← België

ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20251031.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 31 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20251031.4 Rolnummer: A/2025/02861 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-11-18 Raadplegingen: 510 - laatst gezien 2026-06-18 20:20 Fiche Wanneer bij een driejarig contract met stilzwijgende verlenging de opzegging van een automatisch hernieuwend contract slechts enkele dagen later dan de laatste dag van de opzegtermijn van 6 maanden komt, daaraan onmiddellijk een hernieuwing van 3 jaar daaraan verbinden 'omdat men deze tijd nodig heeft voor de administratie', kan rechtsmisbruik uitmaken, wanneer dit voordeel (enkele dagen meer tijd voor administratie) tot een onevenredig groot nadeel leidt voor de tegenpartij (een aanzienlijke jaarkost voor drie jaar lang). De wijze waarop eisende partij haar recht in dezen gebruikt gaat kennelijk de grenzen te buiten van de normale uitoefening van dergelijk recht door een voorzichtig en redelijk persoon in deze omstandigheden. Thesaurus CAS: RECHTSMISBRUIK UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BURGERLIJK RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsmisbruik Tekst van de beslissing A/2025/02861 IN DE ZAAK VAN

  1. [EISER] NV ; eisende partij; TEGEN
  2. [ZB] VOF (“ZB”); vertegenwoordigd ter zitting door haar bestuurder, dhr. [K.J.].
  3. Dhr. [K.J.]; en aanwezig ter zitting
  4. [L.M.]; niet aanwezig ter zitting
  5. [N.O.] niet aanwezig ter zitting Verwerende partijen, samen aangeduid als de ‘verwerende partij’ I. PROCEDURE
  6. De rechtbank heeft kennis genomen van de dagvaarding van 2 september
  7. De rechtbank heeft de aanwezige partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 12 september 2025 bij toepassing van artikel 735 van het Gerechtelijk Wetboek. Daarna werden de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen. Ten opzichte van [L.M.] en [N.O.] wordt dit vonnis gewezen bij verstek, bij toepassing van de artikelen 802 en 804 van het Gerechtelijk Wetboek. De rechtbank stelt vast dat de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd is. II. FEITEN – VORDERINGEN - BEOORDELING
  8. Eisende partij verhuurt onder de naam “[BEDRIJFSNAAM]” advertentieruimte op aanplakborden langs de weg. - Op 12 november 2020 sloten eisende partij en ZB een overeenkomst van bepaalde duur (3 jaar) af tot plaatsing van reclamepanelen voor ZB in de [ADRES 1]. Dit contract liep af op 31 December
  9. Hieronder werden alle facturen betaald. - Op 2 juni 2020 sloten eisende partij en ZB een overeenkomst van bepaalde duur (3 jaar) af tot plaatsing van reclamepanelen voor ZB in [ADRES 2], en [ADRES 3], die aanvang nam op 1 november 2020 (de “Tweede Overeenkomst”). ZB is een vennootschap onder firma, waarbij de andere verweerders optreden als hoofdelijk aansprakelijke vennoten in de zin van artikel 4:22 Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen – in overeenstemming met de statuten van PWW. Eisende partij vordert betaling van factuur nr. [2] van 12 november 2024 voor 1465,43 euro, vermeerderd met strafbeding, interest en kosten. De factuur betreft de periode van 1 november 2024 tot 31 oktober 2025 onder de Tweede Overeenkomst.
  10. Er wordt geen exceptie inzake rechtsmacht opgeworpen door de partijen of ambtshalve. De rechtbank beschikt over de rechtsmacht om van het aan haar voorgelegde geschil kennis te nemen. De bevoegdheid van de rechtbank wordt niet betwist. De zaak betreft een geschil tussen ondernemingen en behoort niet tot de exclusieve bevoegdheid van een ander rechtscollege. De rechtbank is bevoegd op grond van artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek. De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist. De rechtbank stelt geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid vast. De vordering is ontvankelijk. Ten opzichte van ZB en dhr. [K.J.]
  11. ZB betwist dat de factuur in kwestie verschuldigd is, en vraagt de vordering volledig af te wijzen. Zij vraagt verder voor recht te zeggen dat de Tweede Overeenkomst werd beëindigd op 31 oktober
  12. ZB verwijst hierbij naar de opzegging van de Tweede Overeenkomst die op 4 mei 2023 aangetekend werd verstuurd.
  13. De rechtbank stelt vooreerst vast dat niet wordt betwist dat de factuur in kwestie effectief werd geprotesteerd. Dit blijkt ook uit de stukken.
  14. Eisende partij stelt dat de vervaldatum van de Tweede Overeenkomst op 31 oktober 2023 was. Zij verwijst naar artikel 3 van de overeenkomst, waaruit blijkt dat een opzeg bij vervaldatum van de overeenkomst enkel mogelijk is indien aangetekend en minstens zes maand voor de vervaldatum. Indien de opzeg niet tijdig is, wordt de overeenkomst automatisch hernieuwd voor een periode van 3 jaar. Aangezien de opzeg dus verstuurd had moeten zijn ten laatste op 30 april 2023 maar slechts op 4 mei 2023 aangetekend werd verstuurd, stelt eiseres dat automatische hernieuwing van de overeenkomst is ingetreden, en dit voor een periode van 3 jaar tot 30 november
  15. Verweerder stelt dat dit onredelijk is, dat er wel degelijk een opzeg was die goed ontvangen werd, en dit meer dan 5 maand en 20 dagen voor de vervaldag van de overeenkomst. Zij stelt ter zitting bovendien dat de opzegtermijn van 6 maand bijzonder lang is, en eisende partij ook met 5 dagen minder dan 6 maand meer dan voldoende tijd had om de opzegging van de overeenkomst administratief te verwerken. Verwerende partij verwijt eisende partij niet redelijk en billijk te zijn, en stelt dat dit beding en de eraan gegeven interpretatie volledig buitensporig is.
  16. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een contract van 3 jaar, met een zeer ruime opzegtermijn van 6 maanden. Indien men niet voor deze opzegtermijn opzegt, wordt het contract opnieuw met een volledige 3 jaar hernieuwd. Eisende partij stelt ter zitting dat, zelfs al komt de opzegging slechts enkele dagen te laat (zoals hier het geval is), er onmiddellijk een hernieuwing van 3 jaar nodig is omdat eisende partij de volledige 6 maanden nodig heeft voor haar administratie. Daartegenover staat dat verwerende partij door slechts enkele dagen te laat te zijn, onmiddellijk voor drie jaar lang een bijkomende jaarlijkse kost van grofweg 1.700 euro heeft – een aanzienlijk bedrag voor deze partij – die zij feitelijk niet langer wenst. ZB stelt terecht dat het voordeel dat eisende partij bij de uitoefening van haar recht beoogt (enkele dagen meer tijd hebben voor haar administratie), in dezen tot een onevenredig groot nadeel leidt voor ZB (een aanzienlijke jaarkost voor drie jaar lang) (vergelijk o.a. Cass. 10 september 1971, Arr. Cass. 1972, 31; Cass. 30 november 1989, Arr. Cass. 1989, 442). Daarbij wordt in het bijzonder rekening gehouden met het feit dat de opzegtermijn van 6 maand zeer lang is in verhouding tot de initiële duur van het contract van slechts 3 jaar. Er is ook geen sprake van een opzettelijke fout of bedrog in hoofde van verwerende partij. De wijze waarop eisende partij haar recht in dezen gebruikt, gaat kennelijk de grenzen te buiten van de normale uitoefening van dergelijk recht door een voorzichtig en redelijk persoon in deze omstandigheden (art. 1.10, lid 2 BW), daar zij het rechtmatig vertrouwen dat zij heeft gewekt, schaadt. Er is sprake van rechtsmisbruik door eisende partij. De sanctie op dergelijk rechtsmisbruik is een neutralisatie van de gevolgen ervan, waarbij het recht wordt herleid tot de normale uitoefening ervan. De herleiding van een recht tot zijn normale uitoefening kan echter zover gaan dat de rechter aan de houder van het recht de mogelijkheid ontzegt om zich erop te beroepen in de gegeven omstandigheden (zie recent Cass. 26 maart 2021, AR C.20.0342.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210326.1N.10, juportal.be en T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek Verbintenissenrecht, 2023, Lefebvre Sarrut, 389). In dit geval kan worden geargumenteerd dat een normale uitoefening van het recht, rekening houdende met de belangen van beide partijen, zou geweest zijn om de overeenkomst slechts met enkele dagen, of maximum een maand te verlengen zodat eisende partij de gebruikelijke administratieve processen kan doorlopen op de gebruikelijke termijn.
  17. De rechtbank beslist daarom om de vordering slechts gegrond te verklaren ten belope van 1/12e van het gevorderde hoofdbedrag, meer bepaald 122,12 euro. Interest op dit bedrag wordt toegekend vanaf vonnis. Het contractueel schadebeding wordt niet toegekend aangezien de niet-betaling van het gevorderde bedrag te wijten is aan het rechtsmisbruik door eisende partij. Ten opzichte van [L.M.] en [N.O.]
  18. De rechtbank verwijst naar bovenstaand feitenrelaas. Op de zitting heeft de eisende partij gevorderd om de afwezige verwerende partij bij verstek te veroordelen overeenkomstig wat gevorderd werd in de dagvaarding. Volgens artikel 806 Ger.W. willigt de rechter de vorderingen van de verschijnende partij in het verstekvonnis in, behalve indien de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde, met inbegrip van de rechtsregels die de rechter op grond van de wet ambtshalve kan toepassen. In de context van artikel 806 Ger.W. is het inwilligen van een manifest ongegronde of manifest buitensporige vordering strijdig met de openbare orde (zie ook Grondwettelijk Hof 7 juni 2018, rolnummer 6671). De rechtbank stelt vast dat [L.M.] en [N.O.] worden gedagvaard als hoofdelijk aansprakelijke vennoten van ZB. De vordering is gegrond, ten belope van het bedrag waartoe ZB wordt veroordeeld. III. UITVOERBAARHEID
  19. De uitvoerbaarheid bij voorraad van dit vonnis volgt uit artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek. De partijen werpen geen specifieke gronden op, en de rechtbank ziet evenmin redenen, om de uitvoerbaarheid bij voorraad te schorsen. IV. GERECHTSKOSTEN
  20. Aangezien beide partijen gedeeltelijk in het ongelijk werden gesteld, bepaalt de rechtbank dat elke partij zijn eigen kosten draagt.
  21. Overeenkomstig artikel 269/2, § 1 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten wordt eisende partij veroordeeld tot betaling van het rolrecht aan de Belgische Staat, FOD Financiën. V. BESLISSING
  22. De rechtbank: Verklaart zich bevoegd om kennis te nemen van het geschil, doet uitspraak deels op tegenspraak en deels op verstek (zoals hoger aangegeven) en neemt, na beraadslaging, de volgende beslissing. Verklaart de vordering van [EISER] NV ontvankelijk en deels gegrond in de hierna bepaalde mate. Veroordeelt verwerende partijen hoofdelijk en in solidum (gezamenlijk en elk voor het geheel) om aan eisende partij de som te betalen van 122,12 euro, te vermeerderen met verwijlinteresten aan de interestvoet, overeenkomstig artikel 5 van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties (BS, 7 augustus 2002), vanaf heden tot op de dag van volledige betaling. Zegt voor recht dat de overeenkomst van bepaalde duur (3 jaar) aangegaan op 2 juni 2020 tussen [EISER] NV en ZB met betrekking tot plaatsing van reclamepanelen voor ZB in [ADRES 2] en [ADRES 3] die aanvang nam op 1 november 2020 (de “Tweede Overeenkomst”), een einde nam op 31 november
  23. Wijst het anders of meer gevorderde af. Veroordeelt elke partij tot het dragen van haar eigen kosten. Verklaart de bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, die werd gestort door [EISER] NV, definitief verworven voor het fonds. Veroordeelt [EISER] tot betaling van het rolrecht ten belope van 165,00 euro na uitnodiging hiertoe door FOD Financiën. Bevestigt de uitvoerbaarheid van het vonnis en het recht op kantonnement. Dit vonnis werd gewezen door de eerste kamer van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel, samengesteld uit: − S. Verschoot, rechter, voorzitter van de kamer; − [A.D.], rechter in ondernemingszaken; − [D.S.], rechter in ondernemingszaken; die allen deelgenomen hebben aan de zitting en het beraad over de zaak. Het vonnis werd uitgesproken door S. Verschoot, bijgestaan door griffier [G.H.], op de openbare zitting (in toepassing van artikel 6, eerste lid van het verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) van PDF document ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20251031.4 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210326.1N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.