id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 03 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORBRL:2026:JUG.20260203.2 Rolnummer: O/2025/02008 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2026-02-06 Raadplegingen: 387 - laatst gezien 2026-06-18 10:32 Fiche 1 Een grove nalatigheid (en zeker een geheel van verschillende grove nalatigheden zoals hier voorhanden
- is)kan, zelfs als niet intentioneel en bij gebrek aan kwade trouw, ook een kennelijke grove fout uitmaken. Een kwalificatie als “straf” in de zin van art. 6 EVRM doet hier niet van af. Een gebrek aan intentionaliteit kan wel tot een beperking van de duur van het verbod nopen. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement Vrije woorden: Strafrechtelijk karakter; XX.229 WER; Kennelijke grove fout Fiche 2 Wanneer verwerende partij, zoals hij zelf aangeeft, snel verandert van in het bijzonder mentale staat, was het aan hem om er – zelfs bij oprichting van zijn vennootschap, maar zeker wanneer hij merkte dat zijn staat achteruitging – erover te waken dat een derde ervoor zou zorgen dat de vennootschap aan haar meest basale plichten zou voldoen. Nalatigheid om hierin te voldoen, maakt evenzeer een kennelijke grove fout uit (vgl. Brussel 7 april 2002, TRV-RPS 2023, 197). UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement Fiche 3 Ondanks de strafrechtelijke kwalificatie, moet de maatregel van het beroepsverbod ook als een beschermingsmaatregel van de maatschappij worden gezien (vgl. MvT KB nr. 22 van 24 oktober 1934, BS. 27 oktober 1934, pp. 5768-5769: “In een land waar het vermogen in vele handen is, worden de kapitalen, die ter beschikking van de leiders van deze vennootschappen worden gesteld, hun in de meeste gevallen toevertrouwd door aandeelhouders, die van financieele zaken maar weinig weten, niet op de hoogte zijn van hun rechten en door handige reclame worden aangelokt. Om het vertrouwen in bedoelde instellingen te versterken komt het er op aan het bestuur, het toezicht en het beheer er van te ontzeggen aan onwaardige personen, wier gebrek aan rechtschapenheid duidelijk blijkt of aan personen, zooals gefailleerden, die, waar ze zich ongeschikt hebben betoond om hun eigen zaken te beheeren, niet zonder gevaar geroepen kunnen worden om andermans belangen waar te nemen” ). […]”. In dezen toont verwerende partij op geen enkele wijze aan dat dergelijke bescherming niet langer noodzakelijk zou zijn: in de mate waarin zij immers aantoont dat er sprake is van fysieke of mentale ongeschiktheid, toont zij op geen enkele wijze aan dat deze er niet langer zou zijn, en dat zij op korte termijn in staat is opnieuw een onderneming uit te baten. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement Vrije woorden: XX.229 WER; Strafrechtelijk karakter; Beschermingsmaatregel Tekst van de beslissing O/2025/02008 IN DE ZAAK VAN De Procureur Des Konings van Halle-Vilvoorde, woonplaats kiezende op diens parket eisende partij; aanwezig, vertegenwoordigd door mevr. $$, Substituut-Procureur des Konings TEGEN Dhr. [VERWEERDER] Verwerende partij; Ter zitting vertegenwoordigd door mr. $$ I. PROCEDURE 1. De wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werd nageleefd. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd, werden in acht genomen. 2. De rechtbank nam kennis van: - dagvaarding tot het opleggen van een verbod om een onderneming uit te baten (art. XX.230 WER), betekend op 29 augustus 2025; - het tegensprekelijk uitstel verleend op de zittingen van $$ oktober 2025 en $$ november 2025; - de conclusie en stukkenbundel van de verwerende partij. 3. De zaak werd behandeld op de zitting van 13 januari 2026 in raadkamer. Daarna werd de zaak in beraad genomen. II. FEITEN 4. [VENNS1] (de “vennootschap”) werd failliet verklaard op $$ april 2023, waarbij een aanzienlijk passief – voornamelijk lastens publieke schuldeisers - bleef. Verwerende partij was bestuurder van deze vennootschap in eigen naam sinds oprichting op 1 augustus 2019. De zetel van de vennootschap werd op 5 januari 2022 ambtshalve geschrapt. 5. Verwerende partij kende ernstige medische problemen sinds een schietincident waarin hij per toeval betrokken raakte in 2015. Hij werd op $$ november 2015 geopereerd, en werd in juni 2020 (na oprichting van de vennootschap tijdens een ‘betere’ periode) gediagnosticeerd met een bipolaire affectieve stoornis. Hij lijdt aan post-traumatische stress die zich o.m. veruitwendigt in regelmatige paniekaanvallen en slapeloosheid. Dit alles blijkt uit het voorgelegde medisch dossier (stuk 1 verwerende partij). Hij geeft aan sinds enkele maanden herstellende te zijn en vooruitzicht te hebben op een volledig herstel van zijn psychische en fysieke gezondheid, maar hiervan worden geen stukken voorgelegd. III. VORDERINGEN 6. De vordering van eisende partij strekt ertoe verwerende partij te veroordelen tot een verbod om, persoonlijk of door tussenpersoon, een onderneming uit te baten gedurende 10 jaar. 7. Verwerende partij vordert de vordering ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, te zeggen dat er geen reden is om een beroepsverbod op te leggen, en kosten van het geding ten laste van eisende partij te leggen. Ondergeschikt vordert zij ter zitting de duur van het eventueel op te leggen verbod te verlagen. IV. BEOORDELING 1.1. Bevoegdheid en ontvankelijkheid 8. Er wordt geen exceptie van onbevoegdheid opgeworpen. Het geding kadert in een faillissementsprocedure. Het centrum van de voornaamste belangen van de verwerende partij bevindt zich in het rechtsgebied van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel, zodat deze rechtbank territoriaal bevoegd is. De rechtbank is bevoegd. 9. Ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist. De vordering is ontvankelijk. 1.2. Ten gronde 10. Eisende partij vraagt een beroepsverbod op te leggen aan verwerende partij op grond van artikel XX. 229 §1 (kennelijke grove fout gefailleerde) en §2 (geen medewerking met de curator) Wetboek Economisch Recht (WER). Artikel XX. 229 WER bepaalt : § 1. De insolventierechtbank die het faillissement heeft uitgesproken of, wanneer het faillissement in het buitenland is uitgesproken de insolventierechtbank te Brussel, kan, indien blijkt dat een kennelijke grove fout van de gefailleerde heeft bijgedragen tot het faillissement, deze bij een met redenen omkleed vonnis verbod opleggen persoonlijk of door een tussenpersoon een onderneming uit te baten. § 2. Indien blijkt dat de gefailleerde of de bestuurders en de zaakvoerders van de gefailleerde rechtspersoon, zonder wettig verhinderd te zijn, hebben verzuimd de verplichtingen gesteld bij artikel XX.146 na te leven, kan de insolventierechtbank of de ondernemingsrechtbank te Brussel, wanneer het faillissement is uitgesproken in het buitenland, aan deze personen bij een met redenen omkleed vonnis het verbod opleggen om persoonlijk of door toedoen van een tussenpersoon, de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een rechtspersoon, enige functie waarbij macht wordt verleend om een rechtspersoon te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België bedoeld in artikel 2:149 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of het beroep van effectenmakelaar of correspondenteffectenmakelaar uit te oefenen. § 3. Voor de toepassing van dit artikel worden met de gefailleerde gelijkgesteld, de bestuurders en zaakvoerders van een failliet verklaarde rechtspersoon wier ontslag niet een jaar voor de faillietverklaring is bekendgemaakt, alsmede enig ander persoon die zonder beheerder of zaakvoerder te zijn, werkelijk de bevoegdheid zal gehad hebben de failliet verklaarde rechtspersoon te beheren. § 4. Daarenboven kan de ondernemingsrechtbank die het faillissement van de rechtspersoon heeft uitgesproken, of de insolventierechtbank te Brussel wanneer het in het buitenland is uitgesproken, indien blijkt dat een kennelijke grove fout van een van de personen, krachtens paragraaf 3 gelijkgesteld met de gefailleerde, heeft bijgedragen tot het faillissement, aan deze persoon bij een met redenen omkleed vonnis het verbod opleggen om persoonlijk of door een tussenpersoon, functie uit te oefenen waarbij macht wordt verleend om een rechtspersoon te verbinden. § 5. De duur van het verbod bepaald in de paragrafen 1, 3 en 4 wordt vastgesteld door de rechtbank. Hij bedraagt maximum tien jaar. De duur van het verbod bepaald in paragraaf 2 wordt vastgesteld door de rechtbank. Hij bedraagt drie jaar. § 6. De rechtbank kan het verbod voorwaardelijk opleggen voor een duur van drie jaar of de uitspraak opschorten voor een zelfde duur. De rechtbank bepaalt de voorwaarden waaraan het uitstel of de opschorting van de uitspraak onderworpen zijn. 11. Wat betreft art. XX.229, §2 WER blijkt uit de bij het dossier van eisende partij gevoegde stuk memorie van de curator een volledig gebrek aan medewerking door de bestuurder. Er volgde na contactname, en zelfs bezoek aan het adres van de zetel van de vennootschap, geen enkele reactie door verwerende partij. 12. Verwerende partij was bestuurder van de vennootschap in de zin van artikel XX. 229 §3 WER. Bijgevolg kan hij met de gefailleerde worden gelijkgesteld en valt hij binnen het personele toepassingsgebied van art. XX.229, §1 WER en art. XX.229, §4 WER. Eisende partij voert aan dat: - Er geen jaarrekeningen werden neergelegd, en de curator aangeeft geen enkele boekhouding te hebben ontvangen; - De vennootschap sinds de start geen sociale bijdragen betaalde, en bovendien ook vennootschapsbelasting en BTW niet betaald werd, en de vennootschap zichzelf op deze wijze kunstmatig krediet verschafte; - Er laattijdig aangifte van het faillissement werd gedaan in toepassing van art. XX.102 WER (de vennootschap moest worden gedagvaard door één van haar schuldeisers, en dit terwijl er reeds een passief van in totaal 138.917,31 euro werd opgebouwd zonder noemenswaardig actief); - Er geen werkelijke zetel was, aangezien deze gevestigd was op de zetel van accountantskantoor ‘Belaccount’, die meedeelden dat zij niets met de gefailleerde vennootschap te maken hadden, en zij het pand gehuurd hadden na vertrek van de gefailleerde vennootschap Dit alles wordt niet weerlegd. Er is duidelijk sprake van kennelijk grove fouten die hebben geleid, en dus zeker bijgedragen, tot een faillissement. 13. Het verweer van verwerende partij betwist bovenstaande feiten niet, maar is gebaseerd op het argument dat verweerder niet moedwillig en te kwader trouw de vennootschap failliet heeft laten gaan. Het verwijst naar de ernstige medische problemen van verwerende partij. Er worden verschillende stukken aangebracht waaruit blijkt dat verwerende partij inderdaad ernstige psychische problemen heeft gekend. Dat de vennootschap wel kon worden opgericht, wordt gekaderd in een periode waarin verwerende partij aangaf geen last te hebben van deze problemen. Daarna zou verwerende partij zijn hervallen – wat heeft geleid tot de hierboven opgesomde feiten. Vervolgens wordt aangegeven, evenwel zonder stukken die dit staven, dat verwerende partij vooruitzicht heeft op een volledig herstel van zijn psychische en fysieke gezondheid. In essentie betoogt verwerende partij hiermee dat opdat er sprake zou zijn van een misdrijf, er sprake moet zijn van een materieel en een moreel bestanddeel, en dat het betreffende moreel bestanddeel niet aanwezig is, dan wel dat er sprake is van een verschoningsgrond. De rechtbank stelt vast dat het gevorderde beroepsverbod kan worden opgelegd zonder dat er een strafbaar misdrijf moet worden bewezen: een kennelijk grove fout die heeft bijgedragen tot het faillissement is het noodzakelijk maar ook voldoende criterium (vgl. I. MERTENS en N. VERMEERSCH, Insolventie van ondernemingen; de wet van 7 juni 2023, met 5 jaar rechtspraak sinds de inwerkingtreding van de wet van 11 augustus 2017, tweede ed., LeA uitgevers, 258). Dergelijk foutcriterium vereist geen intentionaliteit. Een grove nalatigheid (en zeker een geheel van verschillende grove nalatigheden zoals hier voorhanden
- is)kan, zelfs als niet intentioneel en bij gebrek aan kwade trouw, ook een kennelijk grove fout uitmaken. Een kwalificatie als “straf” in de zin van art. 6 EVRM doet hier niet van af. 14. […] Verwerende partij maakt immers dan wel waarschijnlijk dat er sprake is of was van dergelijke problemen – die een verschoningsgrond kunnen uitmaken, eisende partij toont echter aan dat deze problemen niet afdoende de totale staat van verwaarlozing van de vennootschap rechtvaardigen. Wanneer verwerende partij, zoals hij zelf aangeeft, snel verandert van in het bijzonder mentale staat, was het aan hem om er – zelfs bij oprichting van zijn vennootschap, maar zeker wanneer hij merkte dat zijn staat achteruitging – erover te waken dat een derde ervoor zou zorgen dat de vennootschap aan haar meest basale plichten zou voldoen. Nalatigheid om hierin te voldoen, maakt evenzeer een kennelijke grove fout uit (vgl. Brussel 7 april 2002, TRV-RPS 2023, 197). Het feit dat dit overigens reeds vanaf de oprichting van de vennootschap niet gebeurde, maakt het bovendien weinig waarschijnlijk dat enkel de beweerde onbekwaamheid van verwerende partij tot de fouten heeft geleid. Verwerende partij geeft immers zelf aan dat hij bij oprichting van de vennootschap wél in goede gezondheid verkeerde. 15. Ten slotte werpt de rechtbank op dat, ondanks de strafrechtelijke kwalificatie, de maatregel van het beroepsverbod ook als een beschermingsmaatregel van de maatschappij moet worden gezien (vgl. MvT KB nr. 22 van 24 oktober 1934, BS. 27 oktober 1934, pp. 5768-5769: “In een land waar het vermogen in vele handen is, worden de kapitalen, die ter beschikking van de leiders van deze vennootschappen worden gesteld, hun in de meeste gevallen toevertrouwd door aandeelhouders, die van financieele zaken maar weinig weten, niet op de hoogte zijn van hun rechten en door handige reclame worden aangelokt. Om het vertrouwen in bedoelde instellingen te versterken komt het er op aan het bestuur, het toezicht en het beheer er van te ontzeggen aan onwaardige personen, wier gebrek aan rechtschapenheid duidelijk blijkt of aan personen, zooals gefailleerden, die, waar ze zich ongeschikt hebben betoond om hun eigen zaken te beheeren, niet zonder gevaar geroepen kunnen worden om andermans belangen waar te nemen” ). […]”. In dezen toont verwerende partij op geen enkele wijze aan dat dergelijke bescherming niet langer noodzakelijk zou zijn: in de mate waarin zij immers aantoont dat er sprake is van fysieke of mentale ongeschiktheid, toont zij op geen enkele wijze aan dat deze er niet langer zou zijn, en dat zij op korte termijn in staat is opnieuw een onderneming uit te baten. 16. De rechtbank meent echter wel dat het gebrek aan intentionaliteit tot een beperking van de duur van het beroepsverbod kan nopen. Dit lijkt de rechtbank hier het geval te zijn. De duur wordt beperkt tot 4 jaar. 17. De rechtbank legt een verbod op gedurende een periode van 4 jaar op grond van artikel XX.229 §1 j. §3 en §5 WER en § 5 WER en gedurende een periode van 3 jaar op grond van artikel XX. 229 §2 j. §5 WER. V. BESLISSING Rekening houdende met het bovenstaande, De rechtbank: Verklaart zich bevoegd om kennis te nemen, doet uitspraak bij verstek en neemt, na beraadslaging, de volgende beslissing. Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk en gegrond in de hieronder bepaalde mate. Legt [VERWEERDER] verbod op om: - gedurende 4 jaar persoonlijk of door een tussenpersoon een onderneming uit te baten (artikel XX. 229 §1 j. §3 en §5WER); en - gedurende 3 jaar persoonlijk of door een tussenpersoon de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een rechtspersoon, enige functie waarbij macht wordt verleend om een rechtspersoon te verbinden, de functie van persoon, belast met het bestuur van een vestiging in België bedoeld in artikel 2:149 WVV of het beroep van effectenmakelaar of correspondenteneffectenmakelaar uit te oefenen (artikel XX. 229 §2 j. § 5 WER). Zegt dat dit vonnis zal worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad door toedoen van de griffier binnen de vijf dagen na de datum van het vonnis (in overeenstemming met artikel XX.231, laatste lid WER). Beveelt de kennisgeving van dit vonnis per gerechtsbrief aan verwerende partij. Veroordeelt verwerende partij tot de kosten van het geding. Dit vonnis werd gewezen door de 2de Kamer – Zaal A van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank te Brussel, samengesteld uit: De heer VERSCHOOT, Rechter, Kamervoorzitter, De heer [W.D.N.], Rechter in Ondernemingszaken, De heer [D.A.], Rechter in Ondernemingszaken, Die alle zittingen hebben bijgewoond en aan het beraad hebben deelgenomen. Het vonnis werd uitgesproken in openbare zitting, in toepassing van artikel 6, eerste lid van het verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, door de heer S. VERSCHOOT, Rechter, Kamervoorzitter, bijgestaan door de heer K. NEVENS, Afg. Griffier PDF document ECLI:BE:ORBRL:2026:JUG.20260203.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.