← België

ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20061120.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 20 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20061120.7 Rolnummer: AR 3133/04 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2007-11-23 Raadplegingen: 142 - laatst gezien 2026-07-02 14:42 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Modaliteiten - Voorwaardelijke verbintenis - Opschortende voorwaarde HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BIJZONDERE HANDELSOVEREENKOMSTEN - Financieringshuur - leasing Vrije woorden: verbintenis inspanningsverbintenis Tekst van de beslissing Nr. Rep. De Rechtbank van Koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, Provincie West-Vlaanderen, VIERDE KAMER, rechtsprekend: In de zaak nr. 03133/04 der algemene rol naamloze vennootschap "MC THREE CARPETS", met maatschappelijke zetel te 8790 Waregem, Mannebeekstraat 6, met ondernemingsnummer 0436.692.515, eiseres, hebbende als raadslieden meesters B. Leterme en D. Clarysse, advocaten te Kortrijk, tegen: besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "D.W.-PROJECTS", in vereffening, met maatschappelijke zetel te 8720 Dentergem-Wakken, Molenstraat 45/A, met ondernemingsnummer 0458.170.194, verweerster, niet langer verschijnende, en: de heer W, bedrijfsleider, en zijn echtgenote mevrouw V, bediende, samenwonende te 8780 Oostrozebeke, Tieltsesteenweg 48, vrijwillig tussenkomende partijen, hebbende als raadsman meester E. Debusschere, advocaat te Kortrijk. De rechtbank heeft de eiseres en de vrijwillig tussenkomende partijen gehoord in openbare zitting en heeft kennis genomen van de stukken en besluiten. Toepassing werd gemaakt van art. 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. FEITEN EN VORDERINGEN Met onderhandse verkoopovereenkomst dd. 14.11.2003 verkocht de nv MC Three Carpets (hierna verder aangeduid als de "eiseres") aan de bvba D.W.-Projects (hierna als de "verweerster" aangeduid) een bedrijfsgebouw met aanhorigheden, gelegen te Waregem, Jan Borluutstraat 38, onder de opschortende voorwaarde "dat de koper zijn financiering bij de bank krijgt tot aankoop van het gebouw." De verkoopprijs bedroeg 1.500.000,00 EUR. Een voorschot van 150.000,00 EUR diende betaald te worden binnen de maand. Het saldo diende betaald te worden op het ogenblik van het verlijden van de authentieke akte, zijnde uiterlijk op 29.2.

  1. Met brief van 23.2.2004 meldde de verweerster aan de eiseres dat, ondanks haar herhaalde pogingen, zij er niet in was geslaagd een krediet te bekomen van de gevraagde banken. Zij voegde daarbij een brief dd. 20.2.2004 van Fortis Bank, waarin deze meldde niet te kunnen ingaan op het verzoek van de verweerster tot financiering van de grond en de gebouwen voor een bedrag van 1.735.000,00 EUR. Met brief van 16.3.2004 antwoordde de eiseres dat zij de indruk had dat de verweerster afhaakte omdat zij van een makelaar had vernomen dat de verweerster een nieuwe handelspartner had, die bezwaren had tegen de aankoop. Met brief van 17.3.2004 antwoordde de verweerster dat de bank weigerde omdat zij niet in staat was de nodige garanties te geven. Zij betwistte dat zij om andere redenen afhaakte. Wat de nieuwe handelspartner betreft, stelde zij dat zij "tot op heden de zaakvoering volledig zelfstandig" uitoefende. Met brief dd. 24.3.2004 herhaalde de eiseres haar twijfels. Vervolgens werd een afspraak gemaakt voor een bespreking op 6.4.
  2. Zonder vooraf te verwittigen, was de verweerster niet aanwezig op de afspraak. Later verontschuldigde de verweerster zich, o.a. stellende dat er andere prioritaire zaken waren. Met brief van 28.4.2004 drong de eiseres nogmaals aan op een bespreking. De verweerster ging niet op dit verzoek in. Met brief van 3.5.2004 hernam zij letterlijk de inhoud van haar brief van 17.3.
  3. De eiseres bleef aandringen op een bespreking, evenwel zonder resultaat. Met brief van 9.8.2004 stelde de raadsman van de eiseres de verweerster in gebreke tot uitvoering van de overeenkomst. Met brief van 11.8.2004 volhardde de verweerster in haar standpunt. Met dagvaarding dd. 17.8.2004 vordert de eiseres de veroordeling van de verweerster tot betaling van 150.000,00 EUR, meer de wettelijke rente vanaf 9.8.2004 en de gerechtelijke rente vanaf 17.8.2004 tot de datum van uiteindelijke betaling, en meer de gerechtskosten, dit alles bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder kantonnement. In haar besluiten meldt de eiseres eveneens dat zij gerechtigd is de ontbinding van de overeenkomst te vorderen. Met verzoekschrift, neergelegd op 6.10.2006, kwamen dhr. en mevr. W-Vvrijwillig in de procedure tussen, omdat zij ingevolge de overname van de aandelen in de verweerster, de rechten en plichten van de verweerster met betrekking tot het huidige geschil hebben overgenomen. Ter zitting van 23.10.2006 verklaarde de raadsman van de eiseres dat de eiseres haar vordering niet uitbreidt tegen de vrijwillig tussenkomende partijen. Hij vroeg tevens vonnis tegen de niet-verschijnende verweerster. KORTE SAMENVATTING VAN DE STANDPUNTEN Beide partijen zijn het erover eens dat de verkoopovereenkomst is gesloten onder de opschortende voorwaarde dat de verweerster een financiering zou bekomen. De eiseres is van mening dat de verweerster onvoldoende inspanningen heeft geleverd om een krediet te bekomen. Zij stelt vast dat de verweerster bij 4 banken heeft geïnformeerd. Betreffende twee van deze banken ligt geen weigering voor. De weigering van een vierde bank, Delta Lloyd, dateert van meer dan een maand na het ogenblik, waarop de akte diende verleden te zijn. Zij wijst er op dat het niet geweten is welke vragen de verweerster aan Delta Loyd gesteld heeft en/of welke gegevens zij heeft bezorgd. Ook stelt zij vast dat steeds een krediet werd gevraagd voor een hoger bedrag dan het bedrag van de verkoopprijs, nl. voor 1.735.000,00 EUR terwijl de verkoopprijs 1.500.000,00 EUR bedroeg. De eiseres stelt vast dat de verweerster weliswaar stappen had ondernomen om te verhuizen, doch zij voegt er aan toe dat de verweerster in diezelfde periode ook onderhandelingen had gevoerd om samen te gaan met de Machinegroep Matthys, die net een nieuwe productiehal had opgericht. De verweerster meent dat zij zich enkel moest richten tot haar eigen bankier. Zij leidt dit af uit de wijze waarop de voorwaarde is geformuleerd en zij verwijst naar een arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 21.2.
  4. Zij beweert dat zij een gedetailleerde kredietaanvraag heeft ingediend bij vier banken, die zich allen terugtrokken. Subsidiair acht de verweerster de schadevergoeding overdreven. Zij argumenteert dat de eiseres geen schade bewijst, dat zijzelf reeds alle kosten betaald heeft, dat de eiseres voordeel heeft bij een niet-uitvoering en dat er rechtsmisbruik is. BEOORDELING Wanneer in een overeenkomst een verbintenis onder opschortende voorwaarde(n) werd aangegaan, bestaat de overeenkomst hangende de voorwaarde(n), vanaf haar totstandkoming (Cornelis, L., "Algemene theorie van de verbintenis", nr. 161; Kruithof, R. e.a., "Overzicht van rechtspraak (1981-1992). Verbintenissen", T.P.R., 1994, p. 208, nr. 24). Zolang er nog geen duidelijkheid is over de verwezenlijking van de voorwaarde, mag de schuldenaar de verwezenlijking van de voorwaarde niet verhinderen, op straffe waarvan de voorwaarden als vervuld worden beschouwd (art. 1178 B.W.). Aangezien de overeenkomst reeds bestaat, moet de schuldenaar de normale inspanningen doen om de verwezenlijking van de voorwaarden te bevorderen: het referentiecriterium is het gedrag van een normaal voorzichtig en redelijk schuldenaar in dezelfde omstandigheden. Het gaat om een inspannings-verbintenis en niet om een resultaatsverbintenis. Een niet-opzettelijke fout, een nalatigheid volstaat (Cornelis, L., o.c., nr. 162; Van Quickenborne, M., "Voorwaardelijke verbintenissen", p. 113, nr. 151). De koper is dus verplicht redelijke inspanningen te leveren om een krediet te bekomen bij een bankinstelling. Weigert zijn eigen bank, dan dient hij ook pogingen te doen bij andere banken (Dirix, E. en Van Oevelen, A., "Kroniek van het verbintenissenrecht" (1985-1992)", R.W., 1992-93, p. 1256, nr. 86, met verwijzing naar rechtspraak: Gent, 28.6.1984, T.B.H., 1985, 209 - Luik, 30.1.1990, J.L.M.B., 1990, 1234 - Kh. Kortrijk, 26.11.1987, T.B.H., 1988, 811). Nog afgezien van de vraag wie de bewijslast draagt (hetzij de verkoper, die moet bewijzen dat de koper onvoldoende inspanningen heeft geleverd, hetzij de koper, die moet bewijzen voldoende inspanningen te hebben geleverd (zie voor dit laatste standpunt: Gent, 1° kamer, 29.9.2000, A.R. nr. 2000/819)), dient elke partij, ook degene, die principieel niet de bewijslast draagt, mee te werken aan de bewijslevering. Uit het feit dat een partij er niet in slaagt de nodige stavingstukken voor te leggen betreffende door hem beweerde feiten, waaromtrent hij de meest geschikte persoon is deze aan te tonen, kan de rechter het bewijs van het tegendeel afleiden. Dit is voornamelijk het geval inzake de bewijslevering van negatieve feiten, in casu het bewijs dat de koper onvoldoende inspanningen heeft geleverd. Vanzelfsprekend is de koper het best geplaatst aan te tonen welke inspanningen hij heeft geleverd om een lening te bekomen. Rekening houdend met alle voorgelegde stukken, is de rechtbank van oordeel dat de verweerster onvoldoende inspanningen heeft geleverd om een financiering te bekomen. Weliswaar legt zij de weigering van twee banken voor, nl. haar eigen bankier en Delta Lloyd, doch deze weigeringen zijn onvoldoende om aan te nemen dat de verweerster voldoende inspanningen heeft geleverd om een financiering te bekomen.
  5. Ten onrechte argumenteert de verweerster dat het volstond enkel een kredietaanvraag bij haar eigen huisbankier te doen, verwijzende naar de bepaling "zijn financiering bij de bank" in de opschortende voorwaarde. Er wordt daarin niet verwezen naar de eigen bank, zijnde Fortis. Mocht het hebben volstaan zich enkel te richten tot de eigen bank, dan had het volstaan enkel de naam van "Fortis" in de clausule te vermelden. Dat dit argument elke geloofwaardigheid mist blijkt ook uit: - het feit dat de verweerster dit pas voor het eerst in haar tweede besluiten inriep; zelfs in haar brief van 23.2.2004 heeft zij het over de "gevraagde banken, zelfs niet van onze huisbankier"; zij was er zich dus bewust van dat zij zich ook diende te informeren bij andere banken; - dit strijdig is met haar eigen houding, aangezien zij kort na het sluiten van de overeenkomst contacten heeft gehad met ING en KBC.
  6. Zij legt naast voormelde beslissingen ook stukken voor waaruit blijkt dat er besprekingen met ING zijn gevoerd. Opvallend is dat de verweerster, niettegenstaande daarop te zijn gewezen door de eiseres, de beslissing van ING niet voorlegt. Dat ING zou geweigerd hebben is dus niet bewezen. Het is bovendien niet uitgesloten dat ING akkoord was met een krediet onder bepaalde voorwaarden en dat de verweerster ten onrechte weigerde deze voorwaarden te aanvaarden.
  7. De verweerster heeft zich ook gericht tot de KBC Bank, doch uit de stukken blijkt niet dat daarbij onderhandeld werd over een andere financieringsvorm dan een onroerende leasing. Zie brief van de KBC dd. 9.12.2003: "De BVBA DW Projects wenst dit gebouw te financieren dmv onroerende leasing." KBC heeft daartoe een voorstel gedaan, doch om onbekende redenen is de verweerster niet ingegaan op dit voorstel. Waarom is er enkel onderhandeld over een onroerende leasing en waarom heeft de verweerster dit voorstel niet aanvaard? Weliswaar legt de verweerster nog een brief dd. 16.12.2003 aan KBC voor (dus na het voorstel van KBC), waarin zij mogelijkheden en voorstellen vraagt in verband met een bijkomende financiering voor machines en kantoren, doch het blijkt niet dat betreffende het onroerend goed nog onderhandeld werd over andere financieringsmogelijkheden. Hoe KBC Bank gereageerd heeft op de bijkomende kredietaanvraag wordt door de verweerster ook niet meegedeeld. Hoe dan ook ligt opnieuw betreffende de KBC geen weigering voor.
  8. Er ligt nog een weigering van Delta Lloyd dd. 2.4.2004 voor, doch wat reeds opvalt is dat deze is opgesteld nadat er reeds lang discussie was over het bekomen van de kredieten en ook ruimschoots nadat de termijn om de authentieke akte te verlijden, verstreken was (29.2.2004). De compromis is ondertekend op 14.11.2003 en als uiterste datum voor het verlijden van de authentieke akte werd 29.2.2004 opgegeven. De brief van Delta Lloyd dateert van meer dan een maand later, toen reeds duidelijk was dat de verweerster de overeenkomst niet meer zou uitvoeren (zie haar brieven dd. 23.2.2004, 17.3.2004). De beslissing van Delta Lloyd kan dus geen rol hebben gespeeld bij de beslissing de koop niet te laten doorgaan. Het zou de rechtbank niet verwonderen dat deze brief slechts opgesteld werd als complaisancestuk, zonder dat daaraan een geloofwaardige inspanning voorafging. Dit is des te meer het geval nu de verweerster de brief, waarbij zij het krediet aanvroeg, niet voorlegt, zodat het niet mogelijk is na te gaan wanneer de kredietaanvraag is gedaan en wat zij specifiek heeft gevraagd. Wanneer een afwijzing van een aanvraag tot financiering wordt voorgelegd, zonder voorlegging van de aanvraag zelf, kan dit niet gelden als een voldoende inspanning (Gent, 14° kamer, 20.4.1999, AR. nr. 97.1748, onuitgegeven).
  9. Trouwens volstaat het niet zonder meer een financiering te vragen. Er dient ook ernstig onderhandeld te worden over de voorwaarden, waaronder het verlenen van zekerheden (zakelijke zekerheden en/of persoonlijke zekerheden via derden). Het aangaan van een lening voor de financiering van de aankoop van een onroerend goed impliceert in normale omstandigheden dat de financiële instelling zekerheden wenst. Dit is voorzienbaar. Tenzij anders bedongen, behoort het dus tot de normale verplichting van de koper van een onroerend goed voldoende zekerheden aan te bieden. Uit geen enkel stuk blijkt dat er onderhandeld werd over voldoende zekerheden.
  10. Het ontgaat de rechtbank bovendien niet dat de verweerster tot het ogenblik waarop zij gedagvaard werd, slechts één weigering (van haar eigen bank) had voorgelegd en, niettegenstaande de vele pogingen van de eiseres om de zaak te bespreken, geen enkele brief voorlegde, waaruit bleek dat zij zich nog tot andere banken had gericht of dat andere banken de financiering hadden geweigerd. Dit wijst er op dat er vanwege KBC en ING geen weigeringen waren. Eveneens kan ook vastgesteld worden dat, behalve ten aanzien van Delta Lloyd, de verweerster kredietaanvragen deed voor een hoger bedrag dan het aankoopbedrag. Er werden kredieten aangevraagd voor een bedrag van 1.735.000,00 EUR aan Fortis, KBC, ING. Het is niet uitgesloten dat dit een rol gespeeld heeft bij de weigering van de banken (voor zover deze zouden bewezen zijn, quod non ten aanzien van KBC en ING). Ten slotte valt het de rechtbank ook op dat de verweerster weigerde in te gaan op de voorstellen van de eiseres om de zaak te bespreken en om de gevraagde uitleg te verschaffen. Een afspraak om de zaak te bespreken werd niet nagekomen en de verweerster negeerde verdere verzoeken van de eiseres om de zaak te bespreken. Blijkbaar wenste de verweerster elke discussie te vermijden. Dit strookt niet met de houding van een partij, die ervan overtuigd is alle nodige inspanningen te hebben gedaan om een krediet te bekomen.
  11. De stappen, die de verweerster heeft genomen om een mogelijke verhuis te regelen tonen niet aan dat zij alle nodige inspanningen heeft geleverd om een krediet te bekomen. De stukken dienaangaande hebben niets te maken met het bekomen van een krediet.
  12. Dat de eiseres de verweerster niet in gebreke stelde om het voorschot te betalen illustreert enkel dat de verweerster nog minstens tijd kreeg tot het ogenblik waarop de authentieke akte diende verleden te worden om een financiering te bekomen. Vandaar ook dat het slechts kort voor het verstrijken van deze termijn was, dat de verweerster meedeelde dat zij geen financiering kon bekomen.
  13. Ten slotte kan geen vergelijking gemaakt worden met de omstandigheden, die aanleiding hebben gegeven tot het arrest van het hof van beroep te Gent dd. 21.2.2003: daarin ging het om een verkoopovereenkomst betreffende een onroerend goed, waarbij werd bepaald dat de authentieke akte moest verleden worden binnen de 30 dagen na het afsluiten van de onderhandse akte. Deze beperkte periode had tot gevolg dat het Hof oordeelde dat van de koper niet kon verwacht worden dat hij beroep deed op andere banken dan zijn eigen bank, die de financiering weigerde. Hier verliepen er 3,5 maanden tussen compromis en de uiterste datum voor het verlijden van de authentieke akte. Betreffende deze periode blijkt dat de verweerster bij drie banken een kredietaanvraag heeft gedaan en dat slechts één bank heeft geweigerd. Derhalve moet besloten worden dat de voorwaarde moet worden geacht te zijn vervuld, zodat er een definitieve verbintenis tot aankoop in hoofde van de verweerster bestond. De eiseres heeft de keuze hetzij de ontbinding van de overeenkomst, hetzij de uitvoering in natura te vorderen. Alhoewel de eiseres in het beschikkend deel van de dagvaarding en de besluiten niet expliciet de ontbinding van de overeenkomst ten nadele van de verweerster vordert, moet toch aangenomen worden dat zij dit vordert aangezien zij in het motiverend deel van haar besluiten het volgende schrijft: "De schuldeiser kan aldus de ontbinding van de overeenkomst vragen alsook de veroordeling van de schuldenaar tot een schadevergoeding. Dit was ten andere ook zo voorzien in artikel 8 van de onderhandse overeenkomst (zie stuk nr. 1 van concluante)." Deze vordering is dus gegrond. * * * Vervolgens is er nog discussie over het bedrag. De verweerster betwist het bedrag. De betwisting is ongegrond. De onderhandse akte bevat een schadebeding, dat bepaalt dat de verkoper het betaalde voorschot, beperkt tot 15 %, kan behouden, en dat de koper bovendien de betaling van de gemaakte kosten verschuldigd is. In werkelijkheid was het verschuldigde voorschot beperkt tot 10 %. De eiseres beperkt haar vordering tot dit bedrag. Het gaat hier niet om de gemaakte kosten, die afzonderlijk verschuldigd zijn, doch wel om een potentiële derving van de winst. Artikel 1231 § 1 B.W. bepaalt dat de rechter, ambtshalve of op verzoek van de schuldenaar, de straf die bestaat in het betalen van een bepaalde geldsom kan verminderen, wanneer die som kennelijk het bedrag te boven gaat dat de partijen konden vaststellen om de schade wegens de niet-uitvoering van de overeenkomst te vergoeden. Het gaat hier niet om de reële schade, maar wel om de potentiële schade, die de partijen op het ogenblik van de contractsluiting konden voorzien, indien de overeenkomst niet zou worden uitgevoerd. In casu gaat het bijvoorbeeld om de mogelijkheid dat, indien de eiseres alsnog tot verkoop zou wensen over te gaan, zij niet in staat zou zijn meer dan 1.350.000,00 EUR te bekomen. De verweerster bewijst niet dat dit niet realistisch zou zijn en de eiseres hoe dan ook een hoger bedrag zou kunnen bekomen. Het is niet omdat de verweerster bereid was 1.500.000,00 EUR te betalen, mits zij een financiering kon bekomen, dat ook andere kandidaten bereid zouden zijn dit bedrag te betalen. Daarnaast is er nog het renteverlies, erin bestaande dat de eiseres niet kan beschikken over de rente tussen het ogenblik waarop zij betaling kon verwachten (uiterlijk 29.2.2004) en het ogenblik waarop betaling van de nieuwe koper kon verwacht worden. De eiseres moet derhalve geen reële schade bewijzen. De verweerster bewijst evenmin dat de eiseres rechtsmisbruik zou plegen. Een schadevergoeding van 10 % van de verkoopprijs van een onroerend goed is dan ook niet overdreven (Kh. Kortrijk, 2° kamer, 14.3.2000, inzake A.R. nr. A/99/00035, bevestigd door Gent, 19° kamer, 22.3.2001, inzake A.R. nr. 2000/1220) * * * De verweerster verzet er zich niet tegen dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Meer nog, zij vraagt zelf dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard wordt. Het vonnis kan derhalve uitvoerbaar bij voorraad verklaard worden. Evenwel kan de mogelijkheid tot kantonnement niet worden uitgesloten, omdat dit een recht van de veroordeelde partij is. Het kan slechts worden uitgesloten wanneer de eisende partij aantoont dat vertraging in de betaling haar een ernstig nadeel berokkent (Brussel, 25.4.1997, P & B, 1997, 224; Brussel, 31.1.1990, J.L.M.B., 1990, 994). De eiseres bewijst geen ernstig nadeel. De rechtbank merkt echter op dat deze uitvoerbaarheid bij voorraad de eventuele opschorting van de uitvoeringsdaden ingevolge de vereffening niet uitsluit. OP DEZE GRONDEN, DE RECHTBANK, Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond, Ontbindt de overeenkomst dd. 14.11.2003 met betrekking tot de verkoop van een bedrijfsgebouw met aanhorigheden, gelegen te Waregem, Jan Borluutstraat 38, door de eiseres aan de verweerster, ontbonden ten nadele van de verweerster; Veroordeelt de verweerster om aan de eiseres HONDERDVIJFTIGDUIZEND EURO (150.000,00 EUR) te betalen, meer de vergoedende rente aan de wettelijke rentevoet vanaf 9.8.2004 tot heden en de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet vanaf heden tot de datum van betaling, Veroordeelt de verweerster tot haar eigen gerechtskosten en de gerechtskosten van de eiseres, aan de zijde van de eiseres te bepalen op: - dagvaarding en rolstelling: 254,88 EUR - rechtsplegingsvergoeding: 364,40 EUR, niet te bepalen aan de zijde van de verweerster, vermits zij tot de gerechtskosten wordt veroordeeld, Veroordeelt de vrijwillig tussenkomende partijen tot hun eigen gerechtskosten, die daarom ook niet dienen bepaald te worden; Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal, zonder borgstelling. Aldus het vonnis, uitgesproken in openbare terechtzitting van de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk, gerechtsgebouw II, op maandag, twintig november tweeduizend en zes; Aanwezig : G. Danneels, ondervoorzitter; D. Coussée en L. Flamée, rechters in handelszaken, eerstgenoemde door de voorzitter aangewezen ter vervanging van de plaatsvervangende rechter in handelszaken F. Vankeirsbilck, wettelijk verhinderd de uitspraak van onderhavig vonnis bij te wonen, waarover hij mede heeft beraadslaagd (art. 779 Ger.W.); V. Soreyn, adjunct-griffier. V. Soreyn L. Flamée D. Coussée G. Danneels Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.