id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel Beschikking van 12 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ORBRL:2025:ORD.20251112.1 Rolnummer: A/2024/0162 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2025-11-18 Raadplegingen: 592 - laatst gezien 2026-06-18 19:12 Fiche Er kan van een normaal en redelijk handelende partij worden verwacht dat wanneer zij een nieuw en volgens haar ter zake dienend feit ontdekt dat nieuwe pleidooien rechtvaardigt, zij binnen een redelijke termijn een verzoekschrift in de zin van artikel 748, §2 [instelt], minstens hierover contact opneemt met haar tegenpartij. Onredelijk lang hiermee wachten, zelfs al is de wettelijk bepaalde termijn nog niet verlopen, kan in bepaalde gevallen aanzienlijke proceseconomische gevolgen hebben voor tegenpartij (die zich immers onnodig geconfronteerd ziet met een aanzienlijke verlenging van de procesduur – die had kunnen vermeden worden bij een eerdere instelling van het verzoekschrift) en, in aanvulling op een gebrek aan procesloyaliteit, ook rechtsmisbruik uitmaken. Dat haar verzoekschrift uiteindelijk nog binnen de door artikel 748, §2 Ger. W. voorziene termijn valt, doet daar niet vanaf. Thesaurus CAS: RECHTSMISBRUIK UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemene rechtsbeginselen van procesrecht - Rechtsmisbruik Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 748 Tekst van de beslissing A/2024/01062 IN DE ZAAK VAN
- [VERZOEKER]; Verzoekende partij; Oorspronkelijke verwerende partij; vertegenwoordigd door meester ## loco meester ##, advocaat met kantoor te ##; TEGEN
- [TEGENPARTIJ] Oorspronkelijke eisende partij; vertegenwoordigd door meester ## loco meester ##, advocaat met kantoor te ##; [griffie aan te vullen] I. PROCEDURE
- De rechtbank ontving op 17 oktober 2025 het verzoekschrift van [VERZOEKER] op grond van artikel 748, §2 Ger.W.. De rechtbank ontving op 4 november 2025 bemerkingen van [TEGENPARTIJ] op dit verzoekschrift. Voorkomende zaak is momenteel vastgesteld op de zitting van [DATUM]. II. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN
- [VERZOEKER] verwijst naar de op 3 april 2024 neergelegde jaarrekening van [TEGENPARTIJ], en de tussenkomst van het faillissement van [TEGENPARTIJ] bij vonnis van [$$] april
- Zij verwijst in de jaarrekening naar een gedeeltelijke afboeking van openstaande schuldvorderingen van [TEGENPARTIJ] (die een buitengerechtelijke erkenning zou uitmaken), en meent dat er bijkomende toelichting zou nodig zijn over het faillissement van [TEGENPARTIJ]. Zij stelt dat dit nieuw en ter zake doenende feiten zijn, en haar recht op een eerlijk proces zou worden geschonden indien niet over deze feiten zou kunnen worden geconcludeerd. Zij vordert op deze basis nieuwe conclusietermijnen.
- [TEGENPARTIJ] stelt dat geen nieuwe pleidooien noodzakelijk zijn. Zij stelt dat er geen sprake is van buitengerechtelijke erkenning, en verwijst hiervoor naar o.a. de aangifte faillissement die daags na haar jaarrekening werd neergelegd, en het gegeven dat zij boekhoudkundig verplicht is een afboeking te doen op een vordering waarvan onzekerheid bestaat over betaling op vervaldag. Zij verwijst verder naar het feit dat dergelijke afboeking niet definitief is. [TEGENPARTIJ] verwijst verder naar het gegeven dat de curator voortzetting van het geding na faillissement heeft bevestigd aan [VERZOEKER] op 10 juni 2025, en het voorwerp of grondslag van het geschil dus niet wordt gewijzigd. Zij stelt dat [VERZOEKER] niet aantoont hoe het faillissement de beoordeling ten gronde zou kunnen beïnvloeden. Ondergeschikt stelt zij dat [VERZOEKER] onredelijk lang zou hebben gewacht met het neerleggen van huidig verzoekschrift, en verzoekschrift louter dilatoir is en rechtsmisbruik uitmaakt. Zij verzoekt daarom gebruik van het recht te matigen en geen bijkomende conclusietermijnen toe te kennen; minstens aanzienlijk kortere conclusietermijnen toe te kennen. III. BEOORDELING
- Artikel 748 §2 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet een uitzonderlijke mogelijkheid om af te wijken van vastgestelde conclusietermijnen. Meer bepaald mag een partij die conclusie heeft genomen ten laatste 30 dagen vóór de rechtsdag om een nieuwe conclusietermijn verzoeken als zij “een nieuw en ter zake dienend stuk of feit heeft ontdekt dat nieuwe conclusies rechtvaardigt” (eigen nadruk).
- Het verzoekschrift werd tijdig neergelegd. Ontvankelijkheid van het verzoekschrift wordt niet betwist.
- De bijgebrachte stukken moet ter zake dienend zijn, wat betekent dat zij rechtstreeks verband moeten houden met de zaak en van die aard kunnen zijn dat ze de rechterlijke beslissing kunnen beïnvloeden (zie o.a. Dauw, P., Deconinck, B. en Wylleman, B., « Titel II - Behandeling en berechting van de vordering » in Duiding Burgerlijk Procesrecht – Deel I - Deel II, 3e editie, Bruxelles, Intersentia, 2021, p. 695-696; Scheers, D., Thiriar, P. en Vanlerberghe, B., “Scheers, Thiriar en Vanlerberghe over Gerechtelijk Recht”, Leuven, LeA Uitgevers, 2024, 394). Jaarrekening van 2024; [VERZOEKER] verwijst naar boekhoudkundige verwerkingen die blijken uit de laatst neergelegde jaarrekening van [TEGENPARTIJ], en die rechtstreeks betrekking hebben op het voorwerp van het geschil. In dezen is het echter duidelijk dat een afwaardering van een vordering in de boekhouding de beslissing niet kan beïnvloeden. De waardering van een actief moet immers gebeuren op basis van het voorzichtigheidsbeginsel (zie o.a. CBN advies 127/1 – Forfaitaire waardeverminderingen op vorderingen). In dezen wordt de vordering betwist, en werd in maart 2024 gedagvaard. De vorderingen in kwestie betreffen de periode van mei 2022 tot juni 2023– vervaldag van de facturen is bij alle vorderingen reeds lang verstreken. Dat de waardering van een schuldvordering naar beneden wordt gesteld kan in die context dan ook de beslissing van de rechtbank niet beïnvloeden. Bovendien moet ook opgemerkt dat noch [VERZOEKER] noch eisende partij in hun conclusies de boekhoudkundige waardering van de betreffende vorderingen hebben opgeworpen als relevant voor het geschil. Dat een verandering van die waardering een jaar na vervaldatum van de laatste factuur dan plots wél relevant zou zijn, wordt niet verantwoord. [VERZOEKER] maakt niet aannemelijk dat dergelijke afwaardering de beslissing van de rechtbank zou kunnen beïnvloeden. De jaarrekening van 2024 maakt dus geen ter zake dienend feit uit. Faillissement; [VERZOEKER] maakt niet duidelijk hoe het faillissement van [TEGENPARTIJ], in het licht van de duidelijke hervatting van het geding door de curator, een nieuw en ter zake dienend feit zou zijn voor het huidige geschil, en beperkt zich tot algemene intentieprocessen. Het faillissement van [TEGENPARTIJ] maakt dus geen ter zake dienend feit uit.
- Ten overvloede, zelfs indien de feiten ter zake dienend zouden zijn (wat dus niet het geval is), stelt de rechtbank ook vast dat er sprake is van rechtsmisbruik indien de uitoefening van een recht de [..] normale uitoefening van een recht door een voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden te buiten gaat, en rechtsmisbruik vormt. Er kan van een normaal en redelijk handelende partij worden verwacht dat wanneer zij een nieuw en volgens haar ter zake dienend feit ontdekt dat nieuwe pleidooien rechtvaardigt, zij binnen een redelijke termijn een verzoekschrift in de zin van artikel 748, §2 [instelt], minstens hierover contact opneemt met haar tegenpartij. Onredelijk lang hiermee wachten, zelfs al is de wettelijk bepaalde termijn nog niet verlopen, kan in bepaalde gevallen aanzienlijke proceseconomische gevolgen hebben voor tegenpartij (die zich immers onnodig geconfronteerd ziet met een aanzienlijke verlenging van de procesduur – die had kunnen vermeden worden bij een eerdere instelling van het verzoekschrift) en, in aanvulling op een gebrek aan procesloyaliteit, ook rechtsmisbruik uitmaken. In het huidige geval werd niet binnen een redelijke termijn dergelijk verzoekschrift ingediend: - De rechtbank stelt vast dat de nieuwe jaarrekening van [TEGENPARTIJ] reeds werd neergelegd op [X] april
- De laatste conclusies van verwerende partij werden neergelegd op [X + 1 Dag] april
- Rekening houdende met het gegeven dat jaarrekeningen niet onmiddellijk bij neerlegging publiek toegankelijk zijn, werden deze echter publiek beschikbaar minstens zeer kort na neerlegging de laatste conclusies. - Het faillissement van [TEGENPARTIJ] werd uitgesproken bij vonnis van [$$] april
- Op 10 juni 2025 werd raadsman van [VERZOEKER] door [TEGENPARTIJ] op de hoogte gebracht van voortzetting van het geding. - [VERZOEKER] legde haar verzoekschrift tot bijkomende conclusietermijnen slechts neer op 17 oktober 2025, vier
(4)maanden nadat zij op de hoogte werd gebracht van het faillissement, en nog aanzienlijk langere termijn na publicatie van de jaarrekening van [TEGENPARTIJ]. Er kan dus aangenomen worden dat er in dezen sprake is van rechtsmisbruik. Dat haar verzoekschrift uiteindelijk nog binnen de door artikel 748, §2 Ger. W. voorziene termijn valt, doet daar niet vanaf. De sanctie op rechtsmisbruik is een neutralisatie van de gevolgen ervan, waarbij het recht wordt herleid tot de normale uitoefening ervan. De herleiding van een recht tot zijn normale uitoefening kan echter zover gaan dat de rechter aan de houder van het recht de mogelijkheid ontzegt om zich erop te beroepen in de gegeven omstandigheden (zie recent Cass. 26 maart 2021, AR C.20.0342.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210326.1N.10, juportal.be en T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek Verbintenissenrecht, 2023, Lefebvre Sarrut, 389). In dit geval kan dergelijke neutralisatie, gegeven de omstandigheden, slechts een ontzegging van een beroep op dit recht betekenen. Het verzoek moet dus ook op deze grond worden afgewezen 8. Overige argumenten zijn niet relevant voor de beslissing van de rechtbank. De rechtbank acht het niet noodzakelijk deze te behandelen. IV. BESLISSING Het verzoek om nieuwe termijnen te bepalen bij toepassing van artikel 748, §2 van het Gerechtelijk Wetboek wordt afgewezen. De zitting blijft behouden op [DATUM]. Deze beschikking werd gewezen door de heer S. Verschoot, rechter en voorzitter van de negende kamer 4 PDF document ECLI:BE:ORBRL:2025:ORD.20251112.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210326.1N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div