← België

ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20061106.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 06 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20061106.11 Rolnummer: AR 3776/98 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-12-04 Raadplegingen: 151 - laatst gezien 2026-07-02 14:37 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Deskundigenonderzoek Vrije woorden: opdracht - bindend advies derdenbeslissing Tekst van de beslissing Nr. Rep. De Rechtbank van Koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, Provincie West-Vlaanderen, VIERDE KAMER, rechtsprekend: In de zaak nr. 3776/98 der algemene rol naamloze vennootschap "DUMOBIL", met maatschappelijke zetel te 8700 Tielt, Felix D'Hoopstraat 180, destijds ingeschreven in het handelsregister te Brugge onder nr. 84.281, eiseres, hebbende als raadsman meester L. Ockier, advocaat te Marke, tegen: besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "VANGHELUWE JAN STUDIEBUREAU", met maatschappelijke zetel te 8870 Izegem, Burgemeester Vandenbogaerdelaan 39, destijds ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nr. 87.986, thans met ondernemingsnummer 0413.717.767; verweerster, hebbende als raadsman meester Ph. Vandromme, advocaat te Izegem, en met: naamloze vennootschap "IPA", met maatschappelijke zetel te 8780 Oostrozebeke, Blijhofstraat 20, destijds ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nr. 128.384, vrijwillig tussenkomende partij, hebbende als raadsman meester D. Cornelis, advocaat te Gent. De rechtbank heeft de partijen gehoord in openbare zitting en heeft kennis genomen van de stukken en besluiten. Toepassing werd gemaakt van art. 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. VORDERINGEN Met dagvaarding dd. 21.9.1998 vorderde nv Dumobil de veroordeling van de bvba Vangheluwe Jan Studiebureau (hierna in het kort "Vangheluwe") tot betaling van 467.000 BEF, meer de moratoire rente vanaf 6.5.1998, de gerechtelijke rente, de gerechtskosten en een provisie van 1 BEF, dit alles bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement. De vordering betrof gebreken aan een woning, gelegen te 8780 Oostrozebeke, Blijhofstraat 20, met Dumobil als bouwpromotor en Vangheluwe als ingenieur voor de stabiliteitsstudie. Dumobil beweerde dat zij door de opdrachtgevers, dhr. S. VA en mevr. C. DH, aangesproken werd voor de gebreken in de woning, zodat Dumobil zich meteen keerde tegen Vangheluwe. Met verzoekschrift, neergelegd op 8.10.1998, kwam IPA, die beweerde door inbreng van het onroerend goed in haar vennootschap eigenares van het goed te zijn, vrijwillig tussen: zij vorderde veroordeling van Dumobil tot betaling van 7.516.826 BEF, meer de gerechtelijke rente. In uiterst ondergeschikte orde vroeg zij de aanstelling van een deskundige om de minwaarde van de woning te ramen. Zij vorderde dit tevens bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal, zonder borgstelling en kantonnement. In besluiten vordert IPA de veroordeling van Dumobil tot betaling van 62.390,49 EUR, zijnde de kostprijs van de herstellingen, alsmede van 123.946,76 EUR als vergoeding van de minwaarde, meer de gerechtelijke rente. Zij volhardt in haar subsidiaire vordering tot aanstelling van een deskundige. Ingevolge de vrijwillige tussenkomst van IPA, heeft Dumobil aanvankelijk haar vordering gewijzigd en vordert zij enkel nog door Vangheluwe gevrijwaard te worden voor alle bedragen, waartoe zij zou worden veroordeeld tot betaling jegens IPA, in hoofdsom, rente en kosten. In haar laatste besluiten volhardt zij daarin en vordert zij terzelfder tijd de veroordeling van Vangheluwe tot betaling van 467.000 BEF, meer de moratoire rente vanaf 6.5.1998 en de gerechtelijke rente tot de integrale betaling. BEOORDELING A. Ontvankelijkheid van de vordering van Dumobil

  1. Vangheluwe meent dat de vordering van Dumobil op het ogenblik waarop deze ingesteld werd, onontvankelijk was bij gebrek aan belang, omdat er toen nog geen vordering was gesteld door de bouwheer. Dit verweer is ongegrond. Vooreerst was de vordering, zoals gesteld in de dagvaarding, wel ontvankelijk. Het in artikel 18 Ger. W. bedoeld belang, waarvan de ontvankelijkheid van de rechtsvordering afhangt, moet een bij de inleiding reeds verkregen en dadelijk belang zijn, wat echter niet vereist dat de eiser op dat ogenblik reeds schade heeft geleden of een schadevergoeding aan een derde heeft uitgekeerd (vgl. Cass., 29.2.1996, Pas., 1996, I, nr. 90, p. 224). De procespartij, die beweert houder te zijn van een subjectief recht, heeft hoedanigheid en belang om de vordering te stellen, ook al wordt dit recht betwist. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het recht betreft niet de ontvankelijkheid maar wel de gegrondheid (Cass., 26.2.2004, R.W., 2006-07, p. 133). Bovendien had de bouwheer reeds een vordering gesteld op het ogenblik dat Dumobil tot dagvaarding overging (zie brieven dd. 5.8.1997 en 22.9.1997 en de minnelijke expertise), zodat zij reeds over het vereiste belang beschikte om Vangheluwe in rechte te dagvaarden. Dat de bouwheer nog niet tot dagvaarding was overgegaan, is daarbij niet relevant. Een hoofdaannemer hoeft niet te wachten tot hij gedagvaard wordt, alvorens hij de onderaannemer, die weigert zijn verantwoordelijkheid te nemen, in rechte kan dagvaarden. Bovendien, zelfs indien de vordering op het ogenblik van de dagvaarding onontvankelijk was, dan is de huidige vordering alleszins wel ontvankelijk. Dumobil heeft haar vordering in de loop van het geding deels gewijzigd en/of aangepast, in die zin dat zij ook de veroordeling van Dumobil vordert om haar te vrijwaren. Deze wijziging is mogelijk op grond van art. 807 Ger. W., dat een wijziging van de vordering toelaat, voor zover de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd. De wijziging hoeft niet uitsluitend gesteund te zijn op een feit of akte, in de dagvaarding vermeld (Cass., 11.5.1990, Arr. Cass., 1989-90, 1173). Dit is hier zeker het geval, vermits de gewijzigde vordering eveneens gesteund is op de gebreken van de woning, waarvoor Dumobil Vangheluwe aansprakelijk acht, wat vermeld is in de dagvaarding. Bovendien kunnen feiten of handelingen, die zich voordoen in de loop van het geding en dus niet zijn opgenomen in de dagvaarding en toch een weerslag hebben op het geschil, een wijziging van de vordering rechtvaardigen (Brewaeys, E. (ed.), "Bestendig Handboek Burgerlijk Procesrecht", 2000, p. VII.3-7 en de talrijke rechtsleer en rechtspraak, vermeld onder noot 7). De vrijwillige tussenkomst van IPA rechtvaardigt de wijziging van de vordering van Dumobil. Art. 807 Ger. W. vereist niet dat de oorspronkelijke vordering ontvankelijk zou zijn opdat de gewijzigde vordering eveneens ontvankelijk zou zijn. De vereiste van ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering voegt een voorwaarde toe aan art. 807 Ger. W., die er niet in vervat is (Brussel, 13.9.1994, J.T., 1995, 109).
  2. Vangheluwe argumenteert dat Dumobil niet de hoedanigheid heeft om tegen haar een vordering op grond van art. 1792 B.W. te stellen, omdat Dumobil niet de eigenares is van het gebouw en zij in het kader van de hoofdeis door de nv IPA niet op basis van deze rechtsgrond kan worden aangesproken. De vraag of Dumobil Vangheluwe kan aanspreken op grond van art. 1792 B.W. betreft niet de ontvankelijkheid, maar wel de gegrondheid van de vordering. De hoedanigheid is de band tussen de procespartij en het subjectieve recht waaromtrent zij in rechte optreedt, de macht om een bepaald subjectief recht uit te oefenen (Van Orshoven, P. "Niet-ontvankelijkheid, nietigheid, verval en andere wolfijzers en schietgeweren van het burgerlijk procesrecht", in "Gerechtelijk Privaatrecht", Themis, 2000-2001, p. 35). Dumobil wordt aansprakelijk gesteld door de bouwheer, zodat Dumobil beschikt over de vereiste hoedanigheid om zich te keren tegen de partij, die zij aansprakelijk acht. Dat Dumobil geen eigenares van het gebouw is, is geen beletsel om zich te keren tegen Vangheluwe: de overeenkomst tussen Vangheluwe en zijn opdrachtgever is te beschouwen als een aanneming en als aannemer rust op Vangheluwe dezelfde aansprakelijkheid als de aansprakelijkheid van zijn opdrachtgever ten aanzien van de bouwheer (cfr. Pourvoyeur, S., "Principes van aansprakelijkheid van de onderaannemer jegens de hoofdaannemer", De Verz., Dossier 4, 1997-1998, p. 31 e.v.). B. Ontvankelijkheid van de vordering van IPA
  3. In haar tweede besluiten, neergelegd op 25.11.1999, argumenteerde Dumobil dat de vordering van IPA onontvankelijk is, omdat IPA niet het bewijs leverde van de inbreng van het onroerend goed in de vennootschap, noch dat de inbreng was gebeurd op een aan derden tegenstelbare wijze. IPA heeft intussen haar oprichtingsakte en de publicatie van haar oprichting in het Belgisch Staatsblad voorgelegd. In haar besluiten, na kennisname van dit stuk, dringt Dumobil niet verder meer aan met betrekking tot deze exceptie van onontvankelijkheid.
  4. Vangheluwe beweert dat de vordering van IPA ingevolge de toepassing van art. 1648 B.W. laattijdig is. De vordering is echter niet gesteund op art. 1641 e.v. B.W. maar wel op art. 1792-2270 B.W., zijnde de tienjarige aansprakelijkheid van de aannemer. Artikel 1648 B.W. is niet van toepassing op deze vordering (zie hierna). Doch zelfs al zou de wettelijke regeling inzake de koop-verkoop moeten toegepast worden, dan nog is de vordering niet laattijdig. De korte termijn, zoals bepaald in art. 1648 B.W., vangt aan op het ogenblik dat de koper de gebreken kon ontdekken. De vraag of de vordering binnen korte termijn is ingesteld, wordt door de feitenrechter soeverein beoordeeld, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak, namelijk de aard van de verkochte zaak, de aard van het gebrek, de gebruiken, de hoedanigheid van de partijen en de door hem verrichte buitengerechtelijke en gerechtelijke handelingen (Cass., 23.3.1984, R.W., 1984-85, 127). Uit de stukken blijkt dat: - de gevolgen van de gebreken vooral bestaan uit aanzienlijke barsten, die allen verborgen waren achter plinten, en een aantal lichte barsten (zie desk. verslag van ir. Declercq). - de ernst van de situatie slechts zichtbaar werd in de loop van juli 1997, naar aanleiding van het wegnemen van plinten (zie P.V. van vaststelling), ter gelegenheid van het plaatsen van een nieuwe parketvloer; er werd P.V. van vaststelling opgemaakt op 6.8.1997; - met brief van 5.8.1997 bracht dhr. VA de nv Dumobil daarvan op de hoogte; - er werd een plaatsbezoek georganiseerd voor 12.8.1997, waarop dhr. VA (afgevaardigd bestuurder van de nv IPA), de nv Dumobil, de architect B en ingenieur VG aanwezig of vertegenwoordigd waren. Vervolgens werd door ir. SA een technisch verslag opgesteld; - met brief van 22.9.1997 stelde dhr. VA de nv Dumobil in gebreke; - met brief van 13.8.1997 aan ir. VG meldde de nv Dumobil dat zij ervan overtuigd was dat ir. VG zou zorgen voor een vlotte en definitieve oplossing en zijn verantwoordelijkheid zou opnemen; - er werd vervolgens op 16.1.1998 onderhandeld over de aanstelling van een deskundige, die de gebreken zou onderzoeken; deze onderhandelingen hebben geleid tot een overeenkomst, waarbij dhr. VA, de nv Dumobil, ir. VG, architect B en aannemer VD ir. Declercq aanstelden; - zijn eindverslag dateert van 6.5.1998; het betrof een bindend verslag (zie verder), zodat niet kon verwacht worden dat de partijen reeds tot dagvaarding overgingen vooraleer dit eindverslag aan de partijen was meegedeeld en de partijen duidelijk standpunt hadden ingenomen over de gevolgen van dit verslag; - de dagvaarding van Dumobil dateert van 21.9.1998, zijnde 4,5 maanden na de mededeling van het eindverslag; - de nv IPA is op 8.10.1998 vrijwillig tussengekomen in de procedure, dit is 5 maanden na de mededeling van het eindverslag. Zolang een minnelijke regeling niet uitgesloten was en gedurende de expertise, die moest leiden tot een bindend verslag (zie verder), kon niet verwacht worden dat IPA of Dumobil overging tot dagvaarding. Het verslag was bindend voor de partijen en diende dus normalerwijze te leiden tot een minnelijke regeling en niet tot een procedure. Het is dan ook logisch dat niet gedagvaard werd zolang niet duidelijk was dat een minnelijke regeling na het einde van de expertise uitgesloten was. Het is echter niet duidelijk wanneer een minnelijke regeling uitgesloten was. Hoe dan ook is gedagvaard en zijn de vorderingen gesteld binnen de 5 maanden na de mededeling van het eindverslag, wat tijdig is. Het feit dat in deze onderhandelingen en de expertise niet IPA zelf, als werkelijke eigenaar van het gebouw, betrokken was, doet hieraan niets af, gelet op de overwegingen van de rechtbank hierna omtrent de tegenstelbaarheid van het verslag ten aanzien van IPA. C. Over de grond van de vordering van IPA tegen Dumobil
  5. aansprakelijkheid De rechtbank stelt vast dat Dumobil haar aansprakelijkheid niet betwist. IPA steunt de vordering op art. 1792-2270 B.W.. Dumobil betwist dit niet. De overeenkomst tussen partijen valt onder toepassing van de Wet Breyne. Art. 6, eerste lid van deze wet bepaalt dat de artikelen 1792 en 2270 B.W. ook van toepassing zijn op de verkoper. Art. 6, tweede lid voegt eraan toe dat de achtereenvolgende kopers zich eveneens op voormelde vrijwaring kunnen beroepen. Artikel 1792 B.W. bepaalt dat, indien een gebouw tegen vaste prijs is opgericht, geheel of gedeeltelijk teniet gaat door een gebrek in de bouw, zelfs door de ongeschiktheid van de grond, de architect en de aannemer daarvoor gedurende 10 jaren aansprakelijk zijn. Artikel 2270 B.W. bepaalt dat de architecten en aannemers na verloop van 10 jaren ontslagen zijn van hun aansprakelijkheid met betrekking tot de grote werken, die zij hebben uitgevoerd of geleid. Er is geen betwisting over dat het gebrek onder toepassing van de tienjarige aansprakelijkheid valt. Voormelde artikelen vereisen niet dat de stabiliteit van het gebouw in het gedrang komt. Het volstaat dat de stevigheid van het gebouw of een belangrijk onderdeel ervan in gevaar wordt gebracht door een gebrek in de bouw. Een instorting is niet vereist (Baert, G., "Aanneming van werk", A.P.R., 2001, p. 484; Burssens, F., "Aannemingsrecht in hoofdlijnen", 2001, nr. 280; Colle, Ph., "Algemeen overzicht van de beginselen inzake aansprakelijkheid van de bouwheer, architect, aannemer, ingenieur en/of studiebureau", De Verz., Dossier nr. 6, 2000, p. 14, nr. 16). Met betrekking tot de oorzaak van de schade, zijn de partijen het alleszins eens over de analyse van ir. Declercq, nl. het gebrek is gelegen in de zwakte van de vloerplaat tussen gelijkvloers en eerste verdieping. Deze zwakte is een gevolg van een onjuiste berekening van de vloerplaat door ir. VG. Deze zwakte heeft tot gevolg gehad dat de vloerplaat veel meer doorboog dan aanvaardbaar was, met als gevolg dat de binnenmuren boven de woonplaats en de garage scheuren vertoonden. De zwaarste scheuren bevinden zich aan de onderzijde van de muur. De breedte van sommige scheuren zijn zeer aanzienlijk (10 mm, 17 mm, 30 mm). Uit het P.V. van vaststelling van 6.8.1997 blijkt dat deze scheuren voornamelijk horizontaal verlopen zodat de muren op bepaalde plaatsen zelfs niet meer op de vloerplaat steunden. De ontoelaatbare doorbuiging met de aanzienlijke scheuren in een aantal binnenmuren tot gevolg, houdt een aantasting van de "stevigheid" in. Overeenkomstig het Van Dale woordenboek, betreft de stevigheid de mogelijkheid weerstand te bieden aan druk of trek, het hechtig samenhangend zijn, het moeilijk verwrikbaar zijn. Welnu, aan deze kenmerken van stevigheid is niet meer voldaan wanneer een vloerplaat aanzienlijk doorbuigt, met als gevolg dat de binnenmuren op bepaalde plaatsen geen steun meer vinden op de vloerplaat (vgl. Gent, 2.3.1995, T. Aann., 1999, 77).
  6. schade
  7. Er bestaat enkel betwisting over de omvang van de schade. Dumobil meent dat de schadevergoeding moet beperkt worden tot de schade, begroot door ir. H. Declercq. De deskundige begrootte de schade als volgt: - herstelkosten: 467.000 BEF, inclusief BTW; - minwaarde: 100.000 BEF. Ir. Declercq werd ingevolge een overeenkomst, gesloten tussen de heer S. VA, Dumobil, ir. VG, achtitect B en JV, als minnelijk expert aangesteld. Deze overeenkomst luidt als volgt: "...wordt overeengekomen dat ir. H. Declercq aangesteld wordt als deskundige betreffende de woning te Oostrozebeke, Blijhofstraat 20, eigendom van de Heer S. VA en dat de bevindingen van ir. Declercq als bindend worden aanvaard." IPA argumenteert dat dit verslag haar niet tegenstelbaar is, omdat zij geen partij was in voormelde overeenkomst. Bovendien stelt zij dat de expert niet tot opdracht had de schade en minwaarde te begroten. Ondergeschikt meent zij dat dit verslag enkel het karakter van een advies heeft.
  8. De rechtbank is van oordeel dat het verslag van ir. Declercq tegenstelbaar is ten aanzien van IPA en ook bindend is. Het argument van IPA dat zij geen partij was in de overeenkomst van 16.1.1998, is onaanvaardbaar. De overeenkomst tot aanstelling van ir. Declercq is ondertekend door dhr. S. VA, die gedelegeerd bestuurder van IPA was. Hij was eveneens aanwezig tijdens de expertise. IPA was dus op de hoogte van de overeenkomst en de expertise. IPA heeft dus toegelaten dat haar afgevaardigd bestuurder de overeenkomst ondertekende en ook aanwezig was tijdens de expertise. Indien dhr. VA niet optrad in naam én voor rekening van IPA, dan moet, op grond van de schijnleer, die een toepassing is van de vertrouwensleer, aangenomen worden dat IPA gebonden is door de overeenkomst. De voorwaarden daartoe (Verougstraete, I., "Wil en vertrouwen bij het totstandkomen van overeenkomsten", T.P.R., 1990, p. 1191-1192) zijn vervuld: - er was een schijnbare toestand, die afweek van de werkelijkheid: deze schijnbare toestand bestond erin dat dhr. VA zich voordeed als eigenaar, terwijl het IPA was, die eigenares was; - deze schijnbare toestand is toe te rekenen aan IPA: IPA was op de hoogte van de overeenkomst en de expertise en heeft daarbij nooit te kennen gegeven dat zij eigenares was; - de derde is te goeder trouw: Dumobil mocht aannemen dat dhr. VA nog eigenaar was, aangezien dhr. VA dit voorhield en dhr. VA eveneens bouwheer was; - Dumobil zou schade lijden indien de schijntoestand niet wordt gehonoreerd door degene aan wie de schijn is toe te rekenen: deze schade zou erin bestaan dat Dumobil zich tegenover IPA niet op de overeenkomst en het deskundig verslag zou kunnen beroepen; - de wetgever heeft de toepassing van het rechtmatig vertrouwen niet uitgesloten of beperkt. Minstens heeft IPA een fout begaan, door na te laten op te merken dat niet dhr. VA eigenaar was maar wel zijzelf. Als gedelegeerd bestuurder van IPA (dus orgaan van IPA) had dhr. VA (en dus IPA) moeten vermelden dat niet hijzelf maar wel IPA eigenaar was. Deze fout kan als contractueel beschouwd worden, vermits IPA, als koper van het gebouw, beschikte over een contractuele vordering tegen Dumobil. Zij had dan ook in het kader van de besprekingen over de schade en de aansprakelijkheid moeten melden dat zijzelf eigenares was. Minstens is de fout als buitencontractueel te beschouwen. Indien zij dit had gemeld, dan mag redelijkerwijze aangenomen worden dat de overeenkomst tot aanstelling van een deskundige met IPA zou zijn gesloten en niet met dhr. VA in eigen naam, tenzij zij de bedrieglijke bedoeling had een middel te hebben om zich te onttrekken aan het resultaat van het deskundig onderzoek, indien dit voor haar nadelig was. Bedrog wordt echter niet vermoed maar moet bewezen worden. Hoe dan ook moet uitgegaan worden van de normale gang van zaken en deze bestaat erin dat er geen bedrog is. De schade, die Dumobil zou lijden door deze fout, zou erin bestaan dat zij zich niet op de overeenkomst en het deskundig verslag kan beroepen; herstel in natura bestaat er dan in dat IPA gebonden is door de overeenkomst.
  9. Het verslag is ook bindend. De overeenkomst is duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar. Er wordt expliciet gestipuleerd dat de bevindingen van de expert "bindend" zijn. Het gaat dus niet louter over een advies. Dit bindend karakter betreft het volledige verslag. Ook het argument van IPA dat de opdracht van de deskundige beperkt was tot het nazicht van de ernst van de gebreken en de ingrepen, noodzakelijk om de gebreken te verhelpen, kan niet gevolgd worden. In de overeenkomst werd de inhoud van de opdracht niet expliciet omschreven doch werd wel uitdrukkelijk vermeld dat de "bevindingen" van de deskundige bindend zouden zijn, zonder dat daarbij voorzien werd in enige beperking. IPA kan onmogelijk beweren dat de opdracht van de deskundige zich niet uitstrekte tot het begroten van de herstelkosten en de minwaarde, nu de partijen, ook dhr. VA, in hun opmerkingen op het voorverslag geen enkel voorbehoud hebben gemaakt omtrent de beperking van de opdracht. De weergave van de opdracht van de deskundige op p. 1 van zijn verslag ("advies te geven...") doet niets af aan het bindend karakter ervan, omdat het gaat om een onjuiste weergave van de inhoud van de overeenkomst van 16.1.1998, die uitdrukkelijk bepaalt dat het om een bindend verslag gaat; overigens, in Nederlands recht bijvoorbeeld wordt ook de term "bindend advies" gebruikt (zie Vanderschot, K., "De bindende derdenbeslissing en de partijbeslissing in België en Nederland", in Smits, J., en Stijns, S., "Inhoud en werking van de overeenkomst in Belgisch en Nederlands recht", p. 425). Deze term belet niet dat het "advies" bindend is.
  10. De figuur van de bindende derdenbeslissing houdt in dat de partijen principieel gebonden zijn door de beslissing van de derde. Ook de rechter is gebonden door de beslissing en kan zijn eigen oordeel omtrent de betwisting niet in de plaats van deze van de derde stellen. De rechter kan alleen de derdenbeslissing marginaal toetsen, zowel formeel als inhoudelijk (zie Zegers, S., "Het beding tot bindende "derden"beslissing (in de verzekeringspolis)", T.B.B.R., 2002, p. 40 e.v.) De formele controle houdt in dat aan een aantal minimumvereisten moet zijn voldaan, nl. de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de derde. Deze worden door IPA niet in vraag gesteld. De inhoudelijke controle houdt in dat de derdenbeslissing niet kennelijk onredelijk of onbillijk is. "Kennelijk" houdt in dat het toetsingsrecht van de rechter slechts "marginaal" kan zijn, dit wil zeggen dat de rechter enkel de beslissing naast zich kan neerleggen, indien geen enkel redelijk persoon, die als derde over het geschil te beslissen heeft, dergelijke beslissing zou kunnen nemen. Het feit dat de rechter van oordeel is dat de beslissing niet correct is of voor kritiek vatbaar is, is onvoldoende. De rechter mag zijn eigen oordeel niet aan de partijen opdringen (zie ook Tilleman, B., "Dading", A.P.R., 2000, p. 12; Caprasse, O., "De la tierce décision obligatoire", J.T., 1999, p. 575, nr. 47; Storme, M.E., "De bindende derdenbeslissing naar Belgisch recht", T.P.R., 1985/3, p. 733). De rechtbank is van oordeel dat de beslissing van de deskundige niet als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd en dat de kritiek, die IPA heeft omtrent de inhoud van het verslag, niet van die aard is dat de rechtbank haar eigen beslissing in de plaats van deze van de deskundige kan stellen.
  11. Doch zelfs al zou het verslag van ir. Declercq niet tegenstelbaar en/of niet bindend zou zijn ten aanzien van IPA, dan nog dient de vordering van IPA beperkt te worden tot de door de deskundige weerhouden bedragen. De omstandigheid dat een eenzijdig technisch advies is verstrekt, neemt niet weg dat het daartoe verrichte onderzoek, de gedane vaststellingen en het advies bestaande feiten zijn, waarin de rechter, als ze door een partij in het geding zijn gebracht en het bewijs door vermoedens toegelaten is, vermoedens kan vinden, welke bewijs kunnen opleveren onder de voorwaarden van art. 1353 B.W. (Cass., 14.9.1984, R.W., 1985-86, 1027). Een eenzijdig expertiseverslag is een voldoende bewijsmiddel, indien het met voldoende ernst en nauwkeurigheid door een gespecialiseerd expert werd uitgevoerd en voldoende waarborgen van objectiviteit biedt (Antwerpen, 20.10.1999, T. Aann., 2000, nr. 4, p. 319; Kh. Hasselt, 21.5.1996, R.W., 1999-2000, 447; Kh. Gent, 27.6.1980, R.W., 1981-82, 2436). De rechtbank sluit zich volledig aan bij het « advies » (mocht het gaan om een advies en geen beslissing) van de deskundige, hier als hernomen te beschouwen. Omtrent de vaststellingen formuleert IPA geen enkele kritiek. Ter staving van haar kritiek verwijst IPA naar de verslagen van ir. SA en het verslag van landmeter C. Deze verslagen waren de deskundige bekend en hij is er uitvoerig op ingegaan. IPA roept geen andere argumenten in dan deze die haar afgevaardigd bestuurder, dhr. VA, reeds tegenover de deskundige heeft gemaakt en de deskundige heeft deze uitvoerig beantwoord en weerlegd. De rechtbank kan daaraan nog toevoegen dat de intussen verlopen periode tussen het verslag (6.5.1998) en heden, alleen maar de visie van de deskundige bevestigt: alhoewel IPA telkens opnieuw in haar besluiten beweert dat de schade in deze periode toegenomen is, maakt zij dit op geen enkele wijze aannemelijk. De vaststelling dat IPA niet aannemelijk maakt dat de schade gedurende deze periode (thans reeds 8,5 jaar) is toegenomen, bevestigt het standpunt van de deskundige dat de kans op een toename van de schade als uiterst miniem moet beschouwd worden. Hij heeft de minwaarde dan ook terecht op 100.000 BEF begroot, als vergoeding voor de minieme kans op toename van de schade. IPA slaagt er niet in om het "advies" van de deskundige te weerleggen, zodat diens advies kan worden aangenomen.
  12. Ter zitting van 2.10.2006 verklaarde de raadsman van IPA dat zij BTW-plichtig is. Zij kan dus geen aanspraak maken op de BTW op de schadevergoeding, aangezien zij deze kan recupereren van de overheid.
  13. IPA kan dan ook aanspraak maken op volgende vergoeding: - herstelkosten: 385.950 BEF, hetzij 9.567,45 EUR - minwaarde: 100.000 BEF, hetzij 2.478,94 EUR 12.046,39 EUR meer de vergoedende rente vanaf 8.10.1998 tot heden en de gerechtelijke rente vanaf heden tot de datum van betaling, dit telkens aan de wettelijke rentevoet. D. Over de grond van de vordering van Dumobil tegen Vangheluwe De rechtbank heeft er reeds op gewezen dat het feit dat Dumobil geen eigenaar van het gebouw is, niet belet dat zij beroep kan doen op art. 1792 en 2270 B.W.. De rechtbank stelt daarentegen wel vast dat Vangheluwe voor het eerst in haar vierde conclusie beweert dat zij de opdracht gekregen heeft van architect B, terwijl zij letterlijk in haar tweede conclusie schreef dat zij de stabiliteitsstudie in opdracht en voor rekening van Dumobil heeft uitgevoerd. In haar laatste besluiten verklaart zij dat zij de opdracht heeft gekregen "via" het architectenbureau B en dat zij haar prestaties heeft gefactureerd aan Dumobil, die deze ook betaald heeft. Dumobil stelt dat er in casu sprake is van een lastgeving. B zou de opdracht aan Vangheluwe in naam en voor rekening van Dumobil gegeven hebben. Vangheluwe spreekt dit niet tegen, zodat dit kan aangenomen worden. Inderdaad dient aangenomen te worden dat, wanneer een architect aan een ingenieur een opdracht geeft om een stabiliteitstudie uit te voeren, met verzoek deze rechtstreeks te factureren aan de bouwheer, hij deze opdracht in naam en voor rekening van de bouwheer geeft. Wanneer de bouwheer deze factuur aanvaardt en betaalt, dan bewijst dit de bekrachtiging van de rechtshandeling in zijn naam en voor zijn rekening. Minstens, wanneer een contract wordt gesloten tussen twee personen, waarbij de prestaties worden gefactureerd aan een derde, en wanneer deze derde de factuur aanvaardt, dan impliceert dit dat de derde tot de overeenkomst tussen de oorspronkelijke contractanten is toegetreden (zie Dirix, E. en Ballon, G.L., "Factuur", 1993, p. 178; Kh. Kortrijk, 4° kamer, 30.12.2002 inzake A.R. nr. 1883/2002, bevestigd door Gent, kamer 7bis, 6.9.2004, inzake A.R. nr. 2003/513, onuitgegeven). Er bestond dus een contractuele relatie tussen Dumobil en Vangheluwe zodat Dumobil zich kan richten tegen Vangheluwe. Ter zitting van 2.10.2006 erkende de raadsman van Vangheluwe dat er een rechtstreekse contractuele band bestond tussen Dumobil en Vangheluwe. (cfr. ook Brussel, 11.3.1988, T. Aann., 1988, p. 318 met goedkeurende noot van E. Dirix; conclusies van advocaat-generaal Krings onder Cass., 3.3.1978, T. Aann., 1981, nr. 4, p. 268 e.v.). Vangheluwe betwist niet dat zij technisch aansprakelijk is voor de schade. De vordering tot betaling, zonder dat Dumobil zou betalen aan IPA is niet gegrond. Daarentegen is de vordering in vrijwaring wel gegrond. E. Uitvoerbaarheid bij voorraad Het vonnis kan uitvoerbaar bij voorraad verklaard worden. Evenwel kan de mogelijkheid tot kantonnement niet worden uitgesloten, omdat dit een recht van de veroordeelde partij is. Het kan slechts worden uitgesloten wanneer de eisende partij aantoont dat vertraging in de betaling haar een ernstig nadeel berokkent (Brussel, 25.4.1997, P & B, 1997, 224; Brussel, 31.1.1990, J.L.M.B., 1990, 994). De eiseres bewijst geen ernstig nadeel. OP DEZE GRONDEN, DE RECHTBANK, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart de vordering van de nv IPA ontvankelijk en in volgende mate gegrond, Veroordeelt de nv Dumobil om aan de nv IPA TWAALFDUIZEND ZESENVEERTIG EURO EN NEGENENDERTIG CENT (12.046,39 EUR) te betalen, meer de vergoedende rente vanaf 8.10.1998 tot heden en de gerechtelijke rente vanaf heden tot de datum van volledige betaling, telkens aan de wettelijke rentevoet; Veroordeelt de bvba Jan Vangheluwe Studiebureau om de nv Dumobil te vrijwaren voor alle bedragen, waartoe de nv Dumobil bij huidig vonnis wordt veroordeeld, zowel in hoofdsom als in rente en kosten; veroordeelt derhalve de bvba Jan Vangheluwe Studiebureau om de nv Dumobil terug te betalen, wat deze laatste aan de nv IPA zou betalen in uitvoering van dit vonnis, zowel in hoofdsom als in rente en gerechtskosten; Veroordeelt de nv IPA tot drie vierden van haar eigen gerechtskosten, Veroordeelt de nv Dumobil tot één vierde van de rechtsplegingsvergoeding van de nv IPA; Veroordeelt de bvba Jan Vangheluwe Studiebureau tot de gerechtskosten van de nv Dumobil en tot haar eigen gerechtskosten; Bepaalt deze kosten volgens de opgave van de partijen:
  14. aan de zijde van de nv IPA: - rechtsplegingsvergoeding: 364,40 EUR
  15. aan de zijde van de nv Dumobil: - dagvaarding en rolstelling: 203,17 EUR - rechtsplegingsvergoeding: 364,40 EUR
  16. aan de zijde van de bvba Jan Vangheluwe Studiebureau: - rechtsplegingsvergoeding: 364,40 EUR Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal, zonder borgstelling. Aldus het vonnis, uitgesproken in openbare terechtzitting van de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk, gerechtsgebouw II, op maandag, zes november tweeduizend en zes; Aanwezig : G. Danneels, ondervoorzitter; D. Coussée, rechter in handelszaken en F. Vankeirsbilck, plaatsvervangend rechter in handelszaken ; V. Soreyn, adjunct-griffier. V. Soreyn F. Vankeirsbilck D. Coussée G. Danneels Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.