id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 05 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20061005.4 Rolnummer: AR 3888/01 Rechtsgebied: Handelsrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-09-30 Raadplegingen: 139 - laatst gezien 2026-07-01 04:50 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Handelsagentuur SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Handelsvertegenwoordigers Vrije woorden: discussie handelsagentuur of handelsvertegenwoordiger Tekst van de beslissing Nr. Rep. De Rechtbank van Koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, Provincie West-Vlaanderen, EERSTE KAMER, rechtsprekend: In de zaak nr. 03888/01 der algemene rol De naamloze vennootschap PLASSCHAERT, met maatschappelijke zetel te 7700 Moeskroen, Roubaixstraat 199 ; ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer 0428.366.648; eiseres, hebbend als raadslieden meester Olivier Mercier en meester Annick Wagnon, advocaten te 7700 Moeskroen, Villastraat 6, pleitend meester Jean Paul Van Neste, advocaat te 8500 Kortrijk; tegen : De heer X, bediende, wonende te ...., ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer 0...; verweerder, hebbend als raadslieden meesters Tillo Mestdagh en Lieven Decaluwé, pleitend meester Kurt Devos, allen advocaten te 8500 Kortrijk, Doorniksewijk
- I. PROCEDURE De zaak wordt ab initio hernomen gelet op de gewijzigde samenstelling van de rechtbank. Gelet op het tussenvonnis dd. 26 februari
- Gelet op het getuigenverhoor dd. 3 juni
- Partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in openbare terechtzitting van 7 september
- Kennis werd genomen van het dossier van de rechtspleging. Partijen hebben elk een stukkenbundel neergelegd. De artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 tot regeling van het taalgebruik in gerechtszaken werden in acht genomen. II. IN FEITE De rechtbank verwijst naar het feitenrelaas zoals uitgebreid weergegeven in het tussenvonnis dd. 26/02/
- III. IN RECHTE III.1 Betreffende de aard van de arbeidsverhouding Eiseres houdt voor dat zij (als principaal) en verweerder (als agent) gebonden waren door een agentuurovereenkomst van onbepaalde duur, die een aanvang nam op 5/02/01 en werd beëindigd op 17/07/
- Verweerder is thans van oordeel dat hij een arbeidsovereenkomst (handelsvertegenwoordiger) afsloot met eiseres. Bij tussenvonnis dd. 26/02/04 werd uiteengezet dat het enige werkelijke verschil tussen de twee soorten relaties hierin bestaat dat een handelsvertegenwoordiger werkt "onder het gezag van", terwijl dit voor een handelsagent niet het geval is. Bij vermeld tussenvonnis werd verweerder de mogelijkheid geboden aan de hand van getuigen te bewijzen dat hij, in uitvoering van de overeenkomst die op 29 januari 2001 gesloten werd tussen hem en eiseres, op vaste dagen en uren diende aanwezig te zijn of ter beschikking diende te staan van eiseres en dat hij moest handelen volgens de instructies van eiseres. Er werd slechts één getuige verhoord. Het betreft een handelaar die omwille van professionele redenen (meer bepaald een whiskydegustatie) aanwezig was in de toonzaal van eiseres. De getuige was niet op de hoogte van het feit of verweerder al dan niet instructies diende op te volgen van eiseres, noch van het feit of verweerder vaste werkuren had, noch van het feit of hij zijn verlofdagen vrij kon kiezen, noch omtrent de exacte functie van verweerder. De getuige deelde - op vraag van verweerder - mee dat hij ervan uitging dat verweerder tewerkgesteld was in de garage van eiseres. Uit deze getuigenis kan geenszins worden afgeleid of verweerder al dan niet onder het gezag van eiseres werkte. Dit kan evenmin worden afgeleid uit de schriftelijke verklaring dd. 28/8/04 van de Heer Y, die stelt dat hij verweerder regelmatig ontmoette in de garage van eiseres in het kader van professionele besprekingen voor het bedrijf Power Lease. Verweerder verwijst naar het Cassatie-arrest dd. 17/05/04 waarin werd gesteld: "(...) zolang niet is vastgesteld dat de omstandigheden van werkelijke uitvoering van de overeenkomst de gezagsverhouding uitsluiten, kan een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordiging worden bepaald op grond van het in artikel 4, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet gestelde vermoeden, ook al hadden de partijen een andere bedoeling of hun overeenkomst anders gekwalificeerd of zich bij de uitvoering van de overeenkomst als niet verbonden door een arbeidsovereenkomst geacht." Verweerder stelt derhalve dat eiseres dient te bewijzen dat hij niet onder haar gezag werkte, en dat indien dit bewijs niet geleverd wordt door eiseres de overeenkomst - op basis van het vermoeden in de wet - als een arbeidsovereenkomst dient te worden gekwalificeerd. Art. 4, tweede lid van de Wet van 3 juli 1978 stelt dat "niettegenstaande elke uitdrukkelijke bepaling van de overeenkomst of bij stilzwijgen ervan, wordt de overeenkomst gesloten tussen opdrachtgever en tussenpersoon, welke ook de benadering zij, beschouwd als een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers, tenzij het tegendeel wordt bewezen". De draagwijdte van dit vermoeden was het voorwerp van discussies. Wie het statuut van handelsvertegenwoordiger opeist, moet eerst bewijzen dat hij een activiteit van handelsvertegenwoordiger uitoefent, namelijk dat hij cliënteel opspoort en bezoekt met het oog op het onderhandelen en sluiten van zaken voor rekening en in naam van één of meer opdrachtgevers (Leclercq, P., Het statuut van de handelsvertegenwoordigers, sociale praktijkstudies, Kluwer, 2006, 23-36). Het gaat om een vermoeden juris tantum. De afwezigheid van een gezagsverhouding kan afgeleid worden uit de samenloop van overeenstemmende aanwijzingen, terwijl er zelfs andere aanwijzingen van een gezagsverhouding aanwezig zijn. Dit blijkt onder meer uit het Cassatie-arrest dd. 22/05/00 (Cass. 22 mei 2000, Arr.Cass., 2000, 961). Het hoger aangehaalde Cassatie-arrest van 17/05/04 heeft nuances aangebracht aan dit principe. Volgens dit laatste arrest, moet, wanneer één partij het vermoeden van een contract voor handelsvertegenwoordiger inroept, de andere partij aantonen dat de elementen van de overeenkomst en de uitvoering ervan geenszins verenigbaar zijn met een arbeidsovereenkomst en dat er geen gezagsrelatie bestond (Cass. 17 mei 2004, R.A.B.G., 2004, nr. 20, 1316, noot G. BOGAERT, "Handelsagent of vertegenwoordiger ? Over economische en juridische afhankelijkheid en de bewijslast, 1330 e.v.). Het verschil tussen de arbeidsovereenkomst en de onafhankelijke contractuele relatie, ligt in het al dan niet bestaan van een gezagsrelatie. Het al dan niet bestaan van een gezagsrelatie is een feitenkwestie, die toekomt aan de soevereine appreciatie van de rechter. In concreto: Eiseres heeft verweerder op regelmatige tijdstippen cheques overhandigd ter uitbetaling van de overeengekomen wekelijkse provisies. Wat de laatste cheques die werden overhandigd door eiseres aan verweerder betreft, heeft eiseres verzet aangetekend aangezien zij van oordeel was dat verweerder reeds te veel provisies ontving. Verweerder was het hier niet mee eens en legde op 24/08/01 klacht neer bij de politie. Als beroep laat verweerder op het verhoorblad noteren "zelfstandige". Tijdens het verhoor verklaart verweerder: "Sedert 29/01/2001 ben ik werkzaam als zelfstandig verkoper bij de firma Jaguar West Plasschaert NV. (...)" Verweerder heeft deze verklaring afgelegd nadat de tewerkstellingsovereenkomst tussen hem en eiseres werd beëindigd in juli
- Verweerder verklaart derhalve zelf dat hij als zelfstandige werkte, en was blijkbaar geenszins van oordeel door een arbeidsovereenkomst gebonden te zijn geweest. Het is slechts voor het eerst in het kader van deze procedure dat verweerder voorhoudt nooit als zelfstandige te hebben gewerkt. Verweerder is zelf van oordeel als zelfstandige te hebben gewerkt, hetgeen uiteraard inhoudt dat hij niet onder het gezag van eiseres werkte. Eiseres toont derhalve op afdoende wijze aan dat verweerder niet onder haar gezag werkte, doch wel als zelfstandige handelsagent. De andere door partijen aangehaalde elementen zijn in casu op zich niet beslissend (inschrijving in het toenmalige handelsregister, RSZ nr., opmaken van facturen, getuigenverhoor, tekst van de overeenkomst, ...; zie tussenvonnis dd. 26/02/04). III.2 Betreffende de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst Eiseres stelt dat verweerder de overeenkomst op onregelmatige wijze heeft beëindigd, terwijl verweerder precies de tegenovergestelde mening is toegedaan. Eiseres stelt dat verweerder op 14/06/01 een ernstige fout beging door een wagen waarvan de catalogusprijs 2.002.957 fr. bedroeg te verkopen voor 1.781.809 fr. Eiseres stelt dat zij verweerder liet blijken hierover ontevreden te zijn. Eiseres stelt dat verweerder haar vervolgens op 11 juli 2001 mondeling meedeelde de overeenkomst onmiddellijk te willen beëindigen. Verweerder richtte op 19 juli 2001 een aangetekend schrijven tot eiseres, waarin hij schrijft: "Zoals telefonisch afgesproken zend ik u dit schrijven om onze verdere samenwerking te beëindigen. Indien u nog vragen heeft in verband met de lopende zaken kan u mij altijd contacteren." Uit de voorgelegde stukken blijkt trouwens dat verweerder reeds in de maand juni van 2001 werk zocht bij concurrenten van eiseres. Verweerder stelt dat eisers de overeenkomst op 11/7/01 mondeling beëindigde omwille van de ernstige fout. Hij stelt verder dat hij op 19 juli 2001 de overeenkomst opzegde omwille van het feit dat de cheques van eiseres niet gedekt waren, en omdat eiseres hem - tegen de afspraken in - geen bediendencontract wou geven. Eiseres toont aan dat de cheques pas op 25/7/01 ter incasso werden aangeboden, zodat de ongedekte cheque zeker geen reden kan geweest zijn voor de opzegging dd. 19/07/01 door verweerder. Verweerder bewijst niet dat eiseres de overeenkomst zelf reeds had beëindigd voor zijn schrijven dd. 19/07/
- In ondergeschikte orde stelt verweerder dat de overeenkomst in onderling akkoord werd beëindigd, doch ook deze stelling wordt niet bewezen. Verweerder haalt - binnen de wettelijk daartoe voorzien termijn - geen zware fouten aan die eiseres zou hebben begaan Het is derhalve verweerder die de overeenkomst - op onregelmatige wijze - beëindigde. III.3 Betreffende de door eiseres gevorderde opzeggingsvergoeding Eiseres vorderde in de dagvaarding vanwege verweerder een bedrag van 1.500,88 euro, meer interest. Eiseres vordert thans vanwege verweerder een bedrag van 1.414,04 euro, meer interest, in toepassing van art. 19, 3° W.H.A. Verweerder is ertoe gehouden eiseres een opzeggingsvergoeding te betalen die gelijk is aan de vergoeding die gebruikelijk is en overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn, zijnde één maand. Aangezien de vergoeding van de agent uit commissies bestaat, wordt de vergoeding berekend op basis van het maandelijks gemiddelde van de commissie verdiend gedurende de twaalf maanden die aan de beëindiging van de overeenkomst voorafgaan, of in voorkomend geval gedurende de maanden die de beëindiging van de overeenkomst voorafgaan. Eiseres stelt dat de door verweerder verschuldigde vergoeding 1.414,04 euro bedraagt. Verweerder stelt enerzijds dat eiseres geen controleerbare afrekening voorlegt. Anderzijds vordert verweerder - bij tegeneis - vanwege eiseres minstens hetzelfde bedrag als "verbrekingsvergoeding" in de hypothese dat de rechtbank van oordeel zou zijn dat de overeenkomst op onregelmatige wijze werd beëindigd door eiseres. Hieruit blijkt dat verweerder eigenlijk geen cijfermatige betwisting voert betreffende dit aspect van de vordering. Verweerder is derhalve betaling verschuldigd van de som van 1.414,04 euro, meer 7 % interest. III.4 Betreffende de door eiseres gevorderde teruggave van betaalde commissies Eiseres vordert vanwege verweerder de terugbetaling van 7.642,37 euro wegens ten onrechte ontvangen commissies. Het wordt niet betwist dat verweerder wekelijks een factuur voor een bedrag van 30.000 fr. (excl. BTW) of 36.300 fr. (incl. BTW) mocht opmaken. Verweerder maakte in de loop van de overeenkomst 21 dergelijke facturen op. Eiseres stelt een bedrag van 653.400 fr. te hebben betaald, hetgeen niet wordt betwist door verweerder. Eiseres stelt dat de wekelijkse facturen provisies betroffen, waarna driemaandelijks een afrekening diende te worden opgemaakt waarbij de werkelijk verschuldigde commissielonen werden berekend. Eiseres stelt dat zij de afrekening opmaakte; zij stelt dat verweerder slechts recht had op een bedrag van 317.695 fr. Zij vordert het te veel betaalde terug. Verweerder stelt dat de wekelijkse facturen een minimumvergoeding vormden, zodat deze bedragen sowieso verworven zijn voor hem en niet kunnen worden verrekend. Art. 12 van de handelsagentuurovereenkomst bepaalt: "Het commissieloon is pas verschuldigd en opeisbaar zodra de zaak uitgevoerd wordt door de principaal en de klant ook effectief betaald heeft. Er wordt onderling overeengekomen dat de agent wekelijks een voorschotfactuur op commissie mag voorleggen van 30.000 fr. + BTW. Elke drie maanden zal de principaal een rekening van de verschuldigde commissies opmaken en in afrekening brengen met de reeds betaalde voorschotfacturen." Op de facturen heeft verweerder trouwens uitdrukkelijk vermeld "voorschot op commissie". De voorschotfacturen dienen dus wel degelijk te worden verrekend zoals eiseres stelt. Verweerder stelt dat hij tevens tweedehandswagens verkocht die in rekening dienen te worden gebracht, en dat er mogelijks na zijn vertrek auto's verkocht zijn door zijn toedoen. Verweerder legt geen enkel concreet gegeven voor (naam van een klant, ...) betreffende de verkoop van tweedehandswagens. Wat betreft de verkoop van auto's na zijn vertrek door zijn toedoen, rust de bewijslast op verweerder. Verweerder haalt echter geen enkel concreet verkoopproject aan waarmee hij bezig was en dat, na zijn vertrek mogelijks, tot een goed einde werd gebracht. Eiseres is derhalve gerechtigd op de som van 335.705 fr. (653.400 fr. - 317.695 fr.) of 8.321,91 euro, meer 7 % interest. III.5 Betrefende de door eiseres gevorderde teruggave van de cheques Eiseres vordert teruggave van de volgende cheques: - nr. 154753134 ten belope van 72.600 fr.; - nr. 154752971 ten belope van 36.300 fr. Verweerder stelt bereid te zijn de cheque met nr. 154753134 ten belope van 72.600 fr. uitgegeven op 12/06/01 terug te geven mits eiseres de hem nog verschuldigde vergoedingen betaalt. Verweerder stelt geen andere cheques van eiseres in zijn bezit te hebben. Uit het hoger vermelde blijkt dat eiseres niets verschuldigd is aan verweerder. Verweerder is derhalve gehouden tot teruggave van de cheque met nr. 154753134 ten belope van 72.600 fr. binnen de 14 werkdagen na de betekening van huidig vonnis. Bij gebreke aan teruggave binnen de vermelde termijn zal een dwangsom van 25,00 euro per dag verbeuren tot aan de effectieve teruggave. Wat de tweede cheque betreft, is het niet duidelijk of verweerder deze cheque nog in zijn bezit heeft. Er wordt betreffende deze tweede cheque derhalve geen bevel tot teruggave gegeven. III.6 Betreffende de tegeneis van verweerder Verweerder vordert vanwege eiseres: - de betaling van een opzeggingsvergoeding ten bedrage van één maand commissie of 3.599,41 euro, minstens ten belope van 1.500,08 euro; - de betaling van een uitwinningsvergoeding ten belope van 10.798,24 euro, minstens ten bedrage van 4.500,23 euro; - de betaling van een verbrekingsvergoeding ten belope van 21.596,48 euro, minstens ten bedrage van 9.000,47 euro; Verweerder is van oordeel dat eiseres de overeenkomst op onregelmatige wijze beëindigde. De rechtbank oordeelde reeds hoger (zie III.2) dat het verweerder was die de overeenkomst op onregelmatige wijze beëindigde. Verweerder is derhalve niet gerechtigd op een opzeggingsvergoeding, noch op een uitwinningsvergoeding of een bijkomende verbrekingsvergoeding. III.7 Betreffende de uitvoerbaarheid bij voorraad In de veronderstelling dat hij in het gelijk gesteld zou worden betreffende zijn tegeneis (en dat de hoofdeis zou worden afgewezen) vordert verweerder de uitvoerbaarheid bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling alsook met uitsluiting van het kantonnement, minstens wat de toegekende provisies betreft. Gelet op het feit dat verweerder in het ongelijk werd gesteld, dient hier niet verder op te worden ingegaan. Eiseres vordert dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zou worden verklaard, niettegenstaande elk verhaal en zonder borg, hetgeen in de gegeven omstandigheden kan worden toegekend. OM DEZE REDENEN, De rechtbank, Beslissend op tegenspraak, Gelet op de artikelen 2 en volgende van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Verklaart de vorderingen van eiseres ontvankelijk, en in de hierna bepaalde mate gegrond. Veroordeelt verweerder tot het betalen aan eiseres van de som van DUIZEND VIERHONDERD VEERTIEN euro VIER cent (1.414,04 euro), meer de gerechtelijke interest à rato van 7 % vanaf 03/10/01 tot de datum der volledige betaling. Veroordeelt verweerder tot het betalen aan eiseres van de som van ACHTDUIZEND DRIEHONDERD EENENTWINTIG euro EENENNEGENTIG cent (8.321,91 euro), meer de gerechtelijke interest à rato van 7 % vanaf 03/10/01 tot de datum der volledige betaling. Veroordeelt verweerder tot teruggave aan eiseres van de cheque met nr. 154753134 ten bedrage van 72.600 fr. binnen de 14 werkdagen na de betekening van huidig vonnis. Bij gebreke aan teruggave binnen de vermelde termijn zal een dwangsom van 25,00 euro per dag verbeuren vanaf de 15de werkdag na de betekening van huidig vonnis tot aan de effectieve teruggave van de cheque. Verklaart de vorderingen van verweerder ontvankelijk, doch ongegrond. Wijst al het meer gevorderde af als ongegrond. Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, die in zijn hoofde niet dienen te worden begroot als in het ongelijk gestelde partij, en in hoofde van eiseres worden begroot als volgt: - dagvaarding: 235,20 euro - R.P.V.: 364,40 euro Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts elk verhaal en zonder borgstelling. Aldus het vonnis, uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in buitengewone openbare terechtzitting op VIJF OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZES. Aanwezig: B. De Fleur, toegevoegd rechter ; J. Decorte en P. De Smet, rechters in handelszaken, de tweede door de Voorzitter aangewezen ter vervanging van de plaatsvervangend rechter in handelszaken F. Vankeirsbilck, wettig verhinderd zijnde de uitspraak van huidig vonnis bij te wonen waarover hij mede heeft beraadslaagd (art. 779 Ger.W.) ; N. Bostoen, griffier. N. Bostoen P. De Smet J. Decorte B. De Fleur Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div