← België

ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20250902.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 02 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20250902.1 Rolnummer: A/2024/02801 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-10-27 Raadplegingen: 1458 - laatst gezien 2026-06-18 19:44 Fiche 1 Een 'duim omhoog' emoticon kan, gegeven de algehele omstandigheden, als een aanvaarding van een aanbod worden beschouwd. Het is algemeen bekend dat de 'duim omhoog' emoticon een 'ok', 'in orde' betekent. In dit geval kan deze duim in het licht van begeleidende omstandigheden (waaronder begin van uitvoering) niet anders geïnterpreteerd worden dan als een bevestiging dat het aanbod wordt aanvaard. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Totstandkoming overeenkomst - Aanbod en aanvaarding Fiche 2 Wanneer een vergoeding wordt bedongen als tegenprestatie voor het recht om op te zeggen, betreft dit een opzegbeding. Wanneer een vergoeding een begroting uitmaakt voor de schade geleden door een contractuele wanprestatie, gaat het om een schadebeding. Het beding in kwestie is een opzegbeding, en geen schadebeding. De bedongen vergoeding is de tegenprestatie voor het recht om op te zeggen. Het is geen begroting van de vergoeding voor een contractuele wanprestatie. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1231 Burgerlijk Wetboek - 28-04-2022 - 5.88 Tekst van de beslissing IN DE ZAAK VAN

  1. M.E. NV, (hierna “Eiser”); eisende partij op hoofdvordering; verwerende partij op tegenvordering; TEGEN
  2. E.B. NV, met zetel te $$, (hierna “Verweerder”); verwerende partij op hoofdvordering; eisende partij op tegenvordering; I. PROCEDURE
  3. De rechtbank heeft kennis genomen van het dossier van de rechtspleging, $$ De rechtbank heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 3 juni
  4. Daarna werden de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen. II. FEITEN De feiten, relevant voor de beoordeling van het geschil, zijn als volgt samen te vatten:
  5. Eiser is een pers- en communicatiebureau $$. Verweerder is een onderneming $$. In 2023 deed Verweerder reeds gedurende een jaar in beperkte mate een beroep op diensten van Eiser. De persoon binnen Verweerder die de contacten met Eiser onderhield was steeds dhr. L.M., op dat moment marketingmanager van Verweerder.
  6. Op 19 december 2023 verstuurde Eiser aan dhr. L.M. een voorstel tot samenwerking voor het jaar 2024 (het “Voorstel”), dat een verderzetting van maar ook aanzienlijke uitbreiding op de diensten verstrekt in 2023 vormde. Dit voorstel was een verdere uitwerking van een voorstel dat eerder op een vergadering met dhr. L.M. werd gedeeld. Uit de stukken blijkt dat op dat moment werd aangegeven dat dhr. L.M. dit voorstel intern zou moeten opnemen. In dit voorstel werd zowel voor MERK1 als Merk2, beide voor rekening van Verweerder, een duidelijk en uitgesplitst jaarbudget voorzien voor prestaties te verstrekken over een voortdurende looptijd van één jaar, waarbij dit totaalbudget finaal wordt gedeeld door 12 om tot een maandelijks factureerbaar bedrag aan MERK1 België en Merk2 te komen. Er werd aan dhr. L.M. gevraagd om te bevestigen dat deze akkoord kunnen gaan met de twee verstuurde offertes. Daar werd aan toegevoegd: “Dit kan ook eenvoudig door het document ‘maandelijkse budgetverdeling MERK1 en Merk2’ te ondertekenen” (vrije vertaling van “Ca peut aussi simplement être une signature sur le document “répartition budgétaire mensuelle MERK1 et Merk2”). Dhr. L.M., werknemer van MERK1, antwoordde drie minuten later door middel van een ‘emoticon’ (duim omhoog).
  7. De samenwerking ging van start, en prestaties werden door Eiser aan Verweerder verstrekt. Gedurende januari, februari en maart 2024 werden facturen opgemaakt volgens de afspraken uiteengezet in het Voorstel. Deze vermeldden steeds enkel dat het om een maandelijkse afrekening ging, en vermeldden (in tegenstelling tot de facturen van 2023) geen enkele verwijzing naar de concreet geleverde prestaties. Verweerder verstrekte hiertoe PO- nummers aan Eiser. De factuur voor januari 2024 werd onmiddellijk betaald. De overige facturen werden, na enige verdere gesprekken over de wijze van facturatie, ook betaald. Gedurende februari en maart werden op vraag van Verweerder enkele campagnes ‘on hold’ gezet.
  8. Er vonden verschillende gesprekken plaats. Op 28 maart 2024 laat mevr. K.I., werknemer van Verweerder, aan Eiser weten dat er volgens haar geen sprake is van een contractueel gevalideerd budget “niet per maand en niet op jaarbasis”. Er ontstond in de loop van april 2024 ook discussie over welk gedeelte van de jaarbudgetten reeds werd gepresteerd.
  9. Op 21 april 2024 liet dhr. D.B. namens Verweerder aan dhr. B.G. namens Eiser het volgende bericht: “Een mondelinge ok zonder interne communicatie en ondertekend contract voor zulke budgetten is niet ok volgens onze policy. Deze bedragen werden ook niet opgenomen in ons 2024 marketingplan. Dit jaarcontract zou dus een verviervoudiging van ons jaarcontract 2023 betekenen! X. heeft dit terecht on hold gezet als zij de verantwoordelijkheid van onze marketingafdeling heeft opgenomen. Ook ons gepland PR event voor de lancering van MERK3 gaf niet het beoogde resultaat. Er hadden slechts 3 journalisten ingeschreven. Wij zullen verder met jullie contact opnemen indien we nog gezamenlijke activiteiten plannen in
  10. Onze business staat onder druk dus ook onze uitgaven.”
  11. Eiser beschouwde dit als een opzegging, en stelde via haar raadsman op 28 mei 2024 in gebreke. Communicatie tussen partijen en hun raadslieden volgde. Eiser factureerde via haar raadsman op 18 juli 2024 ook nog een bedrag van 1.573,46 euro wegens beweerd verrichte maar nog niet betaalde prestaties. Verweerder betaalde deze factuur laattijdig, maar zonder verder voorbehoud, op 17 september 2024 (met in de mededeling van de betaling een verwijzing naar het relevante factuurnummer).
  12. Eiser dagvaardde Verweerder voor deze rechtbank op 25 juli
  13. III. VORDERINGEN VAN PARTIJEN
  14. De vordering van Eiser strekt ertoe om (de rechtbank citeert uit de syntheseconclusie): “De vordering van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren; Te zeggen voor recht dat verweerster de overeenkomst tussen partijen éénzijdig heeft beëindigd op 21/04/2024; Verweerster te veroordelen tot betaling van een bedrag van 1.573,46 euro voor geleverde prestaties, meer intresten aan 12% vanaf 18/07/2024 (datum factuur); Akte te verlenen van de betaling van verweerster van 1.573,46 euro door concluante ontvangen op 17/09/2024 en deze in mindering te brengen van de vordering overeenkomstig artikel 1254 van het (Oud) Burgerlijk Wetboek; Verweerster tevens te veroordelen tot betaling van een bedrag van 37.182,80 euro, meer intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 21/04/2024; Het door verweerster in haar conclusies geformuleerde voorbehoud om een tegeneis in te stellen ten titel van te veel betaalde prestaties af te wijzen als onontvankelijk en ongegrond; De (tegen)vordering ‘alvorens recht te doen’ zoals geformuleerd in haar tweede conclusie, voor zover ontvankelijk, af te wijzen als ongegrond; De verweerster te veroordelen tot alle kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek, voorlopig begroot op 3.139,53 euro (basis), de dagvaardingskosten (359,01 euro) en de rolrechten. Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, niettegenstaande elk rechtsmiddel en met de uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement, noch borgstelling.”
  15. Verweerder concludeert tot het volgende (de rechtbank citeert uit de syntheseconclusie): “ De vordering van eiseres als zijnde ontoelaatbaar, minstens ongegrond af te wijzen. Minstens, alvorens recht te doen, een vertaling op te leggen van de door eiseres, in het Frans, neergelegde stukken. Akte te verlenen aan concluante dat zij zich het recht voorbehoudt een tegeneis te stellen ten titel van te veel betaalde prestaties. Eiseres alleszins te veroordelen tot de kosten van het geding, tot op heden aan zijde van concluanten begroot op Rechtsplegingsvergoeding 3.139,53 euro” IV. BEOORDELING
  16. Rechtsmacht en bevoegdheid
  17. Er wordt geen exceptie inzake rechtsmacht opgeworpen door de partijen of ambtshalve. De rechtbank beschikt over de rechtsmacht om van het aan haar voorgelegde geschil kennis te nemen.
  18. De bevoegdheid van de rechtbank wordt niet betwist. De rechtbank stelt vast dat zij materieel bevoegd is op grond van artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek. De zaak betreft een geschil tussen ondernemingen en behoort niet tot de exclusieve bevoegdheid van een ander rechtscollege. De rechtbank is bevoegd.
  19. Ontvankelijkheid
  20. Verweerder besluit tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering van Eiser, maar motiveert dit niet. De procespartij die beweert houder te zijn van een subjectief recht, ook al wordt dat recht betwist, beschikt over het vereiste procesrechtelijk belang en de vereiste hoedanigheid om een rechtsvordering in te stellen. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het door de eiser aangevoerd subjectief recht valt niet onder het onderzoek naar de ontvankelijkheid, maar onder dit naar de gegrondheid van de eis (zie Cass. 26 januari 2017, C.16.0291.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170126.3; Cass. 11 januari 2017 P.16.0703.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170111.4; Cass. 29 oktober 2015, C.13.0374.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151029.2; Cass. 16 november 2007, C.06.0144.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071116.4).
  21. De ontvankelijkheid van de vordering en tegenvordering wordt voor het overige niet betwist. De rechtbank stelt geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid vast. De vordering en tegenvordering zijn ontvankelijk.
  22. Taal van gevoegde stukken
  23. Verweerder haalt aan dat een aanzienlijk deel van de stukken van Eiser in het Frans is opgesteld. Bij toepassing van artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken (de “Taalwet”) zijn volgens haar de inventaris en overtuigingsstukken nietig. Zij vordert verder, in ondergeschikte orde, de overlegging van de vertaling van de in het Frans neergelegde stukken omdat haar cliënt het Frans niet machtig zou zijn. 3.
  24. Vermeende nietigheid
  25. De vordering tot nietigheid van inventaris van stukken en overtuigingsstukken wordt afgewezen.
  26. Per artikel 2 van de Taalwet moet de gehele rechtspleging in het Nederlands worden gevoerd. Met betrekking tot een akte van rechtspleging is dit het geval wanneer alle vermeldingen vereist voor de processuele regelmatigheid van de akte in die taal zijn gesteld (zie ook Cass., 10 april 2013, Pas., 2013, afl. 4, 851; Cass., 5 januari 2012, Arr.Cass., 2012, afl. 1, 19; Cass., 17 juni 2010, Pas., 2010, afl. 6-8, 1917; Cass., 6 juni 2008, Pas., 2008, afl. 6-7-8, 1434; Cass., 22 april 2008, Pas., 2008, afl. 4, 981).
  27. Verweerder stelt dat inventaris en overtuigingsstukken als akte van rechtspleging moeten aangemerkt worden. De rechtbank meent dat dit niet het geval is, aangezien het om overtuigingsstukken die worden overgelegd gaat (zie ook artikel 8 Taalwet). Vertaling is daarbij niet verplicht, behalve indien de rechter vertaling vordert. De rechter die de stukken gesteld in een vreemde taal uit het debat weert louter omdat er geen vertaling is bijgevoegd, schendt het recht van verdediging. (Vergelijk Cassatie 8 september 1988, Arr. Cass. 1988-89, 25; Cass. 13 maart 1992, Arr. Cass. 1991-92, 679; Cass 14 november 1993, Arr. Cass. 1997, 1131; Cass. 22 januari 2008, Arr. Cass. 2008, 192).
  28. Zelfs als dit effectief wel het geval zou zijn, is er volgens de rechtbank nog steeds geen grond tot nietigheid.
  29. Vooreerst wordt opgemerkt dat de inventaris van stukken volledig in het Nederlands is opgesteld, en de vordering tot nietigheid of voorlegging van vertaling hieromtrent dus zonder voorwerp is.
  30. Wat betreft de overtuigingsstukken die in het Frans werden opgesteld, verwijst de rechtbank naar de vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie, volgens dewelke er geen inbreuk is op het vereiste van de eentaligheid wanneer een in dit processtuk opgenomen anderstalige vermelding wordt vertaald in de procestaal, of indien de zakelijke inhoud ervan in de procestaal wordt weergegeven (Zie ook Cass., 29 september 2011, Arr.Cass. 2011, afl. 9, 1980; Clijmans, N., o.c., 861; Van Severen, C., o.c., 646) : “Een akte van de rechtspleging wordt geacht in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle vermeldingen vereist voor de regelmatigheid van de akte in die taal zijn gesteld of, in het geval een aanhaling in een andere taal dan die van de rechtspleging is opgenomen, wanneer in de akte tevens de vertaling of de zakelijke inhoud ervan in de taal van de rechtspleging is weergegeven. De weergave van de zakelijke inhoud van een niet in de procestaal gestelde vermelding vereist niet een volledige vertaling van de in de vreemde taal vermelde wettekst. Het is ook niet vereist dat de vertaalde zakelijke inhoud zelf uitdrukkelijk aangeeft dat het een weergave is van de in een vreemde taal vermelde wettekst.” De weergave van de zakelijke inhoud van een niet in de procestaal gestelde vermelding vereist dus geen volledige vertaling van de in de vreemde taal vermelde wettekst. Het is ook niet vereist dat de vertaalde zakelijke inhoud zelf uitdrukkelijk aangeeft dat het een weergave is van de in een vreemde taal vermelde wettekst. In de conclusies van Eiser worden relevante stukken ofwel vertaald, ofwel de zakelijke inhoud ervan weergegeven.
  31. Er is geen sprake van een schending van artikel 2 van de Taalwet of een nietigheid in de zin van artikel 40 van de Taalwet. 3.
  32. Vordering tot vertaling
  33. De rechter kan, op verzoek van de partij tegen dewelke die stukken of documenten worden tegengeworpen, hiervan de overzetting in de taal der rechtspleging bevelen bij een met redenen omklede beslissing (artikel 8 Taalwet). De rechtbank is hiertoe niet verplicht.
  34. Eiser vordert verder de vertaling van alle in het Frans overgelegde stukken. Zij specifieert niet om welke stukken het precies gaat. Zij negeert verder de vertalingen en weergave zoals opgenomen in conclusies van Eiser. De rechtbank merkt verder op dat de in het Frans opgestelde stukken gaan om communicatie tussen partijen, vaak met meerdere personen van zowel Eiser als Verweerder in kopie. Nergens is op enig punt tijdens de transacties naar boven gekomen dat communicatie niet in het Frans kon verlopen – integendeel. Zo stuurden naast dhr. L.M. ook onder meer dhr. P.O. (medewerker van Verweerder) en mevr. K.I. (marketing manager) zelf uitgebreide communicatie in het Frans naar Eiser (stuk 3 en stuk 12 Eiser). Verder wordt ook door Verweerder uitgebreid inhoudelijk verweer gevoerd (waarbij zij overigens naar de door Eiser in haar conclusies gemaakte vertaling van stuk 1 verwijst). De rechtbank kan er dus vanuit gaan dat verdere vertaling niet nodig is om de rechten van verweerder te vrijwaren. In het kader van proceseconomie, is het daarom ongepast een vertaling van alle in het Frans medegedeelde stukken over te leggen.
  35. Het middel dat besluit tot nietigheid of, ondergeschikt, vertaling van de stukken, is ongegrond.
  36. Gegrondheid 4.
  37. Bestaan van een overeenkomst en tegenstelbaarheid van de algemene voorwaarden
  38. Vooreerst rijst de vraag of er een geldige, bindende overeenkomst tussen partijen werd afgesloten.
  39. Een overeenkomst komt tot stand zodra er een wilsovereenstemming is tussen de partijen over de essentiële elementen ervan (in het bijzonder prijs en prestaties) en, waar relevant, de substantiële bestanddelen (zoals de duurtijd van de overeenkomst). Een overeenkomst moet niet schriftelijk zijn. Ze kan mondeling of door omstandig stilzwijgen tot stand komen. Ze komt tot stand wanneer een aanbod wordt aanvaard. De rechtbank merkt op dat bewijs tegen ondernemingen voor de ondernemingsrechtbank vrij is, en de rechtbank soeverein de bewijswaarde van de aangevoerde bewijsstukken beoordeelt.
  40. In dezen neemt de rechtbank aan dat er wel degelijk sprake was van het aangaan van een overeenkomst. Op 19 december 2023 werd per e-mail door mevr. R.M., werknemer van Eiser, een voorstel voor samenwerking in 2024 overgemaakt aan dhr. L.M., werknemer van Verweerder. Het overgemaakte voorstel, bevatte wel degelijk duidelijk prijs, prestaties en duurtijd van de overeenkomst. Er werden ook algemene voorwaarden bijgevoegd, en een duidelijk budget met facturatiemodaliteiten. Het voorstel maakt dus een aanbod tot sluiten van overeenkomst uit. Uit de begeleidende communicatie blijkt dat dit voorstel volgde op een vergadering tussen personeel van Eiser en Verweerder in het kader van de samenwerking gedurende
  41. De e-mail met daarin het aanbod wordt gevolgd door de vraag: “@L.M., zoals besproken, zou je akkoord kunnen gaan met de twee verstuurde offertes? Dit kan ook eenvoudig door het document ‘maandelijkse budgetverdeling MERK1 en Merk2’ te ondertekenen.” Op dit voorstel werd door dhr. L.M., op dat moment marketing manager van Verweerder, met een ‘duim omhoog’ emoticon geantwoord, drie minuten na ontvangst van het voorstel. De rechtbank beschouwt, gegeven de algehele omstandigheden, deze duim als een aanvaarding van het aanbod. Het is algemeen bekend dat de ‘duim omhoog’ emoticon een ‘ok’, ‘in orde’ betekent. In dit geval kan deze duim in het licht van begeleidende omstandigheden niet anders geïnterpreteerd worden dan als een bevestiging dat het aanbod wordt aanvaard. Dit blijkt uit de context van de transactie, en een duidelijk begin van uitvoering van de overeenkomst, waarbij volgende elementen door de rechtbank cumulatief in beschouwing worden genomen: - Er blijkt niet uit de stukken dat, behalve middels uitvoering van de overeenkomst, nog op bovenstaande e-mails werd teruggekomen, door enige partij, wat erop wijst dat de ‘duim omhoog’ in kwestie inderdaad de finale bevestiging van deze offerte was en ook door partijen zo werd gezien. - Op 15 januari was er een telefoongesprek tussen mevr. R.M. en dhr. L.M. en dhr. P.O. met betrekking tot de te volgen strategie. In het e-mailverkeer na dit gesprek wordt verwezen naar het opzetten van een maandelijkse facturatie voor MERK1 en MERK2 in lijn met het eerder gecirculeerde aanbod. - Uit de voorgelegde communicatie blijkt duidelijk dat prestaties werden verricht door Eiser, die werden aanvaard door Verweerder. Deze werden niet door Verweerder betwist. De uitvoeringshandelingen leveren het bewijs van de onderliggende overeenkomst. - Eerste facturatie voor januari 2024 (zowel voor MERK1 en MERK2) werd voorbehoudsloos betaald. Ook facturatie voor februari en maart 2024 werden zonder voorbehoud betaald. Deze facturatie verwees duidelijk naar ‘monthly invoice [January/February/March] 2024’ (‘maandelijkse factuur [januari/februari/maart] 2024’). Er werden geen verdere prestaties vermeld. Er werd effectief op terugkerende basis 1/12e van het jaarbudget gefactureerd. Dit wijst erop dat er niet per prestatie of ‘op afroep’ opdracht werd gefactureerd (zoals Verweerder aanhaalt), maar dat effectief een vaste maandelijkse facturatie (berekend in functie van een jaarlijks budget) in lijn met het aanbod werd aanvaard. De rechtbank herinnert eraan dat een aanvaarde factuur bewijs van de onderliggende rechtshandeling uitmaakt. De rechtbank merkt in dezen op dat in 2023 effectief melding werd gemaakt van specifieke prestaties die werden gefactureerd, maar in 2024 enkel nog van ‘maandelijkse facturatie’. In zoverre in 2023 dus al op afroep zou zijn gewerkt, duidt dit erop dat dit in 2024 niet langer de intentie van partijen was. - Dhr. D.B. bevestigde in zijn communicatie van 21 april 2024 impliciet dat er sprake was van een ‘mondelinge OK’. Dat er intern niet correct hierover zou gecommuniceerd zijn, en dat dit niet in lijn zou zijn met interne policy, is irrelevant voor de beoordeling of er extern een overeenkomst is afgesloten.
  42. Dat de duim werd verstuurd slechts drie minuten na ontvangst van het aanbod doet hieraan niet af, aangezien blijkt dat dit aanbod op een voorgaande vergadering reeds was besproken (zo wordt in de begeleidende mail aangegeven dat in het aanbod beperkte wijzigingen werden doorgevoerd ten opzichte van het gesprek). Dhr. L.M. was dus duidelijk op de hoogte van het voorstel. Het is ook duidelijk dat de duim omhoog niet slechts een bevestiging is dat het document intern wordt gedeeld, zoals Verweerder aanhaalt. De e-mail met het voorstel stelt immers geen vraag om het te delen, maar geeft slechts aan dat de verzender het aan ontvanger laat om het voorstel intern te delen. Dat de voorgelegde vrije vertaling hiervan een vraag maakt, doet daar niet vanaf. Aangezien dit geen vraag is, kan worden aangenomen dat de duim omhoog een antwoord is op de vraag die wordt gesteld, niet op de algemene opmerking die in het begin van de mail wordt gemaakt. Verder kon Eiser er ook rechtmatig vanuit gaan dat dhr. L.M. dit reeds in grote lijnen intern zou hebben besproken, aangezien dit in daaropvolgende communicatie niet meer specifiek werd vermeld maar duidelijk wel tijdens de eerdere vergadering was besproken. Dat in een bericht wordt aangegeven dat aanvaarding “ook [kan] door het document [..] te ondertekenen” (eigen klemtoon), betekent niet dat een handtekening noodzakelijk is voor de totstandkoming van een overeenkomst. De ‘ook’ duidt daarenboven op niet-exclusiviteit. Dat Eiser bij voorkeur een handtekening had gewenst, aangezien dit duidelijk meer zekerheid geeft, doet er niet vanaf dat dergelijke handtekening niet noodzakelijk is voor de totstandkoming van een overeenkomst wanneer er een duidelijk akkoord voorligt.
  43. Verweerder werpt op dat dhr. L.M., die het bericht met daarin een duim omhoog verstuurde, niet bevoegd was om Verweerder te vertegenwoordigen. Hierbij herinnert de rechtbank eveneens aan het gegeven dat begin van uitvoering en aanvaarding van facturen bewijs van onderliggende rechtshandeling opleveren. Dat Verweerder later hierop terugkomt, of dat daarbij de correcte interne procedures (die niet aan Eiser werden medegedeeld) niet werden gevolgd, doet daar niet vanaf. In dezen is er duidelijk begin van uitvoering, werden PO-nummers gegenereerd ter opstelling van de facturen in kwestie (die ook zonder formeel protest werden betaald) en werden meerdere mensen binnen organisatie van Verweerder in kopie gezet in de communicatie.
  44. Verweerder werpt op dat er een schending van artikel III.74 en verdere van het Wetboek van Economisch Recht (“WER”) en artikel VI.105/1 WER zou voorliggen, omdat er bepaalde informatie opgesomd in artikel III.74 van het WER niet ‘helder, ondubbelzinnig en tijdig voor de sluiting van enige overeenkomst’ werden gedeeld. Verweerder geeft niet uitdrukkelijk aan welke informatie dan niet zou zijn gedeeld, maar beperkt zich tot de verwijzen naar het gegeven dat de algemene voorwaarden die werden gedeeld in het aanbod beknopter zijn dan de algemene voorwaarden die aan de facturatie werden gehecht. In het bijzonder wordt later verwezen naar een opzegbeding dat is toegevoegd in de meer uitgebreide algemene voorwaarden. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat dit argument van Verweerder beperkt is tot dit beding. Het betreffende beding luidt als volgt: “Beëindiging: Bij beëindiging door de klant voor de voltooiing van de afgesproken dienstverlening, is de klant verplicht om EISER te compenseren voor reeds verrichte werkzaamheden tot aan de datum van beëindiging, evenals voor gemaakte kosten die niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt. Ter compensatie wordt ook 50% van het resterende saldo als schadevergoeding gefactureerd.” Wanneer een vergoeding wordt bedongen als tegenprestatie voor het recht om op te zeggen, betreft dit een opzegbeding. Wanneer een vergoeding een begroting uitmaakt voor de schade geleden door een contractuele wanprestatie, gaat het om een schadebeding (vergelijk Cass. 22 oktober 1999, AR C.98.0134.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991022.4; Cass. 6 september 2002, AR C.00.150.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020906.5; Cass. 22 maart 2012, AR C.11.0551.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120322.6). Het beding in kwestie is een opzegbeding, en geen schadebeding. De bedongen vergoeding is de tegenprestatie voor het recht om op te zeggen. Het is geen begroting van de vergoeding voor een contractuele wanprestatie. Argumenten en middelen die uitgaan van dit beding als schadebeding eerder dan opzegbeding, falen naar recht. Dit opzegbeding werd niet opgenomen in de algemene voorwaarden zoals deze werden gedeeld in het aanbod, en werd zodus niet voor de contractsluiting aan Verweerder meedegedeeld. - Op basis van deze vermeende niet-naleving van artikel III.74 WER, samengelezen met artikel III.77 WER, vordert Verweerder de nietigheid van de volledige overeenkomst. Zij toont op geen enkele wijze bedrog aan. Zij toont evenmin aan dat er sprake is van dwaling. Opdat er sprake zou zijn van dwaling, moet deze namelijk de zelfstandigheid van de zaak raken. Verweerder maakt echter op geen enkele manier duidelijk of waarschijnlijk dat indien zij weet zou hebben gehad van de meer uitgebreide algemene voorwaarden, zij de overeenkomst niet zou hebben afgesloten – uit het aanbod blijkt immers duidelijk dat de betreffende overeenkomst een overeenkomst van bepaalde duur van 1 jaar is, met maandfacturatie in functie van een te alloceren jaarbudget. Onder de gemeenrechtelijke regeling voor een contract van bepaalde duur, kan dergelijk contract niet worden opgezegd (zie ook art. 5.76 BW). De toevoeging van een opzegbeding is een bijkomend recht dat aan de Verweerder wordt verschaft. Er kan dus niet worden geargumenteerd dat omwille van een bijkomend recht dat haar wordt verschaft, zij de overeenkomst niet zou zijn aangegaan. Nietigheid van de volledige overeenkomst op grond van dit gegeven is in dezen duidelijk disproportioneel. - Verder vordert Verweerder nietigheid van de volledige overeenkomst op basis van artikel VI.105/1 WER, aangezien er sprake van misleidende omissie zou zijn. Verweerder specifieert niet of zij zich beroept op de eerste of de tweede paragraaf van artikel VI.105/1 WER, die een ander toepassingsgebied hebben. Verder toont Verweerder niet aan dat aan de voorwaarden van artikel VI.105/1 (eerste of tweede paragraaf) WER voldaan zou zijn. Zoals hierboven aangegeven, maakt zij het op geen enkele manier waarschijnlijk of zelfs aannemelijk dat de betreffende overeenkomst niet zou zijn aangegaan indien de meer uitgebreide algemene voorwaarden (met daarin het betwiste schadebeding) gedeeld zouden zijn geweest in het aanbod. Het middel dat strekt tot nietigheid van de volledige overeenkomst ten gevolge van misleidende omissie in de zin van artikel VI.105/1 WER of niet-naleving van artikel III.74 WER met betrekking tot één aspect van de algemene voorwaarden , dat aan de partij die de nietigheid inroept een recht verstrekt dat zij zonder deze clausule niet zou hebben gehad, is ongegrond.
  45. Desalniettemin, haalt Verweerder terecht aan dat dit opzegbeding niet was opgenomen in de (verkorte) algemene voorwaarden opgenomen in het aanbod. De gebondenheid aan algemene voorwaarden vereist dat de wederpartij ten laatste bij contractsluiting de mogelijkheid had tot effectieve kennisname van de voorwaarden en dat ze hiermee heeft ingestemd (vergelijk Cass. 14 mei 2021, RDC 2022/3, 362-363). Hoewel uit een aanvaarding van een factuur de aanvaarding van de onderliggende rechtshandeling volgt (ook wanneer deze afwijkt van de eerder aangegane overeenkomst), is dit een weerlegbaar vermoeden. In dezen stelt de rechtbank vast dat duidelijk ‘Algemene Voorwaarden’ waren opgenomen in het aanbod dat werd aanvaard. Indien in latere ‘Algemene Voorwaarden’, die bovendien in hetzelfde formaat en opmaak worden aangeleverd als de Algemene Voorwaarden in de overeenkomst, wijzigingen worden aangebracht zonder dat deze wijzigingen aan Verweerder worden gemeld, kan niet zomaar worden aangenomen dat deze als aanvaard worden beschouwd door aanvaarding van de factuur. Er kan niet redelijkerwijze van Verweerder worden verwacht dat wanneer een aanbod wordt aanvaard waarin uitdrukkelijk ‘Algemene Voorwaarden’ zijn opgenomen, zij vervolgens verifieert of de algemene voorwaarden die in een gelijkaardige opmaak op een tweede pagina bij latere facturen worden gevoegd, de in het kader van de onderhandelingen gedeelde algemene voorwaarden wijzigen. Zodoende kan het opzegbeding niet worden geacht deel uit te maken van de overeenkomst gesloten door aanvaarding van dit aanbod, behalve indien Verweerder uitdrukkelijk hiermee zou instemmen, of Eiser zou aantonen dat er effectief van deze toevoeging aan de Algemene Voorwaarden werd kennisgenomen. Dit blijkt niet het geval te zijn. 4.
  46. Opzegging van de overeenkomst
  47. Bij schrijven van 21 april 2024 heeft dhr. D.B. namens Verweerder aangegeven dat “Een mondelinge ok zonder interne communicatie en ondertekend contract voor zulke budgetten is niet ok volgens onze policy. […] Wij zullen verder met jullie contact opnemen indien we nog gezamenlijke activiteiten plannen in
  48. Onze business staat onder druk, dus ook onze uitgaven”. Dit is een duidelijke stopzetting van de bestaande overeenkomst zoals hoger omschreven. De reden die wordt opgegeven is het onder druk staan van de business van Verweerder. Er is geen sprake van een ontbinding wegens wanprestatie.
  49. Eiser beroept zich in eerste orde op het opzegbeding zoals opgenomen in haar algemene voorwaarden, die werden gedeeld samen met haar facturatie. Verweerder geeft aan dat dergelijk opzegbeding geen deel uitmaakt van de Overeenkomst. De rechtbank volgt redenering van Verweerder hieromtrent.
  50. Aangezien Verweerder aangeeft dat hij niet gebonden is door het opzegbeding, en er sprake is van een overeenkomst van bepaalde duur, is er geen rechtmatige opzegging. De onrechtmatige opzegging van een contract van bepaalde duur is onwerkzaam. Bijgevolg wordt de overeenkomst geacht te hebben voortbestaan na de opzegging door dhr. D.B.. Desalniettemin blijkt duidelijk dat Verweerder de uitvoering van de overeenkomst heeft gestaakt (zoals aangegeven in randnr. 21 van conclusies van Eiser). Waar Eiser dus vordert dat er sprake is van een onrechtmatige vervroegde beëindiging van de overeenkomst, dient dit feitelijk een ontbinding ten laste van Verweerder te zijn. Deze ontbinding werkt terug tot op het verstrekken van de laatste prestatie (waarvan de tegenprestatie nog verschuldigd blijft).
  51. Verweerder is in gevolge de ontbinding ten hare laste van de overeenkomst gehouden om de positieve contractschade die Eiser heeft geleden te vergoeden (vergelijk Cass. 26 januari 2007, AR C.06.0232.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070126.4; Cass 26 januari 2007, AR C.05.0374.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070126.3; Cass. 3 oktober 2019, AR C.17.0621.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191003.3; Cass. 4 december 2020, AR C.19.0342.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201204.1N.2). Dergelijke positieve contractschade wordt begroot als het verschil tussen de hypothetische situatie waarin de schuldeiser zich zou hebben bevonden als de contractuele verbintenis correct werd nagekomen, en deze waarin de schuldeiser zich nu bevindt (vergelijk Tanghe, T., « Hoofdstuk 2 - Reikwijdte van de ontbinding » in Gedeeltelijke ontbinding en vernietiging van overeenkomsten, 1e editie, Brussel, Intersentia, 2015, p. 75-76). Aangezien Eiser hier op basis van een ex aequo et bono schatting 37.182,80 euro vordert, i.e. aanzienlijk minder dan het totale nog verschuldigd contractbedrag, wordt dergelijke begroting als redelijk geacht en wordt dit bedrag toegekend. Interest wordt toegekend vanaf datum van dagvaarding.
  52. De overige argumenten met betrekking tot de opzegging van de overeenkomst, de gevorderde schadevergoeding, en eventuele nietigheid van de overeenkomst overtuigen de rechtbank niet van het tegendeel. Verder ondergeschikte middelen zijn bovendien irrelevant geworden. De overige middelen hieromtrent zijn bijgevolg niet langer relevant voor de beoordeling van het geschil, zodat de rechtbank ze niet beoordeelt. 4.
  53. Nog verschuldigde prestaties
  54. Eiser vordert veroordeling tot toekenning van een bedrag van 1.573,46 euro (gefactureerd middels factuurnr. $$) voor geleverde prestaties en de door Verweerder op 17 september 2024 uitgevoerde betaling met als mededeling datzelfde factuurnummer hierop toe te rekenen overeenkomstig artikel 1254 van het Oud Burgerlijk Wetboek. Verweerder meent dat deze prestaties niet worden bewezen, en vordert een voorbehoud om een tegeneis te stellen voor ‘te veel betaalde prestaties’.
  55. De rechtbank stelt vast dat Verweerder de betreffende factuur, zonder enig voorbehoud heeft betaald. Dit wordt ook niet tegengesproken in de conclusies van Verweerder. Dergelijke aanvaarding van factuur bewijst de onderliggende rechtshandeling, behoudens tegenbewijs. Dergelijk tegenbewijs wordt niet geleverd.
  56. De vordering is gegrond. Aangezien de verbintenis betrekking heeft op een overeenkomst aangegaan na 1 januari 2023, wordt het equivalent van artikel 1254 van het Oud Burgerlijk Wetboek, i.e. artikel 5.210 van het Burgerlijk Wetboek, toegepast.
  57. De vordering van Verweerder van een verlening van akte van voorbehoud om een eis te stellen, is om diezelfde reden niet gegrond (in zoverre zij al een vordering zou zijn, gegeven het gebrek aan agressiviteit, vergelijk Cass. (1e k.) AR C.03.0377.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051006.14, C.03.0411.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051006.14, C.03.0623.N, 6 oktober 2005; Cass (1e k.) AR C.98.0018.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000127.3, 27 januari 2000 (Immobiliënvennootschap van de distributie N.V. / Vlaams Gewest)).
  58. Eiser vordert interesten aan 12% vanaf de datum van de factuur. Zij licht niet toe hoe zij aan deze interestvoet komt. Zij vordert evenmin toepassing van de wet van 2 augustus
  59. Interest wordt herleid naar de wettelijke interestvoet vanaf datum van dagvaarding (i.e. 25 juli 2024). V. UITVOERBAARHEID
  60. Overeenkomstig artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek zijn eindvonnissen, tenzij de rechter ambtshalve of op verzoek van een van de partijen, bij met bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt, uitvoerbaar bij voorraad, en dit niettegenstaande hoger beroep en zonder zekerheidsstelling indien de rechter deze niet heeft bevolen. Verweerder stelt dat er geen gegronde reden bestaat om het vonnis lastens hem uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Verweerder overtuigt de rechtbank niet om welke bijzondere redenen van de standaardregeling van artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek moet worden afgeweken. De partijen werpen geen specifieke gronden op, en de rechtbank ziet evenmin redenen, om de uitvoerbaarheid bij voorraad te schorsen.
  61. De rechter die uitspraak doet over de vordering zelf, kan overeenkomstig artikel 1406 van het Gerechtelijk Wetboek beslissen dat er geen reden is tot kantonnement voor alle veroordelingen die hij uitspreekt of voor een deel ervan, indien de vertraging in de regeling de schuldeiser aan een ernstig nadeel blootstelt. Eiser vraagt om het recht op kantonnement uit te sluiten. Zij toont evenwel niet aan dat de vertraging in de regeling haar aan een ernstig nadeel blootstelt. Er is geen reden om het recht op kantonnement uit te sluiten. VI. GERECHTSKOSTEN
  62. Verweerder wordt als de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten van het geding overeenkomstig artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, daarin begrepen de rechtsplegingsvergoeding. Het geschil betreft een in geld waardeerbare vordering tussen 20.000,00 euro en 40.000,00 euro. Partijen vragen de rechtbank niet om af te wijken van het basisbedrag. De rechtbank kent het overeenstemmende basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding toe. VII. BESLISSING De rechtbank verklaart zich bevoegd om kennis te nemen van het geschil, doet uitspraak op tegenspraak en doet, na beraadslaging, uitspraak als volgt. De rechtbank: - Verklaart de vordering van Eiser tegen Verweerder ontvankelijk en gegrond in de hierna bepaalde mate, en wijst het anders of meer gevorderde af. - Veroordeelt Verweerder tot betaling van een bedrag van 1.573,46 euro voor geleverde prestaties, te vermeerderen met verwijlsinteresten aan de wettelijke interestvoet vanaf datum van dagvaarding (25 juli 2024) tot datum van volledige betaling. o Bepaalt dat de door Verweerder op 17 september 2024 uitgevoerde betaling van 1.573,46 hiervan kan worden in mindering gebracht overeenkomstig artikel 5.210 van het Burgerlijk Wetboek. - Veroordeelt Verweerder tot betaling van een bedrag van 37.182,80 euro aan Eiser, te vermeerderen met vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf datum van dagvaarding (25 juli 2024) tot heden, en verwijlsinteresten aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot datum van volledige betaling. - Verklaart de tegenvorderingen van Verweerder ontvankelijk maar ongegrond. - Veroordeelt Verweerder tot de kosten van het geding, door Eiser begroot en door de rechtbank vereffend op dagvaardingskosten van 359,01 euro (daarin begrepen de bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand) en de rechtsplegingsvergoeding van 3.139,53 euro. 12 - Verklaart de bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, die werd gestort door Eiser, definitief verworven voor het fonds. - Veroordeelt Verweerder tot betaling van het rolrecht ten belope van 165,00 euro na uitnodiging hiertoe door FOD Financiën. - Bevestigt de uitvoerbaarheid van het vonnis en het recht op kantonnement. Dit vonnis is gewezen door de vijfde kamer van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel, samengesteld als volgt: - de heer S. Verschoot, rechter, voorzitter van de kamer, - mevrouw [L.H.], rechter in ondernemingszaken, - de heer [J.C.], rechter in ondernemingszaken, die de zitting hebben bijgewoond en aan het beraad hebben deelgenomen. PDF document ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20250902.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991022.4 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000127.3 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020906.5 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051006.14 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070126.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070126.4 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071116.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120322.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151029.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170111.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170126.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191003.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201204.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.