← België

ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20060914.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 14 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20060914.12 Rolnummer: AR 3702/04 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-09-30 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-01 04:46 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Zakelijke zekerheid - Eigendomsvoorbehoud Vrije woorden: curator Tekst van de beslissing Nr. Rep. De Rechtbank van Koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, Provincie West-Vlaanderen, EERSTE KAMER, rechtsprekend: In de zaak nr 3702/04 der algemene rol Veerle Carron, advocaat te 8870 Izegem, Kasteelstraat 24, handelend als curator van het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LEER, met vennootschapszetel te 8530 Harelbeke, Gentsesteenweg 129 ; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0473.990.696 ; failliet verklaard door de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk, Tweede Kamer op 30 maart 2004 ; eiseres qq, persoonlijk pleitend ; tegen : De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AQUASTRA GEVELREINIGING, met vennootschapszetel te 8560 Wevelgem, Goedendagstraat 3 ; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer 0433.366.108; verweerster, hebbend als raadsman meester Rik Honoré en pleitend meester Dominique Descheemacker, beiden advocaat te 8500 Kortrijk, Pres. Kennedypark 4a. EN In de zaak nr 3702/04 gedwongen tussenkomst der algemene rol De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AQUASTRA GEVELREINIGING, met vennootschapszetel te 8560 Wevelgem, Goedendagstraat 3 ; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer 0433.366.108; eiseres in gedwongen tussenkomst, hebbend als raadsman meester Rik Honoré en pleitend meester Dominique Descheemacker, beiden advocaat te 8500 Kortrijk, Pres. Kennedypark 4a. tegen : De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PROTIMEX, met vennootschapszetel voorheen te 9620 Zottegem, Godveerdegemstraat 302, thans te 7822 Ghislenghien-Aat, Chemin de la Villa Romaine 3 ; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer 0463.210.434; verweerster in gedwongen tussenkomst, hebbend als raadsman meester Jan Leysen en pleitend meester Pietro Iacopucci, beiden advocaat te 8500 Kortrijk, Koning Albertstraat 24/

  1. Gezien het tussenvonnis dd. 9 februari 2006; Gezien de stukken van rechtspleging; Gezien de door partijen neergelegde dossiers; Gehoord de partijen in hun middelen en besluiten voorgedragen in openbare terechtzitting van 22 juni 2006, waarop de zaak in beraad werd genomen. Gelet op de wet van 15 juni 1935 tot regeling van het taalgebruik in gerechtszaken; De feiten en retroacten De feiten werden uiteengezet in het tussenvonnis van 9 februari
  2. De vordering - Standpunten van partijen De curator vordert na tussenvonnis dat : Aquastra zou veroordeeld worden om haar een bedrag te betalen van euro 39.219,71 meer de gerechtelijke rente aan de herleide conventionele rentevoet van 9,5 % vanaf 7 oktober 2004 en de kosten. Aquastra herhaalt dat : zij niet kan gehouden zijn tot betaling van de goederen vermits deze niet werden geleverd, minstens niet in ontvangst werden genomen; er evenmin een bewijs voorligt van een lastgevingovereenkomst waarbij de bouwheer de goederen voor ontvangst mocht aftekenen en er evenmin sprake kan zijn van een schijnvertegenwoordiging; de zaakvoeder van de failliet akkoord was met de beëindiging van de overeenkomst die bestond tussen haarzelf en de failliet, zodat de curator thans niet de uitvoering van deze overeenkomst kan eisen; in ondergeschikte orde, de overeenkomst tussen haarzelf en Protimex als ontbonden dient te worden beschouwd bij gebrek aan het nakomen van de leveringsplicht; in ondergeschikte orde, zij enkel kan gehouden zijn om een bedrag van euro 7.421 te betalen, zijnde het verschil tussen hetgeen zij normalerwijze had dienen te betalen aan Protimex en hetgeen aan haar was gefactureerd; in ondergeschikte orde, zij niet kan gehouden zijn tot rente; wat de tegenvordering van Protimex betreft, voor het geval de vordering van de curator ongegrond zou zijn, betreffende het bedrag van euro 18.850, zij zich gedraagt naar de wijsheid van de rechtbank en zij niet kan gehouden zijn tot betaling van het bedrag van euro 7.280 voor de plaatsing (vermits dit bedrag reeds betaald werd) en euro 1.000 (vermits zij niet weet waarop dit bedrag kan betrekking hebben). Aquastra vordert dat : Protimex haar dient te vrijwaren voor elke veroordeling vermits zij de goederen wederrechtelijke heeft weggenomen en zij dient in te staan voor alle kosten, rente en boetes; de curator zou veroordeeld worden om een vergoeding te betalen van euro 1.500 wegens tergend en roekeloos geding. Protimex is van oordeel dat : zij zich kan beroepen op haar clausule van eigendomsvoorbehoud die voorkomt op de factuur van 22 maart 2004 en zij het eigendomsvoorbehoud op 26 maart 2004 effectief heeft uitgevoerd door de goederen terug te halen en zij biedt aan dit met getuigen te bewijzen, m.n. door het verhoor van haar zaakvoerder en een werknemer; uit de stukken zou blijken dat de zaakvoerder van de failliet akkoord was met de terugname van de goederen vermits hij niet gereageerd heeft op de creditnota van 26 maart 2004; uit de stukken overigens zou blijken dat de curator eveneens akkoord was met de terugname van de goederen vermits zij evenmin tegen de creditnota heeft gereageerd op het ogenblik dat zij er kennis van kreeg; zij niet dient in te staan tot vrijwaring van Aquastra vermits deze zelf vragende partij was voor de rechtstreekse verkoop en overigens een enorm financieel voordeel heeft gedaan terwijl zij financieel nadeel zou hebben geleden in geval zij de oorspronkelijke overeenkomst met Leer diende uit te voeren; in ondergeschikte orde, de schade van de curator slechts het verlies van een kans uitmaakt, d.i. de winst die kon gerealiseerd worden, zijnde een bedrag van euro 11.015,
  3. Protimex vordert bij tegeneis dat : indien er zou geoordeeld worden dat er betaling door Aquastra dient te gebeuren, Aquastra zou veroordeeld worden om haar een bedrag van euro 18.850 + euro 1.000 te betalen, meer de moratoire rente tot op datum van betaling; indien de rechtbank de argumenten van de curator zou volgen, de failliete boedel dient in te staan voor de betaling van de oorspronkelijke factuur van euro 22.808,50 meer de moratoire en gerechtelijke rente tot op het moment van betaling. Beoordeling HOOFDEIS
  4. De verhouding Leer en Protimex 1.
  5. Geen geldige levering In het voormeld tussenvonnis werd reeds beslist dat er wel degelijk een geldige levering is gebeurd tussen Protimex en Leer, zodat dit argument van Protimex elke grond mist. 1.
  6. Het eigendomsvoorbehoud 1.2.
  7. Art. 1599 B.W. Protimex is van oordeel dat Leer onmogelijk de goederen kon verkopen aan Aquastra vermits zij de goederen niet geldig kon overdragen. Zij stelt dat de verkoop tussen Aquastra en Leer op grond van art. 1599 B.W. nietig dient verklaard te worden. Los van de vraag of Protimex zich kan beroepen op een geldige eigendomsvoorbehoudsclausule, dient de vordering tot nietigverklaring afgewezen te worden vermits Protimex een derde is in de verhouding Leer - Aquastra en de nietigheid van art. 1599 B.W. een relatieve nietigheid is die uitsluitend door Aquastra zou kunnen ingeroepen worden. Het feit dat Aquastra een vordering in tussenkomst en vrijwaring heeft gericht ten aanzien van Protimex, zorgt er niet voor dat Protimex niet langer als derde zou kunnen beschouwd worden in de relatie Leer - Aquastra. Deze vrijwaringsvordering vindt immers haar oorzaak in de later ontstane relatie Protimex - Aquastra en staat derhalve los van de relatie Leer - Aquastra. 1.2.
  8. De uitoefening van het eigendomsvoorbehoud Protimex houdt voor dat zij het eigendomsvoorbehoud heeft uitgeoefend op 26 maart 2004, m.n. door de goederen op die dag terug te halen. Hiertoe heeft zij alsdan de creditnota dd. 26 maart 2004 opgesteld. Indien Protimex voorhoudt dat zij het eigendomsvoorbehoud heeft uitgeoefend op 26 maart 2004 hoort het haar toe dit te bewijzen. Hiertoe dient zij aan te tonen dat zij een rechtshandeling heeft gesteld waarbij zij de koper op de hoogte brengt dat zij de teruggave van het verkochte goed eist, zodat die rechtshandeling slechts voltrokken is wanneer de geadresseerde kennis neemt van de verklaring (Cass., 19 september 1994, RW,1994-95,1264-65; T.B.H., 1995,601). De loutere afhaling van de goederen, zonder medeweten van de contractspartij is hiertoe niet afdoend. In het voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank vastgesteld dat de creditnota, die desgevallend als bewijs van uitoefening van het eigendomsvoorbehoud zou kunnen aanzien worden, werd ingeschreven in de boekhouding na creditnota's die zijn opgesteld op 31 maart 2004, zijnde na faillissement. Na heropening der debatten, herhaalt Protimex dat zij de goederen wel degelijk op 26 maart 2004 heeft afgehaald en dat zij op diezelfde datum de creditnota heeft opgesteld die slechts boekhoudkundig werd verwerkt op 31 maart
  9. De rechtbank is van oordeel dat Protimex niet afdoend aantoont dat zij de creditnota op 26 maart 2004 heeft opgesteld, inzonderheid nu dient vastgesteld dat de creditnota een hoger nummer draagt dan de creditnota's die zijn opgesteld op 31 maart
  10. Bovendien toont Protimex op geen enkele wijze aan dat zij deze nota ter kennis heeft gebracht van Leer voor de datum van het faillissement. Los van de vraag of Protimex haar eigendomsvoorbehoud nog kon uitoefenen voor goederen die reeds waren geleverd aan Aquastra, is de rechtbank reeds van oordeel dat Protimex in eerste instantie niet aantoont dat zij haar eigendomsvoorbehoud heeft uitgeoefend voor faillissement. Rekening houdend met dit element, komt het verzoek om met getuigen te mogen bewijzen dat zij de goederen effectief op 26 maart 2004 heeft teruggehaald, als niet langer dienend voor.
  11. Verhouding Leer - Aquastra 2.
  12. De levering van de goederen afkomstig van Protimex Aquastra is van oordeel dat Leer nimmer de goederen die het voorwerp uitmaken van de koop-verkoop heeft geleverd. De rechtbank stelt vast dat de koop-verkoop overeenkomst die tussen Leer en Aquastra was gesloten enerzijds betrekking heeft op goederen die door Protimex werden geleverd aan Leer, anderzijds op goederen die Leer bij andere leveranciers heeft aangekocht (keeklamps, edm). Aquastra betwist thans dat de rechtstreeks door Protimex in opdracht van Leer te leveren goederen niet werden geleverd op de werf. Zij stelt dat dhr B. geen opdracht had gekregen om deze goederen voor ontvangst af te tekenen. In haar briefwisseling stelt zij hieromtrent "er kan geen sprake zijn dat mijn cliënte dient over te gaan tot betaling van goederen die zij nooit heeft ontvangen vanwege de verkoper" (brief raadsman Aquastra dd. 9 april 2004). Geconfronteerd met de opmerking dat het er niet toe doet van wie zij de goederen heeft ontvangen wordt het verweer als volgt geuit "mijn cliënte heeft de gefactureerde goederen op de contractueel bepaalde plaats nooit ontvangen en heeft hiervoor ook nooit afgetekend" (brief raadsman Aquastra 21 juni 2004). In de brief van 25 juni 2004 wordt opnieuw gesteld "Cliënte bevestigt dat zij de levering van de BVBA Leer nooit heeft ontvangen" en "U eist een betaling op goederen waarvan U manifest weet dat deze door de leverancier van de werf worden teruggehaald. Dit betekent dat U hier de facto een belangrijke betaling vraagt van goederen waarvan U pertinent weet dat ze nooit werden geleverd". De rechtbank stelt vast dat de offerte die door Aquastra, voor akkoord werd ondertekend geen plaats van levering vermeldt. Zij vermeldt echter wel duidelijk de werf, zijnde het St. Augustinusziekenhuis te Veurne. De rechtbank neemt aan dat de levering op de werf van goederen die dienen verwerkt te worden gebruikelijk voorkomt, zodat Aquasta zich bezwaarlijk kan beroepen op het feit dat de goederen niet "op de contractueel overeengekomen plaats" zouden zijn geleverd. Overigens blijkt uit het verweer van Aquastra dat zij nimmer bezwaren heeft geuit tegen het feit dat de goederen die afkomstig waren van andere leveranciers dan Protimex wel werden geleverd op de werf. Integendeel de rechtbank stelt vast dat alle goederen die door Aquastra werden besteld, op 17 maart 2004 geleverd werden op de werf, zijnde het St. Augustinusziekenhuis te Veurne. Vermits er die dag op twee verschillende tijdstippen werd geleverd (m.n. éénmaal door Leer en éénmaal via Protimex) werd er op dezelfde leveringsbon tweemaal voor akkoord afgetekend door dhr W, die blijkbaar een werknemer is van het ziekenhuis, zijnde de bouwheer. Uit het verweer van Aquastra blijkt dat zij niet betwist dat de goederen geleverd door Leer, die op dezelfde leveringsnota werden afgetekend voor ontvangst door dhr Brasseur, geldig werden geleverd. Zij stelt uitsluitend dat deze goederen niet zouden voldoen. Rekening houdend met deze elementen, dient aangenomen te worden dat Aquastra eveneens akkoord was dat de goederen afkomstig van Protimex, op de werf werden geleverd en voor ontvangst werden afgetekend door dhr B. Pas nadat bleek dat er problemen ontstonden tussen haar, de curator en Protimex is zij van stelling veranderd. Dit blijkt overigens uit de voormelde brief van 25 juni 2004 waarin Aquastra niet betwist dat de goederen (afkomstig van Protimex) op de werf werden geleverd. Zij is echter van mening dat zij niet kan gehouden zijn goederen te betalen die volgens haar door de leverancier (van Leer) werden teruggenomen. Het feit dat deze goederen eventueel door Protimex wederrechtelijk werden teruggenomen, is immers niet van aard invloed te hebben op de vordering van Leer. Aquastra is dan ook gehouden deze goederen te betalen aan de curator. 2.
  13. De goederen van andere leveranciers Zoals hierboven uiteengezet betwist Aquastra niet dat de goederen afkomstig van andere leveranciers door Leer werden geleverd. Zij is echter van oordeel dat deze goederen niet voldeden en verwijst hiervoor onder meer naar een verslag van het keuringsbureau, dat echter niet in de debatten wordt gebracht. Bij gebrek aan enig bewijs komt haar verweer volledig ongegrond voor. Zij is dan ook gehouden deze goederen te betalen. 2.
  14. De factuur nr. 0900 dd. 22 maart 2004 Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat het verweer van Aquastra ongegrond voorkomt zodat zij gehouden is de factuur nr. 0900 dd. 22 maart 2004 te betalen. Rekening houdend met de laattijdige betaling en met de voorwaarden die voorkomen op de ondertekende offerte, is zij tevens gehouden tot betaling van de gevorderde rente à rato van 9,5% en het gevorderd schadebeding tot beloop van euro 1.
  15. De vordering is derhalve gegrond voor een bedrag van euro 36.136,99 verhoogd met de moratoire rente vanaf 31 mei 2004 en het schadebeding tot beloop van euro 1.
  16. TEGENEIS VAN AQUASTRA Aquastra vordert dat de curator zou worden veroordeeld om een bedrag te betalen van euro 1.500 wegens tergend en roekeloos geding. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat er allerminst sprake kan zijn van enig tergend en roekeloos geding, zodat de vordering dient te worden afgewezen als ongegrond. Aquastra vordert verder dat de overeenkomst zou worden nietig verklaard, minstens ontbonden vermits de goederen niet werden geleverd. Vermits uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de goederen wel degelijk werden geleverd, komt de vordering eveneens ongegrond voor. EIS IN VRIJWARING EN TUSSENKOMST Aquastra is van oordeel dat Protimex haar dient te vrijwaren voor alle bedragen waartoe zij zou worden veroordeeld, zowel in hoofdsom, rente en kosten. Uit haar conclusies blijkt dat zij in feite van oordeel is dat Protimex op grond van art. 1382 B.W. gehouden is haar schade te vergoeden die zij door het wederrechtelijk wegnemen van de goederen heeft geleden. Los van de vraag of Protimex werkelijk de goederen, die aan Aquastra waren geleverd, is gaan ophalen, dient vastgesteld dat Aquastra op geen enkele wijze Protimex heeft aangemaand om deze goederen terug te brengen. Weliswaar heeft zij gedreigd om klacht neer te leggen wegens diefstal, doch dit werd uitsluitend geuit ten aanzien van de curator, die met dit feit geen uitstaans had. Integendeel nadat Protimex de goederen heeft weggehaald, heeft Aquastra met deze firma onderhandeld om de goederen aan haar te kopen en dit tegen een beduidend interessantere prijs dan diegene die zij aan Leer diende te betalen. Nu Aquastra op geen enkele wijze Protimex heeft aangemaand om de goederen terug te geven, doch integendeel van in den beginne is gaan voorhouden dat er van enige geldige levering door Leer geen sprake was en met Protimex onvoorwaardelijk onderhandelingen is gestart om dezelfde goederen tegen een goedkopere prijs te kopen, ligt zij zelf aan de oorzaak van de schade die zij thans lijdt. Aquastra had een vordering dienen in te stellen ten aanzien van Protimex tot teruggave van de goederen en inmiddels had zij de factuur ten aanzien van Leer dienen te voldoen, waardoor er geen sprake was geweest van rente en schadebeding. Deze schade vloeit dan ook voort uit haar eigen houding zodat zij gehouden is deze te betalen. A fortiori kan er geen sprake zijn dat Protimex zou gehouden zijn de hoofdsom aan haar te betalen. Haar vordering op grond van art. 1382 B.W kan dan ook niet worden toegekend. TUSSENEIS VAN PROTIMEX
  17. Vordering om betaling te verkrijgen vanwege Aquastra Uit de conclusies van Protimex blijkt dat deze vordering tot betaling van het geleverde materiaal wordt gesteld onder voorwaarde van het geldig uitoefenen van haar eigendomsvoorbehoud. Uit hetgeen hierboven blijkt dat deze stelling van Protimex niet wordt weerhouden, zodat niet voldaan is aan de voorwaarde van de vordering. Daarnaast vordert Protimex nog een bedrag van euro 1.000 voor keuring en pictogrammen. De rechtbank stelt vast dat in de offerte wordt vermeld dat voor de plaatsing een bedrag van euro 7.280 wordt aangerekend, terwijl voor de keuring een bedrag van euro 1.000 wordt voorzien. De offerte vermeldt verder dat Protimex Aquastra dankt voor haar bereidwilligheid in deze materie en niet zal nalaten haar commerciële intenties te tonen. Naderhand maakt Protimex de factuur nr. 4004084 op dd. 30/09/2004 met als vermelding Plaatsing, Installatie/CE keuring AIB Vincotte/Pictogrammen/Uitleg/Plaatsing levenslijn Veurne. De rechtbank leidt hieruit af dat Protimex op dat ogenblik niet langer aandrong op het bedrag van euro 1.000 uit hoofde van de keuring en dit blijkbaar in navolging van haar commerciële intenties zoals vermeld in de offerte. Deze vordering is dan ook ongegrond.
  18. Vordering ten aanzien van de curator. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat Protimex een vordering heeft op de failliete boedel tot beloop van euro 22.808,
  19. OM DEZE REDENEN, De rechtbank, Wijzende op tegenspraak, Alle andere middelen afwijzend als ongegrond of niet ter zake dienend; Rechtdoend op hoofdeis, Verklaart deze ontvankelijk en gegrond; Dienvolgens veroordeelt Aquastra Gevelreiniging bvba om een bedrag van ZESENDERTIGDUIZEND HONDERD ZESENDERTIG euro NEGENENNEGENTIG cent ( euro 36.136,99) te betalen aan mr Veerle Carron, handelend in haar hoedanigheid van curator over het faillissement van de bvba Leer, meer de moratoire rente vanaf 31 mei 2004 tot op datum dagvaarding en vanaf dagvaarding de gerechtelijke rente, dit alles aan de herleide conventionele rentevoet van 9,5 % en om een bedrag te betalen van DUIZEND ACHTHONDERD ZESTIG euro ( euro 1.860) uit hoofde van schadebeding, meer de gerechtelijke rente vanaf dagvaarding; Rechtdoend op de tegeneisen van Aquastra Gevelreiniging bvba ; Verklaart deze ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond; Rechtdoend op de vordering in vrijwaring en tussenkomst van Aquastra Gevelreiniging bvba ten aanzien van Protimex bvba; Verklaart deze ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond. Rechtdoend op de vordering van Protimex bvba ten aanzien van Aquastra Gevelreiniging bvba in betaling van het bedrag van euro 1.000; Verklaart deze vordering ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond en stelt vast dat de voorwaarde om de vordering te stellen tot beloop van een bedrag van euro 18.850 niet is voldaan; Rechtdoend op de vordering van Protimex bvba ten aanzien van de curator; Zegt voor recht dat Protimex bvba een vordering bezit van euro 22.808,
  20. Verwijst Aquastra Gevelreiniging bvba in de kosten van de curator en van Protimex bvba en begroot deze in hoofde van de curator op euro 254,88 kosten dagvaarding en rolstelling en in hoofde van Protimex bvba op euro 364,40 rechtsplegingsvergoeding. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling; Aldus het vonnis uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in buitengewone openbare terechtzitting van VEERTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ZES. Aanwezig: L. Billiet, rechter ; J. Decorte, rechter in handelszaken en F. Vankeirsbilck, plaatsvervangend rechter in handelszaken, de tweede door de Voorzitter aangewezen ter vervanging van de plaatsvervangende rechter in handelszaken J. Bral, wettig verhinderd zijnde de uitspraak van huidig vonnis bij te wonen waarover hij mede heeft beraadslaagd (art. 779 Ger.W.) ; N. Bostoen, griffier. N. Bostoen F. Vankeirsbilck J. Decorte L. Billiet Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.