id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 16 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20251016.1 Rolnummer: A/24/02457 Rechtsgebied: Financieel recht Invoerdatum: 2026-01-05 Raadplegingen: 1230 - laatst gezien 2026-06-18 18:24 Fiches 1 - 3 Artikel VII.43 WER voorziet in een onmiddellijke terugbetalingsverplichting ten laste van de betalingsdienstaanbieder wanneer kennis wordt gegeven van een niet-toegestane betalingstransactie. De enige uitzondering op deze verplichting bestaat wanneer de betalingsdienstaanbieder redelijke gronden heeft om fraude te vermoeden in hoofde van de betalingsdienstgebruiker en deze gronden schriftelijk meedeelt aan de FOD Economie (art. VII.43, §1, derde lid WER). Artikel VII.43 WER geldt eveneens wanneer de niet-toegestane betalingstransactie tot stand kwam met een verloren of gestolen betaalinstrument, dan wel het gevolg is van een onrechtmatig gebruik van een betaalinstrument. Artikelen VII.43 en VII.44 WER dienen steeds in samenhang toegepast te worden. De bepaling op grond van artikel VII.44, §1, vierde lid WER dat de betalingsdienstgebruiker alle verliezen draagt indien de bank kan bewijzen dat hij grof nalatig is geweest en één of meer van de in artikel VII.38 genoemde verplichtingen niet is nagekomen, geldt ook wanneer het onrechtmatig gebruik niet op voorhand kon worden vastgesteld. De bewijslast rust op de betalingsdienstaanbieder (art. VII.44, §4 WER en art. 8.4 BW). Bij de beoordeling van grove nalatigheid geldt een hoog beschermingsniveau voor de betalingsdienstgebruiker: onbeperkte aansprakelijkheid is een uitzondering. Een loutere onvoorzichtigheid volstaat niet; er moet sprake zijn van een ernstige fout die niet zou worden begaan door een normaal zorgvuldige betalingsdienstgebruiker in gelijkaardige omstandigheden. In deze zaak werd het louter gevolg geven aan een ogenschijnlijk legitiem betalingsverzoek niet voldoende geacht om grove nalatigheid aan te nemen. De betalingsdienstaanbieder kan zich niet beroepen op overmacht (art. VII.55/9 WER) door te verwijzen naar tekortkomingen in systemen van derden, zoals Itsme, die zij zelf integreert in haar betalingsdiensten. Eventuele fouten van deze systemen zijn aan de bank toerekenbaar en vormen geen vreemde oorzaak, toeval of overmacht. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BANK - EN KREDIETWEZEN - Algemeen (bank- en kredietwezen) Vrije woorden: Niet-toegestane betalingstransactie; bewijslast grove nalatigheid Niet-toegestane betalingstransactie; overmacht bank Tekst van de beslissing Repertoriumnummer Uitgifte Uitgereikt aan Uitgereikt aan Uitgereikt aan Datum van uitspraak op op op Rolnummer A/24/02457 Niet aan te bieden aan de ontvanger Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel Vonnis Aangeboden op Achtste kamer Niet te registreren Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel – A/24/02457– pag. 1 A/24/02457 IN DE ZAAK VAN 1. [AB], wonende te [ADRES 1] en met rijksregisternummer [RRN1] (hierna “[AB]”); 2. [CD], wonende te [ADRES 1] en met rijksregisternummer [RRN2]; eisers; vertegenwoordigd ter zitting door meester [ADVOCAAT 1] TEGEN 3. [DE BANK] NV, met zetel te [ADRES 2], en ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer [ONDNR 1] (hierna “[DE BANK]”); verweerster; vertegenwoordigd ter zitting door meester [ADVOCAAT 2] I. PROCEDURE 1. De rechtbank heeft kennis genomen van het dossier van de rechtspleging, waaronder de volgende stukken: - de gedinginleidende dagvaarding van 28 juni 2024; - de beschikking van 3 oktober 2024 gewezen overeenkomstig artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek (“Ger.W.”); - de syntheseconclusie van eisers, neergelegd ter griffie op 13 juni 2025; - de syntheseconclusie van [DE BANK], neergelegd ter griffie op 22 augustus 2025; - de stukkenbundels van partijen. De rechtbank heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 11 september 2025. Daarna werden de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen. De rechtbank stelt vast dat de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd is. II. DE FEITEN Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel – Vonnis – A/24/02457 – pag. 2 De pertinente feiten, relevant voor de beoordeling van het geschil, zijn als volgt samen te vatten: 2. [DE BANK] is een Belgische bankinstelling en in die hoedanigheid betalingsdienstaanbieder. Eisers zijn klant bij [DE BANK] en er houder van onder meer een zichtrekening op naam van [AB]- [EF] met IBAN-nummer [REKENING 1] en op naam van [AB] met nummer [REKENING 2] (hierna de “Zichtrekeningen”). Daarnaast zijn eisers ook klant bij [BANK 2] (hierna “[BANK 2]”) waar zij ook houder zijn van een of meerdere bankrekeningen. 3. Op 30 september 2023 hadden eisers de intentie om via Marketplace, het online verkoopplatform van het sociale netwerk Facebook, tweedehands videospelletjes aan te kopen. Naar aanleiding daarvan ontstond er een online conversatie via Messenger, de chatapplicatie van Facebook, tussen [AB] en de vermeende verkoopster, genaamd [EF]. Zij kwamen overeen dat de betaling via Payconiq zou verlopen, waarvoor de vermeende verkoopster een link aan [AB] bezorgde die de betalingsinstructies uitvoerde. In de nacht van 3 oktober 2023 op 4 oktober 2023 vonden de volgende betalingstransacties1 plaats met de Zichtrekeningen, voor een totaal uitgaand bedrag van 13.211,00 euro, die door eisers als frauduleus worden aangemerkt (stuk 2 van eisers; stuk IV.4 van [DE BANK]): - 4.815,00 euro om 1u36; - 1.146,00 euro om 2u56; - 2.355,00 euro om 4u41; - 4.895,00 euro om 4u41. Eisers meldden de frauduleuze transacties onmiddellijk aan [DE BANK] en aan [BANK 2] en beide banken blokkeerden de betrokken bankrekeningen en legden tevens in de ochtend van 4 oktober 2023 klacht neer bij de lokale politiezone [POLITIEZONE X] met de volgende inhoud (de rechtbank citeert uit stuk 3 van eisers): “Heden op 04/10/2023 wens ik het volgende te verklaren. Ik wou voor mijn zoon enkele spelletjes voor de Nintendo kopen en zag een interessante aanbieding op Marketplace van Facebook. De persoon die deze spelletjes te koop had staan was [EF]. Ik heb [EF] hierop rond 23/09/2023 een bericht gestuurd om meer informatie te winnen over de spelletjes. [EF] gaf mij op 30/10/2023 iets meer informatie over de spelletjes en een concrete prijs. Ik zou 204,40 euro betalen voor een 20 tal spelletjes die per spelletje een 10 à 15 euro zouden kosten. In eerste instantie wou ik de spelletjes zelf gaan halen omdat ik het toch de moeite vond, hierop vroeg ik aan [EF] waar ik de spelletjes zou kunnen komen ophalen. [EF] vertelde me dat ze van [PLAATSNAAM] was, aangezien dit redelijk ver is vroeg ik of we ergens in het midden konden afspreken om de spelletjes op te halen en haar het geld te overhandigen. [EF] zei dat het ook via overschrijving kon betalen en dat ze dan het pakketje naar mij thuis zou opsturen. Hier had ze ook een extra berekening gemaakt voor de kosten om het 1 De betalingstransacties waarvan de bedragen konden worden gerecupereerd, worden hier niet vermeld. Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel – Vonnis – A/24/02457 – pag. 3 te laten leveren. Hierop stuurde [EF] mij een payconiq link waar in stond dat ik 204,40 euro aan haar zou betalen. Aangezien het gesprek met [EF] steeds gemoedelijk verliep en de URL link van payconiq er ook rechtmatig uit zag heb ik op de link geklikt om het geld te betalen, dit moet op 03/10/2023 rond 22:00 uur geweest zijn. Deze betaling heb ik gedaan met mijn [BANK 2] kaart, met IBAN: [REKENING 3]. Bij de betaling moest ik mijn bankkaart in de kaartlezer steken, waarop ik een respon[d]scode kreeg en deze opnieuw moest invoeren. Na deze respon[d]scode was de betaling voltooid. Na de betaling ben ik gaan slapen. Op 04/10/2023 werd ik rond 07:00 uur wakker en merkte ik op dat ik een heel aantal verificatieberichten op mijn GSM-toestel had aangekregen, deze verificatieberichten waren gelinkt aan mijn bankaccounts. Ik ben op mijn Bankapp van zowel [DE BANK] als [BANK 2] gaan kijken, waarop ik tot grote verontwaardiging een 15-tal overschrijvingen vaststelde. Na even te rekenen stelde ik vast dat er een 16000 euro van mijn rekeningen waren verdwenen. Ik kan zien dat er van mijn persoonlijke rekening [BANK 2] met IBAN [REKENING 3] een heel aantal betalingen gebeurd zijn naar mijn zakelijke rekening van [BANK 2] met IBAN [REKENING 4]. Hierop is er 4150 euro gestort naar het Belgisch rekeningnummer [REKENING 5], dit rekeningnummer staat op naam van [GH]. *** Verhoor onderbroken 10:55 tot 11:15 voor meer informatie van bank via telefoongesprek Verder kan ik nog zien dat er geld overgeschreven is van mijn persoonlijke [DE BANK] rekening met IBAN [REKENING 2] en van mijn gezamenlijke rekening naar mij [REKENING 1]. Van mijn rekening van [DE BANK] die gelinkt is aan mijn gezamenlijke rekening (die ik heb met mijn vrouw [IJ]) met IBAN [REKENING 1], er is er een 8316 euro overgeschreven naar het rekeningnummer, dit is Klarna bank. Momenteel kan ik niet zien hoeveel geld er verder nog van mijn rekening is verdwenen aangezien er zoveel betalingen en overschrijvingen gebeurd zijn. Wij vernemen van de bank dat het geld (4150 euro) dat eerder van mijn rekening naar de rekening van [GH] gegaan is nu geblokkeerd staat. Ik heb meteen mijn bank [BANK 2] en [DE BANK], in kennis gesteld waarop zij meteen mijn kaarten hebben geblokkeerd. Ik heb van cardstop het dossiernummer [DOSSIERNR 1] gekregen. Ik zal jullie diensten in kennis stellen van de nodige documenten die kunnen worden toegevoegd als bijlage aan het proces-verbaal. Wat is het geleden nadeel (bv: geldbedrag of andere,...)? Ik vermoed dat het totale bedrag rond de 16000 euro zal zijn.” 4. Op 28 oktober 2023 stelden eisers [DE BANK] in gebreke. Bij brief van 6 december 2023 Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel – Vonnis – A/24/02457 – pag. 4 antwoordde [DE BANK] dat zij niet tussenkwam omdat de transacties volgens haar met een Itsme- handtekening waren ondertekend en dus toegestane betalingstransacties waren. Op 28 maart 2024 richtten eisers zich tot Ombudsfin, die op 28 maart 2024 een advies formuleerde waarin werd vastgesteld dat sprake was van niet-toegestane betalingstransacties waarvoor eisers niet aansprakelijk zijn. Bij aangetekende brief van 24 mei 2024 stelden eisers [DE BANK] in gebreke en vroegen zij terugbetaling. Bij brief van 13 juni 2024 liet de raadsman van [DE BANK] weten het standpunt van de bank te handhaven en geen terugbetaling te doen. 5. Op 28 juni 2024 dagvaardden eisers [DE BANK] voor deze rechtbank. III. DE VORDERINGEN VAN PARTIJEN 6. De vordering van eisers strekt ertoe (de rechtbank citeert uit de syntheseconclusie): “De vordering van concluanten ontvankelijk en gegrond te verklaren. In hoofdorde: Verweerster te veroordelen tot het bedrag van 13.211,00 euro te betalen aan concluanten, te vermeerderen met de moratoire interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 04.10.2023 tot datum van dagvaarding en vanaf dan te vermeerderen met de gerechtelijke interesten tot datum van integrale betaling. In ondergeschikte orde: Verweerster te veroordelen tot het bedrag van 13.161,00 euro te betalen aan concluanten, te vermeerderen met de moratoire interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 04.10.2023 tot datum van dagvaarding en vanaf dan te vermeerderen met de gerechtelijke interesten tot datum van integrale betaling. Met betrekking tot de tegeneis De vordering van verweerster tot gedwongen overleg van bewijs af te wijzen als ongegrond. Hoe dan ook: Verweerster te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, voor concluanten begroot op: - Dagvaardingskosten: 309,79 euro - Rechtsplegingsvergoeding: 1726,74 euro Het te vellen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, spijts alle verhaal, zonder Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel – Vonnis – A/24/02457 – pag. 5 borgstelling en met verbod van kantonnement.” 7. [DE BANK] concludeert tot de afwijzing van de vordering als ongegrond en de veroordeling van eisers tot de kosten van het geding, aan de zijde van [DE BANK] begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 1.726,74 euro. In ondergeschikte orde, strekt het verweer van [DE BANK] ertoe (de rechtbank citeert uit de syntheseconclusie): “de gedwongen overlegging van alle correspondentie tussen eisers, [BANK 2] en Itsme te bevelen binnen de 30 dagen na betekening van de vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 250 euro per dag vertraging. In dat geval de zaak aan te houden voor verdere instaatstelling.” IV. BEOORDELING IV.1. RECHTSMACHT 8. Er wordt geen exceptie inzake rechtsmacht opgeworpen door de partijen of ambtshalve. De rechtbank beschikt over de rechtsmacht om van het aan haar voorgelegde geschil kennis te nemen. IV.2. BEVOEGDHEID 9. De bevoegdheid van de rechtbank wordt niet betwist. De rechtbank stelt vast dat zij materieel bevoegd is op grond van artikel Ger.W. De zaak betreft een geschil tussen of tegen ondernemingen, in de zin van artikel I.1, 1° van het Wetboek van Economisch Recht (“WER”), en behoort niet tot de exclusieve bevoegdheid van een ander rechtscollege. De rechtbank ziet geen reden om zich ambtshalve onbevoegd te verklaren. IV.3. ONTVANKELIJKHEID 10. De ontvankelijkheid van de vordering van eisers wordt niet betwist. De rechtbank stelt geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid vast. De vordering van eisers is dan ook ontvankelijk. Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel – Vonnis – A/24/02457 – pag. 6 IV.4. GEGRONDHEID 11. In deze zaak staat niet ter discussie dat het om een niet-toegestane betalingstransacties in de zin van artikel VII.32, §1 WER gaat, zodat de beschermingsregels opgenomen in artikel VII.43 en VII.44 WER toepassing kunnen vinden. IV.4.1. Beoordeling van de aansprakelijkheid op grond van artikelen VII.43 en VII.44 WER en de aangevoerde grove nalatigheid 12. Eisers vorderen in hoofdorde dat [DE BANK] wordt veroordeeld tot integrale betaling van 13.211,00 euro, te vermeerderen met moratoire interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 4 oktober 2023 tot de datum van dagvaarding en vervolgens met gerechtelijke interesten tot de datum van integrale betaling. Zij beroepen zich op artikelen VII.43 en VII.44 WER en stellen dat zij geen enkel verlies dienen te dragen, krachtens artikel VII.44, §1, lid 2, 1° WER, aangezien zij de frauduleuze betalingstransacties niet konden vaststellen voordat ze plaatsvonden. Eisers voeren aan dat zij enkel een ogenschijnlijk legitiem betaalverzoek hebben uitgevoerd via een ogenschijnlijk perfect nagemaakte Payconiq-link en een perfect nagemaakte betalingsapplicatie van [BANK 2], zonder ooit persoonlijke codes of responsecodes te hebben doorgegeven aan de fraudeur. Omdat zij het onrechtmatig gebruik van hun betaalinstrument niet op voorhand konden vaststellen, speelt eventuele grove nalatigheid volgens eisers geen rol. In ondergeschikte orde voeren eisers aan dat, voor zover geoordeeld zou worden dat zij de frauduleuze handelingen op basis van bepaalde omstandigheden hadden kunnen vaststellen, het verlies dat zij dienen te dragen beperkt moet blijven tot 50,00 euro en dat de bank 13.161,00 euro dient te betalen, eveneens te vermeerderen met moratoire en gerechtelijke interesten. Eisers menen immers dat er in geen geval sprake is van grove nalatigheid aan hun zijde. Eisers wijzen in dit verband ook op de ratio legis van de PSD2-richtlijn2. Volgens hen heeft de Europese wetgever uitdrukkelijk gekozen voor een maximale bescherming van consumenten tegen fraude en om te voorkomen dat de beschermingsregeling wordt uitgehold door een te ruime toepassing van het begrip grove nalatigheid. Ten slotte beroepen eisers zich op het advies van Ombudsfin van 28 maart 2024, waarin werd geoordeeld dat geen grove nalatigheid kan worden aangenomen en dat [DE BANK] gehouden is tussen te komen voor de geleden schade. 13. [DE BANK] meent dat de vordering van eisers dient te worden afgewezen als ongegrond. Vooreerst betwist [DE BANK] de toepassing van artikel VII.43 WER in deze procedure. Volgens haar gaat het om een voorlopige regeling die slechts speelt in afwachting van een beoordeling ten gronde. Nu de rechtbank in dit geding uitspraak doet over de grond, is er geen ruimte voor 2 Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, tot wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, en tot intrekking van Richtlijn 2007/64/EG. Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel – Vonnis – A/24/02457 – pag. 7 een afzonderlijke toetsing aan artikel VII.43 WER. [DE BANK] beroept zich op artikel VII.44 WER en stelt dat dit artikel de bepalende regeling vormt voor de aansprakelijkheidsverdeling bij niet-toegestane betalingstransacties. Volgens haar is er in deze zaak sprake van grove nalatigheid in de zin van artikel VII.44, §1, lid 4 WER waardoor de verliezen volledig ten laste van eisers moeten blijven. Zij wijst op het klikken op een frauduleuze betaallink, het gebruik van de kaartlezer en het aanmaken van responsecodes op een valse website, het negeren van sms-waarschuwingen van [DE BANK], [BANK 2] en Itsme, en het verderzetten van transacties ondanks duidelijke signalen van fraude. [DE BANK] concludeert in dit verband ook dat artikel VII.44, §1, lid 4 WER voorrang heeft op artikel VII.44, §1, lid 2 WER. In ondergeschikte orde vordert [DE BANK] de gedwongen overlegging van alle correspondentie tussen eisers, [BANK 2] en Itsme en verzoekt zij de rechtbank aan partijen het recht voor te behouden om nader ten gronde te concluderen. 14. Eisers wijzen op de verplichting van [DE BANK] tot onmiddellijke terugbetaling in geval van niet- toegestane betalingstransacties op grond van artikel VII.43 WER en voeren aan dat [DE BANK] dit artikel heeft geschonden. Artikel VII.43 WER voorziet in een onmiddellijke terugbetalingsverplichting ten laste van de betalingsdienstaanbieder wanneer kennis wordt gegeven van een niet-toegestane betalingstransactie. Met deze aansprakelijkheidsregeling heeft de Europese wetgever er bewust voor gekozen om de betaler te beschermen door hem onmiddellijk opnieuw te crediteren, eventueel in afwachting van een verder onderzoek naar de fraudeurs en de regeling van de aansprakelijkheid tussen betaler en bank. Het doel bestaat erin de verdeling van de aansprakelijkheid onmiddellijk (en desgevallend voorwaardelijk) te regelen, waarbij – in geval van een procedure in rechte – de bank het procedurerisico draagt en niet de betaler, en dit in afwachting van een definitieve uitspraak over de aansprakelijkheid. De enige uitzondering op deze verplichting tot onmiddellijke betaling bestaat wanneer de betalingsdienstaanbieder redelijke gronden heeft om fraude te vermoeden in hoofde van de betaler en deze gronden ook schriftelijk meedeelt aan de FOD Economie (artikel VII.43, §1, derde lid WER). Waar de rechtspraak vaak een andere lezing gaf aan de onderlinge verhouding tussen de artikelen VII.43 en VII.44 WER, acht de rechtbank het thans – mede in het licht van nieuwe inzichten en ontwikkelingen in de rechtsleer – aangewezen deze bepalingen te interpreteren volgens de ratio legis van de daarin vervatte aansprakelijkheidsregeling. Vanuit die interpretatie geldt artikel VII.43 WER eveneens wanneer de niet-toegestane betalingstransactie tot stand kwam met een verloren of gestolen betaalinstrument, dan wel het gevolg is van een onrechtmatig gebruik van een betaalinstrument, zoals in deze zaak het geval is. Anders oordelen zou het beschermingsmechanisme uithollen, omdat artikel VII.43 WER bijna nooit zou kunnen worden toegepast en daarmee afbreuk zou worden gedaan aan de bedoeling van de wetgever en aan de beschermingsgedachte die aan de PSD2-richtlijn ten grondslag ligt. De rechtbank stelt vast dat artikel VII.44 WER geen grond bevat om de betalingsdienstaanbieder aansprakelijk te stellen. De betalingsverplichting van de bank is uitsluitend verankerd in artikel VII.43 WER. Artikel VII.44 WER legt de bank zelf geen verplichting op, maar bepaalt enkel in welke mate de betaler verlies moet dragen: ofwel beperkt tot 50,00 euro (lid 1), ofwel helemaal niet (lid 2), ofwel volledig wanneer hij frauduleus handelde of grof nalatig was (lid 4). Dit artikel werkt dus enkel vanuit het perspectief van de betaler, niet vanuit dat van de bank. Met andere woorden: Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel – Vonnis – A/24/02457 – pag. 8 artikel VII.43 schept een verplichting voor de bank om terug te betalen, terwijl artikel VII.44 uitzonderingen en beperkingen formuleert ten nadele van de betaler. Beide bepalingen dienen derhalve steeds in samenhang toegepast te worden. De zinsnede “in afwijking van artikel VII.43” in artikel VII.44 WER moet dan ook juist in dat licht worden gelezen: de bank blijft krachtens artikel VII.43 gehouden tot onmiddellijke terugbetaling, tenzij een van de uitzonderingen van artikel VII.44 toepasselijk is die het verlies geheel of gedeeltelijk bij de betaler legt. In deze zaak wordt de rechtbank verzocht om definitief uitspraak te doen over de grond van het geschil. Dat betekent dat de “onmiddellijke” terugbetalingsplicht van artikel VII.43 WER niet langer op zichzelf ter beoordeling staat. Relevant is enkel nog de uiteindelijke verdeling van de aansprakelijkheid op grond van artikel VII.44 WER, gelezen in samenhang met artikel VII.43 WER. 15. De basisregel van artikel VII.44 WER bepaalt dat de betaler, voor niet-toegestane betalingstransacties die plaatsvinden vóór de kennisgeving van het onrechtmatig gebruik van het betaalinstrument, ten hoogste tot 50,00 euro verlies draagt voor alle niet-toegestane betalingstransacties die voortvloeien uit het gebruik van een verloren of gestolen betaalinstrument of uit onrechtmatig gebruik van een betaalinstrument (artikel VII.44, §1, eerste lid WER). In afwijking hiervan moet de betaler geen enkel verlies dragen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.