overschrijding van de redelijke termijn in die in strijd zou zijn met art. 6 EVRM nu elk van de partijen in de loop van het geding de mogelijkheid heeft om op te treden tegen de inertie van de andere partij opdat uitspraak zou worden gedaan over de zaak. In het kader van een burgerlijk proces hebben de partijen immers eveneens de verplichting zich loyaal te gedragen. Aan elke partij zijn middelen om op te treden tegen inertie, en bovendien ook om, in geval van duidelijk dilatoire manoeuvres, schadevergoeding te vorderen (wat partijen in onderhavige procedure ook deden). Er wordt niet op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan de rechten van de rechtzoekende die, in het kader van een burgerlijk proces, wordt geconfronteerd met de inertie van diegene die beweert zijn schuldeiser te zijn (vergelijk recent o.a. Grondwettelijk Hof nr. 107/2019, 3 juli 2019, const-court.be en Gent 25 mei 2023, T. Verz. 2024, 210). [..] 4.2. Het bestaan van de Concessieovereenkomst, die een exclusieve concessieovereenkomst uitmaakt Eiser vordert op basis van de Concessieovereenkomst. Deze Concessieovereenkomst maakte een onderscheid tussen ‘directe’ en ‘indirecte producten’, waarbij voor directe producten van de categorie “C/D” exclusiviteit werd verleend aan Eiser (artikel 1 samen gelezen met Annex A1 van de Concessieovereenkomst). De Concessieovereenkomst zoals gevoegd in de stukken werd ondertekend door mevr. A.B., in aanvaarding van het aanbod gedaan door de Verweerder in haar schrijven van 17 november 1989 (waar het ontwerp van Concessieovereenkomst was bijgevoegd). Het argument van Verweerder dat de Concessieovereenkomst nooit zou zijn aangegaan, en dat in de werkelijk overeengekomen overeenkomst geen sprake was van een exclusieve concessie, wordt niet gestaafd door de stukken. Verweerder verwijst naar door haar verzonden brieven waaruit zou blijken dat er geen overeenkomst werd ondertekend, en er ook geen overeenstemming was met betrekking tot de voorwaarden van een overeenkomst. Verweerder bevestigde echter doorheen de communicatie van 1989 en 1990, waarin begrepen in de overeenkomst die zij zelf bij schrijven van 6 februari 1990 naar voor schuift (stuk 12 Eiser, stuk 4 Verweerder- zie ook lager) steeds dat er minstens sprake was van een concessie, dus de rechtbank acht het in dezen eerder bijzonder dat Verweerder in haar conclusies stelt dat er geen sprake zou zijn van een concessieovereenkomst. Een overeenkomst komt tot stand zodra er een wilsovereenstemming is tussen de partijen over de essentiële elementen ervan (in het bijzonder prijs en prestaties) en, waar relevant, de substantiële bestanddelen (zoals de duurtijd van de overeenkomst). Een overeenkomst moet niet schriftelijk zijn. Ze kan mondeling of door omstandig stilzwijgen tot stand komen. Ze komt tot stand wanneer een aanbod wordt aanvaard. Ook een kaderovereenkomst met betrekking tot een alleenverkoopconcessie moet niet schriftelijk worden vastgelegd, zolang zij duidelijk en onomstotelijk is. De rechtbank merkt op dat bewijs tegen ondernemingen voor de ondernemingsrechtbank vrij is, en de rechtbank soeverein de bewijswaarde van de aangevoerde bewijsstukken beoordeelt. In dezen blijkt uit de omliggende omstandigheden dat er overeenstemming was over minstens de essentiële elementen van de overeenkomst (of ontwerpovereenkomst) zoals deze door beide partijen werd voorgelegd (stuk 1 Eiser, stuk 1 Verweerder). In zoverre nog bijkomende bemerkingen werden gemaakt door Eiser, raakten deze niet aan de essentiële elementen, noch aan substantiële bestanddelen. Dit blijkt uit het gegeven dat door Verweerder uitvoering werd gegeven aan de betreffende overeenkomst. Op 6 februari 1990 stuurde Verweerder een overeenkomst ter ondertekening naar Eiser, die substantieel verschilt van de overeenkomst van 17 november 1989 (stuk 12 Eiser, stuk 4 verweerder). Uit de stukken blijkt op geen enkele manier dat er tussen 17 november 1989 en 6 februari 1990 verdere onderhandelingen zouden zijn geweest waaruit dergelijke aanzienlijke wijziging voortvloeit. De rechtbank verwijst naar volgende feitelijke omstandigheden: - de begeleidende brief doet uitschijnen dat dit slechts een bevestiging zou zijn van de reeds eerder overeen gekomen overeenkomst, - deze overeenkomst verschilt danig van deze van 17 november, - deze overeenkomst is opnieuw niet door Verweerder ondertekend ondanks het gegeven dat zij aangeeft dat dit een finaal akkoord zou zijn. Er wordt opnieuw (zoals ook bij de Concessieovereenkomst) eenvoudigweg aan Eiser gevraagd om twee ondertekende exemplaren terug te sturen (zodat Eiser opnieuw zonder geschreven overeenkomst achter blijft), - dat uit de stukken op geen enkele manier blijkt dat deze substantieel gewijzigde overeenkomst effectief al eerder in circulatie was, - er blijkt duidelijk uit het schrijven van 26 maart 1990 dat deze overeenkomst – die zij als een eenzijdige wijziging beschouwd - niet door Eiser werd aanvaard. Uit dit alles blijkt dat er geen reden is om aan te nemen dat deze overeenkomst de Concessieovereenkomst zou vervangen, op basis van het enkele gegeven dat een brief van Verweerder dit beweert. Desalniettemin merkt de rechtbank op dat ook deze nieuwe overeenkomst uitdrukkelijk aangeeft dat de ‘Directe Producten op exclusieve basis worden verkocht’ (‘de distribuer les produits directs désignés à l’annexe 1, de manière exclusive’)(artikel 1, eerste streepje). Daarbij betreft het dezelfde producten als deze werden opgenomen in de Concessieovereenkomst van 1989. Over de overeenkomst tussen partijen met betrekking tot het principe van exclusiviteit ten voordele van Eiser bestond dus geen twijfel. Bovendien bevestigde Verweerder bij schrijven van 11 juli 1990 ook aan zowel BEDRIJFSNAAM1 BV, de zustervennootschap van Verweerder, als aan BEDRIJFSNAAM2(de rechtsvoorganger van Verweerder) uitdrukkelijk dat zij vanaf dat moment niet langer BEDRIJFSNAAM2, en dus Verweerder, als exclusief concessiehouder voor de provincies Luik en Luxemburg beschouwen (“En ce qui concerne les provinces de Liège et de Luxembourg, nous regrettons que les positions des parties n’ont pu se rapprocher. […] Dès lors, et pour éviter toute interprétation erronée, nous vous confirmons officiellement que nous renonçons à considérer BEDRIJFSNAAM2comme concessionnaire exclusif sur ce territoire à partir de la date d’envoi de la présente"/Vrije vertaling : "Wat betreft de provincies Luik en Luxemburg, betreuren wij dat partijen zich niet hebben kunnen verzoenen. […] Vanaf heden, en om elke foutieve interpretatie te vermijden, bevestigen wij u hierbij officieel dat wij afzien van het beschouwen van XXX als exclusieve concessiehouder op dit grondgebied vanaf de datum van verzending van dit schrijven.”. Dit kan onmogelijk anders gelezen worden dan als een bevestiging dat er een overeenkomst van exclusieve concessie bestond tussen partijen. Uit de samenlezing met andere stukken (zoals het schrijven van 17 november 1989 door Verweerder), stelt de rechtbank vast dat de Concessieovereenkomst van 17 november 1989 de tussen partijen aangegane overeenkomst uitmaakt. Zelfs indien dit niet het geval zou zijn, stelt de rechtbank vast dat er sprake is van een exclusieve concessieovereenkomst tussen partijen – waarbij geen enkele twijfel bestaat over het overeen gekomen principe van exclusiviteit. Eiser voldoet aan haar bewijslast met betrekking tot het bestaan van de Concessieovereenkomst. Er is niet enkel sprake van een concessieovereenkomst (zoals door Verweerder in eigen communicatie overigens voortdurend herhaald wordt), maar deze is ook exclusief wat betreft de verdeling van de directe producten. 4.3. Partijen bij de Concessieovereenkomst Er bestaat verder discussie over de tegenpartij van Verweerder onder de Concessieovereenkomst. De rechtbank komt op onderstaande wijze tot de vaststelling dat Eiser wel degelijk de rechtsopvolger van de tegenpartij van Verweerder onder de Concessieovereenkomst is. Bij eerder vonnis van de Rechtbank van Nijvel werd vastgesteld dat ten tijde van het aangaan van de Concessieovereenkomst de contractpartij van Verweerder, bij gebreke aan oprichting van een BV(BA), de onregelmatige VOF BEDRIJFSNAAM2 was. Dergelijke onregelmatige VOF kon op dat moment niet vorderen. Hoewel mevr. A.B., voor de rechtbank van Nijvel en later het hof van beroep van Brussel, aanhield dat zij de contractspartij van [VERWEERDER] was, deed mevrouw A.B. afstand van deze rechtsvordering. Deze werd geacteerd door het hof van beroep van Brussel, en bij arrest van 8 november 2024 door datzelfde hof bevestigd. Hoewel mevr. A.B. middels dergelijke afstand van rechtsvordering inderdaad niet uitdrukkelijk erkent dat zij meent niet de rechthebbende te zijn, is dit irrelevant voor huidige procedure: - vooreerst kan daartegenover immers worden gezet dat [VERWEERDER] steeds de positie heeft genomen dat mevrouw A.B. niet haar tegenpartij was en evenmin ooit uitdrukkelijk van die positie afstand heeft genomen. In de procedure tussen mevr. A.B. en Verweerder nam Verweerder nadrukkelijk de positie in dat mevr. A.B. niet haar tegenpartij was (zie stuk 40 Eiser). Het is dan ook opmerkelijk dat Verweerder nu impliciet de positie neemt dat mevr. A.B. wel rechthebbende zou zijn (of minstens dat Eiser niet haar tegenpartij zou kunnen zijn, omdat mevr. A.B. steeds zou beweerd hebben dat zij de tegenpartij is maar nu afstand van deze rechtsvordering heeft gedaan). Dit is evenmin rechtlijnig, dus het verwijt van [VERWEERDER] dat tegenpartij niet rechtlijnig zou handelen, is merkwaardig te noemen; - verder moet ook worden opgemerkt dat Eiser een andere rechtspersoon is dan mevr. A.B., met een onderscheiden juridisch belang. Zodoende kan zij perfect en zonder enig gevolg een andere juridische positie innemen dan mevr. A.B.. Middel 4 en 5 van Verweerder zijn zodoende ongegrond. Er bestaat betwisting over de vraag wat er met VOF BEDRIJFSNAAM2 is gebeurd na de wet van 13 april 1995, die het vennootschapsrecht hervormde. Er kan niet worden aangenomen dat de onregelmatige VOF BEDRIJFSNAAM2 eenvoudigweg is opgehouden te bestaan met de wet van 13 april 2024. Zij is ofwel blijven bestaan als onregelmatige VOF (vergelijk K. GEENS e.a., “Overzicht van rechtspraak vennootschappen 1992-1998, randnr. 59) ofwel van rechtswege een maatschap geworden (vergelijk J.-M. GOLLIER en P. MALHERBE (“Les sociétés commerciales”, in Les dossiers du JT, Larcier, 2002, 44-45). Hierover heerst onduidelijkheid in de rechtsleer. In de notariële akte van oprichting van Eiser (stuk 30 Eiser, de “Akte”), blijkt duidelijk dat het de intentie van de betreffende akte was om deze onduidelijke situatie recht te zetten. De akte stelt expliciet: « Depuis mil neuf cent quatre-vingt-neuf, ils exercent en commun, en particulier sur la base d’un contrat de concession exclusive de vente avec la société [VERWEERDER] conclu le dix-sept novembre mil neuf cent quatre-vingt-neuf, une activité de concessionnaire de machines de bureau sous la raison sociale « BEDRIJFSNAAM2 », en abrégé « BEDRIJFSNAAM2». Le présent acte constitutif a pour but de régulariser cette société en nom collectif. » (vrij vertaald : “Sinds 1989 voeren zij gezamenlijk, met name op basis van een op 17 november 1989 gesloten exclusieve verkoopconcessieovereenkomst met [VERWEERDER], activiteiten uit als concessiehouder van kantoormachines onder de naam "BEDRIJFSNAAM2", kortweg "BEDRIJFSNAAM2". Het doel van deze oprichtingsakte is om deze vennootschap onder firma te regulariseren.) Er blijkt dus de intentie van de oprichters gezamenlijk handelend om de activiteit, en dus de rechten voortvloeiend uit dergelijke overeenkomst, die zij samen, via de eerdere onregelmatige VOF, uitoefenden onder de Concessieovereenkomst over te dragen aan Verweerder. De vraag is niet of dit de intentie is, de vraag is ook of het werkelijk gebeurd is. Daarbij werpt Verweerder in het bijzonder op dat dit niet blijkt uit het beschikkend gedeelte van de betreffende akte, aangezien er akte wordt genomen van de oprichting van een VOF en enkel contanten worden ingebracht. De rechtbank meent dat, zoals Verweerder terecht opwerpt, bij de wet van 13 april 1995 de onregelmatige VOF inderdaad tot een maatschap is verworden. Dit volgt uit het gegeven dat de figuur van de ‘onregelmatige VOF’ werd afgeschaft, en vanaf de wet van 1995 een maatschap tot stand komt wanneer er wel een vennootschap voor handen is, maar niet aan de vormvereisten voor het verkrijgen van een rechtspersoon werd voldaan (vergelijk P. VAN OMMESLAGHE, “Le droit commun de la société et la société de droit commun » in Aspects récents du droit des contrats, Brussel, Editions du Jeune Barreau, 2001, 155 ev.; GEENS, DENEF, HELLEMANS, TAS en VANANROYE, « Overzicht van Rechtspraak – Vennootschappen », TPR 2000, 99 ev.). Er is geen enkele reden om daarbij aan te nemen dat de figuur van de ‘onregelmatige VOF’, die geen op zich staande vennootschapsvorm was maar eerder een sanctie op het niet voldoen van voorwaarden om binnen de contouren van een bestaande vennootschapsvorm te vallen, bewaard zou blijven. Een maatschap is een in gemeenschap (‘en commun’) brengen van inbreng (vergelijk. Art. 4:1 WVV en art. 46 W.Venn). Dergelijke inbreng kan ook een activiteit, of schuldvordering zijn. Verweerder verwijst naar rechtsleer die bevestigt dat de omzetting van een maatschap in een VOF met behoud van identiteit niet mogelijk zou zijn bij gebrek aan een systeem dat de omzetting van een maatschap in een vennootschap met rechtspersoonlijkheid organiseert (L. FREDERICQ, Traité de droit commercial, IV, Gent, 1950, 145-146; T. TILQUIN en V. SIMONART, Traité des sociétés, II, Kluwer, 1999, 343-344 ; F. MAGNUS, « La société de droit commun », Rép. Not. T. XIII, Le droit commercial et économique, 5/1, Brussel, Larcier, 2015, n° 192). Maatschappen zijn vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid (cf. art. 46 WVV). Door deze een rechtspersoonlijkheid te geven, wordt zij een VOF dan wel commanditaire vennootschap. Dit werd door de wetgever bevestigd in het nieuwe art. 4:22, al. 1 WVV, maar was reeds de gebruikelijke visie onder het W. Venn. (vergelijk F. PARREIN, “Art. 4:22 WVV” in X. Vennootschappen en verenigingen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 14/03/2025, jura.be; J. VANANROYE, Onverdeelde boedel en rechtspersoon, Leuven, Jan Ronse Instituut voor Vennootschapsrecht, 2011, nr. 461, p. 332). Artikel 4:22 wilde dit slechts “onderstrepen”, en spreekt niet van een verandering aan de stand van het recht (Vergelijk MvT WVV, Kamer 2017-2018, Doc 54, 3119/001; “In het eerste lid wordt onderstreept dat de vennootschappen onder firma en de commanditaire vennootschappen maatschappen zijn die rechtspersoonlijkheid genieten.”). De procedure voor ‘omzetting’ zoals bepaald in het W.Venn. en WVV is daarbij inderdaad niet van toepassing, aangezien deze procedure de omzetting van een rechtspersoon naar een andere rechtspersoon (of entiteit zonder rechtspersoonlijkheid) betreft. Het toepassingsgebied van deze procedure is beperkt tot vennootschappen met rechtspersoonlijkheid (zie art. 774 W.Venn. zoals bevestigd door art. 14:1 WVV). Dit betekent niet dat dergelijke omvorming van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid niet mogelijk zou zijn, het betekent dat ze van een andere aard is dan de omzetting van een rechtspersoon: bij de omvorming van maatschap naar VOF, is er geen sprake van omzetting van een rechtspersoon, maar van een verkrijging van rechtspersoonlijkheid door een vennootschap die geen rechtspersoonlijkheid heeft, waardoor zij een rechtspersoonlijkheid verwerft. Er wordt dus een rechtspersoon opgericht op grond van de reeds bestaande feitelijke maatschap. Dat de maatschap daarvoor niet eerst moet worden ontbonden is logisch: anders zou het nooit mogelijk zijn om rechtspersoonlijkheid aan dergelijke maatschap te verlenen, omdat de maatschap niet langer bestaat. Het zou elke betekenis aan het bevestigend karakter van art. 4:22, al. 1 WVV ontnemen. Dat dit niet op bijzondere wijze in het W.Venn. wordt geregeld, doet daar niet vanaf: de maatschap is een contractuele vennootschapsvorm die aldus gekenmerkt wordt door een zeer grote vrijheid om met haar rechten om te springen. Deze visie strookt met wat in de Akte werd bepaald. Daar werd evenwel niet naar een ‘maatschap’ verwezen, maar wel naar de ‘gezamenlijke uitvoering’ (‘exercice en commun’). Dit strookt met de hoger aangegeven omschrijving van de maatschap. Uit de Akte blijkt duidelijk dat de oprichting van de VOF feitelijk de omvorming van de bestaande maatschap uitmaakt. Aangezien de maatschap geen rechtspersoon vormde, is er effectief sprake van de oprichting van een nieuwe rechtspersoon. Dit staat de commerciële continuïteit van de maatschap in die rechtspersoon niet in de weg – de onderliggende vennootschap bestond al. Dat er enkel een inbreng in contanten gebeurt (zoals Verweerder opwerpt), doet daar niet vanaf: de schuldvordering was immers al in de vennootschap aanwezig en moet dus niet opnieuw worden ingebracht bij oprichting van een rechtspersoon uit deze vennootschap. Gezien de onduidelijkheid in de rechtsleer over de vraag of de eerdere onregelmatige VOF als onregelmatige VOF dan wel maatschap zou verder bestaan hebben na de wet van 1995, kan worden aangenomen dat de verwijzing in de Akte naar de “gezamenlijke activiteit” van dhr. B. en mevr. A.B. (oprichters van Verweerder) met betrekking tot de Concessieovereenkomst, voldoende duidelijkheid verschaft over de overdragende entiteit naar de betreffende maatschap, en het gegeven dat die op dat ogenblik contractspartij was. De rechtbank meent bovendien dat zelfs indien bovenstaande redenering niet correct zou blijken, er – zoals Eiser terecht opwerpt - nog steeds sprake van overdracht van schuldvordering is aan Eiser. Aangezien de overdracht van schuldvordering vormvrij is en consensueel tot stand komt, kan worden aangenomen dat Verweerder minstens op deze basis de rechten uit de Concessieovereenkomst heeft overgenomen: uit de Akte blijkt duidelijk dat deze consensus er is. Verweerder heeft ook duidelijk kennis genomen van de overdracht. De rechtbank kan dus in ieder geval Eiser beschouwen als contractspartij. Het argument van Verweerder dat dergelijke cessie ‘onbegrijpelijk’ is omdat er geen verbintenissen tussen Eiser en Verweerder bestonden, overtuigt niet en is circulair. Hoger werd door deze rechtbank aangenomen dat er wel degelijk schuldvorderingen bestonden tussen contractspartijen van de Concessieovereenkomst. Er werd ook aangenomen dat de wet van 1995 niet tot gevolg kan hebben dat de bestaande onregelmatige VOFs gewoon zouden zijn verdwenen. Bovendien is het ook duidelijk dat dergelijke overdracht kan zonder dat er sprake is van een inbreng in de vennootschapsrechtelijke zin. Het (impliciete) argument van Verweerder dat er geen schuldvorderingen kunnen worden overgedragen omdat de overdrager geen beschikkingsrecht heeft over de schuldvorderingen, overtuigt evenmin. - De onmogelijkheid (tot de wet van 1995) voor de onregelmatige VOF om te vorderen in rechte, doet niet af van het bestaan van de onderliggende schuldvordering. Bij regularisatie van de betreffende VOF, kon immers wel opnieuw gevorderd worden. Er is geen reden om aan te nemen dat dit niet het geval zou zijn bij overdracht aan een andere entiteit wanneer geen sprake is van regularisatie. Bovendien is er ook geen reden om aan te nemen dat de onregelmatige VOF niet kon contracteren. - Wat betreft de beweerde tegenstrijdige positie van mevrouw A.B., zie hoger. De rechtbank merkt ten slotte op dat verwijzingen naar de overdracht van rechtsvordering door een vennootschap in oprichting irrelevant zijn. Vooreerst werd geen rechtsvordering, maar een schuldvordering overgedragen. Ten tweede blijkt uit de voorgaanden duidelijk dat de vennootschap in oprichting uiteindelijk een onregelmatige VOF is geworden, en dit als startpunt moet worden genomen – niét de vennootschap in oprichting. Verweerder verwijst in haar zesde middel naar dwaling, omdat de overeenkomst zou zijn gesloten met een BVBA in oprichting. De oprichting van de betreffende vennootschap wordt nergens opgenomen in de Concessieovereenkomst. Nergens blijkt dat Verweerder gedurende de periode waarin het contract lopende was heeft aangedrongen op die oprichting, of enige bemerking heeft gemaakt met betrekking tot de rechtsvorm van haar tegenpartij. Bovendien heeft zij ook aan meerdere entiteiten communicatie omtrent de Concessieovereenkomst gestuurd. Verweerder maakt op geen enkele manier aannemelijk dat zij niet met een VOF, maatschap of zelfs natuurlijke persoon zou hebben gecontracteerd. Zij maakt ook niet duidelijk op welke manier een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (bvba) voor haar voordelen biedt als contractspartij, boven een vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid. Verweerder duidt niet aan dat de rechtsvorm van haar contractspartij een doorslaggevend karakter had voor het afsluiten van de overeenkomst. Bijgevolg is er geen sprake van dwaling. Het middel in die zin faalt naar recht. 4.4. Schending exclusieve Concessieovereenkomst A. Schendingen Uit de stukken blijkt dat Verweerder de Concessieovereenkomst op meerdere ogenblikken schond. […] Door het niet naleven van de exclusiviteit en de onrechtmatige eenzijdige ontbinding heeft Eiser schade geleden. B. Schadevergoeding - Wat betreft de onrechtmatige eenzijdige ontbinding, wordt als schade gevorderd. de winst die Eiser nog had kunnen behalen tijdens de periode waarin de overeenkomst nog behoorde te lopen, en het geheel van de kosten die ten behoeve van de uitvoering werden gemaakt en die als verloren moeten worden beschouwd. Voor de berekening hiervoor, baseert Eiser zich op de schade die met betrekking tot BEDRIJFSNAAM 1 BV in diens relatie met Verweerder werd vastgesteld en bevestigd door het hof van beroep van Brussel bij arrest van 30 maart 2017 (het “BEDRIJFSNAAM 1 BV Arrest”). Daarbij zet verweerder de gerealiseerde brutomarge van BEDRIJFSNAAM 1 BV in 1989 af tegen de verkoopdoelstelling van BEDRIJFSNAAM 1 BV. Zij transponeert dit vervolgens in het licht van de verkoopsdoelstelling van Eiser. Zij begroot op deze wijze de schade op 589.988,62 eurobrutowinst. Verweerder betwist de berekening van de schade, en stelt dat niet kan worden vergeleken met de situatie van het BEDRIJFSNAAM 1 BV Arrest. De rechtbank stelt vast dat Eiser zelf aanhaalt dat er bij het opleggen van de quota geen rekening mee werd gehouden dat Eiser als opstartende concessie niet onmiddellijk de betreffende doelstellingen zou behalen, en niet onmiddellijk dezelfde resultaten als BEDRIJFSNAAM 1 BV zou halen. Hoewel Eiser voor haar berekening van de schade verwijst naar het contract tussen BEDRIJFSNAAM 1 BV en Verweerder, merkt de rechtbank op dat deze samenwerking reeds in 1987 startte (randnr. 1 syntheseconclusies eiser). Een vergelijking met de omzet van BEDRIJFSNAAM 1 BV in 1989 is dus niet correct, aangezien in het eerste jaar van de activiteit een lagere omzet kan worden verwacht. Hoewel de rechtbank de berekeningswijze van de schade in essentie volgt, en aanvaardt dat het inderdaad om een zeer vergelijkbare situatie gaat als de situatie waarover werd geoordeeld in het BEDRIJFSNAAM 1 BV Arrest (BEDRIJFSNAAM 1 BV had in dezelfde periode eveneens een exclusieve concessieovereenkomst met Verweerder, die eveneens door Verweerder eenzijdig werd beëindigd), acht de rechtbank het daarom gepast om de gevorderde schadevergoeding ex aequo et bono te matigen met 30 per cent., tot 412.992,03 euro. De rechtbank merkt hierbij op dat het gegeven dat Eiser initieel een lagere schadevergoeding eiste, niet afdoet van de rechtmatigheid van bovenstaande schadevergoeding. Het is niet aan Verweerder om een gevorderde schadevergoeding niet te betalen, vervolgens te procederen, en dan in latere fase van de procedure, Eiser aan haar initiële aanbod of eis te houden. - de investeringen die door de verbreking van de Concessieovereenkomst ieder nut verloren zouden hebben. […] De rechtbank acht deze schade inderdaad bewezen (of ex aequo et bono bepaald), [..]. […] Wat betreft de schade geleden door inbreuk van Verweerder op de exclusiviteit, verwijst Eiser eveneens naar het BEDRIJFSNAAM1 BVBA Arrest. In die procedure werd de schade door inbreuken op de exclusiviteit door de rechtbank begroot op basis van een analyse door een gerechtsdeskundige. Verweerder stelt ter zitting dat de twee onderliggende contracten (tussen [VERWEERDER] en BEDRIJFSNAAM1 BVBA, en tussen [VERWEERDER] en Verweerder) niet met elkaar vergeleken kunnen worden, maar licht dit niet verder toe. In het BEDRIJFSNAAM1 BVBA Arrest, werd de schadevergoeding ten gevolge van inbreuk op exclusiviteit als volgt bepaald […] Op deze basis vordert Eiser volgende schadevergoeding voor de schending van de exclusiviteit […] Verweerder merkt ter zitting op dat Eiser slechts naar het BEDRIJFSNAAM1 BVBA Arrest verwijst, zonder de relevante boekhoudkundige stukken in de huidige zaak (tussen Eiser en Verweerder) bij te brengen die de bovenstaande schadevergoeding verantwoorden. Eiser verwijst ter zitting in het bijzonder naar een vermoeden dat met dezelfde concessiegever, en in verband met dezelfde producten, in aangrenzende concessiegebieden, in een gelijkaardige tijdsperiode, door twee verwante vennootschappen (BEDRIJFSNAAM1 BV en Eiser) gelijkaardige overeenkomsten zouden worden afgesloten. De rechtbank herinnert er in dezen aan dat in ondernemingszaken door middel van vermoedens kan worden bewezen. Echter, er worden door Verweerder, die stelt dat deze bedragen niet kunnen getransponeerd worden, ook geen alternatieve bedragen – of enige stukken die deze stelling zouden kunnen schragen - aangereikt. Zo wordt bijvoorbeeld geen informatie aangereikt waaruit zou blijken dat de gemiddelde aankoopprijs van een toestel anders zou zijn, er andere commissies zouden worden betaald, enzovoort. De stelling dat er andere afspraken zouden gelden, en er boekhoudkundig van een andere situatie sprake zou zijn, wordt op geen enkele manier aangetoond. Hoewel de bewijslast inderdaad bij Eiser rust, rust op Verweerder eveneens een stelplicht voor de betwisting van de aangevoerde cijfers. De rechtbank kan op deze basis vermoeden dat inderdaad gelijkaardige afspraken zouden bestaan hebben tussen Eiser en Verweerder als deze bestonden tussen BEDRIJFSNAAM1 BV en Verweerder, en aan gelijkaardige marges zou worden gewerkt. Echter, uit het gegeven dat Eiser geen enkel stuk ter staving voorlegt, kan de rechtbank (zoals Verweerder ter zitting aanhaalt) afleiden dat de bedragen in werkelijkheid lager zouden zijn geweest dan het geval was bij BEDRIJFSNAAM1 BV, een concessionaris met een reeds gevestigde reputatie in haar gebied. De rechtbank acht het daarom gepast om de gevorderde schadevergoeding ex aequo et bono […] te matigen, tot […] euro. C. Interest Eiser vordert interest aan wettelijke interestvoet te rekenen vanaf de datum van ingebrekestelling, i.e. 8 augustus 1990. Verweerder merkt op dat Eiser bijzonder lang heeft gewacht met het instellen van vordering. Bovendien merkt Verweerder terecht op dat Eiser de huidige procedure gedurende meerdere jaren niet heeft geactiveerd. Hoewel dit alles geen procesmisbruik of schending van redelijke rechtsgang uitmaakt (zie hoger), oordeelt de rechtbank dat een toekenning van interest vanaf 8 augustus 1990 manifest onredelijk zou zijn aangezien de duurtijd tussen ontbinding van de Concessieovereenkomst en onderhavig vonnis evenmin uitsluitend aan Verweerder te wijten is (getuige onder meer het gegeven dat er meerdere keren en door verschillende partijen op basis van dezelfde Concessieovereenkomst werd gevorderd, en dat Eiser meerdere jaren na het arrest van het hof van beroep van 30 juni 2017 heeft gewacht om de huidige procedure opnieuw te ‘activeren’). Interest wordt toegekend vanaf de conclusie van Eiser op 4 april 2022, die huidig geschil opnieuw activeerde. 4.5. Tegenvordering mevr. A.B. – schadevergoeding tergend en roekeloos geding Mevr. A.B. vordert een schadevergoeding wegens rechtsmisbruik door Verweerder wegens het instellen van een ‘volstrekt onontvankelijke, ongegronde en overdreven eis’, met als ‘enkel doel […] mevr. A.B. te intimideren’. De rechtbank meent dat, hoewel onontvankelijk en ongegrond, het ten tijde van dagvaarding van mevr. A.B. redelijkerwijze kon worden aangenomen dat er onduidelijkheid bestond over de verhouding tussen de vordering van mevr. A.B. en deze van Eiser. Mevr. A.B. was daarbij zelf die op basis van dezelfde Concessieovereenkomst eerder reeds een gelijkaardige vordering had ingesteld en hierdoor mogelijkheid tot verwarring had gecreëerd. Zodoende is er volgens de rechtbank geen sprake van rechtsmisbruik wat betreft de dagvaarding in tussenkomst van mevr. A.B.. De tegenvordering met betrekking tot de schadevergoeding van [..] euro wordt afgewezen. 4.6. Overige argumenten en middelen De overige argumenten kunnen de rechtbank niet van het tegendeel overtuigen. Alle overige middelen zijn bijgevolg niet langer relevant voor de beoordeling van het geschil, zodat de rechtbank ze niet dient te beoordelen. IV. UITVOERBAARHEID [..] V. GERECHTSKOSTEN EN RECHTPLEGINGSVERGOEDING [..] VI. BESLISSING De rechtbank verklaart zich bevoegd om kennis te nemen van het geschil, doet uitspraak op tegenspraak en neemt, na beraadslaging, de volgende beslissing. De rechtbank: - Herneemt de zaak wegens de gewijzigde samenstelling van de zetel. - Verklaart de vordering van Eiser tegen Verweerder ontvankelijk en deels gegrond in de hierna bepaalde mate. o Veroordeelt Verweerder om aan Eiser de som te betalen van [..] euro (samengesteld uit de som van de toegekende schadevergoedingen van respectievelijk[..] euro, [..] euro en [..] euro), te vermeerderen met de vergoedende intrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf 4 april 2022 tot heden en meer de verwijlintrest vanaf heden tot op de dag van de gehele betaling. - Verklaart de tegenvordering van Verweerder tegen Eiser ontvankelijk, maar ongegrond. - Verklaart de vordering van Verweerder tegen mevr. A.B., o gedeeltelijk ontoelaatbaar; en o gedeeltelijk toelaatbaar, maar ongegrond. - Verklaart de tegenvordering van mevr. A.B. tegen Verweerder ontvankelijk, maar ongegrond in zoverre zij een schadevergoeding vordert van Verweerder. - Wijst het anders of meer gevorderde af. - Veroordeelt Verweerder tot de kosten van het geding, o […] - Veroordeelt Verweerder tot betaling van het rolrecht ten belope van 165,00 euro na uitnodiging hiertoe door FOD Financiën. Bevestigt de uitvoerbaarheid van het vonnis en het recht op kantonnement. Dit vonnis is gewezen door de negende kamer van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel, samengesteld als volgt: - de heer S. Verschoot, rechter, voorzitter van de kamer, - mevrouw [I.G.], rechter in ondernemingszaken, - de heer [P.H.], rechter in ondernemingszaken, die de zitting hebben bijgewoond en aan het beraad hebben deelgenomen. Gerelateerde publicatie(
  3. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071116.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151029.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170111.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170126.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.