id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 07 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20060907.7 Rolnummer: AR 451/04 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2008-09-30 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-01 04:43 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Concessie Tekst van de beslissing Nr. 4992 Rep. De Rechtbank van Koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, Provincie West-Vlaanderen, EERSTE KAMER, rechtsprekend: In de zaak nr. 451/04 der algemene rol.- De naamloze vennootschap CIAC LEDEBERG, (voorheen : CIAC ROESELARE), met vennootschapszetel te 9050 Gent- Ledeberg, Brusselsesteenweg 506 ; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer 0476.277.324; eiseres, hebbende als raadsman en pleitend meester Edward Janssens, advocaat te 2000 Antwerpen, Louizastraat 32/B1 ; tegen : De naamloze vennootschap PEUGEOT BELGIQUE LUXEMBOURG, met vennootschapszetel te 1400 Nijvel, Rue de l'Industrie 22 ; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer 0403.461.107 ; verweerster, hebbende als raadslieden meesters Marc Willemart en Ariane Destrycker, beiden advocaat te 1170 Brussel, Vorstlaan 100 en pleitend meester Ariane Destrycker, advocaat voornoemd; I. PROCEDURE De zaak werd ingeleid bij dagvaarding door de NV CIAC Roeselare, die op 22 januari 2004 op regelmatige wijze werd betekend aan verweerster. Gelet op het feit dat de NV CIAC Roeselare bij besluiten dd. 4 mei 2006 meldde dat haar naam werd gewijzigd in NV CIAC LEDEBERG. Partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in openbare terechtzitting van 4 mei 2006, waarna de zaak voor sluiting der debatten werd gesteld teneinde verweerster toe te laten een aanvullend stuk neer te leggen (meer bepaald de "Explanatory Brochure" van de Europese Commissie), hetgeen gebeurde met het akkoord van eiseres. Kennis werd genomen van het dossier van de rechtspleging. Partijen hebben elk een stukkenbundel neergelegd. De artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 tot regeling van het taalgebruik in gerechtszaken werden in acht genomen. II. IN FEITE Eiseres stelt dat haar rechtsvoorganger sinds 1928 optrad als exclusieve verdeler van Peugeot voertuigen en Peugeot onderdelen in Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Zeeuws-Vlaanderen. Verweerster stelt dat de relatie tussen partijen slechts teruggaat tot 25/7/89, datum waarop een nieuwe concessieovereenkomst werd ondertekend voor een bepaalde duur van drie jaar, nadat de op dat ogenblik bestaande concessieovereenkomst werd beëindigd op grond van art. XIII d. wegens een substantiële wijziging in de structuur en het bestuur (directie) van de toenmalige concessiehouder, zijnde de NV KAIRO. Eiseres stelt dat verweerster haar territorium steeds inperkte, zodat de laatste schriftelijke concessieovereenkomst dd. 01/10/96 betrekking heeft op volgend territorium: Torhout, Wingene, Koekelare, Ichtegem, Kortemark, Hooglede, Lichtervelde, Moorslede, Staden, Ardooie, Roeselare, Rumbeke, Zedelgem, Aartrijke, Veldegem, Rollegem-Kapelle, Ledegem, Ruddervoorde en Herstberge. Ten gevolge van de nieuwe Europese regelgeving betreffende de automobielsector (meer bepaald Verordening 1400/2002) richtte verweerster op 25/9/02 een schrijven tot eiseres. Eiseres stelt dat deze brief een opzeggingsbrief betreft, die op eenzijdige wijze een einde maakte aan de concessieovereenkomst per 30/9/
- Verweerster stelt dat het geenszins haar bedoeling was de concessieovereenkomst te beëindigen, doch dat zij de bestaande overeenkomst diende te vervangen door drie nieuwe overeenkomsten (een concessieovereenkomst nieuwe wagens Peugeot, een distributieovereenkomst Peugeot onderdelen en een overeenkomst erkend hersteller Peugeot) teneinde zich te conformeren met de nieuwe Europese regelgeving, die een grondige reorganisatie noodzakelijk maakte. Eiseres stelt dat verweerster de overeenkomst heeft beëindigd met eerbiediging van een opzeggingstermijn van één jaar, terwijl zij overeenkomstig art. 2 Wet 27/7/61 gerechtigd is op een opzeggingstermijn van 48 maanden. Eiseres stelt tevens gerechtigd te zijn op een billijke bijkomende vergoeding ex art. 3 Wet 27/7/
- Eiseres vordert meer bepaald: - een opzegvervangende vergoeding bij gebreke aan inachtneming van een voldoende lange opzeggingstermijn ten belope van de semi-bruto winst gedurende 36 maanden, provisioneel begroot op 2.791.833,00 euro; - een billijke bijkomende vergoeding overeenstemmend met: a. 10 % van de omzet over het laatste jaar, hetgeen overeenstemt met 846.884,00 euro uit hoofde van cliënteelvergoeding; b. 1,00 euro provisie uit hoofde van investeringen en kosten aangegaan in het kader van de uitvoering van de concessieactiviteit met het oog op de exploitatie van het Peugeot distributienetwerk binnen het contractuele grondgebied, die aan verweerster voordelen zouden opleveren na het einde van de concessie; c. 1,00 euro provisioneel uit hoofde van rouwgeld als gevolg van het ontslag van personeel, dit alles te vermeerderen met de gerechtelijke interest vanaf 22/01/
- In ondergeschikte orde vordert eiseres de aanstelling van een deskundige, teneinde de rechtbank te adviseren nopens de hoegrootheid van de verschuldigde vergoedingen. Verweerster betwist de vorderingen ten stelligste en is van oordeel niets verschuldigd te zijn aan eiseres. Verweerster benadrukt dat zij reeds in haar schrijven dd. 25/9/02 aan eiseres drie nieuwe samenwerkingsovereenkomsten aanbood, zodat eiseres zonder probleem haar activiteiten kon verder zetten zoals voorheen. Verweerster verwijst tevens naar het feit dat eiseres op 29/9/03 het handelsfonds betreffende de uitbating van de Peugeotgarage te 8800 Roeselare, Brugsesteenweg 377 overliet aan de NV Automotive Group (8970 Poperinge, Reningelstseweg 11). De NV Automotive Group ondertekende op 29/9/03 de drie distributieovereenkomsten die eerst aan eiseres werden aangeboden. In haar laatste besluiten dd. 1/6/05 heeft eiseres haar eis uitgebreid, en vordert zij vanwege verweerster: - betaling van facturen ten bedrage van 1.508,57 euro; - betaling van facturen ten bedrage van 2.036,40 euro; - premies ten bedrage van 29.234,36 euro; - uit hoofde van de stand van de saldorekening 47.129,12 euro. - gerechtelijke interest op de hierboven vermelde sommen. Partijen vragen ter zitting dit aspect van de zaak naar de rol te verwijzen. III. IN RECHTE III.1 Betreffende het schrijven dd. 25/09/02 van verweerster Eiseres stelt dat verweerster de tussen hen bestaande concessieovereenkomst heeft beëindigd door middel van haar schrijven dd. 25/9/
- Verweerster verwijst naar het verschil tussen het instrumentum en het negotium, doch dit argument kan de rechtbank niet overtuigen. Verweerster ontkent dat zij de samenwerking met eiseres wilde stopzetten en benadrukt dat zij de samenwerking met eiseres wilde verderzetten, doch omwille van de nieuwe Europese regelgeving (meer bepaald Verordening 1400/2002) verplicht was een grondige reorganisatie door te voeren, en alle bestaande concessieovereenkomsten diende op te zeggen, hetgeen Peugeot (en andere automerken) trouwens in gans Europa zou gedaan hebben. Verweerster meldt in haar schrijven dd. 25/9/02: "(...) Deze nieuwe Verordening die de Verordening EEG 1475/95 vervangt, wordt van kracht op 1 oktober 2002 en voorziet een overgangsperiode van één jaar lopend tot 30 september
- Deze overgangsperiode is bedoeld om de automobieldistributiecontracten die van kracht zijn op 1 oktober 2002 en conform zijn aan voornoemde Verordening 1475/95, aan te passen. (...) In het kader van deze reorganisatie stellen wij u voor de volgende activiteiten uit te oefenen vanaf 1 oktober 2003: voor de vestiging van Roeselare: concessie NW/distributieWS/erkend hersteller Bijgevolg (...) ontvangt u in bijlage de door ons weerhouden selectiecriteria en standaardtekst van de overeenkomst die betrekking hebben op ons voorstel (...). Wij vragen u ons nu reeds te laten weten of u ons hierboven vermeld voorstel aanvaardt of weigert, en dit per aangetekende brief met bericht van ontvangst gestuurd ten vroegste op 1 november 2002 en ten laatste op 15 december
- Wij wijzen erop dat indien wij geen schriftelijk antwoord binnen deze termijn ontvangen, of indien u een antwoord laat geworden met één of meerdere bezwaren of onder voorbehoud, welke zij ook moge zijn, dit zal gelijkgesteld worden met een weigering van dit voorstel, met als gevolg een definitieve verbreking van onze contractuele relaties op 30 september 2003, datum waarop uw concessieovereenkomst zal stopgezet worden zoals hierna bepaald. Hetzelfde geldt vanzelfsprekend bij opzettelijke weigering. (...) Voor de goede orde en om elke dubbelzinnige interpretatie te vermijden met betrekking tot de bestemming van de concessieovereenkomst die onze twee maatschappijen voor het ogenblik bindt, delen wij u bij deze onze beslissing mede om na afloop van de overgangsperiode op 30 september 2003, overeenkomstig artikel XIII van voormelde overeenkomst, per anticipatie, de concessieovereenkomst te ontbinden met effect op 30 september
- (...)" De nieuwe Europese Verordening nr. 1400/2002 werd van kracht op 1 oktober 2002, doch voorzag in een overgangsperiode van één jaar lopend tot 30 september 2003, teneinde de lopende automobieldistributiecontracten die vielen onder het toepassingsgebied van Verordening 1475/95 aan te passen aan de nieuwe Verordening. Verweerster meldde aan eiseres dat zij de kans kreeg om drie nieuwe overeenkomsten te sluiten, meer bepaald: - een concessieovereenkomst voor nieuwe wagens van het merk Peugeot; - een distributieovereenkomst Peugeot onderdelen; - een overeenkomst erkend hersteller Peugeot. Indien deze overeenkomsten echter niet werden afgesloten (om welke reden dan ook) werd de bestaande overeenkomst beëindigd per 30 september
- Aangezien eiseres de drie nieuwe overeenkomsten nooit heeft ondertekend, werd de bestaande concessieovereenkomst effectief beëindigd per 30 september
- De beëindiging van de bestaande concessieovereenkomst tussen partijen was het rechtstreeks gevolg van de inhoud van de brief dd. 25/9/02, die derhalve wel degelijk als een opzeggingsbrief dient te worden aanzien, onafhankelijk van de reden waarom de opzegging diende te gebeuren (volgens verweerster). III.2 Betreffende art. 2 van de wet van 27/7/61 Verweerster is van oordeel dat zij alles deed wat zij diende te doen en kon doen door een opzeggingstermijn van één jaar te respecteren. Verweerster verwijst naar art. 5.3 van Verordening 1475/95 dat bepaalt: "De in de leden 1 en 2 genoemde voorwaarden voor vrijstelling gelden onverminderd: het recht van de leverancier om de overeenkomst te ontbinden met in achtneming van een opzeggingstermijn van één jaar ingeval van noodzaak van een reorganisatie van het volledige distributienet of van een wezenlijk deel daarvan (...)" Verweerster stelt dat zij door de invoering van de nieuwe Verordening verplicht was haar distributienet volledig te reorganiseren, zodat zij de bestaande overeenkomsten kon ontbinden mist een opzeggingstermijn van één jaar te respecteren. Verweerster stelt dat er trouwens sprake is van rechtsverval aangezien de concessieovereenkomst geldig tot stand kwam, doch tijdens de uitvoering ervan een essentiële geldigheidsvoorwaarde verloor, ten gevolge van een voorval dat zich na de vorming van de rechtshandeling voordeed en waardoor de uitvoering in natura onmogelijk werd. Verweerster benadrukt dat de concessieovereenkomst was vrijgesteld onder Vo 1475/95 en dat de invoering van het nieuwe mededingingsregime een verplichte keuze introduceert tussen selectiviteit en exclusiviteit. De verdere uitvoering van de bestaande overeenkomst in natura werd derhalve onmogelijk vanaf 01/10/
- Verweerster stelt dat er aldus geen sprake is van de beëindiging van de overeenkomst op haar initiatief, zodat de wet van 27/7/61 niet dient te worden toegepast. De concessieovereenkomst was echter reeds definitief ontbonden en beëindigd op 01/10/03 ingevolge de autonome beslissing van verweerster om de overeenkomst te laten eindigen op 30/9/03, hetzij vóóraleer het rechtsverval zich kon voordoen. Op de argumenten van partijen betreffende het rechtsverval en de mogelijke gevolgen ervan dient derhalve niet verder te worden ingegaan. Partijen concluderen vervolgens uitgebreid over het feit of de invoering van de nieuwe verordening al dan niet noodzakelijk een reorganisatie van het distributienetwerk tot gevolg had. Zonder op deze discussie in te gaan, dient te worden vastgesteld dat de vermelde Europese Verordeningen de Belgische wet dd. 27/7/61 echter niet zomaar buiten werking stellen. Een groepsvrijstelling wijzigt niet de bepalingen van de toepasselijke nationale wet. Deze bepalingen behouden al hun dwingende kracht en de partijen kunnen van deze imperatieve regels dan ook niet afwijken. Zelfs indien een noodzakelijke reorganisatie wordt aanvaard neemt zulks niet weg dat de toepasselijke wetgeving kan spelen, en dat naar Belgisch recht conform de bepalingen van de Wet van 1961, bijvoorbeeld een vervangende schadevergoeding verschuldigd kan zijn. De schadevergoeding ten voordele van de distributeur verhindert normalerwijze geenszins de effectieve wijziging van de bestaande distributiestructuur. De nationale wetgeving zal enkel geen toepassing kunnen vinden indien ze de uitvoering in natura van een opzeggingstermijn van langer dan één jaar voorschrijft. Dit staat de uitvoering bij equivalent niet in de weg. De schadevergoedingen voorzien in de Wet van 1961 zijn immers van toepassing ongeacht de reden (b.v. noodzakelijke reorganisatie) waarvoor beëindigd wordt tenzij zware fout of uitdrukkelijk ontbindend beding of voorwaarde (VAN COUTER, Y., BOGAERT, G., De groepsvrijstellingsverordening nr. 1400/2002: meer dan een "pit-stop" voor de automobielconcessieovereenkomsten ...", T.B.H. 2003, p. 494, nr. 21 en 87). Uit het feit dat in andere Europese landen (zoals bijvoorbeeld Frankrijk) geen dergelijke nationale wetgeving bestaat, kan niets worden afgeleid voor huidige zaak. Art. 2 W.H.A. bepaalt dat een voor onbepaalde tijd verleende verkoopsconcessie, behalve bij grove tekortkoming van één van de partijen aan haar verplichtingen, niet kan worden beëindigd dan met een redelijke opzeggingstermijn of een billijke vergoeding die door partijen worden bepaald bij de opzegging van het contract. Indien partijen het niet eens zijn, doet de rechter uitspraak naar billijkheid. Vermeld artikel heeft tot doel de concessiehouder in de mogelijkheid te stellen een gelijkwaardige situatie terug te vinden, m.a.w. de partij die de beëindiging van de overeenkomst dient te ondergaan de tijd te geven die hij redelijkerwijze nodig heeft om in vervanging te kunnen voorzien. Daar waar de voorgaande paragraaf doorgaans een delicaat en moeilijk feitelijk onderzoek vergt, dient in casu te worden vastgesteld dat eiseres van bij de opzegging dd. 25/9/02 drie nieuwe overeenkomsten werd aangeboden. Eiseres stelt dat zij de nieuwe overeenkomsten niet kon ondertekenen, zodat de brief dd. 25/9/02 eigenlijk niets méér was dan een opzeggingsbrief, aangezien zij niet wist wat de te ondertekenen overeenkomsten precies inhielden. Eiseres verwijst naar de brieven die zij hieromtrent schreef naar verweerster, en waarin zij verduidelijking vroeg. Verweerster antwoordde op de door eiseres gestelde vragen, doch eiseres bleef stellen dat de overeenkomsten totaal onduidelijk waren, alsook de criteria waaraan zij diende te voldoen, zodat zij eenvoudigweg geen nieuwe distributieovereenkomsten kon afsluiten. Uit de uiteenzetting van verweerster en uit de voorgelegde stukken blijkt dat verweerster wel degelijk antwoorden gaf aan eiseres, zodat deze laatste zich van in den beginne een afdoend beeld kon vormen van de concrete inhoud van de nieuwe overeenkomsten en van de te behalen criteria. Bovendien is het zo dat eiseres op 29/9/03 (id est vóór de afloop van de overgangsperiode) haar handelsfonds verkocht aan de NV Automotive Group, die wel op 30/9/03 de drie overeenkomsten ondertekende die verweerster voorheen (middels haar schrijven dd. 25/9/02) aan eiseres had aangeboden. Blijkbaar waren de drie overeenkomsten derhalve wel degelijk voldoende duidelijk voor de NV Automotive Group, die zich aldus verbond t.o.v. verweerster en die blijkbaar ook wist aan welke criteria zij diende te voldoen. De stelling van eiseres als zou de brief dd. 25/9/02 geen werkelijk gemeende, concrete voorstellen voor verdere samenwerking omvatten t.o.v. eiseres kan derhalve niet worden weerhouden. Indien eiseres deze drie overeenkomsten had ondertekend, zou zij op gelijkwaardige wijze haar samenwerking met verweerster hebben kunnen verder zetten. Indien eiseres het wou, had zij met ingang van 1/10/03 haar activiteiten kunnen verder zetten op gelijkwaardige wijze als tevoren, en bijgevolg kon zij verder nieuwe wagens Peugeot en onderdelen Peugeot verkopen en verder alle diensten van onderhoud en herstelling uitvoeren in de hoedanigheid van erkend hersteller Peugeot. Eiseres slaagt er niet in dit argument te weerleggen. Het Hof van Cassatie heeft inmiddels uitdrukkelijk bevestigd dat de rechter rekening houdt met alle gegevens waarover hij op het ogenblik van zijn uitspraak beschikt (Cass., 16 mei 2003, DAOR 2003/65, p. 33 met noot van MERTENS, D., "De billijke vergoeding van de concessiehouder - de invloed van de feiten na de feiten"; Cass. 16 mei 2003, T.B.H. 2005/1, p. 20 e.v. met noot van VAN COUTER, Y., Schadebegroting bij de toepassing van artikel 2 van de Wet van 27 juli 1961: juger selon la raison plutôt que selon les inclinaisons du coeur", p. 26-36). In haar arrest dd. 07/04/05 oordeelde het Hof van Cassatie m.b.t. art. 2 Wet 27/7/61: "Overwegende dat het arrest oordeelt dat de redelijke opzeggingstermijn, in abstracto, beoordeeld moet worden op het ogenblik van de kennisgeving ervan en dat de latere gebeurtenissen dus niet in aanmerking kunnen komen; dat het daaruit afleidt dat het, door eiseres aangevoerde feit, "dat er al dan niet voorstellen of onderhandelingen met ander firma's waren meer dan een jaar vóór het verstrijken van de opzeggingsperiode geen enkele weerslag kan hebben op de beslechting van het geschil; Dat het arrest aldus art. 2 van de wet van 27 juli 1961 schendt;" Op grond van het hoger vermelde is de rechtbank van oordeel dat de vordering van eiseres tot het bekomen van een vervangende schadevergoeding dient te worden afgewezen als ongegrond. III.3 Betreffende art. 3 van de Wet van 27/7/61 Eiseres vordert een billijke bijkomende vergoeding op basis van art. 3 van de Wet van 27/7/
- De vergoeding ex art. 2 (zie III.2) en ex art.3 hebben een verschillend voorwerp; art. 2 heeft tot doel een eventueel te korte of onbestaande opzeggingstermijn te compenseren, terwijl art.3 tracht tegemoet te komen aan alle andere financiële gevolgen van de beëindiging van de overeenkomst. Degene die beweert een financieel nadeel te hebben geleden ten gevolge van de opzegging mag uiteraard niet zelf het eventuele nadeel hebben veroorzaakt. In haar arrest van 10 februari 2005 heeft het Hof van Cassatie gesteld m.b.t. art. 3 Wet 27/7/61: "Overwegende dat de bijkomende vergoeding waarop de concessiehouder recht heeft ontstaat en wordt bepaald op het tijdstip van de opzegging van het contract; dat de rechter, om te voldoen aan het door de wet vastgestelde billijkheidscriterium, alle elementen in aanmerking mag nemen waarvan hij kennis heeft op het ogenblik van zijn beslissing, inzonderheid de toestand van de concessiehouder na de beëindiging van het contract." (Cass., 10 februari 2005, T.B.H. 2005/9, p. 922 e.v., met noot van FAELLI, T., La notion de préavis raisonnable dans la loi du 27 juillet 1961 à la résiliation unilatérale des concessions de vente exclusive à durée indéterminée, p. 924-928) In een recent arrest dd. 7 april 2005 stelt het Hof van Cassatie m.b.t. art. 3 Wet 27/7/61: "Overwegende dat de bijkomende vergoeding waarop de concessiehouder aanspraak kan maken, ontstaat en wordt bepaald bij de opzegging van het contract; dat de rechter, om te voldoen aan het door de wet vastgestelde billijkheidscriterium, alle elementen in aanmerking mag nemen waarvan hij kennis heeft op het ogenblik van zijn beslissing, met name de toestand van de concessiehouder na de beëindiging van het contract." Eiseres had de drie overeenkomsten kunnen ondertekenen, en aldus kunnen verder werken zoals voorheen. Eiseres heeft ervoor geopteerd om haar handelsfonds te verkopen, hetgeen uiteraard haar recht is. Eiseres kan echter niet enerzijds vrijwillig kiezen voor de verkoop van haar handelsfonds en anderzijds een vergoeding vorderen voor de financiële gevolgen van de beëindiging van de concessieovereenkomst. Eiseres haalt aan dat zij geen goede prijs bekwam voor het handelsfonds. Indien dit zo zou zijn, dient te worden opgemerkt dat eiseres haar handelsfonds geenszins diende te verkopen; zij kon net zo goed zelf de overeenkomsten ondertekenen. De vordering van eiseres wordt derhalve afgewezen als ongegrond. III.4 Betreffende de eisuitbreiding In haar besluiten dd. 1 juni 2005 breidt eiseres haar vordering als volgt uit. Zij stelt dat verweerster haar nog de volgende bedragen verschuldigd is: - onbetaalde facturen eiseres uitgesteld aan verweerster (verlengde zekerheid): 1.508,57 euro; - onbetaalde facturen eiseres uitgesteld aan verweerster (tussenkomsten Lease Belgium): 2.036,40 euro; - nog te ontvangen premies (waarvoor geen creditnota werd uitgereikt en die niet uitbetaald werden): 29.234,36 euro; - saldo rekening eiseres op verweerster (debet-credit): 47.129,12 euro. - de gerechtelijke interest op de voormelde bedragen. Op vraag van partijen wordt dit aspect van de zaak naar de rol verwezen. OM DEZE REDENEN, De rechtbank, Beslissend op tegenspraak, Gelet op de artikelen 2 en volgende van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Verklaart de vorderingen van eiseres ontvankelijk. Wijst de vorderingen van eiseres ex art. 2 en art. 3 Wet 27/7/61 af als ongegrond. Verwijst de zaak wat betreft de eisuitbreiding van eiseres in haar besluiten dd. 1 juni 2005 naar de rol. Houdt de beslissing omtrent de kosten aan. Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts elk verhaal en zonder borgstelling. Aldus het vonnis, uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in buitengewone openbare terechtzitting op ZEVEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ZES. Aanwezig: B. De Fleur, toegevoegd rechter ; J. Corne, rechter in handelszaken en F. Vankeirsbilck, plaatsvervangend rechter in handelszaken ; N. Bostoen, griffier. N. Bostoen F. Vankeirsbilck J. Corne B. De Fleur Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div