← België

ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20060904.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 04 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20060904.4 Rolnummer: AR 56/06 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-11-16 Raadplegingen: 171 - laatst gezien 2026-07-01 04:44 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Oneigenlijke contracten - Zaakwaarneming BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Zakelijke zekerheid - Retentierecht Vrije woorden: takeldienst - stallingskosten Hoger beroep nog hangende Tekst van de beslissing Nr. Rep. De Rechtbank van Koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, Provincie West-Vlaanderen, VIERDE KAMER, rechtsprekend: In de zaak nr. 56/05 der algemene rol Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "TAKELDIENST EGGERMONT VICO", met maatschappelijke zetel te 8500 Kortrijk, Stasegemsesteenweg 78, met ondernemingsnummer 0468.043.806, eiseres op hoofdeis, verweerster op tegeneis, hebbende als raadsman meester L. Declerck, advocaat te Harelbeke, tegen: besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "DIDECO", met maatschappelijke zetel te 8610 Kortemark, Sneppestraat 52, met ondernemingsnummer 0473.395.335, verweerster op hoofdeis, eiseres op tegeneis, hebbende als raadsman meester J. Lefere, advocaat te Roeselare. De rechtbank heeft de partijen gehoord in openbare zitting en heeft kennis genomen van de stukken en besluiten. Toepassing werd gemaakt van art. 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. FEITEN EN VORDERINGEN De bvba Dideco is eigenaar van een voertuig Mercedes met nummerplaat CLQ236. Op 24.10.2003 deed dhr. X bij de Nederlandse politie, district Breda, aangifte van de diefstal van het voertuig, dat hij had geparkeerd op een parkeerplaats Hazeldonk-West. Hij stelde zich daarbij voor als eigenaar van het voertuig. Op 21.1.2004 werd de politie van de politiezone "Gavers" verzocht zich te begeven naar 8530 Harelbeke, Gentsesteenweg, waar een voertuig Mercedes reeds enkele dagen geparkeerd stond. Het voertuig had twee lekke banden. De verbalisanten stelden vast dat dit het gestolen voertuig was, waaromtrent op 24.10.2003 aangifte werd gedaan. De politie verzocht de bvba Takeldienst Eggermont Vico (hierna verder aangeduid als "Eggermont") het voertuig te takelen en te stallen in haar garage, met het oog op een sporenonderzoek. Dit gebeurde nog diezelfde dag. Op 22.1.2004 nam de politie contact op met de dienstdoende magistraat, die besliste dat aangezien het voertuig op naam stond van Dideco, het voertuig aan een bestuurder van deze laatste kon teruggegeven worden, "mits het betalen van de nodige takel- en stallingskosten" (strafdossier, bijblad 2). Met andere woorden hield dit vanwege de magistraat het impliciet verbod in het voertuig terug te geven zonder dat de eigenaar de takel- en stallingskosten betaalde. Op 22.1.2004 lichtte de politie Dideco er eveneens over in dat het voertuig enkel kon afgehaald worden door de zaakvoerder van Dideco, zijnde dhr. Y, "mits betaling van de takelkosten en stallingskosten die eraan verbonden zijn." (strafdossier, bijblad 2). Op 28.1.2004 bood dhr. Y zich aan in de burelen van de politie. Daar werd hem nogmaals duidelijk gemaakt dat hij terug in het bezit van de wagen zou gesteld worden, "nadat betrokkene de takel- en stallingskosten betaalt(

  1. d)heeft" (strafdossier, bijblad 3). Dideco haalde het voertuig niet af en evenmin stelde Eggermont Dideco in gebreke het voertuig af te halen. Op 1.6.2004 factureerde Eggermont de takelkosten aan dhr. Didier Doom, voor een bedrag van 213,60 EUR, inclusief BTW. Eveneens factureerde zij een stallingskost van 21,00 EUR meer BTW, voor een periode van 3 dagen. Blijkbaar had Eggermont diezelfde kosten voordien reeds gefactureerd aan de politie, die de factuur terugstuurde en Eggermont verzocht deze kosten aan Y te factureren (zie laatste blad van het strafdossier). Pas op 7.4.2005 factureerde Eggermont de stallingskosten aan dhr. Y, voor een bedrag van 3.726,80 EUR, inclusief BTW: deze kosten hadden betrekking op de periode van 24.1.2004 tot 7.4.2005 (7,00 EUR per dag). Op 15.12.2005 factureerde Eggermont de stallingskosten aan Dideco voor een bedrag van 2.134,44 EUR, inclusief BTW, betreffende de periode van 8.4.2005 tot 15.12.2005. Met brief van 21.1.2006 protesteerde Dideco de factuur dd. 15.12.2005, stellende dat zij niet akkoord ging met de gefactureerde stallingskosten, dat Eggermont het voertuig zonder enig recht achterhield en dat de factuur laattijdig was. Met brief van 27.1.2006 antwoordde de raadsman van Eggermont dat: - het protest van 21.1.2006 tegen de factuur van 15.12.2006 laattijdig was; - Dideco de stallingskosten verschuldigd is, omdat het voertuig haar eigendom is; - Eggermont het voertuig niet achterhield en integendeel Dideco het voertuig niet afhaalde; - de factuur niet laattijdig is, omdat ze betrekking heeft op de stallingskosten tot 15.12.2005. Op 27.12.2005 ging Eggermont over tot dagvaarding van Dideco. Zij vordert de veroordeling van Dideco tot betaling van 7.044,28 EUR, meer de conventionele rente aan 9,5 % tot de datum van betaling en de gerechtskosten, dit alles bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling, en met uitsluiting van het kantonnement. Het bedrag van 7.044,28 EUR is de som van voormelde facturen, vermeerderd met een rente van 240,46 EUR en een forfaitaire schadevergoeding van 728,98 EUR. Dideco betwist de vordering en vordert bij tegeneis de veroordeling van Eggermont tot betaling van: - 2.373,04 EUR, als vergoeding van de autobelastingen; - 1.840,00 EUR, als gebruiksderving van het voertuig; - 500,00 EUR, wegens tergend en roekeloos geding, dit alles, meer de gerechtelijke rente vanaf 27.1.2006 tot op het tijdstip van de betaling, en meer de gerechtskosten. BEOORDELING I. HOOFDEIS Eggermont steunt zich louter op het eigendomsrecht van Dideco over het voertuig om haar vordering tegen deze laatste te stellen. Eggermont duidt in haar besluiten nergens enige juridische grondslag voor haar vordering aan. Deze vordering is ongegrond. Het is niet omdat Dideco eigenares was en eventueel nog is van het voertuig, dat zij de takel- en stallingskosten zou moeten betalen. 1. Eggermont kan zich niet steunen op een contractuele opdracht van Dideco. Er bestaat geen contractuele relatie tussen de partijen. Eggermont heeft de opdracht tot takeling en stalling gekregen van de politie en niet van Dideco. De takeldienst kan zich dan ook niet op een contractuele grondslag steunen om de kosten te verhalen op Dideco (Kh. Veurne, 5.11.2003, inzake A.R. nr. A/02/00626, niet gepubliceerd; Vred. Sint-Niklaas, 28.11.2001, R.W., 2004-05, p. 594; Vred. Gent, 30.6.2000, T.G.R., 2001, 96). 2. Eggermont kan zich evenmin steunen op de rechtsfiguur van de "zaakwaarneming". "Zaakwaarneming" bestaat in het vrijwillig, doch niet uit vrijgevigheid en evenmin uit eigen belang, verrichten van een handeling ter behartiging van de belangen van een ander (de "meester van de zaak") buiten elke wettelijke of contractuele verplichting om (Van Gerven, W., en Covemaeker, S., "Verbintenissenrecht", p. 179). Opdat er sprake van "zaakwaarneming" zou zijn, moet aan volgende voorwaarden voldaan zijn: - de zaakwaarneming moet gebeuren in het belang van de "meester van de zaak"; - de tussenkomst van de zaakwaarnemer moet nuttig geweest zijn voor de "meester van de zaak"; daaraan is niet voldaan wanneer de "meester van de zaak" zelf bij machte was te handelen of wanneer er geen nood was aan een onmiddellijk optreden; - er mag in hoofde van de zaakwaarnemer geen oogmerk zijn om de "meester van de zaak" te begiftigen; - er rust op de zaakwaarnemer geen contractuele of wettelijke plicht om te handelen; de handeling moet spontaan gebeuren; - de handeling van de zaakwaarnemer mag niet stuiten op verzet vanwege de "meester van de zaak", wanneer hij kennis had van de zaakwaarneming (zie Van Gerven, W., en Covemaeker, S., "Verbintenissenrecht", p. 181 e.v.; Antwerpen, 16.12.2000, A.J.T., 2000-2001, p. 662). Aan deze voorwaarden is niet voldaan, noch in hoofde van Eggermont noch in hoofde van de politie. Eggermont heeft het voertuig getakeld in opdracht van de politie. Deze opdracht maakt de juridische oorzaak van deze prestatie uit. Zij heeft eveneens in opdracht van de politie het voertuig gestald tot het ogenblik waarop het door de politie werd vrijgegeven. Ook de politie heeft niet gehandeld in het belang van Dideco, toen zij de opdracht tot takeling en stalling gaf. Deze opdracht is niet "spontaan" gebeurd, maar wel in het kader van het opsporingsonderzoek naar aanleiding van het misdrijf. De opdracht tot takeling en stalling werd immers gegeven om toe te laten een sporenonderzoek uit te voeren (zie strafdossier, bijblad 2). Pas nadien werd het voertuig vrijgegeven, mits betaling van de takel- en stallingskosten. Het vervolg van de stalling is te verklaren door het feit dat Dideco of haar zaakvoerder de takel- en stallingskosten niet betaalde. Er werd door de politie meermaals verklaard dat de wagen maar kon vrijgegeven worden mits betaling van de takel- en stallingskosten door de bestuurder van Dideco (zie strafdossier, bijblad 2 en 3). Bovendien bestond er voor deze stalling geen nut meer voor Dideco: er mag redelijkerwijze aangenomen worden dat, indien Eggermont of de politie aan Dideco had verzocht het voertuig af te halen, zonder dat het noodzakelijk was dat Dideco de takel- en stallingskosten betaalde, Dideco zelf de mogelijkheid zou gehad hebben het voertuig te stallen op haar eigen terreinen of bij haar zaakvoerder en dit ook zou gedaan hebben. Echter, noch Eggermont, noch de politie heeft Dideco in gebreke gesteld om het voertuig af te halen. Integendeel, er werd de zaakvoerder van Dideco duidelijk gemaakt dat hij het voertuig slechts kon afhalen mits betaling van de takel- en stallingskosten. Eggermont is een commerciële firma, die handelt met winstoogmerk, zodat in haren hoofde ook niet voldaan is aan de voorwaarde dat het haar bedoeling zou geweest zijn uit welwillendheid de belangen van Dideco te behartigen (Antwerpen, 9.2.1998, R.H.A., 1999, 107; Kh. Veurne, 5.11.2003, inzake A.R. nr. A/02/00626, onuitgegeven). Evenmin is er sprake van "oneigenlijke zaakwaarneming": er is sprake van oneigenlijke zaakwaarneming, wanneer niet aan alle voorwaarden van de zaakwaarneming is voldaan. In dit geval zou dan eventueel beroep kunnen gedaan worden op de vermogensverschuiving zonder oorzaak, mits aan de voorwaarden daartoe voldaan is. Deze voorwaarden zijn: - een verrijking van het ene vermogen en een verarming van het andere vermogen; - er moet een verband zijn tussen de verrijking en de verarming; - er mag geen juridische oorzaak voor de verarming én voor de verrijking zijn; deze oorzaak kan bijvoorbeeld ook gelegen zijn in een opdracht van een derde; - de verarmde mag niet beschikken over een andere rechtsvordering. (Van Gerven, W. en Covemaeker, S., a.w., p. 181 en p. 190-192). Er is geen verrijking bewezen in hoofde van Dideco, temeer zij gedurende de stalling geen gebruik van het voertuig kon maken. Er is een juridische oorzaak voor de takeling en de stalling, nl. de opdracht van de politie en de beslissing van de dienstdoende magistraat en/of van Eggermont de wagen niet af te geven zonder betaling van de takel- en stallingskosten. Ten slotte blijkt niet dat Eggermont niet zou beschikken over een vordering tegen de Belgische overheid, ingevolge de opdracht van deze laatste en de onterechte beslissing dat de wagen slechts kon vrijgegeven worden na betaling van de takel- en stallingskosten door Dideco. 3. Eggermont kan zich evenmin steunen op de aanvaarding van facturen, om meerdere redenen. Een factuur kan slechts de weergave van een overeenkomst zijn; de factuur kan geen verbintenissen scheppen, doch kan hoogstens primaire verbintenissen uit een overeenkomst bewijzen (art. 25 W. Kh.). Secundaire verbintenissen uit een overeenkomst (zoals een schadevergoeding wegens een contractuele wanprestatie), uit onrechtmatige daad of uit oneigenlijke contracten (zoals de zaakwaarneming) kunnen geen aanleiding geven tot het opmaken van facturen, zodat de afwezigheid van protest tegen dergelijke facturen niet kan beschouwd worden als aanvaarding ervan (Dirix, E. en Ballon, G.L., "Factuur", 1993, p. 5, nr. 9; De Vroede, P., Merchiers, Y. en Demuynck, I., "Overzicht van rechtspraak. Algemeen handelsrecht, handelspraktijken en consumentenbescherming (1992-1997)", T.P.R., 1997, nr. 1, p. 169). Hoe dan ook staat het vast dat de takeling en de stalling niet gebeurden in opdracht van Dideco, zodat de takeling en stalling niet aan Dideco konden gefactureerd worden; wat niet het gevolg is van een overeenkomst met een persoon, kan niet aan deze persoon gefactureerd worden; er kan dan ook geen sprake zijn van een stilzwijgende aanvaarding van facturen, die het bewijs van de overeenkomst zou leveren. Overigens, volledigheidshalve kan nog opgemerkt worden dat de handelaar-geadresseerde van een factuur, die betrekking heeft op een aanneming (zoals de takeling en stalling) en die de factuur niet binnen korte termijn geprotesteerd heeft, steeds het tegenbewijs kan leveren dat de factuur niet de weergave van de overeenkomst is. Een aanvaarde factuur inzake een aanneming levert hoogstens het feitelijk vermoeden dat de inhoud van de factuur overeenstemt met de overeenkomst (Gent, 26.10.2005, 12° kamer, A.R. nr. 2004/2288; Cass., 29.1.1996, Arr. Cass., 1996, p. 126, nr. 59; Cass., 27.1.2000, Arr. Cass., 2000, p. 226, nr. 72). Feitelijke vermoedens hebben een vrije bewijswaarde en mogen door de rechter soeverein beoordeeld worden; dergelijke vermoedens zijn voor tegenbewijs vatbaar (Vred. Mol, 3.12.2002, R.W., 2003-04, p. 1232-1233, met verwijzingen naar rechtsleer). De handelaar, aan wie een factuur is geadresseerd, en die deze stilzwijgend aanvaard heeft, kan dan ook steeds bewijzen dat de factuur niet de getrouwe weergave van de overeenkomst is (Gent, 23° kamer, 28.2.2001, A.R. nr. 1998/1702; Gent, kamer 7b, 28.10.2002, A.R. nr. 1999/1446; Antwerpen, 26.1.1998, A.J.T., 1998-99, 241). Dit is hier bewezen aangezien het strafdossier bewijst dat de opdracht tot takeling en stalling tot het einde van het sporenonderzoek uitging van de politie. De stalling nadien is het gevolg van de beslissing van de dienstdoende magistraat en/of Eggermont de wagen niet af te geven zolang de takel- en stallingskosten niet betaald waren. Bovendien zijn de facturen dd. 1.6.2004 en 7.4.2005 gericht aan "Didier Doom" in persoonlijke naam, zonder te vermelden dat hij zaakvoerder van Dideco is; aangezien een zaakvoerder geen handelaar is en dhr. Didier Doom evenmin als zaakvoerder aangeduid werd, kan de afwezigheid van protest tegen deze facturen ook om die reden niet beschouwd worden als aanvaarding ervan. De rechtbank stelt overigens vast dat Eggermont zich in haar besluiten nergens steunt op de aanvaarding van deze facturen. Volledigheidshalve merkt de rechtbank ook op dat Eggermont allerminst diligent is opgetreden met betrekking tot haar aanspraken. Zij heeft de takelkosten en slechts drie dagen stallingsvergoeding pas op 1.6.2004 aan dhr. Y gefactureerd. Vervolgens heeft zij nog bijna een jaar gewacht alvorens de stallingskosten vanaf 24.1.2004 aan te rekenen, nl. via een factuur van 7.4.2005. Deze factuur sloeg op een periode van niet minder dan 14 maanden. Daarna wachtte zij nogmaals tot 15.12.2005 alvorens de volgende stallingskosten aan te rekenen: pas dan factureerde zij voor het eerst aan Dideco. Dideco heeft de factuur dd. 15.12.2005 geprotesteerd op 21.1.2005; de facturatie moet echter normaal maandelijks gebeuren (BTW-regeling); wanneer de schuldeiser in het kader van een overeenkomst de stallingskosten slechts zo laat factureert, dan kan aan de schuldenaar ook meer tijd gegeven worden om dergelijke facturen te betwisten (Dirix, E. en Ballon, G.L., "Factuur", 1993, p. 119 e.v.; Vaerewijck, C., noot onder Gent, 15.2.1996, A.J.T., 1996-97, p. 208; Cloquet, A., "La facture", p. 167). 4. Eggermont zou evenmin kunnen argumenteren dat Dideco uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigd heeft dat de takeling en stalling voor haar rekening zouden gebeurd zijn of dat zij uiteindelijk de takel- en stallingskosten ten laste zou nemen: - de rechtbank heeft er reeds op gewezen dat de facturen van Eggermont niet als aanvaard kunnen beschouwd worden; - het feit dat Dideco de wagen niet afhaalde impliceert niet dat zij aan Eggermont stilzwijgend de opdracht gaf de wagen in haar garage te stallen voor haar rekening; integendeel, van in het begin werd aan Dideco duidelijk gemaakt dat zij de wagen slechts kon afhalen mits betaling van de takel- en stallingskosten: het feit dat Dideco de wagen niet afhaalde kan dus verklaard worden door het feit dat zij niet bereid was de takel- en stallingskosten te betalen. Zij heeft weliswaar geen poging ondernomen om de wagen te bekomen zonder betaling van de kosten, doch dit impliceert niet dat zij bereid was de kosten te betalen, aangezien zelfs de politie haar duidelijk gemaakt had eerst de kosten te moeten betalen. 5. Ten slotte beweert Eggermont evenmin dat Dideco één of andere extracontractuele fout, in causaal verband met de takel- en stallingskosten begaan heeft. Hoe dan ook is dergelijke fout niet bewezen. - De takeling en de stalling zijn een gevolg van een opdracht van de politie, die op haar beurt het gevolg is van een diefstal van het voertuig; uit niets blijkt dat Dideco enige schuld heeft aan de diefstal. - Dideco kan evenmin het verwijt gemaakt worden het voertuig niet te hebben afgehaald. Zo maakte de politie duidelijk dat de zaakvoerder van Dideco het voertuig enkel kon afhalen mits betaling van de takel- en stallingskosten (zie overzicht van de feiten), waartoe Dideco echter niet kon verplicht worden. Deze voorwaarde van de politie, bovendien opgelegd door de dienstdoende magistraat, was niet terecht en daaraan heeft Dideco geen enkele schuld. - Dideco moest noch de takelkosten, noch de stallingskosten betalen. Het is inderdaad niet duidelijk of Eggermont persoonlijk geweigerd heeft het voertuig terug te geven zonder betaling van de kosten, doch deze betaling was alleszins opgelegd door de magistraat en de politie, vermoedelijk met de bedoeling en de hoop later niet geconfronteerd te worden met een aanspraak van Eggermont. - Het is alleszins niet bewezen dat, indien Dideco wenste het voertuig af te halen, zonder betaling van de kosten, Eggermont het voertuig zou afgegeven hebben. Er mag integendeel aangenomen worden dat, indien Dideco het voertuig wenste af te halen zonder betaling van de kosten, Eggermont zou geweigerd hebben het voertuig af te geven, gelet op de instructies van de politie en de dienstdoende magistraat. - Eggermont heeft Dideco nooit in gebreke gesteld om het voertuig af te halen, zonder dat Dideco daarbij de kosten hoefde te betalen. - Er is geen causaal verband bewezen tussen (een deel van) de stallingskosten en het feit dat Dideco of dhr. Y niet reageerden tegen de facturen van 1.6.2004 en 7.4.2005; indien Dideco of dhr. Y expliciet onmiddellijk zouden geprotesteerd hebben tegen de facturen, dan blijkt alleszins niet dat Eggermont na 1.6.2004 bereid zou geweest zijn de wagen af te geven zonder dat de facturen zouden betaald worden; dit is des te meer het geval nu Eggermont aan Dideco of dhr. T nooit heeft verzocht de wagen af te halen, zonder dat daarvoor de betaling van de facturen vereist was. De vordering van Eggermont tegen Dideco is dan ook ongegrond. Hierna zal worden uiteengezet dat ook Eggermont het voertuig niet diende af te geven aan Dideco, doch dit betekent niet dat Dideco de schuldenaar van de facturen van Eggermont is. Een retentierecht kan immers ook worden ingeroepen tegen de eigenaar van een zaak, zonder dat de eigenaar schuldenaar is. II. TEGENEIS Ook de tegeneis is ongegrond. Aan de voorwaarden voor het retentierecht is, althans wat het voertuig betreft, voldaan (voor een opsomming van deze voorwaarden, zie o.a. "Bestendig handboek Verbintenissenrecht", nr. 1941 e.v.)(zie ook inzake het retentierecht, door de takeldienst uitgeoefend op een door haar in opdracht van de politie getakeld voertuig: Kh. Veurne, 5.11.2003, inzake A.R. nr. A/02/00626): - het voertuig betreft een in de handel bestaande zaak, vervreemdbaar en vatbaar voor beslag; - Eggermont heeft het voertuig op een rechtmatige wijze in bezit verkregen, nl. via een opdracht van de politie; - de schuldvordering van Eggermont is minstens deels zeker en opeisbaar, ongeacht de vraag wie de schuldenaar is. De schuldvordering hoeft niet vast te staan, wat de omvang betreft: dit betekent dat het retentierecht bestaat, zelfs indien er betwisting mogelijk is over de omvang van het verschuldigde bedrag (eventueel de duur van de stalling en de hoogte van de stallingskosten per dag); - er is een materieel of juridisch verband tussen de schuldvordering en de teruggehouden zaak. Dit is hier duidelijk het geval. De kosten, waarvoor het retentierecht eventueel zou ingeroepen worden, hebben betrekking op de wagen zelf en zijn het gevolg van een opdracht in verband met de wagen; - het retentierecht moet te goeder trouw worden uitgevoerd. Dit betekent in de eerste plaats dat de retentor er te goeder trouw mocht van uitgaan dat degene, die hem het bezit verschaft heeft, bevoegd was om de handelingen toe te staan, die tot het ontstaan van de schuld leiden, waarvoor het retentierecht wordt uitgeoefend (Storme, M., Actualia Zekerheden: Borgtocht en algemene regels persoonlijke zekerheden Roerende zakelijke rechten", syllabus naar aanleiding van een studieavond, georganiseerd door Gandaius-C.B.R., 11.5.2006, p. 90; Cass., 27.4.2006, A.R. nr. C.04.0478.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060427.8/12, www. juridat.be). Ook aan deze voorwaarde is hier voldaan: Eggermont mocht er redelijkerwijze van uitgaan dat de politie bevoegd was om haar de opdracht te geven het voertuig te takelen en te stallen; daarenboven werd door de dienstdoende parketmagistraat duidelijk verklaard dat het voertuig slechts mocht teruggegeven worden na betaling van de takel- en stallingskosten. Eggermont had geen reden om deze eis van de politie en magistraat in twijfel te trekken; bovendien heeft Dideco Eggermont nooit in gebreke gesteld om, zonder betaling van de kosten, het voertuig af te geven, wat er integendeel op wijst dat zij geen interesse meer heeft in het voertuig; meer nog, zij beweert zelfs dat de overheid na 6 maanden eigenaar van de wagen is geworden (zie haar eerste besluiten, p. 4-5, onder punt C). In deze omstandigheden kan Eggermont het retentierecht ook inroepen tegen Dideco, die eigenaar van de wagen is, ook al heeft Eggermont de opdracht niet van Dideco ontvangen (Kh. Veurne, 5.11.2003, reeds geciteerd; "Bestendig Handboek Verbintenissen", nr. 1952; Antwerpen, 15.11.2004, NjW 2005, afl. 114, 705); Volledigheidshalve merkt de rechtbank eveneens op dat Dideco niet bewijst dat zij ooit Eggermont in gebreke heeft gesteld om de nummerplaat terug te bezorgen. Dideco vordert evenmin in huidige procedure de afgifte van de nummerplaat. Om die redenen is de tegenvordering tot betaling van een schadevergoeding van 2.373,04 EUR en 1.840,00 EUR ongegrond. Ook de vordering wegens tergend of roekeloos geding is ongegrond, omdat de vordering van Eggermont noch getuigt van kwade trouw, noch lichtzinnig is ingesteld en noch de bedoeling heeft om Dideco te schaden. III. GERECHTSKOSTEN Gezien het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen en de vordering van Eggermont betrekking heeft op een aanzienlijk hoger bedrag dan het bedrag van de tegenvordering, dient 2/3 van de gerechtskosten ten laste van Eggermont gelegd te worden en 1/3 ten laste van Dideco. Er is geen reden om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. OP DEZE GRONDEN, DE RECHTBANK, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart de hoofd- en tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond; Veroordeelt de bvba Takeldienst Eggermont Vico tot 2/3 van de gerechtskosten en de bvba Dideco tot 1/3 van de gerechtskosten; Bepaalt de gerechtskosten als volgt: 1. aan de zijde van de bvba Takeldienst Eggermont Vico: - dagvaarding en rolstelling: 238,05 EUR - rechtsplegingsvergoeding: 364,40 EUR 2. aan de zijde van de bvba Dideco: - rechtsplegingsvergoeding: 364,40 EUR. Aldus het vonnis, uitgesproken in openbare terechtzitting van de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk, gerechtsgebouw II, op maandag, vier september tweeduizend en zes; Aanwezig : G. Danneels, ondervoorzitter; J. Vanbiervliet, rechter in handelszaken en F. Vankeirsbilck, plaatsvervangend rechter in handelszaken, door de voorzitter aangewezen ter vervanging van de rechter in handelszaken L. Waelkens en de plaatsvervangende rechter in handelszaken G. Vanhulle, wettelijk verhinderd de uitspraak van onderhavig vonnis bij te wonen, waarover zij mede hebben beraadslaagd (art. 779 Ger.W.); V. Soreyn, adjunct-griffier. V. Soreyn F. Vankeirsbilck J. Vanbiervliet G. Danneels Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060427.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.