← België

ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20251114.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 14 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20251114.1 Rolnummer: A202401740 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2026-02-10 Raadplegingen: 970 - laatst gezien 2026-06-18 06:21 Fiche Eisende partij overtuigt de rechtbank niet dat er naar huidig recht een onderscheid moet gemaakt worden tussen de situatie waarin de verkeerde partij wordt gedagvaard, en de situatie waarin de verkeerde partij dagvaardt – waarbij men in die laatste situatie wel de leer van de belangenschade zou kunnen toepassen op hoedanigheid en belang. [..] Hoewel dit in het huidige geval inderdaad een proceseconomischer oplossing zou zijn, voorziet het Gerechtelijk Wetboek echter niet in de mogelijkheid om, eenmaal de procedure is opgestart, een partij te vervangen door een andere. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering - Belang Vrije woorden: Verkeerde eiser; Wijziging procespartij Tekst van de beslissing A/2024/01740 IN DE ZAAK VAN 1. [NAAM] Belgium BV, onderdeel van [GROUP] Limited , vennootschap naar het Engels recht met zetel te [GROEPSZETEL], ingeschreven in het Engelse ondernemingsregister [Nummer1], waarvan de vennootschapszetel gevestigd is te [ZETEL], en ingeschreven bij de Kruispuntbank voor Ondernemingen onder het nummer [Nummer2] (hierna “[NAAM] Belgium”); eisende partij; TEGEN 2. [VERWEERDER]; verwerende partij; I. PROCEDURE 1. De rechtbank heeft kennis genomen van het dossier van de rechtspleging, waaronder de volgende stukken: - de gedinginleidende dagvaarding van 26 april 2024; - de beschikking van 17 mei 2024 gewezen overeenkomstig artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek en de kennisgeving verplaatsing van de zitting op 4 december 2024; - de stukkenbundels en syntheseconclusies van partijen; De rechtbank heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 3 oktober 2025. Daarna werden de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen. De rechtbank stelt vast dat de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd is. II. FEITEN 2. De pertinente feiten, relevant voor de beoordeling van het geschil, zijn als volgt samen te vatten: [NAAM], een onderdeel van [GROUP] Limited , met zetel te [GROEPSZETEL], ingeschreven in het Engelse ondernemingsregister onder nummer [NUMMER], is een vennootschap naar Engels recht die actief is in internationale rekrutering. [NAAM] Belgium, is een vennootschap naar Belgisch recht, die tot dezelfde groep behoort als [NAAM]. [VERWEERDER] is een Belgisch technologiebedrijf. Tussen [NAAM] en [VERWEERDER] ontstond een geschil in verband met de beweerde aanwerving door [VERWEERDER] van dhr. [H.J.] , een consultant. Deze zou door [NAAM] zijn aangebracht aan [VERWEERDER] . [NAAM] stuurde in dit kader ook een factuur aan [VERWEERDER] , en beroept zich op de algemene voorwaarden van [NAAM] die zouden zijn gedeeld. Er kon geen oplossing voor het geschil worden gevonden. 3. Op 26 april 2024 dagvaardde eisende partij [VERWEERDER] voor deze rechtbank. In de dagvaarding werd als volgt naar de gedinginleidende partij verwezen: “De Besloten Vennootschap [NAAM] BELGIUM, onderdeel van [GROUP] Limited, vennootschap naar het Engels recht met zetel te [GROEPSZETEL], ingeschreven onder het nummer [Nummer1], ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer [Nummer2], waarvan de vennootschapszetel gevestigd is te [ZETEL] Hiervoor en hierna genoemd ‘Verzoekster’ of ‘[AFKORTING]’” [PSEUDONIMISERINGSNOOT: Het oorspronkelijke vonnis bevatte een schermweergave van de dagvaarding, die om pseudonimiseringsredenen niet kon worden overgenomen.] 4. Op 8 mei 2024, reeds voor de inleidende zitting, meldde [VERWEERDER] dat zij geen relatie had tot [NAAM] Belgium, de gedinginleidende partij, aangezien de facturen en de algemene voorwaarden waarop de dagvaarding betrekking heeft werden uitgestuurd door een andere entiteit, [GROUP] Limited (middels haar ‘[NAAM]’ divisie). Eisende partij stond erop dat de procedure desalniettemin werd verder gezet. III. VORDERINGEN VAN PARTIJEN 5. De vordering van eisende partij strekt ertoe (de rechtbank citeert uit de syntheseconclusie): De vordering van [AFKORTING] ontvankelijk en gegrond te verklaren; Dienvolgens [VERWEERDER] te veroordelen tot betaling aan [AFKORTING] van de vergoeding van 52.000,00 EUR in hoofdsom, met uitsluiting van het kantonnement of enige andere vorm van borgstelling. [AFKORTING] voorbehoud te verlenen haar vordering uit te breiden in de loop van het geding en om eventuele andere en/of bijkomende vorderingen te laten gelden; De vordering ten aanzien van [VERWEERDER] te vermeerderen met de verwijlintresten aan de wettelijke interestvoet op de hoofdsom conform de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van tot op datum van algehele betaling. [VERWEERDER] te veroordelen in de kosten van het geding en alle uitvoeringskosten, met inbegrip van de dagvaardingskosten en de rechtsplegingsvergoeding in hoofde van [AFKORTING] begroot op het basisbedrag van 3.500,00 EUR, zoals voorzien in artikel 1022 Ger. Wb. 6. Het verweer van verwerende partij strekt ertoe (de rechtbank citeert uit de syntheseconclusie): - In hoofdorde: de vorderingen van NV [VERWEERDER] toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren, en vervolgens de vorderingen van BV [NAAM] Belgium (zichzelf thans ten onrechte voordoend als het in Londen gevestigde [NAAM]) integraal af te wijzen als zijnde onontvankelijk, - In ondergeschikte orde, alvorens recht te doen: BV [NAAM] Belgium (zichzelf thans ten onrechte voordoend als het in Londen gevestigde [NAAM]) overeenkomstig artikel 877 Ger.W. te bevelen om haar beweerde overeenkomst met de heer [H.J.], incl. de prijsafspraken, over te leggen en in het debat te brengen, - Eveneens in ondergeschikte orde: de vorderingen van BV [NAAM] Belgium (zichzelf thans ten onrechte voordoend als het in Londen gevestigde [NAAM]) integraal af te wijzen als zijnde ongegrond, - In meer ondergeschikte orde: o de vordering van BV [NAAM] Belgium (zichzelf thans ten onrechte voordoend als het in Londen gevestigde [NAAM]) te matigen tot hoogstens 15.000,00 EUR, o ten vroegste vanaf de datum van de dagvaarding interesten toe te kennen aan de wettelijke interestvoet en de mogelijkheid van borgstelling en kantonnement niet uit te sluiten, - In meest ondergeschikte orde: o te zeggen voor recht dat NV [VERWEERDER] hoogstens 49.725,00 EUR verschuldigd kan zijn aan BV [NAAM] Belgium (zichzelf thans ten onrechte voordoend als het in Londen gevestigde [NAAM]), en, o ten vroegste vanaf de datum van de dagvaarding interesten toe te kennen aan de wettelijke interestvoet en de mogelijkheid van borgstelling en kantonnement niet uit te sluiten, - Alleszins, BV [NAAM] Belgium (zichzelf thans ten onrechte voordoend als het in Londen gevestigde [NAAM]) te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van NV [VERWEERDER] begroot op 3.750,00 EUR, onder voorbehoud van verhoging of indexatie in de loop van het geding, ambtshalve toe te passen door de Rechtbank, IV. BEOORDELING 1. Rechtsmacht en bevoegdheid 7. Er wordt geen exceptie inzake rechtsmacht opgeworpen door de partijen of ambtshalve. De rechtbank beschikt over de rechtsmacht om van het aan haar voorgelegde geschil kennis te nemen. 8. De bevoegdheid van de rechtbank wordt niet betwist. De zaak betreft een geschil tussen ondernemingen en behoort niet tot de exclusieve bevoegdheid van een ander rechtscollege. De rechtbank is bevoegd op grond van artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek. 2. Ontvankelijkheid 2.1. Standpunt van partijen 9. [VERWEERDER] betwist de ontvankelijkheid van de vordering. Zij stelt dat [NAAM] Belgium niet de vereiste hoedanigheid, noch belang, heeft om de vordering in te stellen tegen [VERWEERDER] . De facturen en algemene voorwaarden waarop eisende partij haar vordering grondt, werden immers uitgestuurd door [NAAM], een divisie van de vennootschap naar Engels recht [GROUP] Limited , en niet door [NAAM] Belgium BV, een vennootschap naar Belgisch recht. 10. Eisende partij erkent in haar conclusies dat haar correcte vennootschapsnaam ‘[NAAM]’ is, en dus niet ‘[NAAM] Belgium’. Zij stelt dat: “Ter verduidelijking, en voor zover deze nodig is in het licht van bovenstaande, diende de exacte aanduiding als volgt te zijn betekend: [NAAM], een onderdeel van [GROUP] Limited, met zetel te [GROEPSZETEL], ingeschreven in het Engelse ondernemingsregister onder het nummer [Nummer1]” Zij stelt dat de aanduiding zoals in de dagvaarding opgenomen wordt ‘duidelijk een verschrijving van de vennootschapsnaam’ is, en verduidelijkt dat de dagvaarding twee adressen en twee vennootschapsnummers bevat, waarvan enkel het eerste deel juist zou zijn. Eisende partij geeft verder aan dat een materiële vergissing met betrekking tot de identificatie van de eisende partij, zoals een tikfout in de naam, de vermelding van een oud adres, of een onjuiste vennootschapsvorm slechts leidt tot relatieve nietigheid. De gedinginleidende akte kan dus slechts nietig worden verklaard wanneer de fout in de aanduiding van de tegenpartij belangenschade heeft berokkend en de akte het doel niet heeft bereikt dat de wetgever ermee beoogt (artt. 861 Ger. W. en 867 Ger. W.). [VERWEERDER] werpt hiertegen op dat zij niet de nietigheid van de dagvaarding inroept, maar de onontvankelijkheid. Eisende partij stelt verder dat er geen sprake is van een grond voor de ontoelaatbaarheid of onontvankelijkheid van de vordering. Zij stelt dat hoewel rechtspraak en rechtsleer streng zijn voor wat betreft niet-vervulling van de bestaansvoorwaarden van de rechtsvordering in de context van artikel 17 Ger.W., dient te worden opgemerkt dat dit énkel zo is indien het vormgebrek te vinden is in de identificatie van de gedagvaarde partij. Het is volgens haar zo dat enkel wanneer de gedinginleidende akte de gegevens vermeldt van een andere persoon dan diegene die de eiser had moeten dagvaarden, de vordering onontvankelijk kan worden verklaard. 2.2. Oordeel van de rechtbank 11. De eerste vraag in dit geval is of er sprake is van: (

  1. i)een formeel correcte dagvaarding door [NAAM] Belgium BV, of (
  2. ii)een formeel incorrecte dagvaarding (wegens fout in de identificatie van eisende partij zoals vereist door artt. 43 en 702 Ger. W) door de partij die de voorliggende facturen en algemene voorwaarden heeft opgesteld, i.e. [GROUP] Limited (handelend middels [NAAM]). Enkel in het tweede geval is het relevant om belangenschade te beoordelen (vergelijk Cass. 29 juni 2006, Arr. Cass. 2006, 1520). In het eerste geval moet enkel worden beoordeeld of er sprake is van belang en hoedanigheid om de vordering in te stellen. 12. De dagvaarding gaat uit van ‘de Besloten Vennootschap [NAAM] Belgium’. Het correcte ondernemingsnummer en adres van [NAAM] Belgium BV wordt aangegeven. Eisende partij stelt dat het slechts om een verschrijving zou gaan, omdat onmiddellijk na de aanduiding van de naam wordt aangegeven dat het om een ‘onderdeel van [GROUP] Limited ’ gaat (met daarbij de correcte gegevens van [GROUP] Limited ). [GROUP] Limited zou, via haar afdeling ‘[NAAM]’ (en dus niet de Belgische vennootschap ‘[NAAM] Belgium BV’), de correcte partij zijn. Bijgevolg zou het voor alle partijen duidelijk zijn dat er hier sprake is van een dagvaarding door [GROUP] Limited , en niet door [NAAM] Belgium BV. De rechtbank volgt deze redenering niet. De rechtbank stelt vast dat er geen sprake is van ‘twee vennootschappen’ en ‘twee ondernemingsnummers’ die naast elkaar worden aangegeven, zoals eisende partij stelt. Er is sprake van een grammaticaal correcte en niet anders te lezen aanduiding die stelt dat de dagvaarding uitgaat van [NAAM] Belgium BV, dat een onderdeel zou zijn van [GROUP] Limited . Er wordt ter zitting verder erkend dat [NAAM] Belgium BV inderdaad een Belgische vennootschap is die deel uitmaakt van de groep waarvan [GROUP] Limited de moedervennootschap is. In die zin maakt zij dus als dochtervennootschap in de economische zin ook ‘onderdeel uit van’ [GROUP] Limited (zij het dat deze woordkeuze ongelukkig is). Hier is dus geen sprake van louter een tikfout in de naam, vermelding van een oud adres of een onjuiste vennootschapsnaam (wat materiële fouten tegen artikel 43, 2° Ger. W. en artikel 702, 1° Ger. W. zouden uitmaken en in welk geval de nietigheidsregeling van artt. 860-867 Ger. W. van toepassing zou zijn). Integendeel: alle gegevens van [NAAM] Belgium BV worden correct opgesomd – met de juridisch twijfelachtige maar economisch correcte toevoeging dat zij deel uitmaakt van [GROUP] Limited . Het enkele feit dat raadslieden of deurwaarder van eisende partij of [GROUP] Limited klaarblijkelijk de foute partij (inclusief alle gegevens van die partij) in de dagvaarding hebben opgenomen, maakt het nog geen ‘loutere verschrijving’ die niet tot een gebrek aan hoedanigheid en belang zou leiden. 13. De dagvaarding gaat dus uit van [NAAM] Belgium BV. In het huidige geding bestaat er geen enkele twijfel, en wordt door eisende partij zowel in conclusies als ter zitting erkend, dat [NAAM] Belgium BV geen enkele contractuele band heeft met [VERWEERDER] . Bijgevolg heeft [NAAM] Belgium BV ook geen hoedanigheid, noch belang om de betreffende vordering op basis van de voorliggende stukken in te stellen. Op basis van artikel 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de vordering niet worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen. 14. Dergelijke onregelmatigheid valt buiten de werkingssfeer van de nietigheidsregeling van de artikelen 860 tot 867 van het Gerechtelijke Wetboek. Er moet dus geen belangenschade beoordeeld worden (vergelijk Cass. 29 juni 2006, Arr. Cass. 2006, 1520). Er kan dus niet, zoals eisende partij stelt, worden aangenomen dat op basis van de voorhanden zijnde stukken duidelijk is welke persoon er in feite had moeten dagvaarden, en om die reden de aanduiding van de foute persoon in de dagvaarding niet tot een gebrek aan hoedanigheid zou leiden. Dit zou immers de toepassing van de leer van belangenschade op hoedanigheid en belang zijn. 15. Eisende partij overtuigt de rechtbank niet dat er naar huidig recht een onderscheid moet gemaakt worden tussen de situatie waarin de verkeerde partij wordt gedagvaard, en de situatie waarin de verkeerde partij dagvaardt – waarbij men in die laatste situatie wel de leer van de belangenschade zou kunnen toepassen op hoedanigheid en belang. Eisende partij verwijst om deze bewering te staven zonder verdere toelichting naar P. TAELMAN, C. VAN SEVEREN en J. VAN DONINCK, "Herstel van vormgebreken in het burgerlijk procesrecht" in Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling - XLIste Postuniversitaire cyclus Willy Delva / Gandaius, Mechelen, Wolters Kluwer, 2016, 314, zonder deze verwijzing verder toe te lichten. 16. De uitdrukkelijke en duidelijke stelling van eisende partij dat zij feitelijk ‘[NAAM], onderdeel van [GROUP] Limited ’ is, waarbij de aanduiding van de gegevens van [NAAM] Belgium BV moet genegeerd worden, is feitelijk een vordering om de dagvaardende partij te vervangen door een andere partij. Hoewel dit in het huidige geval inderdaad een proceseconomischer oplossing zou zijn, voorziet het Gerechtelijk Wetboek echter niet in de mogelijkheid om, eenmaal de procedure is opgestart, een partij te vervangen door een andere (vergelijk P. TAELMAN, C. VAN SEVEREN en J. VAN DONINCK, "Herstel van vormgebreken in het burgerlijk procesrecht" in Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling - XLIste Postuniversitaire cyclus Willy Delva / Gandaius, Mechelen, Wolters Kluwer, 2016, 312). 17. Eisende partij verwijt [VERWEERDER] ten slotte het middel niet tijdig te hebben opgeworpen (cf. §23 van haar conclusies), aangezien zij het slechts voor de inleidingszitting zou hebben opgeworpen en niet bij eerdere briefwisseling. Er blijkt niet dat er een ontwerpdagvaarding aan verwerende partij werd verstuurd. Er kan verwerende partij dan ook niet worden verweten dat zij middelen met betrekking tot de dagvaarding pas opwerpt nadat zij de dagvaarding heeft ontvangen. Integendeel: zij heeft het middel, zoals eisende partij erkent, reeds opgeworpen voor de inleidende zitting en daarmee eisende partij (en [GROUP] Limited ) alle mogelijkheden gegeven om navenant te handelen – waarmee een ernstig tijdsverlies en proceseconomische inefficiëntie zoals op heden voorligt had kunnen voorkomen worden. 18. De vordering van [NAAM] Belgium is onontvankelijk bij gebrek aan hoedanigheid en belang. De gegrondheid van de vordering moet niet verder worden beschouwd. V. UITVOERBAARHEID 19. De uitvoerbaarheid bij voorraad van dit vonnis volgt uit artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek. De partijen werpen geen specifieke gronden op, en de rechtbank ziet evenmin redenen, om de uitvoerbaarheid bij voorraad te schorsen. VI. GERECHTSKOSTEN 20. Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten van het geding overeenkomstig artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek. Het geschil betreft een vordering in de schaal van 40.000,01 euro tot 60.000,00 euro. Partijen vragen de rechtbank niet om af te wijken van het basisbedrag. De rechtbank kent het overeenstemmende basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding toe. 21. Overeenkomstig artikel 269/2, § 1 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten wordt eisende veroordeeld tot betaling van het rolrecht aan de Belgische Staat, FOD Financiën. VII. BESLISSING De rechtbank: Verklaart zich bevoegd om kennis te nemen van het geschil, doet uitspraak op tegenspraak en neemt, na beraadslaging, de volgende beslissing. Verklaart de vordering van [NAAM] Belgium tegen [VERWEERDER] niet ontvankelijk. Veroordeelt [NAAM] Belgium tot de kosten van het geding, aan de zijde van [VERWEERDER] begroot en door de rechtbank vereffend op de rechtsplegingsvergoeding van 3.924,42 euro. Verklaart de bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, die werd gestort door [NAAM] Belgium, definitief verworven voor het fonds. Veroordeelt [NAAM] Belgium tot betaling van het rolrecht ten belope van 165,00 euro na uitnodiging hiertoe door FOD Financiën. Bevestigt de uitvoerbaarheid van het vonnis en het recht op kantonnement. Dit vonnis is gewezen door de negende kamer van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel, samengesteld als volgt: - de heer S. VERSCHOOT, rechter, voorzitter van de kamer, - de heer [D.L.], rechter in ondernemingszaken, - mevrouw [S.G.], rechter in ondernemingszaken, die de zitting hebben bijgewoond en aan het beraad hebben deelgenomen. Het vonnis wordt overeenkomstig artikel 6, eerste lid van het verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden uitgesproken door de heer VERSCHOOT, rechter, voorzitter van de kamer, in aanwezigheid van mevrouw [T.B.], griffier, op de openbare terechtzitting van de negende kamer van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel van PDF document ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20251114.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.