id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 14 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20060914.11 Rolnummer: AR 3710/05 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2008-09-30 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-07-01 04:46 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Handelsagentuur Vrije woorden: Verjaring van de vordering van de agent Tekst van de beslissing Nr. Rep. De Rechtbank van Koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, Provincie West-Vlaanderen, EERSTE KAMER, rechtsprekend: In de zaak nr 3710/05 der algemene rol De naamloze vennootschap LAMOTEX, met vennootschapszetel te 8540 Deerlijk, Nijverheidslaan 49 ; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0405.348.647; eiseres, hebbend als raadsman en pleitend meester Alain Oosterlynck, advocaat te 8500 Kortrijk, Koning Leopold I straat 1/3 ; tegen : De vennootschap naar Duits recht a + p maschinenbau G.m.b.H., met vennootschapszetel te 36251 Bad Hersfeld (Duitsland), Erfurter Strasse 18a ; ingeschreven in het handelsregister te Bad Hersfeld AG 36251 HRB 381 - BTW DE 615.0080715; verweerster, hebbend als raadsman en pleitend meester Serge Van Eeghem, advocaat te 9000 Gent, Zuidstationstraat 34-
- Gezien de inleidende dagvaarding, die regelmatig werd betekend aan verweerster op 19 augustus 2005; Gezien de stukken van rechtspleging; Gezien de door partijen neergelegde dossiers; Gehoord de partijen in hun middelen en besluiten voorgedragen in openbare terechtzitting van 22 juni 2006, waarop de zaak in beraad werd genomen. Gelet op de wet van 15 juni 1935 tot regeling van het taalgebruik in gerechtszaken; De feiten en retroacten Lamotex was gedurende jaren handelsvertegenwoordiger voor A+P Maschinenbau. In deze hoedanigheid stelde zij diverse facturen op voor prestaties. Daarnaast bracht zij nog diverse orders aan, waarvoor zij geen facturen heeft opgesteld. Bij brief van 16 mei 2000 verzoekt Lamotex aan A+P Maschinenbau om een overzicht te geven van alle verkochte zaken, de verworven commissie en de betaling ervan. Zij wenst een volledig overzicht van haar rekening in de boekhouding van A+P Maschinenbau, teneinde op die wijze tot een vergelijk te komen nopens hun beide rekeningen. Bij aangetekende brief van 13 juni 2000 deelt Lamotex mee dat zij verbaasd is nog geen antwoord te hebben ontvangen op haar faxbericht van 16 mei 2000, waarvan ze kopie in bijlage voegt. Bij brief van 6 juli 2000 verzoekt Lamotex, A+P Maschinenbau om over te gaan tot betaling van een bedrag van 1.184.399 Bef. Bij brief van de raadsman van Lamotex wordt A+P Maschinenbau op 13 november 2000 nogmaals in gebreke gesteld om over te gaan tot betaling van voormeld bedrag verhoogd met rente en schadebeding. Op 22 december 2000 deelt A+P Maschinenbau bij brief van haar raadsman mee dat de vorderingen van Lamotex worden afgewezen en dat er geen rekening wordt gehouden met belangrijke betalingen die A+P Maschinenbau heeft verricht. In antwoord op een brief van 14 april 2001 (brief die niet voorligt), antwoordt de raadsman van A+P Maschinenbau op 2 mei 2001 nogmaals dat elke vordering wordt bestreden. Vermits geen regeling tussen partijen tot stand kwam, laat Lamotex bij exploot betekend op 19 augustus 2005 overgaan tot dagvaarding. De vordering - Standpunten van partijen Lamotex vordert dat : A+P Maschinenbau zou veroordeeld worden om haar euro 43.974,80 te betalen meer de conventionele rente à 9,5 % op de hoofdsom der facturen; A+P Maschinenbau zou veroordeeld worden om haar euro 25.000 te betalen als provisie op een totaal bedrag dat voorlopig geraamd wordt op euro 65.458,50; A+P Maschinenbau zou veroordeeld worden om haar orders en boekhouding over het jaar 1998 en 1999 voor te leggen binnen de maand na het tussen te komen vonnis en dit onder verbeurte van een dwangsom van euro 1.250 per dag vertraging; in ondergeschikte orde, dat een gerechtsdeskundige zou aangesteld worden om het bedrag te bepalen van de door haar gerealiseerde omzet in de verkoop van producten van A+P Maschinenbau, een lijst op te stellen van de rechtstreekse verkopen door A+P Maschinenbau in de jaren waarin zij over de agentuur beschikte en het bedrag aan commissielonen te bepalen. A+P Maschinenbau is van oordeel dat : de vordering verjaard is; de vordering ongegrond is vermits zij al haar verplichtingen heeft voldaan. Lamotex stelt dat : er van verjaring geen sprake is vermits de handelsagentuurovereenkomst was aangegaan voor een onbepaalde duur en er tot op heden geen einde is aan gekomen; in ondergeschikte orde, er van verjaring geen sprake kan zijn vermits deze slechts een aanvang neemt op de datum waarop het feit, dat de vordering doet ontstaan, heeft plaatsgevonden, zijnde in dit geval het opeisbaar worden van de vordering, hetgeen zou plaatsvinden na het opstellen van de factuur; de facturen in elk geval verschuldigd zijn vermits deze niet geprotesteerd zijn. Beoordeling
- Het einde van de handelsagentuur De rechtbank stelt vast dat Lamotex in haar dagvaarding vermeldt dat zij tot eind 1999 handelsagent was voor A+P Maschinenbau, hetgeen door A+P Maschinenbau wordt bevestigd. Beide partijen erkennen derhalve dat de overeenkomst tussen hen beëindigd werd eind
- Dit wordt overigens bevestigd door de voorgelegde stukken, waaruit blijkt dat vanaf 2000 geen enkel order nog door Lamotex werd aangebracht. De handelsagentuurovereenkomst is derhalve beëindigd eind
- De verjaring 2.
- De vordering tot betaling van de facturen Lamotex vordert betaling van 8 facturen uitgeschreven in de periode 27 februari 1998 tot en met 31 maart
- Krachtens art. 26 van de wet op de handelsagentuur verjaren de rechtsvorderingen die uit de agentuurovereenkomst ontstaan, één jaar na het eindigen van die overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn langer mag duren dan één jaar na het eindigen van deze overeenkomst. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de vorderingen tot betaling van de facturen zijn ontstaan tijdens de handelsagentuurovereenkomst, zodat zij krachtens art. 26 verjaren uiterlijk één jaar na het verstrijken van de handelsagentuur. Deze vordering is dan ook verjaard. 2.
- De vordering tot het bekomen van een provisie en de aanstelling van een deskundige Lamotex is van oordeel dat deze vordering niet verjaard is vermits de termijn van de verjaring slechts loopt vanaf de datum dat de vordering opeisbaar is. Zij is van oordeel dat de commissielonen slechts opeisbaar waren na facturatie door haar, hetgeen in casu nimmer kon gebeuren bij gebrek aan afrekening. Krachtens art. 13 handelsagentuurwet is "de commissie opeisbaar zodra en voor zover een van de volgende omstandigheden zich voordoet : 1° de principaal heeft de overeenkomst uitgevoerd of had, krachtens de overeenkomst met de derde, zijn contractuele verplichtingen moeten nakomen; 2° de derde is zijn contractuele verplichtingen nagekomen. De commissie is uiterlijk opeisbaar wanneer de derde zijn deel van de overeenkomst heeft uitgevoerd of had moeten uitvoeren, indien de principaal zijn deel had uitgevoerd. De commissie wordt uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op het kwartaal waarin zij opeisbaar is geworden, betaald. Van het tweede en derde lid mag niet worden afgeweken ten nadele van de handelsagent." Uit de voorgelegde stukken blijkt dat Lamotex vanwege A+P Maschinenbau telkens hetzij orderbevestigingen (met datum van uitvoering erop vermeld) ontving, hetzij een uittreksel van de factuur verkreeg die werd opgestuurd aan de klant. Weliswaar houdt Lamotex voor dat zij slechts recht op commissie verkreeg van zodra de factuur die A+P Maschinenbau had uitgeschreven door de klant werd betaald, doch dit wordt door A+P Maschinenbau ontkend en verder door geen enkel stuk gestaafd, zodat art. 13 van de wet op de handelsagentuur van toepassing was. Voormeld artikel verklaart dat de commissie opeisbaar was zodra de principaal de overeenkomst heeft uitgevoerd of deze krachtens de overeenkomst met de derde had moeten uitvoeren. Aan de hand van de ontvangen stukken, die thans in de debatten worden gebracht, diende Lamotex derhalve te weten dat alle commissies opeisbaar waren voor het eind van 1999, zodat zij haar vordering uiterlijk tegen eind 2000 had dienen in te stellen. De vordering om commissies te verkrijgen op de voorgelegde orders is dan ook verjaard. Tot slot vordert Lamotex blijkbaar ook nog commissies op rechtstreekse verkopen door A+P Maschinenbau in de jaren waarin zij over de agentuur beschikte en op orders waarvan zij geen stukken meer zou bezitten. Zij vordert hiertoe dat A+P Maschinenbau inzage in haar boekhouding zou geven. Artikel art. 11 van de wet van 13 april 1995 op de handelsagentuur stelt "dat voor een na het einde van de agentuurovereenkomst afgesloten zaak de handelsagent recht heeft op een commissie : 1° indien de zaak hoofdzakelijk te danken is aan de door hem tijdens de duur van de agentuurovereenkomst aan de dag gelegde activiteit en de zaak is afgesloten binnen een termijn van zes maanden te rekenen van het einde van deze overeenkomst; 2° of indien, overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in artikel 10, de bestelling van de derde door de principaal of door de handelsagent is ontvangen voor het einde van de agentuurovereenkomst." Krachtens art. 16 van deze wet "verstrekt de principaal aan de handelsagent een opgave van de verschuldigde commissies en wel uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op het kwartaal waarin de commissies opeisbaar zijn geworden. Deze opgave omvat alle van belang zijnde gegevens op grond waarvan de commissies zijn berekend. De handelsagent kan eisen dat hem alle gegevens worden verstrekt waarover de principaal beschikt, in het bijzonder uittreksels uit de boekhouding, indien de agent die nodig heeft om na te gaan hoeveel commissies hem verschuldigd zijn. Van het eerste en het tweede lid mag niet worden afgeweken ten nadele van de handelsagent." Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat Lamotex slechts recht heeft op commissies voor orders die zijn afgesloten binnen een termijn van zes maand te rekenen vanaf het einde van de overeenkomst of voor bestellingen ontvangen voor het einde van de overeenkomst. In de mate dat A+P Mashinenbau zou nagelaten hebben een opgave van de verschuldigde commissies mee te delen, ontstond de vordering van Lamotex voor commissies die vervallen waren in juni 2000 hiertoe uiterlijk op 31 juli 2000 zodat zij haar vordering tot voorlegging van de gegevens en de betaling van een provisie uiterlijk tegen 31 juli 2001 had dienen te stellen. Deze vordering is dan ook verjaard. OM DEZE REDENEN, De rechtbank, Wijzende op tegenspraak; Alle andere middelen afwijzend als ongegrond of niet ter zake dienend; Stelt vast dat de vorderingen verjaard zijn; Verwijst Lamotex nv in de kosten van het geding in hoofde van A+P Maschinenbau G.m.b.H. begroot op euro 364,40 rechtsplegingvergoeding en in hoofde van Lamotex nv op euro 567,20 kosten van dagvaarding en rolstelling en euro 364,40 rechtsplegingvergoeding; Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling; Aldus het vonnis uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in buitengewone openbare terechtzitting van VEERTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ZES. Aanwezig: L. Billiet, rechter ; J. Corne en J. Decorte, rechters in handelszaken, de eerste door de Voorzitter aangewezen ter vervanging van de plaatsvervangende rechter in handelszaken J. Bral, wettig verhinderd zijnde de uitspraak van huidig vonnis bij te wonen waarover hij mede heeft beraadslaagd (art. 779 Ger.W.) ; N. Bostoen, griffier. N. Bostoen J. Decorte J. Corne L. Billiet Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div