← België

ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20061116.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 16 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20061116.11 Rolnummer: AR 993/06 Rechtsgebied: Handelsrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-09-30 Raadplegingen: 161 - laatst gezien 2026-07-02 14:41 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Handelsagentuur SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Handelsvertegenwoordigers Vrije woorden: discussie handelsagent of handelsvertegenwoordiger Tekst van de beslissing Nr. Rep. De Rechtbank van Koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, Provincie West-Vlaanderen, EERSTE KAMER, rechtsprekend: In de zaak nr. 993/06 der algemene rol.- De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AANDRIJFTECHNIEK VANNESTE, met vennootschapszetel te 8800 Roeselare, Industrieweg 70 ; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer 0429.985.657; eiseres, hebbende als raadslieden meesters Bart Adriaens en Wim Devos, beiden advocaat te 8500 Kortrijk, Brugsesteenweg 255 en meesters Pieter Vinckier, Nicolaas Vinckier en Maarten Vinckier, allen advocaat te 8800 Roeselare, Hoogleedsesteenweg 7, pleitend meesters Wim Devos en Nicolaas Vinckier, advocaten voornoemd; tegen : X, wonende te ... ; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer 0...; verweerder, hebbende als raadslieden meesters Gerard Soete en Geert Ampe, beiden advocaat te 8400 Oostende, Kerkstraat 8 bus 1, pleitend meester Gerard Soete, advocaat voornoemd. I. PROCEDURE De zaak werd ingeleid bij dagvaarding, die op 1 maart 2006 op regelmatige wijze werd betekend aan X. Partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in openbare terechtzitting van 19 oktober

  1. Kennis werd genomen van het dossier van de rechtspleging. Partijen hebben elk een stukkenbundel neergelegd. De artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 tot regeling van het taalgebruik in gerechtszaken werden in acht genomen. II. IN FEITE Partijen brengen elk een zeer uitgebreid, doch veelal tegenstrijdig feitenrelaas naar voor. De rechtbank onthoudt in essentie de volgende gegevens. Eiseres is een West-Vlaamse KMO, die sinds haar oprichting in 1987 actief is op de markt van de automatisering van industriële processen. Sinds maart 2000 werd eiseres eveneens actief als distributeur en installateur van zonnepanelen voor het opwekken van elektriciteit. De NV Solar Technics (met zetel te 8800 Roeselare, Moorseelsesteenweg 180) wenste deze activiteit blijkbaar niet langer uit te oefenen, en eiseres van haar kant vertoonde interesse voor de uitwerking van deze activiteit. Eiseres stelt dat zij de activa van de NV Solar Technics overnam. Verweerder was op het ogenblik van de overname door eiseres werkzaam als handelsagent voor de NV Solar Technics. Hij ontwikkelde deze activiteit van handelsagent onder de eigen handelsbenaming "Solar Systems". Verweerder werkte sinds de overname van deze activiteit door eiseres onafgebroken verder; hij oefende dezelfde taken uit als voorheen. Eiseres is echter van oordeel dat verweerder steeds (en dus ook bij haar) als (zelfstandige) handelsagent werkzaam was, terwijl verweerder - sinds de beëindiging van de samenwerking met de NV Solar Technics - stelt steeds als werknemer van eiseres (zijnde onder gezag en toezicht) te hebben gewerkt. De samenwerking (onder welke vorm dan ook) tussen eiseres en verweerder nam een aanvang omstreeks maart van het jaar 2000 en duurde onafgebroken verder tot 21/02/06, zijnde de datum waarop eiseres de overeenkomst beëindigde op basis van art. 19 van de Handelsagentuurwet dd. 13/04/95 (hierna kortweg W.H.A.) (zijnde zonder opzeggingstermijn noch vergoeding). Eiseres nam op 5/12/05 een nieuwe werkneemster in dienst, zijnde Mevrouw Y. Deze dame werd volgens eiseres aangenomen, teneinde verweerder zo veel mogelijk bij te staan bij de administratieve afhandeling van de vele dossiers. Eiseres schreef op 22/12/05 een eerste verwittigingbrief, waarin zij liet verstaan niet langer tevreden te zijn over de manier van samenwerking, en verweerder aanmaande zich te herpakken. Verweerder antwoordde op 13/01/06, en ontkende de verwijten aan zijn adres. Op 11/01/06 volgde een tweede brief van eiseres aan verweerder, waarin verweerder acht specifieke zaken werden verweten, en waarin hij werd aangemaand. Op 30/01/06 volgde nog een aanmaningsbrief van eiseres aan verweerder. De acht punten werden integraal herhaald en uitgewerkt. Verweerder werd aangemaand om al deze punten tegen uiterlijk 13/02/06 aan te pakken. Op 9/02/06 antwoordde verweerder uitgebreid op de diverse aantijgingen aan zijn adres. Ook op 20/02/6 werd nog een antwoordbrief vanwege verweerder verzonden. Op 21/02/06 liet eiseres per deurwaardersexploot de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst betekenen aan verweerder. Eiseres stelt dat zij immers op 14/02/06 (zijnde de dag na haar ultimatum) vaststelde dat verweerder niets had gewijzigd, waardoor elke verdere samenwerking definitief onmogelijk werd. Op 01/03/06 liet eiseres met een aangetekend schrijven de redenen van de beëindiging (in essentie de acht punten) geworden aan verweerder. Eiseres drong aan op afgifte van een aantal zaken, doch stelt deze niet integraal te hebben bekomen. Eiseres vordert in de dagvaarding: - dat voor recht gezegd wordt dat de handelsagentuurovereenkomst die partijen bond, een einde nam op 21/02/06 ingevolge de beëindiging cf. art. 19 W.H.A.; - de veroordeling van verweerder tot afgifte van alle goederen (eigendom van eiseres) die hij in zijn bezit heeft en in elk geval de goederen vermeld op de lijst die is opgenomen in de dagvaarding binnen de drie dagen na betekening van huidig vonnis op straffe van een dwangsom van 50,00 euro per dag vertraging; - de veroordeling van verweerder tot het bezorgen van een overzicht van de lopende zaken binnen de zeven dagen van de betekening van huidig vonnis onder de verbeurte van een dwangsom van 50,00 euro per dag vertraging; - de veroordeling van verweerder tot het betalen van een provisionele schadevergoeding van 1,00 euro uit hoofde van geleden/nog te lijden schade. Verweerder betwist de vordering ten stelligste en vordert vooreerst dat de rechtbank zich onbevoegd zou verklaren en de zaak zou verwijzen naar de arbeidsrechtbank te Kortrijk, aangezien hij van oordeel is dat partijen door een arbeidsovereenkomst verbonden waren. Verweerder stelt dat alle vorderingen van eiseres (o.a. de vordering tot afgifte van goederen) dienen te worden afgewezen als niet-toelaatbaar, niet-ontvankelijk, dan wel volledig ongegrond. Voor zover de rechtbank zich bevoegd verklaart, doch wel van oordeel is dat partijen door een arbeidsovereenkomst gebonden waren, vordert verweerder: - de veroordeling van eiseres om ten voordele van verweerder het naleven van alle sociale verplichtingen na te leven ingevolge de tewerkstelling als werknemer en de veroordeling van eiseres tot betalen van een dwangsom van 2.500,00 euro per dag vertraging indien binnen de acht dagen na uitspraak van huidig vonnis niet alle sociale verplichtingen, verbonden aan het werknemerschap worden nageleefd; - dat voor recht gezegd wordt dat eiseres zonder dringende redenen de arbeidsovereenkomst verbroken heeft en gehouden is tot het betalen van een schadevergoeding gelijk aan 20 maanden brutowedde; - de veroordeling van eiseres tot het betalen van 100.000,00 euro ten provisionele titel wegens het niet vereffenen vanaf het begin van de tewerkstelling van sociale voordelen, vakantiegeld, dertiende maand, enz. ...; - de veroordeling van eiseres tot afgifte - binnen de acht dagen vanaf huidig vonnis - van alles sociale documenten (loonfiche, individuele rekening, C4, sociale documenten i.v.m. vakantiegeld en dertiende maand, ...); - de veroordeling van eiseres tot het betalen van de som van 500.000,00 euro (meer interest vanaf de verbreking) als schadevergoeding wegens het onrechtmatig verbreken van de overeenkomst; - de veroordeling van eiseres tot het betalen van een schadevergoeding van 100.000,00 euro (meer interest) uit hoofde van morele en materiële schade ingevolge het onrechtmatig handelen van eiseres. Voor zover de rechtbank zich bevoegd verklaart, en van oordeel is dat verweerder handelsagent was, vordert verweerder: - dat voor recht gezegd wordt dat de overeenkomst ten onrechte werd beëindigd op basis van art. 19, lid 2 W.H.A. door eiseres; - de veroordeling van eiseres tot het betalen van de som van 500.000,00 euro uit hoofde van onrechtmatige beëindiging, wegens het niet naleven van de voorziene opzeggings- en uitwinningsvergoeding, en alle andere schade zoals morele; - de veroordeling van eiseres wegens achterstallige vergoedingen tot het betalen van de provisionele som van 51.897,80 euro, meer een schadevergoeding van 7.000,00 euro (telkens meer interest); - de veroordeling van eiseres om binnen de acht dagen vanaf de betekening van huidig vonnis aan verweerder een overzicht te verschaffen van alle verschuldigde commissies, zowel deze tijdens de tewerkstelling als voor na het einde van de agentuurovereenkomst afgesloten zaken, op straffe van een dwangsom van 2.500,00 euro per dag dat niet alle opgaven zijn bezorgd of er opgaven zijn die onvolledig zijn; - de veroordeling van eiseres - in afwachting van het verstrekken van alle gegevens - tot een provisie van 25.000,00 euro voor de nog verschuldigde commissies. III. IN RECHTE III.1 Betreffende de bevoegdheid Verweerder stelt dat huidige rechtbank niet bevoegd is, aangezien partijen gebonden waren door een arbeidsovereenkomst (en niet door een handelsagentuurovereenkomst). Verweerder vordert de verwijzing naar de arbeidsrechtbank te Kortrijk. Eiseres is van oordeel dat huidige rechtbank wel bevoegd is. De bevoegdheid van een rechtbank wordt bepaald door het onderwerp van de eis zoals geformuleerd in de inleidende dagvaarding (Cass. 24 september 1979, Arr.Cass. 1979-80, 89). Huidige zaak werd in de dagvaarding aangebracht als een geschil betreffende de relatie tussen een principaal en een handelsagent. Huidige rechtbank acht zich derhalve bevoegd. Dit doet niets af van het feit dat huidige rechtbank (ten gronde) tot de conclusie zou kunnen komen dat partijen gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst, en derhalve de arbeidswetgeving zou dienen toe te passen. III.2 Betreffende de aard van de arbeidsverhouding Eiseres houdt voor dat zij (als principaal) en verweerder (als agent) gebonden waren door een agentuurovereenkomst van onbepaalde duur, die een aanvang nam in maart 2000 en werd beëindigd op 21/02/
  2. Verweerder is thans van oordeel dat hij een arbeidsovereenkomst (handelsvertegenwoordiger) afsloot met eiseres. Partijen sloten geen schriftelijke overeenkomst. De samenwerking tussen eiseres en verweerder nam een aanvang in maart
  3. De taakomschrijving van verweerder is de volgende: het bemiddelen en afsluiten van contracten, de daarmee gepaard gaande administratieve verwerking van gegevens, de technische conceptie van de opdrachten en de opvolging van de uitvoering van de werken. Verweerder stelt dat daaruit blijkt dat hij werknemer was, aangezien hij meer deed dan een handelsagent daar hij onder meer ook technische details uittekende. De materie waarover het in casu gaat (de verkoop en installatie van panelen op zonne-energie) impliceert vooreerst dat de handelsagent technisch perfect op de hoogte is van het product (aangezien hij anders het product niet kan aanbevelen, laat staan verkopen). Het is niet abnormaal dat een agent in deze gespecialiseerde branche ook zelf tekeningen maakt ten behoeve van de klant. Ook het feit dat hij de orders (deels) zelf administratief verwerkte, sluit niet uit dat hij als handelsagent werkte. De rechtbank merkt trouwens op dat de taakomschrijving van een handelsagent en een handelsvertegenwoordiger identiek kan zijn. Het enige verschil tussen beide is het feit dat een werknemer (handelsvertegenwoordiger) onder gezag en toezicht werkt, terwijl dit niet het geval is voor een handelsagent. Art. 4, tweede lid van de Wet van 3 juli 1978 stelt dat "niettegenstaande elke uitdrukkelijke bepaling van de overeenkomst of bij stilzwijgen ervan, wordt de overeenkomst, gesloten tussen opdrachtgever en tussenpersoon, welke ook de benadering zij, beschouwd als een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers, tenzij het tegendeel wordt bewezen". Verweerder stelt derhalve dat eiseres dient te bewijzen dat hij niet onder haar gezag werkte, en dat indien dit bewijs niet geleverd wordt door eiseres de overeenkomst - op basis van het vermoeden in de wet - als een arbeidsovereenkomst dient te worden gekwalificeerd. De draagwijdte van dit vermoeden was het voorwerp van discussies. Wie het statuut van handelsvertegenwoordiger opeist, moet eerst bewijzen dat hij een activiteit van handelsvertegenwoordiger uitoefent, namelijk dat hij cliënteel opspoort en bezoekt met het oog op het onderhandelen en sluiten van zaken voor rekening en in naam van een of meer opdrachtgevers (Leclercq, P., Het statuut van de handelsvertegenwoordigers, sociale praktijkstudies, Kluwer, 2006, 23-36). Dit is in casu wel degelijk het geval. Het gaat om een vermoeden juris tantum. De afwezigheid van een gezagsverhouding kan afgeleid worden uit de samenloop van overeenstemmende aanwijzingen, terwijl er zelfs andere aanwijzingen van een gezagsverhouding aanwezig zijn. Dit blijkt onder meer uit het Cassatie-arrest dd. 22/05/00 (Cass. 22 mei 2000, Arr.Cass., 2000, 961). Verweerder verwijst naar het Cassatie-arrest dd. 17/05/04 waarin werd gesteld: "(...) zolang niet is vastgesteld dat de omstandigheden van werkelijke uitvoering van de overeenkomst de gezagsverhouding uitsluiten, kan een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordiging worden bepaald op grond van het in artikel 4, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet gestelde vermoeden, ook al hadden de partijen een andere bedoeling of hun overeenkomst anders gekwalificeerd of zich bij de uitvoering van de overeenkomst als niet verbonden door een arbeidsovereenkomst geacht." Het hoger aangehaalde Cassatie-arrest van 17/05/04 heeft nuances aangebracht aan dit principe. Volgens dit laatste arrest, moet, wanneer één partij het vermoeden van een contract voor handelsvertegenwoordiger inroept, de andere partij aantonen dat de elementen van de overeenkomst en de uitvoering ervan geenszins verenigbaar zijn met een arbeidsovereenkomst en dat er geen gezagsrelatie bestond (Cass. 17 mei 2004, R.A.B.G., 2004, nr. 20, 1316, noot G. BOGAERT, "Handelsagent of vertegenwoordiger ? Over economische en juridische afhankelijkheid en de bewijslast, 1330 e.v.). Het verschil tussen de arbeidsovereenkomst en de onafhankelijke contractuele relatie, ligt in het al dan niet bestaan van een gezagsrelatie. Volgens art. 1134 B.W. strekken de wettelijk overeengekomen contracten tot wet. Het is dus belangrijk te achterhalen wat de werkelijke wil van de partijen was op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst, en die wil moet worden gerespecteerd. Volgens de meerderheid van de rechtspraak, primeert de kwalificatie die de partijen geven aan hun overeenkomst, met dien verstande dat de rechter die kan aanpassen indien er sprake is van fouten of fraude, of indien de wijze van uitvoering onverenigbaar is met de gegeven kwalificatie. Het Hof van Cassatie heeft herhaaldelijk beslist dat wanneer de elementen die aan diens appreciatie werden voorgelegd niet toelieten om de kwalificatie die de partijen hadden gegeven aan de overeenkomst uit te sluiten de rechter ten gronde die kwalificatie niet mag vervangen door een andere. Uit het arrest dd. 17/05/04 van het Hof van Cassatie blijkt dat de gemeenschappelijke bedoeling van partijen niet op zich volstaat om het wettelijk vermoeden te weerleggen, maar komt het aan de lastgever toe te bewijzen dat er concreet geen gezagsrelatie aanwezig is en dat er feitelijke elementen zijn die het bestaan van een arbeidsovereenkomst uitsluiten. De rechtspraak van het Hof van Cassatie inzake voorrang van de kwalificatie van de overeenkomst, is dus niet toepasselijk op overeenkomsten tussen lastgever en tussenpersoon, rekening houdend met het wettelijk vermoeden. (Leclercq, P., Het statuut van de handelsvertegenwoordigers, Kluwer, 2006, nr. 41 e.v.) Het al dan niet bestaan van een gezagsrelatie is een feitenkwestie, die toekomt aan de soevereine appreciatie van de rechter. In concreto: Het wordt niet betwist dat verweerder - alvorens hij voor eiseres werkte - zelfstandig handelsagent was van de NV Solar Technics. Hij ontwikkelde zijn activiteit van handelsagent onder de benaming "Solar Systems". Verweerder stelt dat hij bij de aanvang van de samenwerking aandrong bij eiseres op een werknemersstatuut, doch tevergeefs, zodat hij als "schijnzelfstandige" diende te werken. Verweerder legt geen enkel bewijs voor van het feit dat hij bij eiseres zou aangedrongen hebben nopens de verwerving van een werknemersstatuut. Verweerder ontkent niet dat hij identiek dezelfde soort werkzaamheden uitvoerde als voorheen (bij NV Solar Technics), en dat hij die werkzaamheden bovendien op identiek dezelfde wijze uitvoerde. Dit betekent dus dat verweerder stelt te hebben gewerkt als zelfstandig handelsagent voor de NV Solar Technics tot maart 2000, daarna identiek dezelfde activiteit op dezelfde wijze te hebben uitgeoefend voor eiseres - doch als werknemer - terwijl er geen enkele verandering plaatsvond t.o.v. de werksituatie bij de NV Solar Technics. Verweerder werkte verder onder zijn eigen handelsnaam "Solar Systems", bleef ingeschreven in het (toenmalige) H.R., deed verder BTW-aangiftes, ... . Verweerder had aanzienlijke vrijheid bij de organisatie van zijn werkzaamheden. De rechtbank leidt dit af uit het feit dat er - in de periode voorafgaand aan de ruzie die tot de beëindiging van de overeenkomst leidde - nimmer verantwoording werd gevraagd door eiseres nopens de tijdsbesteding van verweerder. Verweerder deelde mee wanneer hij verlof nam, en nam ook effectief verlof wanneer hij dit wou. Het feit dat verweerder regelmatig contact hield met eiseres is evident, aangezien anders geen essentiële gegevens kunnen worden doorgegeven betreffende de stand van zaken in de diverse dossiers. In het antwoordschrijven dd. 13/01/06 van verweerder, nadat hij voor het eerst werd terechtgewezen door eiseres, stelt verweerder uitdrukkelijk: "(...) Wanneer U spreekt van een agentuurovereenkomst, is dat niet correct want ik ben op zelfstandige basis afdelingsverantwoordelijke van Solar Technics, die een afdeling is van BVBA ATV (...)." Ook in het antwoordschrijven dd. 9/02/06 van verweerder stelt hij: "(...) Ondanks het feit dat ik op zelfstandige basis de orders onderhandel, wordt ATV wel op de hoogte gesteld van de nodige informatie. (...)" Indien verweerder werkelijk meende dat hij als werknemer tewerkgesteld was, zou hij zekerlijk niet op papier zetten dat hij een eigen afdeling leidde als zelfstandige en op zelfstandige basis werkte. Het is correct dat - eens de raadsman van verweerder tussenkomt - in alle toonaarden wordt ontkend dat verweerder zelfstandige was. Uit het hoger vermelde blijkt echter dat verweerder zelf wel degelijk van oordeel was als zelfstandige te werken. Ook al was er geen schriftelijke overeenkomst, uit het voorgaande blijkt dat beide partijen het erover eens zijn dat verweerder op zelfstandige basis zijn werkzaamheden uitoefende, en niet in het kader van een arbeidsovereenkomst. Uit de hierboven vermelde gegevens leidt de rechtbank af dat de overeenkomst die partijen bond een handelsagentuurovereenkomst was. Alle vorderingen die door verweerder worden ingesteld in de veronderstelling dat de overeenkomst een arbeidsovereenkomst zou zijn, worden derhalve afgewezen als ongegrond. III.3 Betreffende de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst Op 21/02/06 heeft eiseres de handelsagentuurovereenkomst beëindigd zich beroepend op art. 19 W.H.A. Art. 19, lid 2 W.H.A. bepaalt: "Elke partij kan, onverminderd alle schadeloosstellingen, de overeenkomst zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn beëindigen, wanneer uitzonderlijke omstandigheden elke professionele samenwerking tussen de principaal en de handelsagent definitief onmogelijk maken of wanneer de andere partij ernstig tekort komt in haar verplichtingen. (...)" De samenwerking tussen eiseres en verweerder verliep volkomen probleemloos van maart 2000 (aanvang samenwerking) tot eind november 2005, minstens is er niets dat op het tegendeel wijst. Eiseres legt niet één bewijs voor van het feit dat zij ontevreden zou zijn over de manier waarop verweerder zijn activiteit uitoefende in de periode maart 2000-november
  4. Op 22/12/05 richt eiseres een schrijven tot verweerder waarin zij haar ongenoegen uit over de wijze van samenwerking. Eiseres schrijft meer bepaald dat: - zij vaststelt dat de markt recent een ongekende uitbreiding nam waardoor verweerder administratief werd overrompeld; - zij in samenspraak met verweerder een werkneemster aannam om hem administratief te ondersteunen; - hij geen gebruik wil maken van deze ondersteuning; - hij niet bereikbaar is en de orders niet tijdig administratief verwerkt; - verweerder de keuze heeft tussen het aanvaarden van de administratieve ondersteuning door de nieuwe bediende van eiseres en het aanvaarden van een eigen administratieve medewerker. De klacht gaat dus in essentie over het feit dat verweerder - door de grote toename in het werk - administratief overrompeld werd, en daarom dient samen te werken met een administratief bediende. Verweerder antwoordt op 13/01/06 dat hij geenszins administratief overrompeld is. Dit brengt meteen het eigenaardige van deze zaak naar voor. Daar waar het normaal gezien de agent (of de bediende) zou moeten zijn, die klaagt over een te grote werkdruk, is het hier de principaal die stelt dat de agent het (klaarblijkelijk) te druk heeft en dat de agent een (aanzienlijk) deel van zijn takenpakket dient door te schuiven naar een nieuwe administratieve bediende. Verweerder is van oordeel dat hij werkt zoals voorheen, en wou dezelfde functie-inhoud behouden als voorheen. Bovendien stelt verweerder dat de nieuwe bediende niet bekwaam is. Verweerder ontkent dat hij niet (vlot) bereikbaar zou zijn, dat de klanten mistevreden zouden zijn en dat de orders niet tijdig administratief zouden worden verwerkt. Hij geeft gedetailleerd weer waarmee hij op 20/12/05 en op 21/12/05 beroepshalve bezig was, hij ontkent dat er in samenspraak met hem een nieuwe bediende werd aanvaard, enz. ... Inmiddels had eiseres op 11/01/06 reeds een tweede klachtbrief gericht tot verweerder. In deze lange klachtbrief worden een aantal specifieke tekortkomingen aan verweerder verweten, en wordt verweerder aangemaand om:
  5. de markt actief te prospecteren, inclusief de nieuwe markten (mobilhomes, bouw, signalisatie, ...);
  6. een overzicht te verschaffen van de resultaten van de prospectie gedurende het jaareinde en de start van 2006;
  7. op constructieve wijze volledige gegevens betreffende de door hem onderhandelde orders door te geven aan Mevrouw Y;
  8. ATV telkens het wordt gevraagd in te lichten over concrete dossiers, over de markt, over de bestaande reglementering;
  9. zijn aanwezigheid op de markt zo te organiseren dat hij bereikbaar is voor klanten en voor ATV;
  10. mee te delen of hij zijn activiteiten zal organiseren vanuit het kantoor dat hem ter beschikking wordt gesteld, dan wel vanuit een andere locatie;
  11. zich te onthouden van elke negatieve uitlating over ATV;
  12. een overzicht te bezorgen van de eventuele andere zakelijke activiteiten die hij uitoefent. Op 19/01/06 richt eiseres opnieuw een aanmaningsschrijven tot verweerder, waarin hij wordt aangemaand gevolg te geven aan dezelfde acht punten als in het schrijven dd. 11/01/
  13. Op 30/01/06 richt eiseres een laatste aanmaningsschrijven tot verweerder, waarin zij stelt dat verweerder gevolg dient te geven aan (de hierboven reeds opgesomde) acht punten tegen uiterlijk 13/02/
  14. Op 9/02/06 antwoordt verweerder stellende dat alle verwijten die worden gemaakt aan zijn adres volledig ten onrechte zijn. Verweerder reageerde zeer uitgebreid op elk van de acht punten. Het is onbegonnen werk en ook niet nodig het antwoord van verweerder hier in extenso weer te geven, doch het is wel zeer belangrijk te benadrukken dat verweerder de zaken die hem worden verweten niet eenvoudigweg ontkent, maar werkelijk zeer gedetailleerde gegevens naar voor brengt over de data en uren waarop hij werkte, de specifieke dossiers waarmee hij bezig was, de manier waarop hij de markt intensief bewerkte, de relatie met de klanten en met ATV, ... Ook al is de rechtbank niet bij machte de waarachtigheid van vele van de door verweerder aangebrachte gegevens te checken, het is wel essentieel dat eiseres helemaal niet antwoordt op de vele gegevens die verweerder ter zijner verdediging naar voor brengt, en die zekerlijk een antwoord vereisen. Eiseres beëindigt daarentegen op 21/02/06 de samenwerking per deurwaardersexploot. Bij aangetekend schrijven dd. 01/03/06 laat zij de ernstige redenen geworden op basis waarvan zij de overeenkomst beëindigde. Het betreft dezelfde punten als voorheen aangehaald. In concreto: Het valt op dat de eerste klachtenbrief dd. 22/12/05 betrekking had op het feit dat verweerder de administratie, die bij zijn activiteit komt kijken, plots niet meer meester zou kunnen (omwille van de toename van de werkdruk), waardoor eiseres besliste een bediende ter ondersteuning aan te nemen, waarmee verweerder volgens eiseres niet wou samenwerken. M.a.w. HET PROBLEEM volgens de eerste klachtenbrief is de administratie en het gebrek aan samenwerking met Mevrouw Y. Vanaf de tweede brief dd. 11/01/06 heeft eiseres het over veel meer klachten dan de administratieve verwerking alleen. Eiseres stelt eigenlijk dat verweerder NIETS meer goed doet. Zelfs al wordt nu nog aangenomen dat de komst van Mevrouw Y voor verweerder een doorn in het oog was, en de nodige samenwerkingsproblemen veroorzaakte, dan nog is het ongeloofwaardig dat verweerder sinds de komst van Mevrouw Y plots niets meer goed deed. Verweerder antwoordde trouwens zeer uitgebreid en concreet op de acht verwijten die hem worden gemaakt, doch eiseres reageert daar eenvoudigweg niet op. Eiseres verwijt hem bijvoorbeeld dat hij geen nieuwe markten prospecteert. Verweerder antwoordt dat hij de markt prospecteert zoals tevoren, hetgeen trouwens tot zeer goede resultaten leidde. Het is inderdaad mogelijk dat eiseres wenst dat verweerder nieuwe markten prospecteert. Dat is echter iets dat in een goede verstandhouding dient te worden besproken en uitgewerkt tussen de principaal en de agent. Het is niet werkbaar dat een principaal plots in een klachtenbrief meldt dat de agent tegen 13/02/06 uiterlijk (zijnde een termijn van nog geen maand) nieuwe markten dient te prospecteren, en daarvan de nodige bewijzen dient te leveren. Verweerder ontkent dat hij niet vlot bereikbaar was voor eiseres en voor de klanten. Hij stelt tevens dat de administratieve verwerking geen problemen gaf, en dat hij zeker niet werd gecontacteerd nopens de aanwerving van Mevrouw Y. Verweerder ontkent andere zelfstandige activiteiten uit te oefenen, behalve de verkoop ten voordele van de missies (waarvan hij stelt dat eiseres van in den beginnen op de hoogte was). Eiseres antwoordt ook hier niet op. Eiseres stelt dat verweerder dient te kiezen tussen verder werken vanuit het bureau dat hem ter beschikking wordt gesteld of vanuit een andere ruimte. Verweerder stelt dat hij eenvoudigweg wil verder werken zoals vroeger. Ook hierop reageert eiseres niet. Samengevat: Er werd verweerder niets verweten van maart 2000 tot november 2005, waarna hij - volgens eiseres - alles fout deed. In die mate zelfs dat er niet meer diende te worden geantwoord op zijn argumenten, en de overeenkomst zonder opzeggingstermijn of vergoeding werd beëindigd. Wat de klachten, die specifiek te maken hebben met (de samenwerking met) Mevrouw Y, dient te worden opgemerkt dat deze klachten blijkbaar ernstig zijn, doch geen voldoende reden zijn om de samenwerking met verweerder op basis van art. 19, lid 2 W.H.A. te beëindigen. Eiseres bewijst trouwens niet dat verweerder enige hulp wou of nodig had van enige bediende. Een dergelijk intern probleem binnen een bedrijf dient uiteraard te worden aangepakt, doch verschaft de principaal - die radicaal de kant koos van Mevrouw Y (wat haar recht is) - het recht niet om de agent zomaar op straat te zetten. De overeenkomst werd derhalve ten onrechte op basis van art. 19 W.H.A. beëindigd door de principaal. Op de discussie die partijen voeren nopens het al dan niet tijdige aspect van de opzegging dient derhalve niet meer te worden ingegaan. III.4 Betreffende de nog verschuldigde commissies Verweerder vordert de afgifte van een overzicht betreffende de nog verschuldigde commissies onder de verbeurte van een dwangsom van 2.500,00 euro per dag. Verweerder vordert tevens een provisie ten bedrage van 51.897,80 euro uit hoofde van commissies voor januari en februari 2006, alsook een schadevergoeding ten bedrage van 7.000,00 euro. Verweerder vordert tevens een provisie van 25.000,00 euro voor nog verschuldigde commissies. Aanvankelijk vorderde verweerder betaling van de commissies voor de maanden november 2005, december 2005, januari 2006 en februari
  15. Thans blijkt dat eiseres op 29/03/06 overging tot het betalen van een bedrag van 22.468,21 euro, zijnde de commissies voor de maanden november 2005 en december
  16. Verweerder vordert alsnog de commissies voor de maanden januari en februari
  17. Gelet op het feit dat de overeenkomst werd beëindigd op 21/02/06 is eiseres uiteraard commissies verschuldigd tot op deze datum. Niettegenstaande het feit dat partijen zeer uitgebreid concluderen wordt er met geen woord gerept over de wijze waarop de commissies berekend worden. Eiseres is ertoe gehouden een afrekening op te maken voor januari en februari 2006 en de commissies uit te betalen, hetgeen zij blijkbaar nog niet deed. Eiseres stelt dat zij dient over gegevens (klantendossiers) te beschikken die zich bij verweerder bevinden. Het is eigenaardig dat zij blijkbaar wel een afrekening kon maken voor november en december 2005, doch niet voor januari en februari
  18. In de gegeven omstandigheden dringt de aanstelling van een deskundige zich op, teneinde een project van commissie-afrekening voor de maanden januari en februari 2006 op te maken. De door verweerder gevorderde provisie van 25.000,00 euro voor andere nog verschuldigde commissies kan niet worden toegekend. Verweerder duidt niet aan op welke andere commissies hij nog gerechtigd zou zijn (zie ook III.5). Ook de door verweerder gevorderde schadevergoeding van 7.000,00 euro (wegens niet verschaffen van gegevens) kan niet worden toegekend. III.5 Betreffende de commissies cf art. 11 W.H.A. Verweerder stelt eveneens gerechtigd te zijn op commissies voor na het einde van de agentuurovereenkomst afgesloten zaken. Art. 11 W.H.A. vermeldt inderdaad dat de agent onder wel bepaalde voorwaarden aanspraak kan maken op een dergelijk commissieloon, doch het is de agent die het bewijs dient te leveren van het feit dat hij bepaalde specifieke klanten reeds heeft bewerkt. De agent dient deze klanten/projecten specifiek op te noemen. Daarna kan worden nagegaan of er daadwerkelijk overeenkomsten werden gesloten. In casu noemt verweerder geen enkele naam van een klant of project die hij zou hebben bewerkt, en die na de beëindiging van de overeenkomst mogelijks zouden hebben gecontracteerd met eiseres. In de gegeven omstandigheden wordt deze vordering afgewezen als ongegrond. III.6 Betreffende de opzeggingsvergoeding Gelet op de onregelmatige beëindiging van de overeenkomst is verweerder gerechtigd op een opzeggingsvergoeding. Gelet op de duur van de overeenkomst was verweerder gerechtigd op een opzeggingstermijn van zes maanden (maart 2000 tot februari 2006). Indien de vergoeding van de agent geheel of gedeeltelijk uit commissies bestaat (hetgeen in casu het geval blijkt te zijn) dient de vergoeding berekend te worden op basis van het maandelijks gemiddelde van de commissies welke gedurende de 12 maanden voorafgaand aan de beëindiging werden verworven door de agent. Er dient eenvoudigweg te worden berekend op welk bedrag aan commissies verweerder gerechtigd was voor de periode vanaf 21/02/05 t.e.m. 21/02/
  19. De 6/12 van deze som is de opzeggingsvergoeding waarop verweerder gerechtigd is. Partijen discussiëren over het feit of de betaalde commissies, dan wel de commissies waarop verweerder gerechtigd is, dienen in aanmerking te worden genomen. Aangezien verweerder niet aantoont op welke extra commissies hij gerechtigd zou zijn (behalve de commissie voor januari 2006 en voor 1-21 februari 2006 waarop hij uiteraard gerechtigd is) zullen de bedragen die eiseres uitbetaald heeft in de periode 21/02/05 tot en met 31/12/05 overeenstemmen met de commissies waarop verweerder gerechtigd is. III.7 Betreffende de uitwinningsvergoeding Verweerder stelt gerechtigd te zijn op een maximale uitwinningsvergoeding, terwijl eiseres stelt dat dit geenszins het geval is. Uit de wettelijke definitie volgt dat, opdat de agent aanspraak zou kunnen maken op een uitwinningsvergoeding, de volgende voorwaarden cumulatief dienen vervuld te zijn:
  20. de agentuurovereenkomst dient beëindigd te zijn;
  21. er moeten nieuwe klanten zijn aangebracht of de zaken met bestaande klanten moeten aanzienlijk uitgebreid zijn;
  22. de aanbreng van nieuwe klanten of de uitbreiding van de bestaande klanten is te danken aan de agent;
  23. de aangebrachte klanten of de gerealiseerde uitbreiding van de omzet met de bestaande klanten moeten de principaal nog voordelen kunnen opleveren, na de beëindiging van de overeenkomst;
  24. deze voordelen voor de principaal dienen aanzienlijk te zijn. Het wordt niet betwist dat verweerder sinds 1994 als handelsagent van de NV Solar Technics de activiteit uitbouwde onder zijn handelsbenaming "Solar Systems". Hij bouwde het cliënteel op vanaf nul. Na de overname van deze activiteit door eiseres werkte verweerder verder aan de uitbouw van het cliënteel. In de loop van 2005 kon de activiteit enorm worden uitgebreid. Er werd een gat in de markt ontdekt. Er werden van de fabrikanten (onder meer Sharp) meer contingenten voor de Belgische markt bekomen, zodat die contingenten vervolgens voor een groot deel konden doorgespeeld worden naar Duitsland waar een zeer beperkt aantal afnemers de producten kochten. Eigenlijk gaat het hier om een soort doorverkoop, die echter uiterst rendabel bleek te zijn (en te maken had met de Duitse subsidiëringpolitiek en de bestaande contingenten, die een tekort veroorzaakten op de Duitse markt). Eiseres stelt dat zij de Duitse afnemers aanbracht, en niet verweerder. Verweerder daarentegen stelde dat hij die nieuwe afzetmarkt ontdekte en dat hij de onderhandelingen voerde met de Duitse afnemers en de activiteit opvolgde en organiseerde. Aangezien verweerder op alle transacties met deze Duitse afnemers commissies verwierf, is het voor de hand liggend dat hij deze afnemers aangebracht. De commissie die verweerder verwierf op deze "Duitse" transacties zijn zeer aanzienlijk en, het is dan ook weinig waarschijnlijk dat eiseres spontaan dergelijke grote commissies zou betalen aan verweerder indien hij het cliënteel niet aanbracht. Wat het overige door verweerder aangebracht cliënteel betreft, stelt eiseres dat het cliënteel niet recurrent is, aangezien het product (de zonnepanelen) een levensduur heeft van 25 jaar. Ook al is de levensduur van het product aanzienlijk, een tevreden klant kan steeds beslissing tot een extra installatie (in zijn bedrijf of privé) over te gaan. Het bestaande en door verweerder aangebrachte cliënteel kan dus nog wel degelijk aanzienlijke voordelen opleveren voor eiseres. Bovendien dient te worden benadrukt dat - binnen het bedrijf van eiseres - enkel verweerder bezig was met deze activiteit. Wat wel correct is, is dat het zeer grote zakencijfer dat wordt gerealiseerd door de Duitse afname waarschijnlijk weer zal wegvallen eens de Duitse maatregelen gewijzigd worden. Er zullen zich mogelijks gelijkaardige opportuniteiten bieden in andere landen; Spanje, Marokko, Tunesië, het Midden-Oosten, ... worden genoemd door verweerder. Doch deze markten zullen dan desgevallend dienen te worden bewerkt door eiseres. Eiseres stelt verder dat verweerder reeds ten tijde van de overeenkomst een concurrerende activiteit uitoefende, doch zij bewijst dit niet. Wat verweerder niet betwist is dat hij onmiddellijk na de beëindiging van de overeenkomst een concurrerende werkzaamheid startte onder de bestaande handelsnaam, en verschillende klanten van eiseres aanschreef. De vermelding op de internetsite kan inderdaad dateren van na de beëindiging van de overeenkomst. Na de beëindiging was verweerder actief als tekenbureau (ontwerper); hij diende wel beroep te doen op een andere firma (zoals eiseres) voor het leveren van het product. Rekening houdend met alle specifieke omstandigheden van deze zaak is de rechtbank van oordeel dat verweerder gerechtigd is op een uitwinningsvergoeding, die overeenstemt met 6 maanden vergoeding berekend op basis van het gemiddelde van de vijf voorafgaande jaren. III.8 Betreffende de door verweerder gevorderde extra vergoeding Voor zover de agent recht heeft op een uitwinningsvergoeding en het bedrag van deze vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig vergoedt, kan hij mits hij de werkelijke omvang van de door hem gelden schade bewijst, een bijkomende schadevergoeding vorderen ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van de uitwinningsvergoeding. De agent dient niet alleen de omvang van de kosten te bewijzen, maat tevens het causaal verband tussen deze schade en de beëindiging van de agentuurovereenkomst. Het moet gaan om kosten die de agent ingevolge de agentuurovereenkomst verplicht was op zich te nemen. Verweerder toont niet aan dergelijke kosten te hebben gemaakt. III.9 Betreffende de vordering van eiseres tot het geven van een overzicht van de lopende zaken Eiseres vordert dat verweerder een overzicht zou verschaffen van de lopende zaken. Dit moet verweerder zeker kunnen verschaffen. Hij was met bepaalde zaken bezig en eiseres heeft het recht te weten met welke zaken. Op de brief dd. 22/02/06 waarin eiseres teruggave vraagt van de lopende zaken heeft verweerder genoteerd: "ben dit niet van plan, zeker niet pro deo" (stuk I, 14 van verweerder). Verweerder wordt derhalve veroordeeld tot het verschaffen van een overzicht van de lopende zaken binnen de 30 dagen na betekening van huidig vonnis. Bij gebreke aan afgifte aan eiseres binnen deze termijn, zal een dwangsom verbeuren van 50,00 euro per dag vertraging vanaf de 31ste dag. III.10 Betreffende de teruggave van goederen en dossiers Het overgrote deel van de goederen werd op 8/03/06 terugbezorgd aan eiseres. Er werd door verweerder een lijst (zie stuk A11 van eiseres) opgemaakt van wat hij terugbezorgde; deze lijst werd ondertekend door beide partijen. De lijst met terugbezorgde goederen is uitgebreider dan hetgeen door eiseres (zie stuk I, 14 verweerder) werd gevorderd, doch er zijn ook een aantal zaken die eiseres vermeldde, die niet op de lijst van verweerder voorkomen. Het gaat om een zeer beperkt aantal goederen, waarvan verweerder stelt ze niet in zijn bezit te hebben. Wat betreft de dossiers werd er vermeld door eiseres dat er geen enkel dossier werd terugbezorgd. Verweerder stelt dat alle dossier zich bij eiseres bevinden, zodat hij geen dossiers kan teruggeven. Gelet op het feit dat eiseres niet aantoont dat verweerder effectief nog goederen/dossiers bij zich heeft, kan geen bevel tot afgifte (onder de verbeurte van een dwangsom) worden gegeven. III.11 Betreffende de door eiseres gevorderde schadevergoeding Eiseres vordert een provisionele schadevergoeding van 1,00 euro. Zij wenst tevens dat haar voorbehoud wordt verleend teneinde de geleden en te lijden schade concreet te kunnen begroten. Eiseres toont niet aan waaruit de schade zou bestaan. Het gevorderde kan niet worden toegekend. III.12 Betreffende de uitvoerbaarheid bij voorraad Eiseres vordert de uitvoerbaar verklaring bij voorraad, zonder borgstelling en met uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement. Eiseres werd echter grotendeels in het ongelijk gesteld. De mogelijkheid tot kantonnement is een recht van de veroordeelde partij; er zijn geen redenen om het vermogen tot kantonnement uit te sluiten. OM DEZE REDENEN, De rechtbank, Beslissend op tegenspraak, Gelet op de artikelen 2 en volgende van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Verklaart zich bevoegd. Zegt voor recht dat partijen gebonden waren door een handelsagentuurovereenkomst die op 21/02/06 door eiseres (principaal) werd beëindigd; Zegt voor recht dat eiseres de overeenkomst ten onrechte op basis van art. 19 W.H.A. beëindigde. Zegt voor recht dat verweerder gerechtigd is op het gebruikelijke commissieloon voor januari 2006 en voor de periode van 1 t.e.m. 21/02/
  25. Zegt voor recht dat verweerder gerechtigd is op een opzeggingsvergoeding (6 maanden), alsook op een uitwinningsvergoeding (6 maanden). Wijst al het overige gevorderde door verweerder af als ongegrond. Veroordeelt verweerder tot afgifte van een overzicht betreffende de lopende zaken binnen de 30 dagen na betekening van huidig vonnis, onder de verbeurte van een dwangsom van 50,00 euro per dag vertraging vanaf de 31ste dag. Wijst al het overige gevorderde door eiseres af als ongegrond. Alvorens verder te oordelen nopens de exacte hoegrootheid van de commissies voor januari 2006 en 1-21 februari 2006, de hoegrootheid van de opzeggingsvergoeding en de hoegrootheid van de uitwinningsvergoeding: Stelt Mevrouw Estella Verschueren, revisor, Dorp West 8, 9080 Lochristi (tel. : 09/353.70.65 fax : 09/353.70.61), aan als deskundige met de opdracht: de rechtbank onverwijld in kennis stellen van de aanvaarding van haar opdracht; alle partijen en hun raadslieden op te roepen, zich alle stukken van partijen te laten overhandigen, en alle nodige inlichtingen in te winnen; zo nodig ter plaatse te gaan bij eiseres te 8800 Roeselare, Industrieweg 70; de rechtbank te adviseren nopens de hoegrootheid van de door eiseres verschuldigde commissies voor de maand januari 2006 en voor de periode 1 t.e.m. 21/02/06; de rechtbank te adviseren nopens de hoegrootheid van de door eiseres verschuldigde opzeggingsvergoeding (6 maanden); de rechtbank te adviseren nopens de hoegrootheid van de door eiseres verschuldigde uitwinningsvergoeding (6 maanden); Alle nuttige inlichtingen in te winnen bij de daartoe bevoegde personen, met vermelding van hun identiteit en hun bevindingen, en haar oordeel daarover uit te spreken, nadat partijen zich op voorhand akkoord verklaarden met de persoon van de door de gerechtsdeskundige voorgestelde specialist-deskundige; Een poging tot verzoening te ondernemen. Binnen de 8 dagen na kennis te hebben gekregen van haar opdracht, zal de deskundige per brief aan de rechtbank en aan partijen en hun raadslieden kennis geven van plaats, dag en uur waarop zij de werkzaamheden zal aanvangen; zij zal de partijen oproepen om aanwezig te zijn bij alle verrichtingen van het onderzoek, tenzij ze haar daarvan ontslaan; De deskundige zal van haar verrichtingen, in het Nederlands, een verslag opmaken en onderaan zal zij haar handtekening laten voorafgaan door de eed: "Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk heb vervuld." De deskundige zal haar verslag moeten indienen binnen de zes maanden na aanvaarding van haar opdracht; Indien het verslag niet kan worden ingediend binnen deze termijn of binnen de termijn door partijen toegestaan, is de deskundige ertoe gehouden de rechtbank bij een met redenen omkleed verzoek om verlenging te verzoeken ; zij zendt een afschrift van dit schrijven naar de partijen en hun raadslieden. Vooraleer het verslag neer te leggen, zal zij het ontwerp ervan meedelen aan partijen en hun raadslieden, om deze toe te laten binnen een redelijke termijn, door de deskundige te bepalen, hun gebeurlijke opmerkingen te laten gelden; de deskundige zal deze opmerkingen optekenen en beantwoorden. Dit alles conform de artikelen 962 e.v. Ger.W. Zegt voor recht dat de deskundige door elke partij voor de helft dient te worden geprovisioneerd. Houdt de beslissing omtrent de kosten aan. Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts elk verhaal en zonder borgstelling. Aldus het vonnis, uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in buitengewone openbare terechtzitting op ZESTIEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ZES. Aanwezig: B. De Fleur, toegevoegd rechter ; J. Decorte en P. De Smet, rechters in handelszaken ; N. Bostoen, griffier. N. Bostoen P. De Smet J. Decorte B. De Fleur Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.