id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 03 februar
§4
WER een straffend karakter kent, en er sprake zou zijn van twee vervolgingen voor dezelfde feiten. Bijgevolg zou het opleggen van het gevorderde bestuursverbod voor exact dezelfde feiten als diegene waarvoor reeds een strafrechtelijke sanctie werd opgelegd, een schending van het ne bis in idem-beginsel uitmaken. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Non bis in idem Tekst van de beslissing N/2026/00029 TEN VERZOEKE VAN Mr. [A.B.], advocaat, met kantoor te $$, in de hoedanigheid van curator van het faillissement van: [C.D.] (hierna: de “Gefailleerde”) aangesteld bij vonnis van X oktober 2024 door de 2de kamer van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel, Aanwezig. De Gefailleerde werd opgeroepen bij kennisgeving van X januari 2026 (XX.135 WER) en X januari 2026 (XX.129 WER), maar was niet aanwezig. I. PROCEDURE EN VORDERINGEN
- De wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werd nageleefd. De bepalingen van Boek XX van het wetboek economisch recht, in het bijzonder artikelen XX. 171, XX. 135 en XX.229 werden nageleefd.
- De curator heeft op X december 2025 een verzoekschrift tot begroting van kosten en ereloon met vergoeding ten laste van de Belgische staat en sluiting neergelegd. De curator verzoekt over te gaan tot sluiting van het faillissement. De curator vordert een beroepsverbod in de zin van artikel XX.229 en tekent verzet aan tegen de kwijtschelding.
- De zaak werd behandeld op de zitting van 27 januari 2026 in raadkamer. Er werd kennisgenomen van het nazicht en advies van de rechter-commissaris. Het Openbaar Ministerie was niet aanwezig. Het Openbaar Ministerie tekent geen verzet aan tegen de kwijtschelding of afsluiting van het faillissement. Daarna werden de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen. II. BEOORDELING
- Sluiting van het faillissement
- De PVs van nazicht van schuldvordering werden neergelegd. Betwistingen werden in zoverre als nodig beslecht. Er waren geen personeelsvorderingen. Er kon een beperkt actief van 492,80 euro gerealiseerd worden. De wettelijk bepaalde bescheiden werden uitgereikt in zoverre als nodig.
- Aangezien het actief ontoereikend is om de kosten voor het beheer en de vereffening van het faillissement te dekken, moet het faillissement afgesloten te worden, overeenkomstig artikel XX.135 WER.
- Kwijtschelding
- De curator verzet zich tegen de kwijtschelding in overeenstemming met artikel XX.173, §2 en §3 WER.
- Deze artikelen bepalen (eigen nadruk): § 2 Onverminderd paragraaf 1, bevrijden de sluiting van het faillissement bedoeld in artikel XX.135 en de sluiting bedoeld in artikel XX.171 de schuldenaar van zijn restschulden. § 3 Elke belanghebbende met inbegrip van de curator en het openbaar ministerie kan, bij verzoekschrift waarvan door de griffier wordt kennis gegeven aan de gefailleerde vanaf de bekendmaking van het faillissementsvonnis vorderen dat de kwijtschelding voor een deel of volledig wordt geweigerd bij met redenen omklede beslissing, indien de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement, of wetens naar aanleiding van de aangifte van het faillissement of naderhand op de vragen van de rechter-commissaris of van de curator onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. Het recht te vorderen dat de kwijtschelding geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, vervalt na drie jaar te rekenen vanaf het ogenblik dat het recht opname te vorderen bedoeld in XX.165, derde lid, verstreken is. Dezelfde vordering kan worden ingesteld bij wijze van derdenverzet bij verzoekschrift uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het vonnis van sluiting van het faillissement, en voor zover deze termijn van drie jaar niet verstreken is. De door de rechtbank gedeeltelijk geweigerde kwijtschelding wordt evenredig verdeeld over alle schuldeisers zonder inachtneming van de wettige reden van voorrang. Wanneer de gefailleerde beoefenaar is van een vrij beroep, dan stelt de griffier diens orde of instituut in kennis door een kopie te sturen van het vonnis waarin de kwijtschelding voor een deel of volledig wordt geweigerd. Het vonnis dat de kwijtschelding geheel of gedeeltelijk weigert wordt door de griffier bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
- De ‘kennelijke grove fout’ is de manifeste fout die elk normaal zorgvuldig en omzichtig bestuurder niet zou hebben gemaakt. ‘Kennelijk’ duidt op de marginale toetsing van het gevoerde beleid. Daarnaast moet het gaan om een grove fout, een fout die de essentiële normen van het dagelijks leven en van de samenleving aantast en waarvan de bestuurder wist of hoorde te weten dat deze schade zou veroorzaken. Ze heeft een uitzonderlijk karakter, maar mag niet zo streng beoordeeld worden dat ze gelijk komt te staan met een strafbare inbreuk (vgl. HvB Brussel 23 maart 2023, JLMB 2023/26, 1156). Het volstaat dat de kennelijk grove fout heeft bijgedragen tot het faillissement, ook al zijn er ook andere factoren geweest die aanleiding gaven tot het faillissement. Met andere woorden: de kennelijke grove fout moet hebben bijgedragen tot het faillissement zonder daartoe de uitsluitende oorzaak te zijn geweest.
- De curator verwijst naar het omvangrijke publiek passief dat werd opgebouwd, en verschillende faillissementsmisdrijven (opbouwen van kunstmatig en belastend krediet, ontijdige aangifte van faillissement en niet-verlenen van medewerking aan rechter-commissarissen en curatoren) gepleegd in het kader van de vennootschappen VOF [VEN1], VOF [VEN2] en VOF [VEN3]. Dit zijn kennelijke grove fouten. Aangezien het passief van huidig faillissement nauw verbonden is met en voortvloeit uit het passief van de betreffende vennootschappen, hebben zij ook bijgedragen aan het faillissement van de Gefailleerde. De weigering van kwijtschelding is geen maatregel met een strafrechtelijk karakter (vgl. in dezelfde zin, Ondrb. Antwerpen (afd. Hasselt) (2e k.) nr. O/24/00447, 17 oktober 2024 in Limb.Rechtsl. 2025, afl. 3, 323, noot B. Windey).
- De kwijtschelding wordt volledig geweigerd.
- Beroepsverbod
- De curator vraagt een beroepsverbod op te leggen aan de Bestuurder, beherend vennoot van de Gefailleerde, op grond van artikel XX. 229 §1 (kennelijke grove fout), §2 (geen medewerking met de curator) en §4 WER. Artikel XX. 229 WER bepaalt : §
- De insolventierechtbank die het faillissement heeft uitgesproken of, wanneer het faillissement in het buitenland is uitgesproken de insolventierechtbank te Brussel, kan, indien blijkt dat een kennelijke grove fout van de gefailleerde heeft bijgedragen tot het faillissement, deze bij een met redenen omkleed vonnis verbod opleggen persoonlijk of door een tussenpersoon een onderneming uit te baten. §
- Indien blijkt dat de gefailleerde of de bestuurders en de zaakvoerders van de gefailleerde rechtspersoon, zonder wettig verhinderd te zijn, hebben verzuimd de verplichtingen gesteld bij artikel XX.146 na te leven, kan de insolventierechtbank of de ondernemingsrechtbank te Brussel, wanneer het faillissement is uitgesproken in het buitenland, aan deze personen bij een met redenen omkleed vonnis het verbod opleggen om persoonlijk of door toedoen van een tussenpersoon, de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een rechtspersoon, enige functie waarbij macht wordt verleend om een rechtspersoon te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België bedoeld in artikel 2:149 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of het beroep van effectenmakelaar of correspondenteffectenmakelaar uit te oefenen. §
- Voor de toepassing van dit artikel worden met de gefailleerde gelijkgesteld, de bestuurders en zaakvoerders van een failliet verklaarde rechtspersoon wier ontslag niet een jaar voor de faillietverklaring is bekendgemaakt, alsmede enig ander persoon die zonder beheerder of zaakvoerder te zijn, werkelijk de bevoegdheid zal gehad hebben de failliet verklaarde rechtspersoon te beheren. §
- Daarenboven kan de ondernemingsrechtbank die het faillissement van de rechtspersoon heeft uitgesproken, of de insolventierechtbank te Brussel wanneer het in het buitenland is uitgesproken, indien blijkt dat een kennelijke grove fout van een van de personen, krachtens paragraaf 3 gelijkgesteld met de gefailleerde, heeft bijgedragen tot het faillissement, aan deze persoon bij een met redenen omkleed vonnis het verbod opleggen om persoonlijk of door een tussenpersoon, functie uit te oefenen waarbij macht wordt verleend om een rechtspersoon te verbinden. §
- De duur van het verbod bepaald in de paragrafen 1, 3 en 4 wordt vastgesteld door de rechtbank. Hij bedraagt maximum tien jaar. De duur van het verbod bepaald in paragraaf 2 wordt vastgesteld door de rechtbank. Hij bedraagt drie jaar. §
- De rechtbank kan het verbod voorwaardelijk opleggen voor een duur van drie jaar of de uitspraak opschorten voor een zelfde duur. De rechtbank bepaalt de voorwaarden waaraan het uitstel of de opschorting van de uitspraak onderworpen zijn.
- De curator verwijst naar de kennelijk grove fouten zoals hierboven reeds vastgesteld, die hebben bijgedragen tot huidig faillissement, en hebben geleid tot een veroordeling tot een gevangenisstraf, boete en strafrechtelijk bestuursverbod bij vonnis van de Nederlandstalige Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 19 december
- De rechtbank stelt ambtshalve vast dat de curator feitelijk de toepassing van art. XX.229, §
§4
WER vordert voor fouten die reeds hebben geleid tot een strafrechtelijke veroordeling. Er wordt gevorderd louter op basis van dezelfde feiten, tegen dezelfde persoon. Er wordt niet opgeworpen dat de veroordeling nog niet definitief zou zijn. Bijgevolg moet worden overwogen, zelfs ambtshalve gegeven het karakter als algemeen rechtsbeginsel (en mensenrechtelijk beginsel) van openbare orde (vgl. Cass. 19 maart 2002, P.00.1603.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020319.6) en het gezag van gewijsde van de reeds opgelegde veroordeling, of het opleggen van een bestuursverbod op basis van de exact zelfde feiten (waarvan wordt gesteld dat ze niet enkel een misdrijf vormen, maar óók een kennelijke grove fout) een schending van het ne bis in idem-beginsel uitmaakt. Bij bevraging ter zitting hierover verklaart de curator zich naar de wijsheid van de rechtbank te gedragen. 14. Het ne bis in idem-beginsel verbiedt een persoon te vervolgen of te berechten voor een tweede misdrijf voor zover identieke feiten of feiten die in hoofdzaak dezelfde zijn eraan ten grondslag liggen. Het beginsel biedt bescherming tegen dubbele vervolging (vgl. art. 4 van zevende protocol bij het EVRM; EHRM 10 februari 2009, Sergey Zolotukhin/Rusland, https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-91222; GwH nr. 181/2013, 19 december 2013, jura.be, noot; Art. 50 EU Handvest van Grondrechten van de EU). Het beginsel zou worden geschonden wanneer een persoon voor een bepaald feitelijk gedrag reeds een strafrechtelijke sanctie heeft opgelegd gekregen, en vervolgens datzelfde gedrag met een burgerlijke sanctie die evenwel een strafrechtelijk karakter kent zou worden gesanctioneerd. 15. Hiertoe beoordeelt de rechtbank eerst of de betreffende procedures een straf uitmaken. Dit lijkt de rechtbank niet betwist voor de strafrechtelijke veroordelingen die reeds werden uitgesproken. Wat betreft de gevorderde bestuursverboden, acht de rechtbank het nuttig om de analyse meer in detail uit te voeren. Daarbij moet worden getoetst aan de autonome begrippen van ‘straf’ zoals erkend door het Europees Hof van de Rechten van de Mens en het Europees Hof van Justitie (vgl. EHRM, 8 juni 1976, Engel et al. vs. Nederland; Hof van Justitie, 5 juni 2012, Bonda, C‑489/10). Hoewel deze hoven niet volledig identieke criteria hanteren, meent de rechtbank dat er zelfs rekening houdende met enige divergentie, voldoende duidelijkheid is om tot een evaluatie over te gaan. (
- i)Juridische kwalificatie in nationaal recht: Er moet rekening worden gehouden met de juridische kwalificatie in nationaal recht, zonder dat dit echter een sluitend criterium is als de andere twee criteria de andere richting uitwijzen (vgl. Hof van Justitie, 20 maart 2018, C-524/15, Menci, §29-30)). De wetgever heeft (zij het met een slag om de arm) geoordeeld dat een verbod op grond van artikel XX.229 WER een straf kan uitmaken, en daarom modaliteiten toegekend: “In de mate dat geoordeeld zou worden dat die verbodsbepalingen zijn inde zin waarin het Europees Hof het begrip “straf” omschrijft, leek het gewenst ook op analoge wijze met het strafrecht, de mogelijkheid toe te kennen van de opschorting en van de voorwaardelijke sanctie” (Wetsontwerp boek XX WER van 20 april 2017, Parl. St. Kamer 2016-17, 54K2407001, 105). Er werd verder bij de totstandkoming van de clausules overwogen dat de verbodsbepalingen niet zouden worden toegepast op beoefenaars van vrije beroepen die onderworpen zijn aan een eigen tuchtregeling, aangezien “dit had kunnen leiden tot een dubbele bestraffing” (Ibid.). De rechtbank ziet niet in waarom er wel sprake zou kunnen zijn van een ne bis in idem bij overlap met bestraffing door een tuchtoverheid, maar niet bij bestraffing door een strafgerecht. Dit is een afwijking van wat oorspronkelijk werd gesteld in de voorbereidende werken van het KB nr. 22 van 24 oktober 1934, waaruit de betreffende bepalingen afstammen (“Bovendien heeft het verbod hier niet het karakter van een straf, maar van eene burgerlijke onbekwaamheid waaraan artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht vreemd is […];” (Belgisch Staatsblad, 27 oktober 1934, pp. 5768-5769)). Het toenmalige Arbitragehof (nu Grondwettelijk Hof) had eerder al geoordeeld dat er sprake was van een schending van het gelijkheidsbeginsel omdat er (in eerdere versies van het burgerrechtelijk beroepsverbod) kort door de bocht gesteld geen maatregel van minder dan 3 jaar kon worden opgelegd, noch modaliteiten konden worden toegekend (vgl. Arbitragehof 12 juli 2006, nr. 119/2006, BS. 3 oktober 2006; Arbitragehof 22 november 2007, nr. 144/2007, BS. 28 januari 2008; GwH 31 mei 2012, nr. 70/2012, BS. 7 augustus 2002 en GwH 14 november 2012, nr. 138/2012, BS. 22 januari 2013). Samengevat kan dus worden gesteld dat, hoewel de wetgever een zekere ‘wazigheid’ laat, deze tot op zekere hoogte wel degelijk het (mogelijks) straffende karakter erkent. (
- ii)De intrinsieke aard van de inbreuk: Voor de beoordeling van dit criterium moet worden beoordeeld of het doel van de maatregel een straffend doel is. Het enkele feit dat er ook een afschrikkend doel is, betekent niet dat er geen kwalificatie als strafrechtelijke inbreuk mogelijk is (Hof van Justitie, 20 maart 2018, C-524/15, Menci, §31). Een enkele herstelling van de veroorzaakte schade heeft geen strafrechtelijke aard (vgl. Hof Van Justitie 23 maart 2023, C-412/21, Dual Prod Srl, §30). Wanneer het om een (beweerdelijke) beschermende maatregel gaat, moet onder meer in rekening worden genomen of de maatregel werkelijk is afgestemd op bescherming, onder meer in het licht van modaliteiten en duurtijd (vgl. Hof van Justitie 14 september 2023, C-27/22, Volkswagen Group Italia and Volkswagen Aktiengesellschaft, §50-52). Het beroepsverbod op de (toen nog niet-verschoonde) gefailleerde werd ingevoerd ter bescherming van de maatschappij, als een beveiligingsmaatregel (zie hoger). In het verslag aan de koning bij het oorspronkelijke KB nr. 22 van 24 oktober 1934, wordt als volgt gemotiveerd: “In een land waar het vermogen in vele handen is, worden de kapitalen, die ter beschikking van de leiders van deze vennootschappen worden gesteld, hun in de meeste gevallen toevertrouwd door aandeelhouders, die van financieele zaken maar weinig weten, niet op de hoogte zijn van hun rechten en door handige reclame worden aangelokt. Om het vertrouwen in bedoelde instellingen te versterken komt het er op aan het bestuur, het toezicht en het beheer er van te ontzeggen aan onwaardige personen, wier gebrek aan rechtschapenheid duidelijk blijkt of aan personen, zooals gefailleerden, die, waar ze zich ongeschikt hebben betoond om hun eigen zaken te beheeren, niet zonder gevaar geroepen kunnen worden om andermans belangen waar te nemen” ). […]» (Belgisch Staatsblad, 27 oktober 1934, pp. 5768-5769). Art. 3bis, met betrekking tot de gefailleerde, beheerder of zaakvoerder van een handelsvennootschap die met een kennelijke grove fout had bijgedragen tot het faillissement, werd pas door de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering werden ingevoerd. Uit de voorbereidende werkzaamheden daarvan blijkt dat de maatregel werd ingevoerd met als doel “gezondmaking van de handelsfunctie.” (Parl. St. Senaat, 1977-1978, nr. 415/1, p. 46 ). In diezelfde voorbereidende werken werd echter ook het volgende aangegeven (ibid., p. 46-47): “Anderzijds wil men een grotere verantwoordelijkheid opleggen aan diezelfde beheerders, zaakvoerders en tussenpersonen, wanneer er bij faling tekort in het actief is alsmede wanbeheer dat die toestand veroorzaakte. [...] Dit wetgevend geheel bestaat uit een aangepast geheel van bestrijdingsmaatregelen tegen de handelwijzen van de koppelbazen, die hun handelingen verdoezelen door het stichten van vennootschappen zonder de financiële middelen waarop hun schuldeisers wettelijk aanspraak kunnen maken, of die de door hen in rechte of in feite bestuurde vennootschappen failliet laten gaan zonder enig schadelijk gevolg, noch voor hun persoonlijk patrimonium, noch voor de mogelijkheid om met hun ongeoorloofde handel te herbeginnen onder een andere dekmantel.” Hieruit blijkt dat, ondanks de duidelijke en primaire doelstelling als beveiligingsmaatregel, men ook ‘verantwoordelijkheid wilde opleggen aan’ de betrokken personen, onder meer door dit gevolgen te geven voor hun persoonlijk patrimonium en “de mogelijkheid om met hun ongeoorloofde handel te herbeginnen onder en dekmantel”. Daarin schuilt ook een zeker sanctionerend doel en karakter. Dit (zij het ondergeschikt) sanctionerend doel blijkt verder ook uit het gegeven dat het verbod slechts kan ophouden gevolg te hebben bij intrekking van faillissement of bij rehabilitatie (art. XX.235 WER), waarbij rehabilitatie slechts mogelijk is indien aan alle schulden werd voldaan (art. XX.237 WER) – zonder dat hier enig verband wordt gelegd met bescherming van de maatschappij. Ook zonder dat aan alle schulden werd voldaan, kan het immers niet worden uitgesloten dat na meerdere jaren de situatie dermate veranderd is dat een beroepsverbod louter vanuit het standpunt van bescherming van de maatschappij niet langer noodzakelijk of zelfs wenselijk is. Dit geldt des te meer indien de gefailleerde bovendien ook de kwijtschelding zou genoten hebben: indien een gefailleerde enerzijds wel kwijtschelding verkrijgt maar anderzijds ook een beroepsverbod wordt opgelegd (er kan immers een beroepsverbod worden opgelegd ook wanneer niet tegen de automatische kwijtschelding wordt opgekomen maar wel een beroepsverbod wordt gevorderd; vgl. a contrario, N. Ouchinsky en W. David, “L’effacement et les mesures d’interdiction” in F. George en F. Georges (eds.), Regards croisés en droit de l’insolvabilité, Anthemis, 2025, 84), kan men dus slechts uit het beroepsverbod worden ontheven wanneer men ondanks een kwijtschelding toch terugbetaalt (of het faillissement wordt ingetrokken). Men zou zich kunnen afvragen of dit, bij een loutere doelstelling van maatschappijbescherming, gewenst zou zijn. Bovendien kan ook worden gewezen op de omschrijving van de ‘kennelijke grove fout’ zelf, die een verregaande mate van minstens nalatigheid veronderstelt om tot sanctionering te kunnen overgaan – zodat de bestrafte er zich ofwel bewust van was of had van moeten zijn dat hij een feit pleegde dat zou kunnen gesanctioneerd worden (vgl. A. Chomé et M. de Risi, « L’interdiction professionnelle prononcée par le tribunal de l’insolvabilité : une peine qui ne dit pas son nom? », R.E.D.I., 2023/4, pp. 213). Uit samenlezing hiervan kan worden afgeleid dat hoewel het beroepsverbod in haar aard hoofdzakelijk een beveiligingsmaatregel is (en door de rechtspraak ook vanuit dit oogpunt wordt toegepast), zij in haar huidige implementatie ook duidelijk sanctionerend doel in zich draagt (vgl. Brussel 14 nov. 2024, onuitg.: “La peine déjà pronconée par la cour dans son arrêt du 31 mars 2023 suffit à une juste répression du comportoment gravement fautif de [X].", vrij vertaald: “De reeds uitgesproken straf door het hof in haar arrest van 31 maart 2023 volstaat voor een correcte bestraffing van de kennelijke grove fout van [X]”, zoals geciteerd door N. Ouchinsky en W. David, “L’effacement et les mesures d’interdiction” in F. George en F. Georges (eds.), Regards croisés en droit de l’insolvabilité, CUP, 2025, 86; vgl. ook Brussel 7 april 2002, TRV-RPS 2023, 197, “et dont le législateur a entendu voir le comportement sanctionné par un écartement du circuit économique”, vrij vertaald: “en waarvan de wetgever het gedrag heeft willen bestraffen met een verwijdering uit het economisch verkeer”). (iii) Ernst van de sanctie: de sanctie (i.e. het niet kunnen uitoefenen van het recht op ondernemen, een fundamenteel grondrecht in de Belgische orde, zoals vervat in artikel II.3 WER en terugdaterend naar het vroegere Decreet D’Allarde) is een bijzonder zware sanctie: ze belet immers in ernstige mate de mogelijkheid van de persoon aan wie zij is opgelegd om inkomsten te verwerven. Uit samenlezing van deze factoren (de wetgever die niet uitsluit dat er sprake is van een strafrechtelijke sanctie, de wetgever die expliciet bepaalde beroepsgroepen uitsluit uit het toepassingsgebied om dubbele bestraffing te vermijden, de modaliteiten en voorbereidende werking die duiden op een (zij het ondergeschikt) sanctionerend karakter, en de ernstige gevolgen van de sanctie), kan worden afgeleid dat er sprake is van een strafrechtelijk karakter in de zin van de rechtspraak van het EHRM (en Hof van Justitie). (Zie ook in dezelfde zin Orb. Luik (afd. Namen), 18 april 2019, JLMB 2021/26, 1160-1162; Y. ALSTEENS, “La faute interdite: développements jurisprudentiels en matière d’interdiction professionnelle », RPS-TRV 2023, 201 ; A. Chomé et M. de Risi, « L’interdiction professionnelle prononcée par le tribunal de l’insolvabilité : une peine qui ne dit pas son nom? », R.E.D.I., 2023/4, pp. 212-213). 16. Bovendien is er in dezen ook geen nauwe link in voorwerp en tijd tussen de betreffende strafrechtelijke procedure en huidige procedure (het “bis” aspect van “ne bis in idem”) (vgl. EHRM 15 november 2016, Case of A and B v. Norway, app. nos. 24130/11 en 29758/11, https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-168972; Hof van Justitie 30 januari 2025, C-205/23, Engie România SA). Er is immers betrekkelijke overlap tussen de sancties, die toch niet identiek zijn, en beide sancties worden bovendien opgelegd of gevorderd in onderscheiden procedures met een andere aanleiding en verschillende jaren ertussen, waarbij dezelfde aspecten van dezelfde feiten worden gesanctioneerd (en zelfs gedeeltelijk, voor wat betreft het strafrechtelijk bestuursverbod, met een zeer gelijkaardige sanctie). 17. De rechtbank stelt vast dat een bestuursverbod in de zin van art. XX.229, §
§4
WER een straffend karakter kent, en er sprake zou zijn van twee vervolgingen voor dezelfde feiten. Bijgevolg zou het opleggen van het gevorderde bestuursverbod voor exact dezelfde feiten als diegene waarvoor reeds een strafrechtelijke sanctie werd opgelegd, een schending van het ne bis in idem-beginsel uitmaken.
- De rechtbank stelt vast dat reeds een gevangenisstraf van 18 maanden, een geldboete van 8000 euro en een strafrechtelijk beroepsverbod van 10 jaar werd opgelegd – welke straf duidelijk en zonder dat hierover ernstig debat mogelijk is zwaarder is dan het gevorderde burgerrechtelijk beroepsverbod. De rechtbank stelt vast dat er geen enkele motivering wordt gegeven, dan wel reden voorhanden lijkt te zijn, om een bijkomend burgerrechtelijk beroepsverbod op te leggen (vgl. art. 65, §2 strafwetboek, . Chomé et M. de Risi, « L’interdiction professionnelle prononcée par le tribunal de l’insolvabilité : une peine qui ne dit pas son nom? », R.E.D.I., 2023/4, pp. 214-
- De vordering tot oplegging van een bestuursverbod in de zin van art. XX.229, §
§4WER wordt afgewezen.
19. Wat betreft art. XX.229, §2 WER, wijst de curator op een absoluut gebrek aan medewerking bij de afwikkeling van het faillissement. Er volgde na aanschrijven door de curator geen enkele reactie, noch contactname. Deze ingesteldheid is niet verenigbaar met normaal economisch handelen, en rechtvaardigt een maximumtermijn van 3 jaar. Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat het beroepsverbod van art. XX.229, §2 WER andere feiten sanctioneert dan het hierboven afgewezen beroepsverbod van art. XX.229, §
§4WER, en er zich dus geen schending van het ne bis in idem-beginsel voordoet.
III. BESLISSING De rechtbank: Verklaart het faillissement van [de Gefailleerde], afgesloten wegens ontoereikend actief overeenkomstig artikel XX.135 WER. Begroot de erelonen en kosten van de curator op 1.544,31 euro (incl. BTW), waarvan 1.051,51 euro ten laste van de Belgische Staat. Legt [C.D.], een verbod op om gedurende 3 jaar persoonlijk of door een tussenpersoon de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een rechtspersoon, enige functie waarbij macht wordt verleend om een rechtspersoon te verbinden, de functie van persoon, belast met het bestuur van een vestiging in België bedoeld in artikel 2:149 WVV of het beroep van effectenmakelaar of correspondenteneffectenmakelaar uit te oefenen (artikel XX. 229 §2 j. § 5 WER). Zegt dat dit vonnis zal worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad door toedoen van de griffier binnen de vijf dagen na de datum van het vonnis. Ontheft de curator vervolgens van zijn opdracht. Beveelt de kennisgeving van dit vonnis per gerechtsbrief aan dhr. [C.D.]. Dit vonnis werd gewezen door de 2de Kamer – Zaal A van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank te Brussel, samengesteld uit: De heer VERSCHOOT, Rechter, Kamervoorzitter, De heer [T.V.G.], Rechter in Ondernemingszaken, De heer [A.V.], Rechter in Ondernemingszaken, Die alle zittingen hebben bijgewoond en aan het beraad hebben deelgenomen. Het vonnis werd uitgesproken in openbare zitting, in toepassing van artikel 6, eerste lid van het verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, door de heer S. VERSCHOOT, Rechter, Kamervoorzitter, bijgestaan door de heer K. NEVENS, Afg. Griffier PDF document ECLI:BE:ORBRL:2026:JUG.20260203.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020319.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div