← België

ECLI:BE:ORBRL:2026:JUG.20260519.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel Vonnis/arrest van 19 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORBRL:2026:JUG.20260519.1 Rolnummer: O/2025/01376 Rechtsgebied: Insolventierecht - Handelsrecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-23 Raadplegingen: 227 - laatst gezien 2026-06-18 16:07 Fiche 1 Voor de beoordeling van de geschoktheid van het krediet bij een vennootschap in vereffening is het cruciaal dat het vertrouwen van de schuldeisers op regelmatige en transparante wijze moet worden verkregen, in het bijzonder wanneer er geen instemming van schuldeisers voorligt – hoogstens een gebrek aan zichtbaar protest of wantrouwen. De bewijslast hiervan rust op de verwerende partij. Wanneer een vrijwillige ontbinding en vereffening plaatsvindt met miskenning van de rechten van de schuldeisers of ten nadele van deze schuldeisers, zodat de vennootschap zich kan onttrekken aan de bijzondere aansprakelijkheidsgronden eigen aan de staat van faillissement of aan de invraagstelling van de handelingen die in de verdachte periode zijn verricht, behoudt de vereffenaar het vertrouwen van de schuldeisers niet – zelfs indien die laatsten hun wantrouwen niet zouden hebben laten blijken (vgl. Cass. 5 juni 2020, C.19.0550.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200605.1F.3, juportal.be). Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - BEGRIP. VEREISTEN VAN HET FAILLISSEMENT UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement Fiche 2 Bij het beoordelen van het vertrouwen van een betekenisvol deel van de schuldeisers moet in rekening worden genomen dat ‘een betekenisvol' deel van de schuldeisers geen meerderheid van de schuldeisers betreft, noch een meerderheid van de schuld. Om te beoordelen of een betekenisvol deel van de schuldeisers niet langer het vertrouwen geeft of wordt geacht te geven, moet rekening worden gehouden met de algemene omstandigheden van de boedel – waaronder de aard van de schuldeisers, de totale schuld, het aantal schuldeisers en het totale actief. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - BEGRIP. VEREISTEN VAN HET FAILLISSEMENT UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement Fiche 3 Het enkele feit dat er sprake is van een vereffening waarbij nog geen verdelingsplan in de zin van art. 2:97 WVV werd goedgekeurd, verhindert niet de mogelijkheid tot behandeling van een vordering in faillissement. De vrijwillige vereffening is geen juridisch schild waarmee de vennootschap zich tegen haar schuldeisers of een faillissement kan beschermen, en de vrijwillige vereffening is er niet om vennootschappen de mogelijkheid te bieden eenzijdig schuldeisers buitenspel te zetten door een beoordeling van de faillissementsvoorwaarden onmogelijk te maken. Art. 2:97 WVV biedt niet, zoals het verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie, bescherming tegen de schuldeisers, zoals verwerende partij lijkt te insinueren. Binnen de vereisten van artikel 2:97 WVV kan nog steeds worden beoordeeld of aan de faillissementsvoorwaarden is voldaan, zelfs voor er een herverdelingsplan is goedgekeurd. Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAP IN VEREFFENING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving - Bijzondere betekeningen - Vereffening - Faillissement Tekst van de beslissing O/2025/01376 IN DE ZAAK VAN $$$ eisende partij; vertegenwoordigd ter zitting door Mr. $$$ TEGEN $$$ (hierna de “Vennootschap”), verwerende partij; vertegenwoordigd ter zitting door Mr. $$$ I. PROCEDURE 1. De wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werd nageleefd. 2. De zaak werd ingeleid bij dagvaarding van 12/06/2025. De rechtbank nam kennis van de conclusies en stukkenbundels van partijen. Het openbaar ministerie was ter zitting niet aanwezig en heeft geen advies verleend. 3. Na het horen van de partijen werden tijdens de openbare zitting van de tweede kamer van deze rechtbank op $$$ werd de zaak in beraad genomen. II. VORDERINGEN 4. De vordering van eisende partij strekt ertoe (de rechtbank citeert uit syntheseconclusies): De vordering van concluante gegrond te verklaren en zodoende om verweerster in staat van faillissement te verklaren en aldus. Een curator aan te stellen die belast zal worden met het beheer van het betreffende faillissement en een rechter-commissaris aan te stellen die belast zal worden met het toezicht erover Uitspraak te doen over de datum van staking van betalingen en deze 6 maanden eerder te leggen. De uitvoering van alle door de Wet voorgeschreven formaliteiten te horen bevelen in het voordeel van de schuldeisers. De kosten ten laste van de massa te horen leggen. De voorlopige tenuitvoerlegging van het tussen te komen vonnis niettegenstaande elk verhaal en zonder kantonnement noch borg te horen bevelen. 5. Verwerende partij betwist deze vordering en vordert het volgende (de rechtbank citeert uit syntheseconclusies): In hoofdorde, deze zaak naar de rol te verzenden; In ondergeschikte orde, De vordering van eiseres zo ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren; Dienvolgens eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding van concluante, infra begroot III. SAMENVATTING VAN RELEVANTE FEITEN 6. Eisende partij heeft materiaal verhuurd aan verwerende partij. Zij factureerde in 2023. Eisende partij werd niet betaald. Zij bracht dagvaarding uit op 2 april 2024 en legde bewarend beslag onder derden op 26 april 2024. 7. Op 24 mei 2024 werd een verstekvonnis uitgesproken waarbij verwerende partij werd veroordeeld tot een bedrag in hoofdsom van [16.000] euro, te vermeerderen met interest, en werd ook een schadevergoeding en rechtsplegingsvergoeding toegekend. Op 16 augustus 2024 werd het verstekvonnis betekend aan verwerende partij. 8. Op 2 september 2024 meldde raadsman van verwerende partij aan eisende partij dat de aandeelhouder van verwerende partij reeds “bijzonder grote inspanningen had gedaan om haar financieel te ondersteunen. Tevergeefs, waardoor zij zich genoodzaakt zagen om op korte termijn over te gaan tot ontbinding en vereffening van de vennootschap”. Dit wordt door verwerende partij niet betwist. 9. Op 26 september is verwerende partij overgegaan tot ontbinding en vereffening, waarbij dhr. [VEREFFENAAR] werd aangesteld als vereffenaar. Deze aanstelling werd bevestigd bij beschikking op eenzijdig verzoekschrift van deze rechtbank op $$ oktober 2024. [VEREFFENAAR] was voorheen vaste vertegenwoordiger van één van beide bestuurders van de Vennootschap, [MOEDERVENNOOTSCHAP]. De andere bestuurder is blijkens publicaties in het Belgisch Staatsblad diens echtgenote, mevr. [ECHTGENOTE]. Blijkens publicatie in het Belgisch Staatsblad van $$$ houdt mevrouw DENCHTCHIKOVA 49% van de aandelen in de Vennootschap aan, en [MOEDERVENNOOTSCHAP], waarvan [VEREFFENAAR] de enige bestuurder is, 51% van de aandelen. 10. Op 23 december 2024 dagvaardde een andere schuldeiser van verwerende partij, mevr. [TWEEDE SCHULDEISER], verwerende partij in faillissement. De vordering werd afgewezen bij vonnis van 28 januari 2025. IV. BEOORDELING **1. Ontvankelijkheid 11. Verwerende partij is een onderneming in de zin van artikel I.1. eerste lid, 1° WER. 12. Het centrum van de voornaamste belangen van de verwerende partij bevindt zich in het rechtsgebied van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel, zodat deze rechtbank territoriaal bevoegd is om het faillissement uit te spreken. 13. Eisende partij heeft een zekere, vaststaande en opeisbare schuldvordering op verwerende partij. Dit wordt niet betwist. **2. Beoordeling verzoek tot rolverzending 14. Het enkele feit dat er sprake is van een vereffening waarbij nog geen verdelingsplan in de zin van art. 2:97 WVV werd goedgekeurd, verhindert niet de mogelijkheid tot behandeling van een vordering in faillissement. De vrijwillige vereffening is geen juridisch schild waarmee de vennootschap zich tegen haar schuldeisers of een faillissement kan beschermen, en de eenzijdige vereffening is er niet om vennootschappen de mogelijkheid te bieden eenzijdig schuldeisers buitenspel te zetten door een beoordeling van de faillissementsvoorwaarden onmogelijk te maken. Art. 2:97 WVV biedt niet, zoals het verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie, bescherming tegen de schuldeisers, zoals verwerende partij lijkt te insinueren. Binnen de vereisten van artikel 2:97 WVV kan nog steeds worden beoordeeld of aan de faillissementsvoorwaarden is voldaan (zie onder), zelfs voor er een herverdelingsplan is goedgekeurd. Eisende partij merkt, ten overvloede, verder nog op dat zij nooit werd gecontacteerd met betrekking tot (de status van) dergelijk verdelingsplan, en nooit enige communicatie hierover ontving. Ter zitting kan geen verdere duiding worden gegeven over de status van dit verdelingsplan. Het verzoek van verwerende partij om de zaak naar de rol te verwijzen wordt afgewezen. **3. Beoordeling staat van faillissement faillissementsvoorwaarden 15. Eisende partij stelt dat de voorwaarden van faillissement, zoals bepaald in artikel XX.99 WER, vervuld zijn in hoofde van verwerende partij. Artikel XX. 99 WER bepaalt dat de schuldenaar die op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en van wie het krediet geschokt is, zich in staat van faillissement bevindt. Deze faillissementsvoorwaarden moeten worden beoordeeld in het licht van het gegeven dat de Vennootschap in dezen in vereffening is. 16. Staking van betaling in hoofde van een ontbonden vennootschap staat vast wanneer de vereffening deficitair is (vgl. HvB Gent 26 april 2004, TBH 2005, 276, overweging 2.1.2; Orb. Gent 14/01/2026, O/25/00011, juportal.be). De schulden kunnen en zullen niet meer betaald worden. De staking van betaling is duurzaam gezien er geen continuïteitsperspectief is in het licht van de ontbinding en vereffening. In dezen blijkt uit de laatst neergelegde jaarrekeningen van verwerende partij duidelijk een deficitaire vereffening: tegenover een totaal actief van [165.000] euro staat een schuldenlast van [1.440.000] euro. Dit wordt ook bevestigd door de communicatie van verwerende partij (die niet wordt betwist), waarin wordt aangegeven dat er wordt overgegaan tot ontbinding en vereffening omdat de aandeelhouder niet langer middelen in de vennootschap wenst te injecteren. Verwerende partij stelt in haar conclusies verder dat “verzending naar de rol is aangewezen, in afwachting van de goedkeuring op grond van art. 2:97, §2 WVV door de ondernemingsrechtbank van het vereffeningsplan”. Artikel 2:97, §2 WVV is enkel van toepassing indien blijkt dat niet alle schuldeisers integraal zullen kunnen worden terugbetaald (i.e. een deficitaire vereffening). Verwerende partij erkent dus bij conclusies nadrukkelijk dat er sprake is van een deficitaire vereffening. Zij betwist dit verder ook nergens. Er is sprake van staking van betaling. 17. In een eerder vonnis van 2025 oordeelde deze rechtbank dat bij een rechtspersoon in vereffening de staking van betaling en het wankel krediet enkel kan afgeleid worden uit het niet correct uitvoeren van zijn opdracht, en dat het faillissement niet kan uitgesproken worden indien een betekenisvol deel van de schuldeisers instemt met de vereffening en de vereffening niet frauduleus gebeurt voor zover de schuldeisers correct en volledig worden voorgelicht door de vereffenaar over de vooruitzichten van de vereffening. Deze rechtspraak moet echter genuanceerd. Wat betreft de vaststelling van staking van betaling bij deficitaire vereffening, zie hoger. Verder is het wat betreft de geschoktheid van het krediet cruciaal dat het vertrouwen van de schuldeisers op regelmatige en transparante wijze moet worden verkregen, in het bijzonder wanneer er geen instemming van schuldeisers voorligt – hoogstens een gebrek aan zichtbaar protest of wantrouwen. De bewijslast hiervan rust op de verwerende partij. Daarbij moet in rekening worden genomen dat ‘een betekenisvol’ deel van de schuldeisers geen meerderheid van de schuldeisers betreft, noch een meerderheid van de schuld. Om te beoordelen of een betekenisvol deel van de schuldeisers niet langer het vertrouwen geeft of wordt geacht te geven, moet rekening worden gehouden met de algemene omstandigheden van de boedel – waaronder de aard van de schuldeisers, de totale schuld, het aantal schuldeisers en het totale actief. Wanneer een vrijwillige ontbinding en vereffening plaatsvindt met miskenning van de rechten van de schuldeisers of ten nadele van deze schuldeisers, zodat de vennootschap zich kan onttrekken aan de bijzondere aansprakelijkheidsgronden eigen aan de staat van faillissement of aan de invraagstelling van de handelingen die in de verdachte periode zijn verricht, behoudt de vereffenaar het vertrouwen van de schuldeisers niet – zelfs indien die laatsten hun wantrouwen niet zouden hebben laten blijken (vgl. Cass. 5 juni 2020, C.19.0550.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200605.1F.3, juportal.be). 18. Er is met andere woorden sprake van geschokt krediet wanneer de vennootschap in vereffening met miskenning van de rechten van de schuldeisers of in hun nadeel ontbonden wordt, waardoor ze zich kan onttrekken aan de bijzondere verantwoordelijkheden eigen aan de staat van faillissement of aan het in vraag stellen van handelingen die in de verdachte periode zijn verricht, zelfs als de schuldeiser hun wantrouwen niet laten blijken (vgl. Orb. Gent 14/01/2026, O/25/00011, juportal.be). In dezen wordt vastgesteld dat verwerende partij de ontbinding opende onmiddellijk nadat eisende partij ten uitvoer legde, en vervolgens die ontbinding onmiddellijk opwierp (zelfs voor het besluit ertoe werd genomen) om tenuitvoerlegging door haar schuldeisers tegen te gaan. Er wordt verder op basis van de laatste balans van verwerende partij vastgesteld dat de schulden van verwerende partij voor een aanzienlijk deel bestaan uit (

  1. i)publieke schulden (die in het laatste actieve boekjaar aanzienlijk zijn gestegen) en (
  2. ii)‘overige schulden’ – i.e. rekening-courantschulden aan haar bestuurders of aandeelhouders. Dit laatste wordt ook bevestigd in het schrijven van de raadsman van verwerende partij aan eisende partij. Het is enerzijds opmerkelijk dat de vereffenaar zelf, zijn echtgenote, of verbonden vennootschappen, naast hun rol als aandeelhouder c.q. vereffenaar ook in een andere hoedanigheid één van de belangrijkste schuldeisers in de vereffening zijn. Het gegeven dat vereffenaar, zijn echtgenote (en mede-aandeelhouder) en door hem gecontroleerde vennootschappen verklaren één van de voornaamste schuldeisers van de vennootschap zijn, is een goede reden om een curator aan te stellen die de betreffende schuldvorderingen en hun positie in de boedel zal moeten verifiëren zonder aanwezigheid van bijzonder groot belangenconflict. Verder kan ook niet worden aanvaard dat door een sterke schuldeiserspositie te verwerven en vervolgens als aandeelhouder de vereffening op te starten, de aandeelhouder erin zou slagen om andere schuldeisers te verhinderen het faillissement aan te vragen of te bekomen. Er kan met de schuldvordering van de vereffenaar, de aandeelhouders en door hen gecontroleerde vennootschappen dus slechts beperkt rekening worden gehouden bij het beoordelen van de aanwezigheid van vertrouwen of wantrouwen van de schuldeisers (en in het bijzonder de vraag of een ‘betekenisvol’ deel van de schuldeisers zich verzet tegen de ontbinding). Verder blijkt dat de bedrijfsrevisor in diens verslag met betrekking tot de ontbinding van verwerende partij een voorbehoud maakt met betrekking tot transacties tot verkoop van vaste activa (rollend materieel) aangegaan waarbij een bestuurder een tegenstrijdig belang van vermogensrechtelijke aard had, waarbij art. 5:76 WVV niet werd gerespecteerd. Dit wijst erop dat het niet uit te sluiten valt dat middelen aan de Vennootschap werden onttrokken. Dergelijke mogelijkheid wordt ook ondersteund door het feit dat tussen boekjaar 2023 en 2024 zowel de vaste als de vlottende activa (in het bijzonder de liquide middelen) aanzienlijk herleid werden, de ‘overige schulden’ afnamen, en de publieke schulden zeer sterk toenamen. Het enig overblijvend actief zijn niet-geïnde handelsvorderingen (welke overigens ook sterk afnamen). Er blijkt nergens dat schuldeisers worden geïnformeerd over de stand van zaken van de vereffening. Verwerende partij legt geen enkel ander akkoord voor van de publieke schuldeisers of overige handelsschuldeisers – enig ‘vertrouwen’ is dus feitelijk enkel het gegeven dat tijdens deze procedure geen wantrouwen van andere schuldeisers zou boven zijn gekomen. Dit is overigens niet volledig correct: minstens één andere schuldeiser dagvaardde reeds eerder in faillissement. Verwerende partij legt daarentegen, anderhalf jaar na opening van de vereffening, geen enkel verslag of andere actie of zelfs communicatie van de vereffenaar voor. Zij verwijst eenvoudigweg naar de vereffening om zich te onttrekken aan betaling én faillissement, maar laat zelfs na om aan de rechtbank enige duiding te verschaffen over de te verwachten verdeling of de voortgang van de vereffening of de verdere samenstelling van het actief en passief. Ter zitting kan zij hierover ook geen duiding verschaffen op vraag van de rechtbank – zelfs niet over wanneer dergelijk verslag dan verwacht wordt. Verwerende partij bewijst dus niet enkel niet dat zij de schuldeisers correct informeert over de stand van zaken van de vereffening, maar ondersteunt zelfs haar stelling ter zitting dat de vereffening correct verloopt niet (vgl. art. 2:96 WVV). Op basis van bovenstaande argumenten, elk individueel afdoende zijnd, maar zeker twee of meerdere ervan samengenomen, stelt de rechtbank vast dat het besluit zelf om de vennootschap te vereffenen en ontbinden nadelig is voor schuldeisers in de zin dat dit besluit hen het voordeel ontneemt van de acties die door een curator kunnen worden ondernomen. Het komt de rechtbank voor dat de vereffening van de Vennootschap als loutere doel heeft zich te onttrekken aan de bijzondere verantwoordelijkheden eigen aan de staat van faillissement of aan het in vraag stellen van handelingen die in de verdachte periode zijn verricht. Dat er in de huidige stand van het geding geen fraude voorligt, verandert niet aan het bovenstaande. 19. Ten overvloede stelt de rechtbank vast dat, naast eisende partij, kort na de ontbinding ook minstens één andere schuldeiser heeft gepoogd het faillissement uit te lokken (stuk 3 verwerende partij). Aangezien er in de laatste jaarrekening [100.000] euro aan handelsschulden worden opgenomen, blijkt ook dat eisende partij – die nadrukkelijk aangeeft het vertrouwen niet langer te behouden – met haar schuldvordering ongeveer een vijfde van de handelsschulden vertegenwoordigt. Zij vormt dus, zeker samen met de andere schuldeiser die reeds het faillissement vorderde, een betekenisvol deel van de schuldeisers die het vertrouwen in verwerende partij opzegt. Daarbij houdt de rechtbank rekening met het gegeven (
  3. i)dat verwerende partij niet aantoont dat andere schuldeisers wel degelijk expliciet dan wel impliciet in het licht van correcte en volledige informatie het vertrouwen behouden en (
  4. ii)dat verbonden ondernemingen of personen (dewelke slechts beperkt in rekening kunnen worden genomen, zie hoger) naast publieke schuldeisers en de gezamenlijke handelsschuldeisers de grootste schuldeisers uitmaken. Er wordt eveneens rekening gehouden met het zeer beperkte actief in het licht van de schuldenlast: eisende partij vertegenwoordigt een schuld die een veelvoud is van de totale liquide middelen, geldbeleggingen en vaste activa van verwerende partij (samengenomen!), en gelijk is aan minimum 10 tot 15 per cent. van de totale activa van verwerende partij (ervan uit gaand dat deze activa, voornamelijk handelsschuldvorderingen, ook werkelijk geïnd zullen kunnen worden – wat niet wordt aangetoond). Er wordt niet verduidelijkt hoeveel handelsschuldeisers er in totaal zijn, noch welk bedrag aan schulden de andere schuldeiser die reeds het faillissement probeerde uit te lokken vertegenwoordigt. Eisende partij maakt op basis van bovenstaande, zeker samengenomen met de andere partij die reeds in faillissement dagvaardde, een betekenisvol deel van de schuldeisers uit. 20. Het krediet is geschokt. De faillissementsvoorwaarden zijn vervuld. **4. Datum van staking van betaling 21. Er blijkt in dezen dat de faillissementsvoorwaarden reeds bij aanvang van de deficitaire vereffening vervuld waren. Raadsman van verwerende partij gaf (dit wordt niet betwist) zelf aan dat de vrijwillige ontbinding werd aangevraagd omdat de aandeelhouder/bestuurder van verwerende partij niet langer gelden in verwerende partij wenste te investeren. Uitstaande factuur van eisende partij dateert reeds van midden 2023, er werd een verstekvonnis bekomen, en uitvoerend beslag kon niet tot enige resultaten leiden. Reeds op dat ogenblik bleek ook dat de middelen van de Vennootschap ontoereikend waren om aan haar schuldenlast te voldoen. 22. Eisende partij vordert de datum van staking 6 maanden voor huidige uitspraak te leggen. De rechtbank meent dan ook dat deze vordering gegrond is, aangezien verwerende partij op dat ogenblik inderdaad reeds in staat van faillissement verkeerde: ook op dat ogenblik was reeds aan bovenstaande criteria voldaan. V. GERECHTSKOSTEN 23. Verwerende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten van het geding overeenkomstig artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek. 24. Eisende partij vordert de rechtbank te verklaren dat kosten verbonden aan dagvaarding en rechtsplegingsvergoeding bevoorrecht zijn op het actief van de massa als bevoorrechte kosten van het faillissement op grond van artikel 19, 1° van de Hypotheekwet. Dagvaarding in faillissement komt alle schuldeisers ten goede (vgl. E. Dirix, “Roerende voorrechten” in X., Faillissement & Reorganisatie, 2019, afl. FARE-SD19066, 7.G.3 – 1 - 7.G.3, 10 met verwijzingen naar rechtspraak daar opgenomen). Deze vordering wordt toegestaan. VI. BESLISSING Rekening houdende met het bovenstaande, De rechtbank: Verklaart zich bevoegd om kennis te nemen, doet uitspraak op tegenspraak en neemt, na beraadslaging, de volgende beslissing. Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk en gegrond; Stelt vast dat de Vennootschap zich in staat van faillissement bevindt; Verklaart de Vennootschap failliet op dagvaarding; Stelt de datum van betaling op de dag 6 maanden voor de dag van uitspraak van dit vonnis; Benoemt tot rechter-commissaris : $$ Stelt $$, advocaat, met kantoor te $$ aan als curator, onder het toezicht van voornoemde rechter-commissaris. Beveelt dat de schuldeisers van de gefailleerde aangifte van hun vordering zullen doen in het Centraal Register Solvabiliteit via de website www.regsol.be binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen, te rekenen van de datum van uitspraak van dit vonnis. Stelt de datum voor de neerlegging van het eerste proces-verbaal van de verificatie van de schuldvorderingen in het Centraal Register Solvabiliteit via de website www.regsol.be. vast op $$; Beveelt de curator om dit vonnis aan de gefailleerde te betekenen, overeenkomstig artikel XX.106 WER en bij uittreksel bekend te maken in het Belgisch Staatsblad, binnen de vijf dagen na de datum ervan, overeenkomstig artikel XX.107 WER. Beveelt, gelet op het feit dat uit de neergelegde stukken blijkt dat het actief vermoedelijk ontoereikend zal zijn om de eerste kosten van vereffening te dekken, de kosteloze rechtspleging en stelt $$, gerechtsdeurwaarder in het arrondissement Brussel, aan om kosteloos zijn dienst te verlenen. Legt de kosten van het geding, niet begroot, bij verwerende partij, en verklaart deze bevoorrecht op het actief van de massa op grond van art. 19, 1° Hyp. W.. Legt de kosten veroorzaakt door de opening en het beheer van het faillissement ten laste van de boedel. Dit vonnis is bij voorraad en op de minuut vanaf de uitspraak uitvoerbaar. Zetel: S. Verschoot; [R.L.]; [A.V.] Gerelateerde publicatie(
  5. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200605.1F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.