← België

ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20061005.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 05 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20061005.5 Rolnummer: AR 1502/06 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-10-03 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-07-01 04:50 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Geldigheidsvereisten overeenkomst BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Vordering tot nietigverklaring of vernietiging van de overeenkomst Vrije woorden: overeenkomst met huwelijksbureau Tekst van de beslissing Nr. Rep. De Rechtbank van Koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, Provincie West-Vlaanderen, EERSTE KAMER, rechtsprekend: In de zaak nr. 1502/06 der algemene rol.- X, geboren te ... op ..., wonende te ... ; eiseres, hebbende als raadsman meester Koen De Bock en pleitend meester Stijn Vantyghem, beiden advocaat te 9810 Eke, Eedstraat 31; tegen : Y, geboren te ... op ..., handeldrijvende onder de benaming ‘A', wonende te ... ; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer 0...; verweerder, hebbende als raadsman meester Kris Vincke en pleitend meester Céline Mouton, beiden advocaat te 8310 Brugge, Jan Moritoenstraat 1 bus 7 ; I. PROCEDURE De zaak werd ingeleid bij dagvaarding die op zes april 2006 op regelmatige wijze werd betekend aan verweerder. Partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in openbare terechtzitting van 7 september 2006. Kennis werd genomen van het dossier van de rechtspleging. Partijen hebben elk een stukkenbundel neergelegd. De artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 tot regeling van het taalgebruik in gerechtszaken werden in acht genomen. II. IN RECHTE

(1)Verweerder baat als natuurlijk persoon, onder de handelsnaam "A" een huwelijksbureau uit. Eiseres las een advertentie betreffende dit huwelijksbureau en nam telefonisch contact op, waarna een afspraak bij haar thuis werd vastgelegd op 27/01/06. Eiseres stelt dat zij en verweerder op 27/01/06 een eerste gesprek hadden, waarna een overeenkomst werd ondertekend. Op 30/01/06 schreef eiseres de som van 2.200,00 euro over op de rekening van verweerder. Eiseres stelt dat verweerder haar meedeelde dat deze som verschuldigd was voor de volledige (onbepaalde) duur van de overeenkomst, alsook dat de overeenkomst pas een aanvang zou nemen nadat zij deze som had betaald. Op 03/02/06 kreeg eiseres een telefoontje van een zekere J. uit Lauwe, teneinde met haar een afspraak te maken. Eiseres stelt dat zij van in den beginne duidelijk maakte aan verweerder dat zij - om professionele redenen - enkel met mannen die dicht bij haar woonplaats woonden wou afspreken.
(2)Eiseres stelt dat zij verweerder aangetekend aanschreef op 4/02/06 en meldde: - dat zij tijdens het (eerste en enige) gesprek op 27/01/06 duidelijk maakte dat zij enkel mannen uit Oost-Vlaanderen of uit de buurt wou ontmoeten; - dat zij vernam dat het door haar betaalde bedrag van 2.200,00 euro geen eenheidsprijs zou zijn, doch een willekeurig bedrag; - dat zij het contract opzegde zich baserende op het consumentenrecht; - dat zij terugbetaling wenste van de som van 2.200,00 euro; - dat zij nog steeds geen exemplaar van de door haar ondertekende overeenkomst mocht ontvangen. Verweerder antwoordde dat eiseres wel degelijk een exemplaar van de overeenkomst mocht ontvangen bij de ondertekening. Verweerder spreekt over een "eerste" storting van 2.200,00 euro, die ruim zeven dagen na ondertekening van de overeenkomst werd betaald. Verweerder stelt verder dat het gesprek van 27/01/06 niet een eerste, maar wel een tweede bespreking was.
(3)Eiseres vordert thans terugbetaling van de som van 2.200,00 euro, meer interest. Ze vordert tevens een vergoeding voor de kosten en het ereloon van de raadsman die zij ex aequo et bono begroot op 1.500,00 euro. Eiseres vorderde aanvankelijk tevens de teruggave van de foto's die zij verweerder overhandigde, onder de verbeurte van een dwangsom. Verweerder heeft de foto's inmiddels echter terugbezorgd aan eiseres. Verweerder is van oordeel dat hem niets te verwijten valt, en stelt dat de vordering dient te worden afgewezen als ongegrond.
(4)Het wordt niet betwist dat de overeenkomst die tussen partijen werd afgesloten onder het toepassingsgebied van de wet van 9 maart 1993 strekkende tot het regelen en controleren van de exploitatie van huwelijksbureaus valt. De aangetekende brief van eiseres, waarmee zij de overeenkomst wou opzeggen, vermeldt als datum "4/02/06", doch er wordt geen bewijs van aangetekende zending voorgelegd. Eiseres meldt wel zelf in haar schrijven dd. 4/02/06 dat ze haar brief aangetekend verstuurde op 6/02/06, hetgeen niet wordt tegengesproken door verweerder. Overeenkomstig art. 6, 6° van de vermelde wet heeft eiseres het recht de overeenkomst op te zeggen (kosteloos en zonder schadevergoeding) gedurende de zeven werkdagen (zon- en feestdagen worden niet meegerekend) te rekenen van de dag volgend op die van de ondertekening van de overeenkomst mits een aangetekend schrijven. Eiseres stelt dat zij de overeenkomst tijdig opzegde, terwijl verweerder het tegendeel beweert. Volgens eiseres werd de overeenkomst ondertekend op vrijdag 27/01, waardoor zij op 6/02 (id est de zesde werkdag) tijdig opzegde. Verweerder stelt dat de overeenkomst vroeger werd gesloten. Eiseres stelt dat de overeenkomst sowieso tijdig werd opgezegd, aangezien ze volgens verweerder slechts in werking trad nadat zij betaald had. Het wordt niet betwist dat eiseres de som van 2.200,00 euro betaalde op 30/01/06. Eiseres stelt dat haar opzeg derhalve tijdig gebeurde, zijnde slechts 4 dagen na de inwerkingtreding van de overeenkomst. De datum van de inwerkingtreding van de overeenkomst is echter niet relevant voor de opzegperiode van 7 werkdagen. Art. 6, §1, 6° bepaalt immers dat de opzeg dient te gebeuren binnen de zeven werkdagen na de ondertekening (en niet na de inwerkingtreding) van de overeenkomst. De rechtbank kent de exacte datum waarop de overeenkomst werd ondertekend niet, aangezien eiseres stelt geen overeenkomst te kunnen voorleggen omdat ze er nooit één mocht ontvangen, terwijl verweerder stelt zijn exemplaar te hebben vernietigd om privacyredenen.
(5)Art. 6 §1 van de vermelde wet dd. 9/03/93 (B.S. 24/04/93) bepaalt het volgende: "Op straffe van nietigheid moeten in de schriftelijke overeenkomst tussen het huwelijksbureau en de klant de volgende gegevens zijn opgenomen: 1° de naam, voornaam, geboorteplaats en -datum, alsmede de woonplaats van de klant; 2° de naam, voornaam of de benaming van het huwelijksbureau, de woonplaats of de maatschappelijke zetel van het huwelijksbureau en zijn registratienummer bij het Ministerie van Economische Zaken; 3° de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst (en haar duur); 4° de precieze omschrijving van de door het huwelijksbureau in het kader van de overeenkomst aangeboden diensten; 5° de te betalen prijs en de betalingsmodaliteiten, rekening houdend met de bepalingen van art. 8, §1; 6° het opzeggingsbeding, in vetjes in een los van de tekst staand kader op de voorzijde van de eerste bladzijde van de overeenkomst, luidend als volgt: "De klant heeft gedurende zeven werkdagen te rekenen van de dag volgend op die van de ondertekening van de overeenkomst, het recht om deze op te zeggen, kosteloos en zonder schadevergoeding, mits hij het huwelijksbureau daarvan bij ter post aangetekende brief in kennis stelt. Van de klant mag generlei voorschot noch betaling worden geëist of aanvaard vóór het verstrijken van de bedenktijd."; (...)" (eigen onderlijning) Eiseres stelt dat de overeenkomst die zij ondertekende niet voldoet aan diverse van de in art. 6 vermelde vereisten. Zoals hoger reeds vermeld, legt geen enkele partij een exemplaar van de overeenkomst voor. Het is echter verweerder die dient te bewijzen dat de overeenkomst beantwoordde aan de op straffe van nietigheid voorgeschreven vereisten vermeld in art. 6, hetgeen hij niet doet. De overeenkomst is derhalve nietig. Op de overige door eiseres ingeroepen argumenten (onder meer betreffende de duur van de overeenkomst, betreffende de aanvaarding van betaling tijdens de bedenkingstermijn) dient derhalve niet meer te worden ingegaan.
(6)Eiseres is gerechtigd op terugbetaling van de som van 2.200,00 euro, meer 7 % interest vanaf 30/01/06. Eiseres beroept zich op de artikelen 1149 en 1151 B.W. en op het cassatie-arrest dd. 2/9/04, waarin het Hof van Cassatie oordeelde dat het honorarium en de kosten van een advocaat die de benadeelde van een contractuele fout heeft betaald, een vergoedbaar element van zijn schade kunnen zijn, in zoverre zij - in toepassing van art. 1151 B.W. - het noodzakelijk gevolg zijn van het niet-uitvoeren van de overeenkomst. Hij die beweert aanspraak te maken op schadevergoeding in toepassing van art. 1151 B.W. draag de bewijslast van die vordering. De rechtbank is van oordeel dat de vermelde voorwaarden vervuld zijn, en begroot de vergoeding ex aequo et bono op 12 % van 2.200,00 euro of 264,00 euro. OM DEZE REDENEN, De rechtbank, Beslissend op tegenspraak, Gelet op de artikelen 2 en volgende van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk, en in de hierna bepaalde mate gegrond. Zegt voor recht dat de overeenkomst die werd afgesloten tussen eiseres en verweerder nietig is. Veroordeelt verweerder tot het betalen aan eiseres van de som van TWEEDUIZEND TWEEHONDERD euro (2.200,00 euro), meer de moratoire interest à rato van 7 % vanaf 30/01/06 tot 6/04/06, daarna de gerechtelijke interest à rato van 7 % tot de datum der volledige betaling. Veroordeelt verweerder tot het betalen aan eiseres van de som van TWEEHONDERD VIERENZESTIG euro (264,00 euro). Wijst al het meer gevorderde af als ongegrond. Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding die in zijn hoofde niet dienen te worden begroot als in het ongelijk gestelde partij, en in hoofde van eiseres als volgt worden begroot: - Dagvaarding : 220,50 euro - R.P.V.: 364,40 euro Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts elk verhaal en zonder borgstelling. Aldus het vonnis, uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in buitengewone openbare terechtzitting op VIJF OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZES. Aanwezig: B. De Fleur, toegevoegd rechter ; J. Decorte en P. De Smet, rechters in handelszaken, de tweede door de Voorzitter aangewezen ter vervanging van de plaatsvervangend rechter in handelszaken F. Vankeirsbilck, wettig verhinderd zijnde de uitspraak van huidig vonnis bij te wonen waarover hij mede heeft beraadslaagd (art. 779 Ger.W.) ; N. Bostoen, griffier. N. Bostoen P. De Smet J. Decorte B. De Fleur Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.