id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 03 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORBRL:2026:JUG.20260203.4 Rolnummer: O202501300 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2026-02-10 Raadplegingen: 432 - laatst gezien 2026-06-18 06:20 Fiche 1
- Verder verwijst verwerende partij dan wel voornamelijk naar een ‘slecht afgelopen' BTW-controle die het gevolg zou zijn van een fout van zijn boekhouder, er wordt geen afdoende verklaring gegeven voor het over langere periode en stelselmatig niet betalen van personenbelasting en sociale zekerheidsbijdragen, zoals blijkt uit bovenstaand feitenrelaas. Daarbij moet ook worden opgemerkt dat het wel zeer eenvoudig is om te verwijzen naar een ‘nalatige boekhouder' (zonder hier overigens enige bewijsstukken van aan te brengen): de ondernemer blijft zelf verantwoordelijk voor de eigen boekhouding. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement Fiche 2 Het enkele feit dat een constructie niet werkt, wordt doorprikt, of wordt achterhaald, verandert niet aan het feit dat ze werd opgezet en dat zij heeft bijgedragen tot het faillissement van Gefailleerde. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement Tekst van de beslissing O/2025/01300 IN DE ZAAK VAN De Procureur Des Konings van Halle-Vilvoorde, woonplaats kiezende op diens parket eisende partij; aanwezig, vertegenwoordigd door mevr. $$, Substituut-Procureur des Konings TEGEN Dhr. [VERWEERDER], Verwerende partij; Ter zitting vertegenwoordigd door mr. $$ MET VRIJWILLIGE TUSSENKOMST DOOR Mr. [CURATOR], advocaat, met kantoor $$, in de hoedanigheid van curator van het faillissement van: Dhr. [VERWEERDER] (hierna: de “Gefailleerde”) aangesteld bij vonnis van $$ november 2023 door de 2de kamer van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel, Vrijwillig tussenkomende partij, de “curator”) Aanwezig I. PROCEDURE
- De wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werd nageleefd. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd, werden in acht genomen.
- De rechtbank nam kennis van: - Het vonnis van deze rechtbank van $$ november 2023, waarin het faillissement van verwerende partij werd uitgesproken; - dagvaarding tot het opleggen van een verbod om een onderneming uit te baten (art. XX.230 WER) van $$ mei 2025; - het uitstel verleend op de zittingen van $$ juni 2025, $$ juli 2025 en $$ augustus 2025; - de conclusie en stukkenbundel van de verwerende partij.
- De zaak werd behandeld op de zitting van 13 januari 2026 in raadkamer. Daarna werd de zaak in beraad genomen. II. FEITEN
- Gefailleerde was sinds 2009 actief in de bouwsector als zelfstandig onderaannemer. Vanaf 2022 werd een aanzienlijke fiscale schuld opgebouwd, die verwerende partij aan zijn boekhouder wijdt. Gefailleerde stelt dat hij in december 2022 in de problemen kwam (pg 5 conclusies). Er is sprake van een btw-controle in december 2022, die resulteerde in een regularisatie-opgave waarbij een bedrag van ongeveer 45.000 euro aan de BTW-administratie moet worden betaald. Daarnaast zijn er ook 18.000 euro achterstallige RSZ-bijdragen, voor niet-betaalde bijdragen startend in Q1 2017 tot en met Q4 2022 (waarbij voor de beoordeling van het aanwezig zijn van een kennelijk grove fout door de rechtbank slechts rekening wordt gehouden voor de niet-betaald bijdragen vanaf mei 2018). Uit de aangifte van de FOD Financiën in het faillissement (stuk 3 vrijwillig tussenkomende partij) blijkt verder dat ook ongeveer 142.480 aan personenbelasting niet werd betaald over de aanslagjaren 2021, 2022 en
- In totaal blijkt uit het derde PV van verificatie van schuldvorderingen een aanvaard passief van 268.907,08 euro (stuk 1 curator), allen publieke schulden. In februari 2023 richtte verwerende partij een nieuwe vennootschap ([VENNS1] BV (KBO $$)) op, naar eigen zeggen om zijn activiteiten verder te zetten. Op 7 november 2023 deed verwerende partij aangifte van staking van betaling.
- De gefailleerde werd failliet verklaard op $$ november
- Vrijwillig tussenkomende partij werd aangesteld als curator.
- De curator geeft aan dat hij bij aanstelling geen actief in het faillissement kon aantreffen. Hij werd door [BANK] in kennis geteld van een leasingvoertuig. Verwerende partij geeft aan dat dit dat voor faling, i.e. eind augustus 2023 werd verkocht om een nieuw voertuig in [VENNS1] te bekostigen. Verwerende partij betaalde uiteindelijk 11.000 aan de boedel ter regularisatie – er blijkt echter nergens dat dit ook effectief de waarde van het voertuig betreft.
- De aandelen in [VENNS1] maken deel uit van het actief van de Gefailleerde. Gefailleerde deed een bod om, buiten de boedel, de aandelen van [VENNS1] over te nemen aan een bedrag van 7.414 euro, gebaseerd op een waarderingsverslag van de betreffende aandelen. III. VORDERINGEN
- De vordering van eisende partij strekt ertoe verwerende partij te veroordelen tot een verbod om, persoonlijk of door tussenpersoon, een onderneming uit te baten gedurende 10 jaar.
- Verwerende partij vordert de vordering ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, te zeggen dat er geen reden is om een beroepsverbod op te leggen, en kosten van het geding met inbegrip van de toepasselijke rechtsplegingsvergoeding ten laste van eisende partij te leggen. IV. BEOORDELING 1.
- Bevoegdheid en ontvankelijkheid
- Er wordt geen exceptie van onbevoegdheid opgeworpen. Het geding kadert in een faillissementsprocedure. Het centrum van de voornaamste belangen van de verwerende partij bevindt zich in het rechtsgebied van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel, zodat deze rechtbank territoriaal bevoegd is. De rechtbank is bevoegd.
- Ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist. De vordering is ontvankelijk. 1.
- Ten gronde Toepasselijk kader
- Eisende partij vraagt een beroepsverbod op te leggen aan verwerende partij op grond van artikel XX. 229 §1 (kennelijke grove fout gefailleerde) Wetboek Economisch Recht (WER). Artikel XX. 229 WER bepaalt : §
- De insolventierechtbank die het faillissement heeft uitgesproken of, wanneer het faillissement in het buitenland is uitgesproken de insolventierechtbank te Brussel, kan, indien blijkt dat een kennelijke grove fout van de gefailleerde heeft bijgedragen tot het faillissement, deze bij een met redenen omkleed vonnis verbod opleggen persoonlijk of door een tussenpersoon een onderneming uit te baten. §
- Indien blijkt dat de gefailleerde of de bestuurders en de zaakvoerders van de gefailleerde rechtspersoon, zonder wettig verhinderd te zijn, hebben verzuimd de verplichtingen gesteld bij artikel XX.146 na te leven, kan de insolventierechtbank of de ondernemingsrechtbank te Brussel, wanneer het faillissement is uitgesproken in het buitenland, aan deze personen bij een met redenen omkleed vonnis het verbod opleggen om persoonlijk of door toedoen van een tussenpersoon, de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een rechtspersoon, enige functie waarbij macht wordt verleend om een rechtspersoon te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België bedoeld in artikel 2:149 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of het beroep van effectenmakelaar of correspondenteffectenmakelaar uit te oefenen. §
- Voor de toepassing van dit artikel worden met de gefailleerde gelijkgesteld, de bestuurders en zaakvoerders van een failliet verklaarde rechtspersoon wier ontslag niet een jaar voor de faillietverklaring is bekendgemaakt, alsmede enig ander persoon die zonder beheerder of zaakvoerder te zijn, werkelijk de bevoegdheid zal gehad hebben de failliet verklaarde rechtspersoon te beheren. §
- Daarenboven kan de ondernemingsrechtbank die het faillissement van de rechtspersoon heeft uitgesproken, of de insolventierechtbank te Brussel wanneer het in het buitenland is uitgesproken, indien blijkt dat een kennelijke grove fout van een van de personen, krachtens paragraaf 3 gelijkgesteld met de gefailleerde, heeft bijgedragen tot het faillissement, aan deze persoon bij een met redenen omkleed vonnis het verbod opleggen om persoonlijk of door een tussenpersoon, functie uit te oefenen waarbij macht wordt verleend om een rechtspersoon te verbinden. §
- De duur van het verbod bepaald in de paragrafen 1, 3 en 4 wordt vastgesteld door de rechtbank. Hij bedraagt maximum tien jaar. De duur van het verbod bepaald in paragraaf 2 wordt vastgesteld door de rechtbank. Hij bedraagt drie jaar. §
- De rechtbank kan het verbod voorwaardelijk opleggen voor een duur van drie jaar of de uitspraak opschorten voor een zelfde duur. De rechtbank bepaalt de voorwaarden waaraan het uitstel of de opschorting van de uitspraak onderworpen zijn.
- Verwerende partij valt als gefailleerde binnen het personele toepassingsgebied van art. XX.229, §1 WER. Overwegingen
- Uit de voorgelegde feiten blijkt onder meer dat wanneer het aan verwerende partij duidelijk werd dat hij niet langer onder zijn schuldenlast uit zou kunnen hij, in plaats van het faillissement aan te vragen, een vennootschap oprichtte en zijn activiteit naar die vennootschap verplaatste. Verwerende partij verklaart in zijn conclusies hierover zelf het volgende (pg. 5, eigen nadruk), “Het is nl. niet zo dat concluant een zogenaamde doorzichtige ‘sterfhuisconstructie’ zou opgezet hebben. [..] Het is pas in december 2022, 13 jaar later, dat de eenmanszaak van concluant in financiële problemen komt ingevolge o.m. nalatigheden van diens boekhouder. [..] Aangezien concluant wilde voortwerken, richtte concluant in februari 2023 een nieuwe vennootschap op ([VENNS1]) om zijn activiteiten in de bouwsector verder te zetten”. Hierin verklaart verwerende partij feitelijk zelf dat de intentie was om ondanks de schulden van de eenmanszaak zijn activiteiten met een nieuwe vennootschap verder te zetten. Hij wenste met andere woorden zijn schuldeisers weg te houden van zijn activiteit, en met andere woorden minstens zichzelf krediet te verschaffen op kosten van zijn schuldeisers. Uit de feiten blijkt verder dat verwerende partij, nadat naar eigen zeggen duidelijk werd dat de situatie niet houdbaar zou zijn, ook poogde activa aan zijn activiteit als natuurlijke persoon te onttrekken en deze in de vennootschap in te brengen (waarbij moet opgemerkt dat er op de balans van de vennootschap zoals deze voorligt meer dan 60.000 euro actief (rollend materieel, meubilair en cash) staat). Het door verwerende partij gedane bod in functie van een waardering van de aandelen in RMC door een bedrijfsrevisor, doet hier niet vanaf. Er rust geen verplichting op de curator om dergelijk overnamebod te aanvaarden indien hij dit niet afdoende acht. Dat verwerende partij een (niet-tegensprekelijk opgesteld) waarderingsverslag kan voorleggen, verandert daar niet aan. Daarenboven en ten overvloede blijkt verder dat de lage waardering waarnaar verwerende partij verwijst ten dele is gebaseerd op de negatieve nettokaspositie (zie oa pg. 21 waarderingsverslag), waarvan verwerende partij na bevraging niet kan aangeven wat de ‘overige schulden’ die in het bijzonder tot deze nettokaspositie leiden dan wel zijn. Daarbij wordt opgemerkt dat geen enkel actief meer aanwezig bleek te zijn in de eenmanszaak van de Gefailleerde (andere dan de aandelen in [VENNS1]) – dit is merkwaardig, gezien de activiteit van verwerende partij en gezien de meer dan 60.000 euro aan rollend materieel dat verwerende partij in [VENNS1] nodig heeft om naar eigen zeggen dezelfde activiteit uit te oefenen. Verwerende partij kon na hierover te zijn bevraag hierop geen antwoord bieden. De rechtbank merkt ten overvloede op dat tussen ondernemingen het bewijs bij alle middelen van recht kan worden geleverd, daarin begrepen vermoedens (art 8.11 BW). De rechtbank vermoedt op deze basis dat verwerende partij zijn materieel oversluisde naar [VENNS1], en nu op basis van de schuld aangegaan door [VENNS1] probeert deze activa aan het faillissement te onttrekken. Dat verwerende partij, nadat curator hem op bovenstaande wees, uiteindelijk toch enige gelden aan de boedel betaalde ter vergoeding van een ten voordele van [VENNS1] verkochte bestelwagen (waarvan trouwens niet uit de stukken blijkt voor welk bedrag deze werd verkocht), verandert dit niet. Verwerende partij verwijst daarbij steeds naar de afkoopwaarde bij [LEASEMAATSCHAPPIJ], maar het relevante gegeven is niet betreffende afkoopwaarde, maar de werkelijke verkoopwaarde van de wagen – zoals ter zitting opgemerkt. Dat later bleek dat de betreffende aandelen ook deel uitmaken van de failliete boedel, verandert hier evenmin aan (waarbij de rechtbank wijst op het feit dat slechts bijna 3 jaar na het faillissement, na aandringen van de curator en nadat huidige procedure werd ingeleid, er een bod op deze aandelen komt; dit getuigt niet van een bijzondere goede trouw). Het enkele feit dat een constructie niet werkt, wordt doorprikt, of wordt achterhaald, verandert niet aan het feit dat ze werd opgezet en dat zij heeft bijgedragen tot het faillissement van Gefailleerde.
- Er blijkt verder ook dat vanaf eind 2022 ook geen boekhouding meer werd bijgehouden door de Gefailleerde, en er geen pogingen werden gedaan nog verder schulden te betalen. Er werd een nieuwe vennootschap opgericht, en het faillissement werd pas aanzienlijk later (eind 2023) aangevraagd (nadat onder meer in de zomer 2023 de bestelwagen nog was verkocht, zie hoger). Verwerende partij stelt dat hij gedurende die periode er alles aan deed om de activiteit te redden, maar legt hiervan geen enkel bewijs voor. Integendeel, hij verklaart namelijk zelf ook dat hij zijn activiteit probeerde verder te zetten via [VENNS1].
- Verder verwijst verwerende partij dan wel voornamelijk naar een ‘slecht afgelopen’ BTW-controle die het gevolg zou zijn van een fout van zijn boekhouder, er wordt geen afdoende verklaring gegeven voor het over langere periode en stelselmatig niet betalen van personenbelasting en sociale zekerheidsbijdragen, zoals blijkt uit bovenstaand feitenrelaas. Daarbij moet ook worden opgemerkt dat het wel zeer eenvoudig is om te verwijzen naar een ‘nalatige boekhouder’ (zonder hier overigens enige bewijsstukken van aan te brengen): de ondernemer blijft zelf verantwoordelijk voor de eigen boekhouding.
- De rechtbank stelt op basis van bovenstaande vast dat er sprake is van laattijdige aangifte in het faillissement, pogingen om activa aan de boedel te onttrekken, en het zichzelf verlenen van oneigenlijk krediet ten nadele van de publieke schuldeisers door stelselmatig na te laten publieke schuldeisers te betalen. Dit zijn kennelijke grove fouten in de zin van art. XX.229, §1 WER. Deze fouten hebben elk op zich, en zeker wanneer samen genomen, bijgedragen aan het faillissement.
- Verwerende partij werpt ter zitting wel terecht op dat er sinds 2009 een activiteit werd uitgebaat, waarbij gedurende lange tijd geen noemenswaardige problemen waren. De eerste publieke schulden in het faillissement werden pas sinds 2017 opgebouwd. Bovendien lijkt verwerende partij ook niet in andere faillissementen betrokken te zijn. Betrokkenheid in witwasactiviteiten wordt niet bewezen in de huidige procedure, er liggen geen verslagen of onderzoeken van de CFI voor. De rechtbank acht daarom in voorliggende zaak een aanzienlijke verlaging van de gevorderde 10 jaar gepast.
- Overige argumenten en middelen opgeworpen, beïnvloeden het oordeel van de rechtbank niet. Besluit
- Gelet op de ernst van de voorliggende feiten en de hoegrootheid van het nagelaten publiek passief, en rekening houdend met de overige omstandigheden, legt de rechtbank een verbod op een onderneming uit te baten gedurende een periode van 5 jaar op grond van artikel XX.229 §1 j. §5 WER.
- De vordering van eisende partij is gegrond. V. BESLISSING Rekening houdende met het bovenstaande, De rechtbank: Verklaart zich bevoegd om kennis te nemen, doet uitspraak bij verstek en neemt, na beraadslaging, de volgende beslissing. Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk en gegrond in de hieronder bepaalde mate. Legt [VERWEERDER], verbod op om gedurende 5 jaar persoonlijk of door een tussenpersoon een onderneming uit te baten (artikel XX. 229 §1 j. §5WER). Zegt dat dit vonnis zal worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad door toedoen van de griffier binnen de vijf dagen na de datum van het vonnis (in overeenstemming met artikel XX.231, laatste lid WER). Beveelt de kennisgeving van dit vonnis per gerechtsbrief aan verwerende partij. Veroordeelt verwerende partij tot de kosten van het geding. Dit vonnis werd gewezen door de 2de Kamer – Zaal A van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank te Brussel, samengesteld uit: De heer VERSCHOOT, Rechter, Kamervoorzitter, De heer [W.D.N.], Rechter in Ondernemingszaken, De heer [D.A.], Rechter in Ondernemingszaken, Die alle zittingen hebben bijgewoond en aan het beraad hebben deelgenomen. Het vonnis werd uitgesproken in openbare zitting, in toepassing van artikel 6, eerste lid van het verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, door de heer S. VERSCHOOT, Rechter, Kamervoorzitter, bijgestaan door de heer K. NEVENS, Afg. Griffier PDF document ECLI:BE:ORBRL:2026:JUG.20260203.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.