← België

ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20251031.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 31 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20251031.1 Rolnummer: A/2025/02878 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-11-03 Raadplegingen: 271 - laatst gezien 2026-06-18 09:37 Fiche 1 In de context van artikel 806 Ger.W. is het inwilligen van een manifest ongegronde of manifest buitensporige vordering strijdig met de openbare orde (zie ook Grondwettelijk Hof 7 juni 2018, rolnummer 6671). De stille vennoot bij een commanditaire vennootschap is niet hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de betreffende vennootschap. In weerwil daarmee vorderen en dagvaarden is manifest strijdig met de grondslagen van het WVV, en dus ook met de openbare orde – zoals in deze context autonoom geïnterpreteerd. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Verstek (Gerechtelijk Wetboek) Fiche 2 - Er werden drie partijen gedagvaard, terwijl enkel [NUW] en mevrouw [Z.V.] aansprakelijk zijn voor de betreffende schulden (zoals [NUW] op zitting terecht aanhaalt). Het hoort eisende partij toe om niet zomaar iedereen die van dichtbij of veraf aan een vennootschap is verbonden te dagvaarden zonder dat dergelijke partij aansprakelijk kan worden gehouden voor de schulden van de vennootschap, en zo de betreffende verwerende partij op kosten te jagen. [NUW] en mevrouw [Z.V.] worden veroordeeld tot 2/3e van de dagvaardingskosten, zijnde 491,80 euro. De overige 1/3e, zijnde 245,90 euro is ten laste van eisende partij. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) Tekst van de beslissing A/2025/02878 IN DE ZAAK VAN

  1. EISER NV eisende partij; TEGEN
  2. [NUW] CommV (hierna “[NUW]”); vertegenwoordigd ter zitting door haar bestuurder mevrouw [Z.V.].
  3. Mevr. [Z.V.], aanwezig ter zitting
  4. Mevr. [L.E.], niet aanwezig ter zitting Verwerende partijen, samen aangeduid als de ‘verwerende partij’ I. PROCEDURE
  5. De rechtbank heeft kennis genomen van de dagvaarding van 2 september
  6. De rechtbank heeft partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 12 september 2025 bij toepassing van artikel 735 van het Gerechtelijk Wetboek. Ten opzichte van mevrouw [L.E.] wordt dit vonnis gewezen bij verstek, bij toepassing van de artikelen 802 en 804 van het Gerechtelijk Wetboek. De rechtbank heeft eisende partij overeenkomstig artikel 769 van het Gerechtelijk Wetboek toegestaan om haar stukkenbundel na de debatten ter griffie neer te leggen tegen 16 september 2025 op welke datum de sluiting van de debatten van rechtswege plaatsvond en de zaak in beraad werd genomen. De rechtbank stelt vast dat de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd is. II. FEITEN – VORDERINGEN - BEOORDELING
  7. Eisende partij verhuurt onder de naam “[BEDRIJFSNAAM]” advertentieruimte op aanplakborden langs de weg. Op 16 september 2022 sloten eisende partij en [NUW] een overeenkomst van bepaalde duur (3 jaar) af tot plaatsing van reclamepanelen voor [NUW] in [ADRES]. De overeenkomst werd getekend door dhr. [D.V.], een werknemer van [NUW]. [NUW] is een commanditaire vennootschap, waarbij mevrouw [Z.V.] optreedt als zaakvoerder en werkende vennoot, en mevrouw [L.E.] als stille vennoot in de zin van artikel 4:22 Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen – in overeenstemming met de statuten van [NUW]. Eisende partij vorderde voor de periode van 1 maart 2025 tot 28 februari 2026 betaling van een factuur ([9]) ten belope van 1642,36 euro voor de periode van 1 maart 2025 tot 28 februari
  8. Op 4 maart 2025 antwoordde [NUW] (bij monde van dhr. [D.V.]) per e-mail aan eisende partij als volgt “Wij zouden graag uw diensten annuleren gelieve hiervoor een creditnota te sturen” [sic.] Hierop kwam geen antwoord. Deze factuur bleef dan ook onbetaald, en op 21 april 2025 en 28 juli 2025 werd [NUW] in gebreke gesteld door raadsman van eisende partij. Uiteindelijk ging eisende partij over tot dagvaarding van verwerende partijen op 2 september
  9. Op 7 september 2025 betaalde [NUW] een som van 1.888,71 euro. Ter zitting vordert eisende partij betaling van het niet betaalde bedrag zoals aangegeven in de dagvaarding – i.e. voornamelijk de dagvaardingskosten.
  10. Er wordt geen exceptie inzake rechtsmacht opgeworpen door de partijen of ambtshalve. De rechtbank beschikt over de rechtsmacht om van het aan haar voorgelegde geschil kennis te nemen. De bevoegdheid van de rechtbank wordt niet betwist. De zaak betreft een geschil tussen ondernemingen en behoort niet tot de exclusieve bevoegdheid van een ander rechtscollege. De rechtbank is bevoegd op grond van artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek. De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist. De rechtbank stelt geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid vast. De vordering is ontvankelijk. Ten opzichte van [NUW] en mevrouw [Z.V.]
  11. [NUW] stelt dat de onderliggende factuur in de eerste plaats niet verschuldigd zou zijn, omdat de overeenkomst tussen [NUW] en eisende partij werd ondertekend door een werknemer die niet bevoegd is [NUW] te vertegenwoordigen. Eisende partij brengt hiertegen in dat eerdere facturen steeds werden betaald, en dhr. [D.V.], die in de winkel aanwezig was, tekende als ‘directeur’, en zij er dus vanuit mocht gaan dat er sprake is van schijnvertegenwoordiging, minstens bekrachtiging door eerdere betaling van facturen. Verder stelt [NUW] dat zij de nog resterende kosten niet verschuldigd is, aangezien zij de hoofdsom reeds heeft betaald. Eisende partij wijst erop dat het bedrag pas na dagvaarding werd betaald, en dus moet worden toegerekend op de dagvaarding maar de dagvaardingskosten niet onverschuldigd maakt.
  12. De rechtbank stelt vast dat de overeenkomst door initiële betaling van facturen verschuldigd onder de overeenkomst, en het feit dat er geen enkele poging werd ondernomen om haar stop te zetten (ondanks feit dat de zaakvoerder duidelijk weet had van het contract) nadrukkelijk bekrachtigd werd door [NUW]. [NUW] is dus wel degelijk gebonden door de overeenkomst. De rechtbank stelt verder vast dat wanneer men wacht tot betalen tot er wordt gedagvaard (rekening houdende met het feit dat er reeds twee aanmaningen werden verstuurd over een periode van meerdere maanden verspreid, en [NUW] dus uitgebreid de mogelijkheid had gehad om te betalen), men weet of behoort te weten dat er bijkomende kosten zullen verschuldigd zijn. Door na dagvaarding te betalen, kan men niet verwachten dat eisende partij reeds gemaakte dagvaardingskosten en opgelopen interesten zelf slikt. Wat betreft de hoegrootheid van de dagvaardingskosten, waartegen [NUW] protesteert, verwijst de rechtbank naar randnr. 11 hieronder.
  13. De rechtbank stelt vast dat [NUW] en mevrouw [Z.V.], op basis van artikel 4:22 Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, hoofdelijk gehouden zijn.
  14. Eisende partij verwijst verder ook naar haar algemene voorwaarden om de toepassing van een schadebeding en contractuele interesten te vorderen. Verwerende partij gaat hier evenmin mee akkoord. Alle omstandigheden in acht genomen, is de gevorderde forfaitaire schadevergoeding naar het oordeel van de rechtbank manifest niet evenredig aan het nadeel dat kan worden geleden, dan wel manifest onredelijk. De rechtbank herleidt de schadevergoeding ambtshalve tot een redelijk percentage van 10% van de hoofdsom, bij gebrek aan informatie over de schade die werkelijk geleden werd. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het gevorderde bedrag of percentage van de intresten duidelijk de schade te boven die men lijdt als gevolg van de vertraging in de betaling van de hoofdsom en is het daardoor manifest onredelijk. Die schade bestaat in essentie uit renteverlies en dat is relatief beperkt, gelet op de intrestvoeten die de banken hanteren. De rechtbank herleidt de intrestvoet ambtshalve tot het percentage voorzien in artikel 5 in de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties.
  15. [NUW] geeft aan dat zij dit bedrag niet kan betalen. Zij vraagt een afbetalingsplan op 50 euro per maand, ‘zodat eisende partij zo lang mogelijk op haar geld moet wachten’. Dit is uiteraard niet de bedoeling van een afbetalingsplan. Aangezien echter uit de stukken duidelijk is dat [NUW] en de hoofdelijk aansprakelijke vennoot inderdaad financiële problemen hebben, staat de rechtbank, rekening houdend met de hoegrootheid van het bedrag, een afbetalingsplan van 450 euro per maand toe. Ten opzichte van mevrouw [L.E.]
  16. De rechtbank verwijst naar bovenstaand feitenrelaas. Op de zitting heeft de eisende partij gevorderd om de afwezige verwerende partij bij verstek te veroordelen overeenkomstig wat gevorderd werd in de dagvaarding. Volgens artikel 806 Ger.W. willigt de rechter de vorderingen van de verschijnende partij in het verstekvonnis in, behalve indien de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde, met inbegrip van de rechtsregels die de rechter op grond van de wet ambtshalve kan toepassen. In de context van artikel 806 Ger.W. is het inwilligen van een manifest ongegronde of manifest buitensporige vordering strijdig met de openbare orde (zie ook Grondwettelijk Hof 7 juni 2018, rolnummer 6671). De rechtbank stelt vast dat mevrouw [L.E.] als stille vennoot bij een commanditaire vennootschap niet hoofdelijk aansprakelijk kan zijn voor de schulden van de betreffende vennootschap. Eisende partij verwijst foutief naar artikel 4:22 WVV, dat immers enkel de werkende vennoot hoofdelijk aansprakelijk stelt. In weerwil daarmee vorderen en dagvaarden is manifest strijdig met de grondslagen van het WVV, en dus ook met de openbare orde – zoals in deze context autonoom geïnterpreteerd. De vordering tegen mevrouw [L.E.] wordt afgewezen. III. UITVOERBAARHEID
  17. De uitvoerbaarheid bij voorraad van dit vonnis volgt uit artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek. De partijen werpen geen specifieke gronden op, en de rechtbank ziet evenmin redenen, om de uitvoerbaarheid bij voorraad te schorsen. De rechter die uitspraak doet over de vordering zelf, kan overeenkomstig artikel 1406 van het Gerechtelijk Wetboek beslissen dat er geen reden is tot kantonnement voor alle veroordelingen die hij uitspreekt of voor een deel ervan, indien de vertraging in de regeling de schuldeiser aan een ernstig nadeel blootstelt. Eisende partij vraagt om het recht op kantonnement uit te sluiten. Zij toont evenwel niet aan dat de vertraging in de regeling haar aan een ernstig nadeel blootstelt. Er is geen reden om het recht op kantonnement uit te sluiten. IV. GERECHTSKOSTEN
  18. De gedingkosten worden als volgt omgeslagen: - [NUW] en mevrouw [Z.V.] worden als de in het ongelijk gestelde partijen veroordeeld tot de rechtsplegingsvergoeding. Deze wordt bepaald op basis van een vordering in de schaal van 750,01 euro tot 2.500 euro. De rechtsplegingsvergoeding wordt bepaald op 627,91 euro. - Er werden drie partijen gedagvaard, terwijl enkel [NUW] en mevrouw [Z.V.] aansprakelijk zijn voor de betreffende schulden (zoals [NUW] op zitting terecht aanhaalt). Het hoort eisende partij toe om niet zomaar iedereen die van dichtbij of veraf aan een vennootschap is verbonden te dagvaarden zonder dat dergelijke partij aansprakelijk kan worden gehouden voor de schulden van de vennootschap en zo de betreffende verwerende partij op kosten te jagen. [NUW] en mevrouw [Z.V.] worden veroordeeld tot 2/3e van de dagvaardingskosten, zijnde 491,80 euro. De overige 1/3e, zijnde 245,90 euro is ten laste van eisende partij. - Overige gedingkosten zijn ten laste van [NUW] en mevrouw [Z.V.].
  19. Overeenkomstig artikel 269/2, § 1 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten wordt verwerende partij veroordeeld tot betaling van het rolrecht aan de Belgische Staat, FOD Financiën. V. BESLISSING
  20. De rechtbank: Verklaart zich bevoegd om kennis te nemen van het geschil, doet uitspraak deels op tegenspraak en deels op verstek (zoals hoger aangegeven) en neemt, na beraadslaging, de volgende beslissing. Verklaart de vordering van EISER NV ontvankelijk en gegrond, in de volgende mate: - Veroordeelt [NUW] en mevrouw [Z.V.] hoofdelijk en in solidum (gezamenlijk en elk voor het geheel) om aan EISER NV de som te betalen van 1.642,36 euro (hoofdsom), te vermeerderen met verwijlintresten aan de intrestvoet, overeenkomstig artikel 5 van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties (BS, 7 augustus 2002), vanaf de vervaldag van de factuur tot op de dag van volledige betaling. - Veroordeelt [NUW] en mevrouw [Z.V.] hoofdelijk en in solidum (gezamenlijk en elk voor het geheel) de som te betalen van 164,23 euro (schadevergoeding), te vermeerderen met vergoedende interest aan de gewone wettelijke interestvoet vanaf de dagvaarding tot de dag van volledige betaling. - Zegt dat van het totaal zoals hierboven verschuldigd bedrag de tussentijdse betaling van 1.888,71 euro moet worden afgetrokken, in overeenstemming met artikel 5.210 van het Nieuw Burgerlijk wetboek. De tussentijdse betaling wordt eerst aangerekend op interest van hoofdsom en hoofdsom, en pas nadien op interest van schadevergoeding en schadevergoeding. Slaat de kosten van het geding, zoals door EISER NV begroot en de rechtbank vereffend, als volgt om: - Veroordeelt [NUW] en mevrouw [Z.V.] hoofdelijk en in solidum (gezamenlijk en elk voor het geheel) tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding van 627,91 euro; - Veroordeelt [NUW] en mevrouw [Z.V.] hoofdelijk en in solidum (gezamenlijk en elk voor het geheel) tot betaling van dagvaardingskosten ten belope van 491,80 euro; - Zegt dat EISER NV zelf haar dagvaardingskosten ten belope van 245,90 euro moet dragen. Staat [NUW] en mevrouw [Z.V.] toe het door hen verschuldigd bedrag te betalen door middel van afbetalingen van 450 euro per maand, te voldoen tegen de vijfde van elke maand en dit voor het eerst tegen de vijfde van de maand volgend op de maand van betekening. Elke betaling zal eerst worden toegerekend op openstaande interesten, en dan pas op de hoofdsom. Bij niet-betaling van één termijn op de vervaldag – dus de vijfde van elke maand of wanneer die dag in een weekend of op een feestdag valt, de eerste erop volgende werkdag – wordt het volledige op dat moment openstaande saldo ineens opeisbaar zonder enig verder respijt, hoofdelijk en tegen elk van hen voor het geheel. Wijst het anders of meer gevorderde af. Verklaart de bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, die werd gestort door EISER NV, definitief verworven voor het fonds. Veroordeelt [NUW] en mevrouw [Z.V.] elk tot betaling van de helft van het rolrecht ten belope van 165,00 euro, hetzij elk 82,50 euro, na uitnodiging hiertoe door FOD Financiën. Bevestigt de uitvoerbaarheid van het vonnis en het recht op kantonnement. Dit vonnis werd gewezen door de eerste kamer van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel, samengesteld uit:  S. Verschoot, rechter, voorzitter van de kamer;  [A.D.], rechter in ondernemingszaken;  [D.S.], rechter in ondernemingszaken; die allen deelgenomen hebben aan de zitting en het beraad over de zaak. Het vonnis werd uitgesproken door S. Verschoot, bijgestaan door griffier [G.H.], op de openbare zitting (in toepassing van artikel 6, eerste lid van het verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) van Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.