← België

ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20251031.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 31 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20251031.2 Rolnummer: A/2024/02813 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-11-03 Raadplegingen: 323 - laatst gezien 2026-06-16 13:13 Fiche 1 De kamer van minnelijke schikking is een bijzonder nuttig instrument om tot een akkoord tussen partijen te komen, met hoge succesratio. Het is echter geen bemiddeling in de zin van artikel 1725 van het Gerechtelijk Wetboek en het voorliggende bemiddelingsbeding. Een akkoord om voor de kamer van minnelijke schikking te verschijnen, houdt op zichzelf geen akkoord tot bevestiging van rechtsmacht of het buiten toepassing stellen van het bemiddelingsbeding in – tenzij uitdrukkelijk tussen partijen werd overeen gekomen om het bemiddelingsbeding buiten werking te stellen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEMIDDELING (BURGERLIJKE ZAKEN) Fiche 2 Het bemiddelingsbeding kan niet zomaar worden opzij geschoven door preventief te stellen dat men de bemiddeling beëindigt vooraleer een contractueel bepaalde wachttermijn is afgelopen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEMIDDELING (BURGERLIJKE ZAKEN) Tekst van de beslissing A/2024/02813 IN DE ZAAK VAN 1. [EISER] NV (hierna “[EISER]”); eisende partij; TEGEN 2. [VERWEERDER] B.V., (hierna “[VERWEERDER]”); verwerende partij; I. PROCEDURE [..] II. FEITEN 1. De feiten relevant voor de beoordeling van het geschil, zijn als volgt samen te vatten: Partijen waren betrokken bij het [RS1]-project. Het [RS1]-project werd gefinancierd door de Europese Unie en is gericht op de ontwikkeling van een brandstofadditief uit huishoudelijk afval. Het additief zou de motorprestaties verbeteren en tegelijkertijd de uitstoot aanzienlijk verminderen. Partijen schreven in op het [RS1]-project (via een Gunningsovereenkomst (“Grant Agreement”) van 1 november 2018 met het European Climate, Infrastructure and Environment Executive Agency (Europees Uitvoerend Agentschap Klimaat, Infrastructuur en Milieu) “CINEA”) als deel van een consortium (beheerd door een Consortiumovereenkomst (“Consortium Agreement”) van 3 januari 2019). [VERWEERDER] leverde, als biowetenschappelijk labo gespecialiseerd in geavanceerde oplossingen voor landbouw, industrie en aanverwante sectoren, laboratoriumdiensten voor het project. [EISER] trad op als coördinator van het consortium. [VERWEERDER] ontving bepaalde onkostenvergoedingen in het kader van haar deelname aan het project. Deze vergoedingen werden door [EISER], als coördinator van het consortium, geïnd bij CINEA en vervolgens verdeeld over de leden van het consortium in overeenkomst met een budgetsleutel. [EISER] stelt dat deze vergoedingen in feite voorschotten waren, en moeten terugbetaald worden indien de onderliggende onkosten niet worden goedgekeurd door CINEA. [EISER] stelt dat een aanzienlijk deel van deze onderliggende kosten (voor een totaalbedrag van [..] euro) inderdaad niet werd goedgekeurd door CINEA, en de betreffende voorschotten dus door [VERWEERDER] moeten worden terugbetaald aan [EISER], zodat deze kunnen worden aangewend om gemaakte kosten door andere leden van het consortium te dekken. [VERWEERDER] is hier niet mee akkoord, om verschillende redenen (en gaf ter zitting te kennen dat zij in ieder geval niet aan [EISER] zal betalen). Na eerste ingebrekestelling op 5 januari 2024, volgde beperkte communicatie tussen partijen, waaronder nog bijkomende ingebrekestellingen door [EISER] op 8 januari 2024, 14 februari 2024, 30 april 2024, een vraag door [EISER] aan [VERWEERDER] om akkoord om een bemiddelingsprocedure op te starten op 5 mei 2024, en een ontwerpdagvaarding op 19 juni 2024. 2. Op 2 juli 2024 dagvaardde [EISER] [VERWEERDER] voor deze rechtbank. Op de zitting van 4 april 2025 werd de zaak verzonden naar de kamer voor minnelijke schikking van deze rechtbank. Daar kon geen akkoord worden bekomen. Vervolgens werd het geschil opnieuw ingeleid voor huidige kamer. III. VORDERINGEN VAN PARTIJEN 3. De vordering van [EISER] strekt ertoe (de rechtbank citeert uit de syntheseconclusie): De vordering van concludente ontvankelijk en gegrond te verklaren. Verweerster te veroordelen om aan concludente te betalen het bedrag van 72.007,43 euro in hoofdsom, vermeerderd met intresten in toepassing van de Wet voor betalingsachterstand bij handelstransacties vanaf 1.01.2024 tot en met de datum van algehele betaling en een schadeloosstelling van 10% van de hoofdsom. De door verweerster opgeworpen excepties af te wijzen als ongegrond; minstens de kost voor de door haar gevraagde vertaling van de Engelstalige stukken ten laste van verweerster te leggen. Verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de kosten van dagvaarding en rolstelling alsook de basisrechtsplegingvergoeding, begroot op 4.500 euro. 4. Het verweer van [VERWEERDER] strekt ertoe (de rechtbank citeert uit de syntheseconclusie): Te zeggen voor recht dat de zaak niet in staat van wijzen is: - zolang partijen het contractueel vastgelegd bemiddelingstraject niet hebben doorlopen of; - minstens zolang er geen vervangend bemiddelingsbeding ingevoegd wordt in de overeenkomst, dan wel op initiatief van partijen, dan wel ambtshalve door uw rechtsmacht; Zodoende de behandeling van de zaak op te schorten en de zaak naar de rol te versturen. Aan [EISER] op te leggen dat zij alle stukken in het geding in de Nederlandse taal dienen bij te brengen of laten vertalen en in afwachting daarvan de zaak naar de rol te verzenden. Minstens een gerechtelijk bemiddelaar aan te stellen ten einde een verzoeningstraject tussen partijen mogelijk te maken Eerder ondergeschikt, de vorderingen van [EISER] onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren. In ieder geval, bij een eventuele veroordeling in hoofde van concluante, de uitvoerbaarheid bij voorraad van de tussen te komen beslissing uitdrukkelijk uit te sluiten. [EISER] in de kosten van het geding te verwijzen, zijdens concluant begroot op: - Rechtsplegingsvergoeding: 4.709,30 EUR Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. IV. BEOORDELING 1.1. Standpunt van partijen 5. [VERWEERDER] verwijst naar het bemiddelingsbeding zoals opgenomen in artikel 11.8 van de Consortiumovereenkomst, dat als volgt luidt: Vrije vertaling: De partijen streven ernaar hun geschillen in der minne te schikken. Geschillen, onenigheden of vorderingen die voortvloeien uit of verband houden met dit contract en alle latere wijzigingen van dit contract, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, de totstandkoming, geldigheid, bindende kracht, interpretatie, uitvoering, schending of beëindiging ervan, alsmede niet-contractuele vorderingen, worden onderworpen aan bemiddeling overeenkomstig de WIPO-regels voor bemiddeling. De plaats van bemiddeling is Brussel, tenzij anders overeengekomen. De te gebruiken taal bij de bemiddeling is Engels, tenzij anders overeengekomen. Als, en voor zover, een dergelijk geschil, controverse of claim niet is beslecht overeenkomstig de bemiddeling binnen 60 kalenderdagen na het begin van de bemiddeling, zijn de rechtbanken van Brussel exclusief bevoegd. De plaats van arbitrage is Brussel, tenzij anders overeengekomen door de conflicterende partijen. De uitspraak van de arbitrage is definitief en bindend voor de partijen. Niets in deze Consortiumovereenkomst beperkt het recht van de partijen om voorlopige voorzieningen te vragen bij elke toepasselijke bevoegde rechtbank. Samen gelezen met artikel 1725 van het Gerechtelijk Wetboek stelt zij op deze basis dat de behandeling moet geschorst worden om de opgedragen bemiddelingsprocedure te doorlopen (en dit voor minstens 60 kalenderdagen), of, ondergeschikt, een gerechtelijk bemiddelaar moet worden aangesteld (indien het voorliggende bemiddelingsgeding niet geldig zou zijn). Zij stelt dat zij bij vertrouwelijke communicatie tussen raadslieden, die dus niet kan worden voorgelegd, wel degelijk hierop antwoordde en zich vragen stelde bij de praktische toepassing van het bemiddelingsbeding. 6. [EISER] stelt dat [VERWEERDER] zelf de toepassing van de bemiddelingsprocedure heeft geweigerd, en verwijst hiervoor naar de niet-vertrouwelijke brief door haar raadsman verstuurd aan de raadsman van [VERWEERDER] op 7 mei 2024, en het schrijven van haar raadsman van 19 juni 2024 waaruit moet blijken dat er geen akkoord is over bemiddeling. Zij stelt dat het vertrouwelijke antwoord van [VERWEERDER] slechts 2 maand later kwam, niet kan worden voorgelegd, en ook niet zou bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Zij stelt dat [VERWEERDER] op dat moment er zelf voor koos om niet tot bemiddeling over te gaan en zodoende afstand deed van het inroepen van de bemiddelingsclausule. [EISER] verwijst naar de vermeende kwade trouw van [VERWEERDER], stelt dat zij geen heil meer ziet in een bemiddeling, dat [VERWEERDER] dilatoir handelt, en dat zij in overeenstemming met artikel 1729 Gerechtelijk Wetboek een einde maakt aan de bemiddeling. Zij verwijst hiervoor naar rechtsleer die, op basis van voorbereidende werken van artikel 1729 van het Gerechtelijk Wetboek, stelt dat de wetgever wilde vermijden dat bemiddeling wordt misbruikt om de rechtsgang te vertragen, waarbij de wetgever het contraproductief achtte om de bemiddeling te starten als een van de partijen dat onvoorwaardelijk zou weigeren. Zij stelt dat indien toch een bemiddeling zou worden opgestart, zij deze bij aanvang zou beëindigen zodat de procedure kan worden verdergezet, en het dus geen zin heeft om een ‘werkbare clausule’ uit te werken. [EISER] stelt verder ook dat het bemiddelingsbeding dat voorligt niet geldig is. Er wordt immers niet bepaald wie als bemiddelaar moet worden aangesteld, noch wordt er een objectieve methode omschreven om een bemiddelaar aan te duiden. Dit zou een substantieel bestanddeel zijn, bij gebreke waaraan er geen geldig en afdwingbaar bemiddelingsbeding is. Zij verwijst naar artikel 7 van de WIPO Mediation Rules (World Intellectual Property Organization – Wereldwijde Intellectuele EigendomsOrganisatie (WIPO) Bemiddelingsregels), dat als principe voorziet dat partijen zelf een bemiddelaar aanduiden. Om die reden zou er geen wilsovereenstemming zijn met betrekking tot een cruciaal onderdeel van de bemiddelingsclausule, en zou de bemiddelingsclausule dus ongeldig zijn. Zij stelt in de daaropvolgende paragraaf, enigszins paradoxaal, dat onder de WIPO Mediation Rules het WIPO een bemiddelaar aanduidt, die een expertise zal hebben die niet relevant is voor het huidig geding (i.e. intellectuele eigendom). Zij stelt ten slotte nu reeds dat zij in elk geval gebruik zal maken van het recht onder artikel 19 (iii) van de WIPO Mediation Rules om te allen tijde een einde te maken aan de bemiddeling. 1.2. Oordeel van de rechtbank 7. Aangezien [EISER] en [VERWEERDER] ter zitting en in conclusies verwijzen naar de WIPO Mediation Rules (en specifieke clausules daarvan), en de toepassing van het procedé en specifieke artikels daarvan bovendien ook inhoudelijk bespreken, werden deze door partijen in het geding gebracht. Deze zijn bovendien publiek toegankelijk op de website van het WIPO https://www.wipo.int/amc/en/mediation/rules/ en maken dus deel uit van de kennis van de rechtbank (vergelijk Rb. Antwerpen (afd. Antwerpen) 7, november 2022, RW 2023-24, 1039; Cass. 16 januari 2019, AR P.18.1134.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190116.2., concl. A.G.. D. VANDERMEERSCH). In het bijzonder volgende artikelen van de WIPO Mediation Rules (WIPO Bemiddelingsregels) zijn relevant in het kader van voorliggend geschil: ***BEGIN CITAAT*** Article 2 Where a Mediation Agreement provides for mediation under the WIPO Mediation Rules, these Rules shall be deemed to form part of that Mediation Agreement. Unless the parties have agreed otherwise, these Rules as in effect on the date of the commencement of the mediation shall apply. Article 3 (

  1. a)A party to a Mediation Agreement that wishes to commence a mediation shall submit a Request for Mediation in writing to the Center and to the other party. (
  2. b)The Request for Mediation shall be delivered by email or other means of electronic communication that provide a record thereof, unless a party decides to use also expedited postal or courier service. Article 5 The date of the commencement of the mediation shall be the date on which the Request for Mediation is received by the Center. Article 7 (
  3. a)Unless the parties have otherwise agreed themselves on the person of the mediator or on another procedure for appointing the mediator, the appointment shall take place in accordance with the following procedure: (
  4. i)The Center shall send to each party an identical list of candidates. The list shall normally comprise the names of at least three candidates in alphabetical order. The list shall include or be accompanied by a statement of each candidate's qualifications. If the parties have agreed on any particular qualifications, the list shall contain the names of candidates that satisfy those qualifications. (
  5. ii)Each party shall have the right to delete the name of any candidate or candidates to whose appointment it objects and shall number any remaining candidates in order of preference. (iii) Each party shall return the marked list to the Center within seven days after the date on which the list is received by it. Any party failing to return a marked list within that period of time shall be deemed to have assented to all candidates appearing on the list. (
  6. iv)As soon as possible after receipt by it of the lists from the parties, or failing this, after the expiration of the period of time specified in the previous subparagraph, the Center shall, taking into account the preferences and objections expressed by the parties, appoint a person from the list as mediator. (
  7. v)If the lists which have been returned do not show a person who is acceptable as mediator to both parties, the Center shall be authorized to appoint the mediator. The Center shall similarly be authorized to do so if a person is not able or does not wish to accept the Center's invitation to be the mediator, or if there appear to be other reasons precluding that person from being the mediator, and there does not remain on the lists a person who is acceptable as mediator to both parties. (
  8. b)Notwithstanding the procedure provided in paragraph (a), the Center shall be authorized to otherwise appoint the mediator if it determines in its discretion that the procedure described therein is not appropriate for the case. (
  9. c)The prospective mediator shall, by accepting appointment, be deemed to have undertaken to make available sufficient time to enable the mediation to be conducted expeditiously. Vrij vertaald: Artikel 2 Wanneer een bemiddelingsovereenkomst voorziet in bemiddeling krachtens de WIPO Mediation Rules, maken deze Regels deel uit van die bemiddelingsovereenkomst. Tenzij de partijen anders zijn overeengekomen, zijn deze Regels, zoals van kracht op de datum van aanvang van de bemiddeling, van toepassing. Artikel 3 (
  10. a)Een partij bij een bemiddelingsovereenkomst die bemiddeling wil beginnen, dient een Verzoek tot Bemiddeling schriftelijk in bij het Centrum en bij de andere partij. (
  11. b)Het Verzoek tot Bemiddeling wordt per e-mail of via andere elektronische communicatiemiddelen die daarvan een registratie opleveren verzonden, tenzij een partij daarnaast besluit versnelde post- of koeriersdiensten te gebruiken. Artikel 5 De datum van aanvang van de bemiddeling is de datum waarop het Verzoek tot Bemiddeling door het Centrum is ontvangen. Artikel 7 (
  12. a)Tenzij de partijen zelf anders hebben afgesproken over de persoon van de bemiddelaar of over een andere procedure voor de benoeming van de bemiddelaar, vindt de benoeming plaats volgens de volgende procedure: (
  13. i)Het Centrum zendt aan elke partij een identieke lijst van kandidaten. De lijst bevat normaal gesproken de namen van ten minste drie kandidaten in alfabetische volgorde. De lijst omvat of gaat vergezeld van een opgave van de kwalificaties van iedere kandidaat. Indien partijen overeen zijn gekomen dat bijzondere kwalificaties vereist zijn, bevat de lijst de namen van kandidaten die aan die kwalificaties voldoen. (
  14. ii)Iedere partij heeft het recht de naam van elke kandidaat wiens benoeming zij betwist te schrappen en dient de overgebleven kandidaten te nummeren naar volgorde van voorkeur. (iii) Iedere partij zendt de gemarkeerde lijst binnen zeven dagen nadat zij de lijst heeft ontvangen terug aan het Centrum. Iedere partij die nalaat binnen die termijn een gemarkeerde lijst terug te zenden, wordt geacht met alle op de lijst vermelde kandidaten akkoord te gaan. (
  15. iv)Zodra mogelijk na ontvangst van de lijsten van de partijen, of bij gebreke daarvan na het verstrijken van de in het vorige subparagraaf genoemde termijn, stelt het Centrum, rekening houdend met de door de partijen uitgesproken voorkeuren en bezwaren, uit de lijst een persoon aan als bemiddelaar. (
  16. v)Indien uit de teruggezonden lijsten niet blijkt dat er een persoon is die voor beide partijen als bemiddelaar aanvaardbaar is, is het Centrum bevoegd de bemiddelaar te benoemen. Het Centrum is eveneens bevoegd dit te doen indien een aangewezen persoon niet in staat is of niet wenst de uitnodiging van het Centrum te aanvaarden, of indien andere redenen het belet dat die persoon mediator is, en er geen persoon op de lijsten overblijft die voor beide partijen aanvaardbaar is. (
  17. b)Ongeacht de in lid (
  18. a)omschreven procedure, is het Centrum bevoegd de bemiddelaar op andere wijze te benoemen indien het naar eigen oordeel vaststelt dat de beschreven procedure niet geschikt is voor de zaak. (
  19. c)De beoogde bemiddelaar wordt, door de benoeming te aanvaarden, geacht zich te verbinden voldoende tijd beschikbaar te stellen om de bemiddeling snel te kunnen uitvoeren. *** EINDE CITAAT*** 8. De rechtbank stelt vooreerst vast dat het voorliggend bemiddelingsbeding een geldig beding is. Artikel 7 van de WIPO Mediation Rules, waarnaar [EISER] uitdrukkelijk verwijst, bepaalt als basisprincipe dat partijen zelf over de identiteit van een bemiddelaar kunnen overeenkomen, maar dat er bij gebrek aan overeenkomst een geijkte procedure wordt opgestart waarbij WIPO verschillende kandidaten voorstelt, rekening houdende met door de partijen aangedragen criteria (dus ook expertise), waarop vervolgens een veto kan worden uitgeoefend door partijen. Het voorliggende bemiddelingsbeding verwijst dus naar bemiddelingsregels die bij gebrek aan akkoord tussen partijen zelf in een procedure voor keuze en aanstelling van een deskundige voorzien, rekening houdende met o.a. expertise. Er wordt dus in bepaalbaarheid van een bemiddelaar en toepassing van een helder procedureel kader voorzien. Dit is voldoende om vast te stellen dat er een geldige overeenkomst is. Dat [EISER] of [VERWEERDER] op dit moment meent dat de door WIPO voor te stellen bemiddelaars niet capabel zouden zijn voor de huidige zaak omdat zij specialisatie in intellectuele eigendom zouden hebben (en dit overigens vooraleer WIPO enige kandidaat-bemiddelaars voor het geding heeft voorgesteld) of dat de afgesproken procedure niet geschikt is voor huidig geding, doet daaraan niet af: zij had dit moeten opwerpen ten tijde van de contractonderhandelingen. Enkel indien er akkoord van beide partijen is om af te wijken van betreffend bemiddelingsbeding, hoeft dit beding niet worden toegepast. Dit akkoord is niet voorhanden. 9. [EISER] stelt dat [VERWEERDER] haar recht op bemiddeling zou hebben verzaakt door laattijdig op het schrijven van raadsman van [EISER] met betrekking tot bemiddeling te antwoorden, of geen bemiddeling op te starten hangende huidige procedure. Zij stelt dus dat de bemiddeling niet is doorgegaan door toedoen van [EISER], en [EISER] zich niet op het bemiddelingsbeding kan beroepen. De rechtbank volgt dit argument niet. [EISER] kan het gebrek aan bemiddelingsprocedure in dit geval niet eenvoudigweg op [VERWEERDER] afschuiven omdat [VERWEERDER] niet (snel genoeg) op haar vraag tot akkoord reageerde of geen akkoord verschafte (zoals blijkt uit correspondentie en de dagvaarding). 10. Dergelijk akkoord is overigens ook helemaal niet nodig om de contractueel afgesproken wachttermijn van 60 dagen te doen lopen. Een bemiddeling onder de toepasselijke WIPO regels wordt opgestart door een aanvraag te sturen, parallel, aan zowel het WIPO als aan de andere partij (art. 2 WIPO Mediation Rules). Elke partij kan dus zélf de bemiddelingsprocedure opstarten wanneer zij dat wil, en heeft hiervoor geen ‘akkoord’ van de andere partij nodig. De ‘start’ van de bemiddelingsprocedure (vanaf wanneer de 60 dagen wachttermijn uit de bemiddelingsclausule begint te lopen), wordt louter gedetermineerd door de ontvangst van de aanvraag aan het WIPO (art. 5 WIPO Mediation Rules) – [VERWEERDER] kon dit helemaal niet tegenhouden. Er blijkt op geen enkele wijze dat [EISER] deze procedure heeft opgestart. Zelfs indien [EISER] van mening was (of
  20. is)dat [VERWEERDER] de bemiddelingsprocedure zou pogen tegen te houden met als doel het vermijden of vertragen van een gerechtelijke procedure, dan nog is het eenvoudigweg (en minder dan twee maand later) instellen van de gerechtelijke procedure ten gronde overigens vreemd. De wijze van handelen van de contractspartij die te goeder trouw haar overeenkomst wil nakomen, en dus in een bemiddeling wil stappen, zou – zoals [VERWEERDER] terecht stelt ter zitting – eerder een poging tot afdwingen of uitvoeren van het bemiddelingsbeding zijn, of zelfs het eenzijdig instellen van een verzoek tot bemiddeling bij de WIPO. [VERWEERDER] wijst er terecht op dat de dagvaarding werd ingesteld op 2 juli 2024, nog geen twee maand na het verzoek aan [VERWEERDER] om tot bemiddeling over te gaan op 5 mei 2024, en dit zonder dat een stuk voorligt waaruit zou blijken dat [VERWEERDER] excuses zocht om niet aan een bemiddeling te moeten deelnemen – wat [EISER] beweert. Er wordt door beide partijen bevestigd dat er vertrouwelijke communicatie tussen raadslieden was, maar aangezien deze niet voorligt kan geen van beide partijen zich op de inhoud daarvan beroepen. Men kan zich niet eenvoudigweg van een bemiddelingsbeding ‘ontdoen’ door de andere partij om akkoord voor het opstarten ervan te vragen – zonder zelf de afgesproken bemiddelingsregels toe te passen – en vervolgens te dagvaarden ten gronde wanner de tegenpartij niet snel genoeg een antwoord geeft dat schikt, zonder zelf enige ernstige poging te nemen om de bemiddelingsprocedure op te starten (wat in de huidige casus overigens eenvoudigweg had gekund door ook een melding aan het WIPO te maken, zonder dat hiervoor akkoord van tegenpartij nodig was, zie hoger). 11. [EISER] geeft ter zitting aan dat indien [VERWEERDER] wilde dergelijke bemiddelingsprocedure opstarten, [VERWEERDER] zelf reeds stappen had kunnen ondernemen om tot bemiddeling over te gaan. Hetzelfde geldt evenzeer voor [EISER]. [EISER] is, als eisende partij, overigens de partij die er het meeste belang bij had om dergelijke bemiddeling op te starten – zodat haar termijn van 60 kalenderdagen begon te lopen. [EISER] kan zich dus niet zomaar verschuilen achter het gegeven dat de verwerende partij geen stappen onderneemt om een bemiddeling op te starten, in het bijzonder omdat eisende partij verwerende partij helemaal niet nodig had of heeft om deze bemiddelingsprocedure op te starten. 12. [EISER] werpt ter zitting op dat de zittingen bij de kamer van minnelijke schikking die tussen partijen hebben plaatsgevonden gelden als alternatieve geschillenoplossing in de zin van het bemiddelingsbeding, en het bemiddelingsbeding vervangen. De kamer van minnelijke schikking is een bijzonder nuttig instrument om tot een akkoord tussen partijen te komen, met hoge succesratio. Een verschijning zou idealiter tot een oplossing omtrent het geschil, of minstens omtrent de eventuele toepassing van het bemiddelingsbeding hebben geleid. Het is echter geen bemiddeling in de zin van artikel 1725 van het Gerechtelijk Wetboek en het voorliggende bemiddelingsbeding. Een akkoord om voor de kamer van minnelijke schikking te verschijnen, houdt geen akkoord tot bevestiging van rechtsmacht of buiten toepassing stelling van het bemiddelingsbeding in. Er werd evenmin dergelijk akkoord geacteerd. Indien er in de kamer van minnelijke schikking desalniettemin geen akkoord gevonden werd over het geschil als geheel of de toepassing van het bemiddelingsbeding, blijkt hieruit dus niet dat het bemiddelingsbeding terzijde kan worden geschoven – tenzij uitdrukkelijk werd overeen gekomen tussen partijen om het bemiddelingsbeding buiten werking te stellen. Dergelijk akkoord ligt niet voor. 13. [EISER] beroept zich verder op artikel 1729 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 19 (iii) van de WIPO Mediation Rules om aan te geven dat zij onmiddellijk de bemiddeling kan beëindigen, zelfs als deze nog niet gestart is, en geeft aan de niet-gestarte bemiddeling te beëindigen. Los van de vraag of dit een correcte lezing van artikel 1729 van het Gerechtelijk Wetboek is, is [EISER] zoals [VERWEERDER] terecht opwerpt echter ook gebonden door het betreffende bemiddelingsbeding zelf: deze rechtbank is slechts bevoegd ten vroegste 60 dagen nadat de bemiddeling werd gestart. Dit staat los van het eventuele recht om de bemiddeling vroeger te beëindigen, en veronderstelt dat de bemiddeling wel werd gestart. Daarbij strekt beëindiging van de bemiddeling haar overigens niet tot nadeel – ze ontneemt [EISER] niet het recht om de vordering in te stellen. Daarentegen vereist het beding wel dat de bemiddeling wordt gestart – dit is niet bijzonder, aangezien dit kan per eenvoudig eenzijdig schrijven naar het WIPO (zie hoger). Het bemiddelingsbeding kan dus niet zomaar worden opzij geschoven door preventief te stellen dat men de bemiddeling beëindigt vooraleer de termijn van 60 dagen na starten van de bemiddeling is afgelopen. 14. [EISER] geeft ten slotte van bij haar eerste conclusies (22 november 2024), zoals [VERWEERDER] ter zitting terecht opwerpt, meerdere malen te kennen dat zij helemaal geen bemiddeling wil. [EISER] geeft zelfs reeds preventief (en om alle twijfel te voorkomen) aan onmiddellijk van alle mogelijke middelen gebruik te zullen maken om een eventuele bemiddeling stop te zullen zetten of nooit te laten opstarten. [EISER] verwijst ter zitting naar de zeer lange tijdspanne die ondertussen verlopen is, maar deze zeer lange tijdspanne was zoals [VERWEERDER] ter zitting terecht opmerkte op 22 november 2024 nog niet verlopen, toen zij zich voor het eerst verzette tegen het uitdrukkelijk argument van [VERWEERDER] dat er eerst een bemiddelingsprocedure van 60 kalenderdagen moet doorlopen worden. Dat [EISER] sinds het instellen van een dagvaarding geen bemiddeling (meer) wil, doet niet af van het gegeven dat een bemiddelingsclausule bindend is, en net tot doel heeft te dwingen tot bemiddeling vooral als een partij dit niet langer wil wanneer er effectief een geschil ontstaat (zie ook K. ANDRIES, “Bemiddelingsbeding”, NjW 2011, afl. 242). Een eenvoudige dagvaarding en het tijdverloop dat gepaard gaat met het instellen van een gerechtelijke procedure geldt niet als afdoende grond om te stellen dat het inroepen van een bemiddelingsbeding dermate dilatoir is dat het moet genegeerd worden – vooral aangezien de exceptie als eerste middel in de eerste conclusie van [VERWEERDER] reeds werd ingeroepen zonder dat [EISER] op enig moment heeft gehandeld om de bemiddeling in tussentijd op te starten. Met de stellingen in haar conclusies, bekent [EISER] in werkelijkheid dat het zelf over het bemiddelingsbeding wenst te stappen, eerder dan dat zij zich in de toepassing ervan gehinderd ziet door [VERWEERDER], zoals [EISER] beweert. In ieder geval kan, gegeven de uitdrukkelijk geuite weerstand tegen een bemiddeling sinds haar eerste conclusies, [EISER] niet beweren dat het uitsluitend [VERWEERDER] is dat ervoor zorgt dat er op heden nog geen bemiddeling werd ingesteld en louter [EISER] dilatoir optreedt. 15. De rechtbank ziet geen nood om een gerechtelijk bemiddelaar aan te stellen, aangezien de bemiddelingsprocedure onder de toepasselijke WIPO Mediation Rules eenvoudigweg door elk van de partijen kan worden opgestart (zie hoger). 16. De zaak is dus niet in staat en wordt naar de rol verwezen. Zij kan slechts opnieuw in staat worden gesteld bij verlopen van de wachttermijn zoals opgenomen in het bemiddelingsbeding (meer bepaald 60 kalenderdagen na het starten van de bemiddelingsprocedure door indienen van verzoek tot bemiddeling bij het WIPO), of, indien later, indien de betreffende bemiddeling wordt beëindigd. V. BESLISSING De rechtbank: Herneemt de zaak wegens de gewijzigde samenstelling van de zetel; Verwijst, na tegensprekelijk debat en beraadslaging, de zaak naar de rol aangezien zij nog niet in staat is; Houdt de kosten aan. Dit vonnis is gewezen door de negende kamer van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel, samengesteld als volgt: - de heer S. VERSCHOOT, rechter, voorzitter van de kamer, - mevrouw [N.B.], rechter in ondernemingszaken, - de heer [P.V.], rechter in ondernemingszaken, die de zitting hebben bijgewoond en aan het beraad hebben deelgenomen. Gerelateerde publicatie(
  21. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190116.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.