id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 31 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20251031.3 Rolnummer: A/2025/02847 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-11-18 Raadplegingen: 317 - laatst gezien 2026-06-18 20:53 Fiche 1 Wanneer men een aanmaningsbrief verstuurt met daarin een uitstaand bedrag dat 'inclusief herinneringskosten' is, kan de ontvanger ervan uit gaan dat daarmee ook eerder gemaakte aanmaningskosten worden bedoeld, in het bijzonder aangezien de ontvanger in haar brieven eerder al uitdrukkelijk aan de verzender had gevraagd deze te laten vallen. Thesaurus CAS: BEWIJS - ALGEMEEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Andere bewijsmiddelen Fiche 2 Men kan niet dagvaarden voor een factuur die reeds betaald werd in hoofdsom, en dan toch vorderen dat dagvaardings- en invorderingskosten, schadebeding en interesten worden betaald omdat er ‘zelfs voor betaling van de hoofdsom reeds verschillende kosten waren gemaakt', wanneer men in de laatste Aanmaningsbrief niet enkel niet naar deze kosten verwees, maar waarvan men zelfs aangaf dat zij inbegrepen waren in het nog te betalen bedrag. Deze na betaling van het bedrag zoals aangegeven in de betreffende Aanmaningsbrief toch invorderen, maakt een schending van de goede trouw (5.73 BW) en rechtsmisbruik uit. Dit gaat immers kennelijk de grenzen te buiten van de normale uitoefening van dergelijk recht door een voorzichtig en redelijk persoon in deze omstandigheden (art. 1.10, lid 2 BW), daar zij het rechtmatig vertrouwen dat zij heeft gewekt, schaadt. Thesaurus CAS: RECHTSMISBRUIK UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BURGERLIJK RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsmisbruik Tekst van de beslissing A/2025/02847 IN DE ZAAK VAN
- [EISER] NV (hierna “[EISER]”); eisende partij; TEGEN
- [VERWEERDER] BV, (hierna “[VERWEERDER]”); verwerende partij; vertegenwoordigd ter zitting door haar bestuurder: mevrouw [M.K.]. I. PROCEDURE
- De rechtbank heeft kennis genomen van de dagvaarding van 5 augustus
- De rechtbank heeft partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 12 september 2025 bij toepassing van artikel 735 van het Gerechtelijk Wetboek. Daarna werden de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen. De rechtbank stelt vast dat de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd is. II. VORDERINGEN
- Bij dagvaarding vordert [EISER] betaling van een hoofdsom van 313,81 euro voor juridische consult tussen 1 en 3 juni 2022 omtrent de mogelijke tewerkstelling van een derdelander, opgenomen in factuur nr. nr. 202204088 van 30 juni 2022 (de “Factuur n°88”), vermeerderd met 40 euro schadevergoeding en 410,78 euro invorderingskosten. Ter zitting wordt bevestigd dat de hoofdsom op 7 februari 2025 werd betaald door [VERWEERDER]. [EISER] vordert bijgevolg enkel nog invorderingskosten, schadevergoeding en interest. [VERWEERDER] betwist dat deze verschuldigd zouden zijn en verzoekt de vordering ongegrond te verklaren. III. FEITEN
- De samenwerking tussen [VERWEERDER] en [EISER] werd stopgezet na het verstrekken van de betreffende prestaties. Uit de stukken blijkt wel dat op 8 november 2023 aan [VERWEERDER] werd gemaild met betrekkking tot Factuur n°88, waarop geen reactie kwam. Op 6 mei 2024 stuurde deurwaarder [GDW] een aanmaning tot betalen in de zin van art. 1394/20 – 1394/27 Ger.W. met betrekking tot Factuur n°88 aan [VERWEERDER], waarbij een schadebeding, wettelijke verhoging en 202,76 euro invorderingskosten werden toegevoegd. Op 21 mei 2024 stuurde mevr. [M.K.], zaakvoerder van [VERWEERDER], het volgende bericht aan deurwaarder [GDW]: “Ik verwijs naar uw aanmaning te betalen. We werken niet meer met [EISER] sedert juni
- Na ons vertrek hebben we verplichte documenten opgevraagd. Echter hier kon geen betaling tegenover staan. Uit het overzicht wat u ons bezorgt kunnen we niet afleiden over welke facturen uw aanmaning zou gaan. Wilt u ons toelichting bezorgen aub? Veel dank” Hierop kwam geen reactie. Op 11 juli 2024 betekende deurwaarder [GDW] een bevel tot betaling voor Factuur n°88, waarbij ook opnieuw schadebeding en wettelijke verhoging werden toegevoegd, evenals nog verder opgelopen aanmaningskosten (442,50 euro). Mevrouw [M.K.] herhaalde haar verzoek tot toelichting, en benadrukte dat de mail van 21 mei als betwisting gold. Zij vroeg ook nadrukkelijk om een vermindering toe te staan van 442,50 euro (i.e. de aanmaningskosten). Op 8 januari 2025 volgt een aanmaningsbrief van [EISER] (de “Aanmaningsbrief”), opnieuw met betrekking tot Factuur n°88: “Wij stellen vast dat, niettegenstaande onze voorgaande aanmaningen, de vervallen facturen nog steeds niet betaald zijn. Gelieve deze vervallen bedragen zonder verwijl te vereffenen door overschrijving. U blijft ons nog een bedrag van 313,81 euro verschuldigd, wat overeenstemt met het saldo van de tot op vandaag gefactureerde consultancy kosten, inclusief herinneringskosten. Mogen wij u vragen om bij betaling de heironder vermelde betalingsinstructies te willen volgen, waarvoor onze dank. Mocht, tegen onze verwachting in, ook deze laatste herinnering zonder gevolg blijven, dan zien we ons verplicht uw dossier in handen van ons raadsman te geven. […]” [eigen nadruk] Op 7 februari 2025 werd dit bedrag van 313,81 euro betaald door [VERWEERDER]. Op 5 augustus 2025 dagvaardde [EISER] [VERWEERDER]. IV. BEOORDELING
- Rechtsmacht en bevoegdheid
- Er wordt geen exceptie inzake rechtsmacht opgeworpen door de partijen of ambtshalve. De rechtbank beschikt over de rechtsmacht om van het aan haar voorgelegde geschil kennis te nemen. De bevoegdheid van de rechtbank wordt niet betwist. De zaak betreft een geschil tussen ondernemingen en behoort niet tot de exclusieve bevoegdheid van een ander rechtscollege. De rechtbank is bevoegd op grond van artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek.
- Ontvankelijkheid
- De ontvankelijkheid van de vordering van [EISER] wordt niet betwist. De rechtbank stelt geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid vast. De vordering van [EISER] is ontvankelijk.
- Gegrondheid
- Uit de Aanmaningsbrief blijkt duidelijk dat op 8 januari 2025 enkel de betaling van 313,81 euro wordt gevorderd. [EISER] geeft duidelijk aan dat deze inclusief ‘herinneringskosten’ is. ‘Herinneringskosten’ worden in het schrijven niet nader gedefinieerd. De normale zorgvuldige tegenpartij kan ervan uit gaan dat daarmee ook de eerder gemaakte aanmaningskosten worden bedoeld, in het bijzonder aangezien [VERWEERDER] in haar brieven eerder al uitdrukkelijk aan [EISER] had gevraagd deze te laten vallen. Indien men dergelijke aanmaningsbrief stuurt, kan van de normaal handelende en diligente onderneming worden verwacht dat zij, indien er reeds sprake is van interesten, schadebeding of invorderingskosten, deze op dergelijke brief aangeeft. Indien dit zij nalaat, maar daarentegen aangeeft dat de ingevorderde som ‘inclusief herinneringskosten’ is, kan dit niet anders worden gelezen dan als een afstand van andere invorderingskosten. De brief stelt duidelijk dat indien het bedrag in kwestie wordt betaald, het dossier niet in handen van raadsman zal worden gegeven (en dus niet zal worden ingevorderd). Bovendien maakt de brief ook geen opgave van enige op dat moment reeds verschuldigde interest, noch schadevergoeding.
- [VERWEERDER] heeft na de Aanmaningsbrief het gevorderde bedrag betaald op 7 februari
- Pas na betaling is [EISER] overgegaan tot dagvaarding op 5 augustus
- Wanneer [EISER] meerdere maanden na betaling alsnog overgaat tot dagvaarding van een reeds betaalde hoofdsom, is het onredelijk te verwachten dat de schuldenaar dergelijke dagvaardings- en invorderingskosten draagt. Men kan niet dagvaarden voor een factuur die reeds betaald werd in hoofdsom, en dan toch vorderen dat dagvaardings- en invorderingskosten, schadebeding en interesten worden betaald omdat er ‘zelfs voor betaling van de hoofdsom reeds verschillende kosten waren gemaakt’, wanneer men in de laatste Aanmaningsbrief niet enkel niet naar deze kosten verwees, maar waarvan men zelfs aangaf dat zij inbegrepen waren in het nog te betalen bedrag. Deze na betaling van het bedrag zoals aangegeven in de betreffende Aanmaningsbrief toch invorderen, maakt een schending van de goede trouw (5.73 BW) en rechtsmisbruik uit. Dit gaat immers kennelijk de grenzen te buiten van de normale uitoefening van dergelijk recht door een voorzichtig en redelijk persoon in deze omstandigheden (art. 1.10, lid 2 BW), daar zij het rechtmatig vertrouwen dat zij heeft gewekt, schaadt. De sanctie op dergelijk rechtsmisbruik is een neutralisatie van de gevolgen ervan, waarbij het recht wordt herleid tot de normale uitoefening ervan. De herleiding van een recht tot zijn normale uitoefening kan echter zover gaan dat de rechter aan de houder van het recht de mogelijkheid ontzegt om zich erop te beroepen in de gegeven omstandigheden (zie recent Cass. 26 maart 2021, AR C.20.0342.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210326.1N.10, juportal.be en T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek Verbintenissenrecht, 2023, Lefebvre Sarrut, 389). In dit geval kan dergelijke neutralisatie, gegeven de omstandigheden, slechts een ontzegging van een beroep op dit recht betekenen.
- De stelling van [EISER] dat het om een onbetwiste openstaande factuur zou gaan is, gegeven bovenstaande, irrelevant voor de verdere beoordeling van de voorliggende rechtsvragen.
- De vordering is ongegrond. V. BESLISSING
- De rechtbank: Verklaart zich bevoegd om kennis te nemen van het geschil, doet uitspraak op tegenspraak en neemt, na beraadslaging, de volgende beslissing. Verklaart de vordering van [EISER] tegen [VERWEERDER] ongegrond. Verklaart de bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, die werd gestort door [EISER], definitief verworven voor het fonds. Veroordeelt [EISER] tot betaling van het rolrecht ten belope van 165,00 euro na uitnodiging hiertoe door FOD Financiën. Bevestigt de uitvoerbaarheid van het vonnis en het recht op kantonnement. Dit vonnis werd gewezen door de eerste kamer van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel, samengesteld uit: S. Verschoot, rechter, voorzitter van de kamer; [A.D.], rechter in ondernemingszaken; [D.S.], rechter in ondernemingszaken; die allen deelgenomen hebben aan de zitting en het beraad over de zaak. Het vonnis werd uitgesproken door S. Verschoot, bijgestaan door griffier [G.H.], op de openbare zitting (in toepassing van artikel 6, eerste lid van het verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) van PDF document ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20251031.3 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210326.1N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div