← België

ECLI:BE:ORBRL:2026:JUG.20260203.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 03 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORBRL:2026:JUG.20260203.3 Rolnummer: A202502428 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2026-02-10 Raadplegingen: 661 - laatst gezien 2026-06-18 06:21 Fiche Aangezien uit het vonnis tot afsluiting van faillissement blijkt dat mr. [VERWEERDER] niet langer de hoedanigheid van vereffenaar heeft, kan hij dan ook niet in die hoedanigheid worden gedagvaard. Verwerende partij heeft bijgevolg geen hoedanigheid om de belangen van [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP] te vertegenwoordigen en dus de vordering te beantwoorden. Publicatie in het Belgisch Staatsblad maakt slechts een aanstelling tegenwerpelijk aan derden. De publicatie zelf bevat geen aanstelling tot vereffenaar. Het vonnis bevat de aanstelling tot vereffenaar. In dezen gebeurde de publicatie in het Belgisch Staatsblad zonder dat er feitelijk ooit een aanstelling tot vereffenaar van verwerende partij was geweest – verwerende partij is op geen enkel moment vereffenaar van [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP] geweest. Het vonnis waarnaar het Belgisch Staatsblad verwijst, stelt de zaakvoerders van [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP] aan tot vereffenaar, en niet verwerende partij. Verwerende partij toont daarmee afdoende aan dat hij bij inleiden van het huidige verzoek geen vereffenaar is. Dat dit niet in het Belgisch Staatsblad werd gecorrigeerd, doet daar niet van af. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving - Bijzondere betekeningen - Vereffening - Faillissement Vrije woorden: Vereffenaar; Fonds derden; Belang en hoedanigheid verweerder Wettelijke bepalingen: Wet - 26-06-2002 - 35 Wetboek van Koophandel - 01-01-0001 - XX.172 Wetboek van Koophandel - 01-01-0001 - XX.135 Gerechtelijk Wetboek - 01-01-0001 - 17 Tekst van de beslissing O/2025/02428 IN DE ZAAK VAN FONDS TOT VERGOEDING VAN DE IN GEVAL VAN SLUITING VAN ONDERNEMINGEN ONTSLAGEN WERKNEMERS met zetel te Keizerslaan 7-9, 1000 Brussel, en ingeschreven bij de Kruispuntbank voor Ondernemingen onder het nummer 0216.380.274; eisende partij; vertegenwoordigd ter zitting door meester $$; TEGEN [VERWEERDER], advocaat met kantoor $$, gedagvaard in hoedanigheid van vereffenaar voor [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP], ontbonden vennootschap (KBO nr. $$) verwerende partij; vertegenwoordigd ter zitting door meester $$ I. PROCEDURE

  1. De rechtbank heeft kennis genomen van het dossier van de rechtspleging, waaronder de volgende stukken: - de gedinginleidende dagvaarding van 3 december 2025; - het tegensprekelijk uitstel verstrekt aan partijen op de zitting van 16 december 2025; en - de stukkenbundels en syntheseconclusies van partijen. De rechtbank heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 27 januari
  2. Daarna werden de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen. De wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werd nageleefd. II. SAMENVATTING VAN DE VOOR DE BEOORDELING RELEVANTE FEITEN
  3. [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP] (“[ONTBONDEN VENNOOTSCHAP]”) werd op failliet verklaard bij vonnis van $$ juni 2009 bij vonnis van de rechtbank van Koophandel te Brussel. Verwerende partij werd aangesteld als curator in het faillissement. Het faillissement werd afgesloten op $$ oktober
  4. De voormalige bestuurders van [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP] werden bij het vonnis tot afsluiting aangesteld als vereffenaar. In de publicatie van de afsluiting in het Belgisch Staatsblad, werd echter foutievelijk verwerende partij aangegeven als vereffenaar.
  5. Eisende partij is een openbare instelling die werknemers vergoedt wanneer hun werkgever bij een sluiting van de onderneming zijn loon- en vergoedingsverplichtingen niet meer nakomt, zoals vastgelegd in artikel 35 van de wet van 26 juni
  6. Eisende partij betaalde bij het faillissement van [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP] vergoedingen uit ten belope van 696.653,77 euro, waardoor zij subrogeerde in de rechten van de betroffen werknemers. Na aftrek van het reeds ontvangen dividend van 293.611,98 euro, bedroeg de schuldvordering van eisende partij nog 403.041,79 euro.
  7. Na sluiting van het faillissement van [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP], werd bij de Deposito- en consignatiekas een bedrag van 1.025,96 euro geconsigneerd, zoals blijkt uit de lijst gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 21 maart
  8. Op 3 december 2025 dagvaardde eisende partij verwerende partij (in de hoedanigheid van vereffenaar van [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP]) voor deze rechtbank. III. VORDERINGEN VAN PARTIJEN
  9. De vordering van eisende partij strekt ertoe (de rechtbank citeert uit de syntheseconclusie): “Te bevelen dat de gelden die thans geconsigneerd zijn bij de Deposito- en Consignatiekas na de sluiting van het faillissement van [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP] in het voordeel van verzoekster dienen te worden vrijgegeven, om ze te bestemmen voor de aflossing van het saldo van de schuldvordering van verzoekster in voormeld faillissement. Elke partij te veroordelen tot haar eigen kosten en te zeggen voor recht dat er geen rolrechten verschuldigd zijn vermits de vordering valt onder boek XX WER. Het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad.”
  10. Verwerende partij concludeert tot de afwijzing van de vordering als onontvankelijk en de veroordeling van eisende partij tot de kosten van het geding. IV. BEOORDELING
  11. Rechtsmacht en bevoegdheid
  12. Er wordt geen exceptie inzake rechtsmacht opgeworpen door de partijen of ambtshalve. De rechtbank beschikt over de rechtsmacht om van het aan haar voorgelegde geschil kennis te nemen.
  13. De bevoegdheid van de rechtbank wordt niet betwist. Het geding valt binnen de materiële bevoegdheid van de rechtbank. De rechtbank is bevoegd.
  14. Ontvankelijkheid
  15. Eisende partij dagvaardt verwerende partij handelend in de hoedanigheid van vereffenaar van [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP]. Verwerende partij werpt op dat hij niet langer de hoedanigheid van vereffenaar heeft. Het vonnis tot sluiting van het faillissement van [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP] stelt dat de zaakvoerder van [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP] moet worden beschouwd als vereffenaar, en niet mr. [VERWEERDER]. Uit publicatie van het faillissement in het Belgisch Staatsblad, verricht door de griffie van de Rechtbank van Koophandel, blijkt dat mr. [VERWEERDER] vereffenaar zou zijn. Eisende partij stelt als derde partij te kunnen afgaan op publicatie in het Belgisch Staatsblad om tot dagvaarding over te gaan.
  16. Het KB van 23 april 2024 houdende uitvoering van artikel XX.135, §6 WER en XX.172, vierde lid WER, voorziet geen procedureregels voor het vorderen van inhouding op de bedragen geconsigneerd bij de Deposito- en Consignatiekas. Zoals eisende partij erkent in haar conclusies, wordt feitelijk [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP] aangesproken (vgl. conclusies eisende partij, die stelt dat het gaat om “een vordering tegen de gefailleerde, een aanspraak op het vermogen van de vennootschap”, pg. 5 conclusies). Aangezien [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP] niet langer bestaat als rechtspersoon, en nog slechts een zgn. ‘passieve rechtspersoonlijkheid’ kent, wordt zij aangesproken middels haar vereffenaar, handelend ‘in die hoedanigheid’, waarbij deze vereffenaar wordt geacht de belangen van de ontbonden vennootschap te behartigen vgl. D. Van Gerven, ‘Einde van de rechtspersoon’ in D. Van Gerven (ed.), Verenigingen, vennootschappen en stichtingen, I, Kluwer, 2021, 325). Aangezien uit het vonnis tot afsluiting van faillissement blijkt dat mr. [VERWEERDER] niet langer de hoedanigheid van vereffenaar heeft, kan hij dan ook niet in die hoedanigheid worden gedagvaard. Verwerende partij heeft bijgevolg geen hoedanigheid om de belangen van [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP] te vertegenwoordigen en dus de vordering te beantwoorden (vgl. Cass. 10 november 2022, AR C.21.0154.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221110.1F.1, JT 2023, 241, dat ook bij verwerende partij hoedanigheid vereist).
  17. Dat publicatie in het Belgisch Staatsblad, zoals (blijkens het vonnis van sluiting van het faillissement van [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP]) verricht door de griffie van de rechtbank van koophandel (en dus niet door de curator of vereffenaar zelf), aangeeft dat dhr. [VERWEERDER] de vereffenaar zou zijn – doet hiervan niet af. Publicatie in het Belgisch Staatsblad maakt slechts een aanstelling tegenwerpelijk aan derden. De publicatie zelf bevat geen aanstelling tot vereffenaar. Het vonnis bevat de aanstelling tot vereffenaar. In dezen gebeurde de publicatie in het Belgisch Staatsblad zonder dat er feitelijk ooit een aanstelling tot vereffenaar van verwerende partij was geweest – verwerende partij is op geen enkel moment vereffenaar van [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP] geweest. Het vonnis waarnaar het Belgisch Staatsblad verwijst, stelt de zaakvoerders van [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP] aan tot vereffenaar, en niet verwerende partij. Verwerende partij toont daarmee afdoende aan dat hij bij inleiden van het huidige verzoek geen vereffenaar is. Dat dit niet in het Belgisch Staatsblad werd gecorrigeerd, doet daar niet van af. Verwerende partij heeft verder middels conclusies zijn gebrek van hoedanigheid in limine litis opgeworpen, en eisende partij heeft met deze kennis beslist huidige procedure verder te zetten. De werkelijke vereffenaars van [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP] werden niet in deze procedure betrokken. Het is aan eisende partij om de correcte vereffenaar(s) te dagvaarden.
  18. Dat er – zelfs als hij vereffenaar zou zijn - niets van verwerende partij in persoon wordt gevorderd, doet niet af van het gegeven dat hij wel degelijk belang erbij wordt geacht te hebben om op te werpen dat hij geen vereffenaar van [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP] is, en zodoende niet handelend voor [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP] kan worden aangesproken. De huidige vordering spreekt verwerende partij handelend voor [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP] aan, en niet verwerende partij in persoon.
  19. Verwerende partij heeft geen proceshoedanigheid. De vordering is onontvankelijk.
  20. De overige argumenten kunnen de rechtbank niet van het tegendeel overtuigen. Alle overige middelen zijn bijgevolg niet langer relevant voor de beoordeling van het geschil. De rechtbank acht het niet noodzakelijk deze te beoordelen. Dat verwerende partij de foute publicatie niet heeft doen corrigeren, en deze dus aan hem toerekenbaar zou zijn, zoals eisende partij stelt (zonder aan te nemen dat deze stelling correct is), betekent in ieder geval nog niet dat hij wel zou kunnen handelen namens [ONTBONDEN VENNOOTSCHAP]. Er ligt in huidig geding geen vordering voor wegens vergoeding van schade door een fout van verwerende partij handelend in eigen naam – eisende partij bevestigt zelf meermaals dat ze niets vordert van dhr. [VERWEERDER] in persoon. Dit argument is dus niet relevant voor de beoordeling van voorliggend geschil en wordt door de rechtbank niet verder behandeld. V. UITVOERBAARHEID
  21. De uitvoerbaarheid bij voorraad van dit vonnis volgt uit artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek. De partijen werpen geen specifieke gronden op, en de rechtbank ziet evenmin redenen, om de uitvoerbaarheid bij voorraad te schorsen.
  22. De rechter die uitspraak doet over de vordering zelf, kan overeenkomstig artikel 1406 van het Gerechtelijk Wetboek beslissen dat er geen reden is tot kantonnement voor alle veroordelingen die hij uitspreekt of voor een deel ervan, indien de vertraging in de regeling de schuldeiser aan een ernstig nadeel blootstelt. Verwerende vraagt om het recht op kantonnement uit te sluiten. Zij toont evenwel niet aan dat de vertraging in de regeling haar aan een ernstig nadeel blootstelt. Er is geen reden om het recht op kantonnement uit te sluiten. VI. GERECHTSKOSTEN
  23. Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten van het geding overeenkomstig artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek. Een vereffenaar kan, handelend in zijn hoedanigheid van vereffenaar van een ontbonden vennootschap, geen rechtsplegingsvergoeding vorderen. In dezen handelt verwerende partij niet in dergelijke hoedanigheid – zij heeft deze hoedanigheid niet. Bijgevolg is de in persoonlijke naam ingestelde vordering tot rechtsplegingsvergoeding ontvankelijk. Het geschil betreft een vordering in de schaal van 750,01 euro tot 2.500,00 euro. Eisende partij vraagt om in ieder geval geen rechtsplegingsvergoeding toe te kennen, en vraagt daarmee om af te wijken van het basisbedrag. Zij beroept zich hierbij op het feit dat zij een slachtoffer is van een foute publicatie in het Belgisch Staatsblad die niet door verwerende partij werd rechtgezet, i.e. het kennelijk onredelijk karakter van de situatie. De rechtbank stelt vast dat in dezen beide partijen concludeerden, en eisende partij ondanks kennisname van het vonnis waarin de correcte vereffenaars werden aangegeven, verder ging met haar vordering. Er is geen kennelijk onredelijk karakter. Het basisbedrag van 627,91 euro wordt toegekend.
  24. Huidig geding betreft een zaak ingeleid in het kader van Boek XX WER. Er zijn geen rolrechten verschuldigd (vgl. art. 279

(1), 4° W.Reg). VII. BESLISSING De rechtbank: Verklaart zich bevoegd om kennis te nemen van het geschil, doet uitspraak op tegenspraak en neemt, na beraadslaging, de volgende beslissing. Verklaart de vordering van eisende partij tegen verwerende partij onontvankelijk bij gebrek aan hoedanigheid van verwerende partij. Veroordeelt eisende partij tot de kosten van het geding, aan de zijde van verwerende partij begroot en door de rechtbank vereffend op de rechtsplegingsvergoeding van 627,91 euro. Verklaart de bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, die werd gestort door eisende partij, definitief verworven voor het fonds. Bevestigt dat geen rolrechten vereist zijn. Bevestigt de uitvoerbaarheid van het vonnis en het recht op kantonnement. Dit vonnis werd gewezen door de 2de Kamer – Zaal A van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank te Brussel, samengesteld uit: De heer VERSCHOOT, Rechter, Kamervoorzitter, De heer [T.V.G.], Rechter in Ondernemingszaken, De heer [A.V.], Rechter in Ondernemingszaken, Die alle zittingen hebben bijgewoond en aan het beraad hebben deelgenomen. Het vonnis werd uitgesproken in openbare zitting, in toepassing van artikel 6, eerste lid van het verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, door de heer S. VERSCHOOT, Rechter, Kamervoorzitter, bijgestaan door de heer K. NEVENS, Afg. Griffier PDF document ECLI:BE:ORBRL:2026:JUG.20260203.3 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221110.1F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.