← België

ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20061122.16

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 22 november 2006 ECLI nr: ECLI

§ 3B.W.

omdat de verkoper niet binnen redelijke termijn de herstelling of de vervanging van het defecte voorwerp van de verkoop heeft verricht. A vordert de ontbinding van de verkoopovereenkomst met veroordeling van B tot de terugbetaling van de koopsom en tot de betaling van een schadevergoeding, euro 7.950,00 wegens gebruiksderving en euro 1.088,00 wegens nodeloze rentekosten op de geleende aankoopsom van het voertuig. * * * In eerste besluiten heeft B de niet ontvankelijkheid van de vordering van A ingeroepen op grond van art. 1648 B.W. Hij wijst er vervolgens op dat hij geen wanprestatie pleegde. Hij houdt voor dat hij onmiddellijk en gepast heeft gereageerd. Hij heeft de herstelling aangeboden. Indien de auto nog niet hersteld is, is dat volgens B de fout van A die de afspraak niet nakwam om de kost voor het inbouwen van de gereviseerde motor ten laste te nemen. Hij eist bij tegeneis de veroordeling van A tot de betaling van de kosten van de montage van de gereviseerde motor, tot afname van het voertuig en tot betaling van standgeld.

  1. Beoordeling. Er ligt geen bewijs voor dat de koopovereenkomst dateert van vόόr 1 januari
  2. Partijen bevestigen dat de overeenkomst tot stand kwam op 29 januari
  3. De door A voorgelegde aanvraag voor een lening op afbetaling dateert van 19 januari
  4. De factuur, het instrumentarium van de overeenkomst, is gedateerd op 29 januari
  5. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er dan ook geen twijfel over dat de koopovereenkomst tussen de partijen gesloten werd nadat de wet van 1 september 2004 betreffende de bescherming van de consumenten bij de verkoop van consumptiegoederen op 1 januari 2005 in werking is getreden. De wet op de consumentenkoop geldt vanaf 1 januari 2005 als een lex specialis ten aanzien van het gemene kooprecht en houdt een bijzondere regeling in voor verkopen door professionele verkopers aan consumenten (Cauffman C. en Verbeke A., "Een jaar wet consumentenkoop", in Themis, academiejaar 2005-2006, vormingsonderdeel 32, blz. 27, nr. 2). De wet op de consumentenkoop houdt dwingend recht in (Cauffman C. en Verbeke A., a.w., blz. 55, nr. 108). Er is geen betwisting dat het ter zake om een verkoop gaat nopens consumptiegoederen, dat A als consument te beschouwen is en B als een professionele verkoper, zodat de wet op de consumentenkoop moet worden toegepast. Bij een vordering tot ontbinding van een overeenkomst omdat een aangekocht voertuig na een vol jaar nog steeds niet hersteld is, ondanks herhaalde beloften om de defecte motor te vervangen, doet de eisende partij, consument, ten opzichte van de verwerende partij, professionele verkoper, ongetwijfeld beroep op art.

§ 3B.W., ingevoerd door de voormelde wet op de consumentenkoop.

3.a. Ontvankelijkheid van de vordering. Ten onrechte houdt B voor dat de vordering te laat is ingesteld, overeenkomstig art. 1648 B.W. In casu is de gemeenrechtelijke bescherming tegen verborgen gebreken nog niet aan de orde (Cauffman C. en Verbeke A., a.w., blz. 43, nr. 59 in fine). Overeenkomstig art. 1649quater § 5 B.W. zijn de bepalingen met betrekking tot vrijwaring voor verborgen gebreken van de verkochte zaak eerst van toepassing na het verstrijken van de termijn van twee jaar, bedoeld in art. 1649quater § 1 B.W., die een aanvang neemt 2 jaar na de levering. Te meer omdat in casu niet bewezen wordt dat de partijen overeenkwamen die termijn van twee jaar, alhoewel het ter zake over een tweedehands goed gaat, te hebben verkort. De vordering werd ingesteld op 10 april 2006, dit is binnen de twee jaar na de levering op 29 januari 2005, zodat ze tijdig is ingesteld (art. 1649quater § 3 B.W.). 3.b. Grond van de zaak. 3.b.1. De gevorderde ontbinding. Overeenkomstig art.

§ 3B.W.

heeft de consument het recht van de verkoper een passende prijsvermindering of de ontbinding van de koopovereenkomst te eisen: indien hij geen aanspraak kan maken op herstelling of vervanging, of indien de verkoper niet binnen een redelijke termijn of zonder ernstige overlast voor de consument de herstelling of de vervanging heeft verricht. De consument heeft niet het recht de ontbinding van de overeenkomst te verlangen indien het gebrek aan overeenstemming van geringe betekenis is. Het feit dat de motor van een tweedehands voertuig defect raakt tijdens de eerste kilometers dat er mee gereden wordt na de aankoop, dat een revisie van de motor noodzakelijk blijkt waarvoor de NV Turbo' Hoet, naderhand een factuur opstelde van euro 4.850,00 + BTW, en dat daarbij nog de kosten van uitbouw van de oude motor en de inbouw van de gereviseerde motor in rekening moeten worden gebracht (die laatste post door B geraamd op euro 800,00) impliceert dat het gebrek aan overeenstemming van het voertuig niet van geringe betekenis is. A kan derhalve de ontbinding verlangen van de koopovereenkomst voor zover er voldaan wordt aan de overige voorwaarden gesteld in art.

§ 3B.W.

Naar A voorhoudt heeft B niet binnen een redelijke termijn de beloofde herstelling van de defecte motor van zijn voertuig verricht. De rechtbank stelt vast dat: de auto voor herstelling bij B achtergelaten werd op 29 januari 2005, op 17 maart 2005 A B nog een laatste termijn gunde om de herstelling uit te voeren en dit uiterlijk binnen de twee weken, op 9 april 2005, 2 mei 2005, 10 juni 2005 en 13 juni 2005 B telkens opnieuw in gebreke werd gesteld en door A gemeld werd dat zijn geduld op was, op 2 mei 2005 A bevestigde dat B telefonisch beloofd had om de herstelling uit te voeren tegen de daarop volgende zaterdag. Er volgde geen reactie vanwege B, die als handelaar vermoed wordt met de inhoud van die bevestiging in te stemmen, juist wegens de protestloze aanvaarding van dat bericht, op 13 juni 2005 B de uitvoering van de herstelling beloofde tegen het verlof, wat zich in de streek van B "vertaalt" tegen halverwege de maand juli 2005, op 30 augustus 2005 B de afhaling van de herstelde auto in het vooruitzicht stelde tegen 16 september 2005, de herstelling nog niet was uitgevoerd noch op de dag van de betekening van de inleidende dagvaarding op 10 april 2006 en noch op dag van de pleitzitting. Naar het oordeel van de rechtbank kon A reeds op 12 augustus 2005, dit is meer dan zes maanden na 29 januari 2005, aannemen dat de overeenkomst diende ontbonden te worden wegens het onredelijk lang uitblijven van de toegezegde herstelling. Op die dag beschouwde diens raadsman de overeenkomst reeds terecht als ontbonden. Hij eiste toen reeds de terugbetaling van de aankoopprijs. Maar ook na 12 augustus 2005 bleef de herstelling uit, ondanks de formele belofte van B daartoe over te gaan tegen uiterlijk 16 september

  1. De wanprestatie van B staat vast. Hij aanvaardt onvoorwaardelijk de herstelling uit te voeren, wat erkenning impliceert van het feit dat het geleverde niet overeenstemt met de overeenkomst. Het gebrek aan overeenstemming is absoluut niet van geringe aard. Hij voert die herstelling niet uit binnen een redelijke termijn. In zijn brief van 30 augustus 2005 geeft B zelf toe dat "het nu wel erg lang duurde". Derhalve heeft A het recht de ontbinding te eisen, wat hij bij deze doet en waarop de rechtbank ingaat. Tevergeefs voert B aan dat de herstelling uiteindelijk nog niet werd uitgevoerd om redenen te wijten aan A zelf. Volgens B had A zich er immers toe verbonden om de kosten voor het terugplaatsen van de gereviseerde motor zelf te dragen, waartoe deze evenwel niet overging. A bleef volgens B ook in gebreke de wagen af te nemen, ondanks ingebrekestelling daartoe. Er ligt vooreerst geen enkele brief voor vanwege B waaruit blijkt dat A in gebreke werd gesteld het herstelde voertuig af te nemen. De stukken waar B naar verwijst, zijn geen ingebrekestellingen. Het stuk 3 van het dossier van B houdt zijn belofte in dat de wagen tegen 16 september zal kunnen worden afgehaald. Het stuk 4 van het dossier van B is een bericht vanwege B dat de motor klaar is bij de NV Turbo's Hoet en dat de montage van de gereviseerde motor kon starten. A wordt daarbij enkel herinnerd aan een overeenkomst dat hij de montagekosten zou betalen. Het stuk 5 van het dossier is volgens A hem totaal onbekend. B bewijst niet dat de inhoud van dat stuk A ooit heeft bereikt. Met de inhoud van dat stuk kan geen rekening worden gehouden. Overigens is dat stuk evenmin een ingebrekestelling om de auto op te halen. Het is de rechtbank overigens een raadsel hoe die drie voormelde stukken een ingebrekestelling zouden kunnen inhouden om de herstelde auto te komen ophalen. Die stukken dateren van 30 augustus, 9 september en 12 november
  2. De NV Turbo's Hoet bevestigt evenwel op 21 juni 2006 dat de gereviseerde motor, die nog moet ingebouwd worden in de auto van A, nog steeds bij haar ligt en kan opgehaald worden tegen betaling. Ter pleitzitting wordt ook toegegeven dat de gereviseerde motor nog steeds niet is ingebouwd in het voertuig. Er was derhalve nog geen herstelde auto voor handen, waaromtrent een ingebrekestelling tot afhaling kon worden uitgestuurd. Eveneens tevergeefs houdt B voor dat de herstelling niet werd uitgevoerd omdat A de kosten voor de montage van de gereviseerde motor niet ten laste nam, ondanks een overeenkomst in die zin en ondanks aanmaning daartoe. B bewijst niet dat een overeenkomst in die zin met A werd gesloten. Het niet protesteren van een consument tegen een bewering van de professionele verkoper, handelaar, wordt niet benaderd volgens de principes van het handelsrecht. Gebrek aan reactie van A op de inhoud van de brief van B van 9 september 2005, waarbij voorgehouden wordt dat er overeengekomen was dat de gereviseerde motor mocht gemonteerd worden op de kosten van A, houdt geenszins het bewijs in van die overeenkomst. Daarenboven heeft B voordien steeds zelf aangenomen dat A zijn voertuig kant en klaar met ingebouwde gereviseerde motor zou kunnen afhalen, zonder dat daarbij sprake was van enige kost ten laste van A. Integendeel: Op 2 mei 2005 heeft A bij e-mail een telefoontje van B bevestigd met name dat de auto klaar zou zijn tegen de volgende zaterdag. B reageerde toen niet met de boodschap dat er een bijkomende voorwaarde was, namelijk het betalen van de kosten van de montage van de gereviseerde motor. Op 13 juni 2005 geeft B te kennen dat de auto tegen het verlof in orde zal zijn. Weer werd geen enkele opmerking gemaakt over een afspraak nopens montagekosten die ten laste van A zouden komen. Op 30 augustus 2005 bevestigt B dat de auto kan afgehaald worden op 16 september 2005 en wel na montage en onderhoud door zijn mechanieker. B geeft hier gewoon toe dat hij zelf instaat voor de montage van de gereviseerde motor. Het feit dat de herstelling van het voertuig niet binnen redelijke termijn werd verricht, is derhalve geheel en al te wijten aan B en aan hem alleen. De gevorderde ontbinding wordt toegestaan. De terugplaatsing van de partijen in hun rechten impliceert dat B veroordeeld wordt tot terugbetaling van de aankoopsom, het bedrag van euro 8.000,
  3. In het licht van wat voorafgaat is de tegeneis van B als ongegrond af te wijzen. A dient niet in te staan voor montagekosten. Er wordt geen overeenkomst in die zin bewezen. De ontbinding van de overeenkomst ten laste van B wordt aangenomen, zodat A niet veroordeeld wordt tot afname van welk voertuig dan ook, in welke staat dan ook. Er ligt geen bewijs voor van enige aanmaning tot afname van het herstelde voertuig. Veroordeling van A tot betaling van standgeld is dan ook niet aan de orde. 3.b.
  4. De gevorderde schadevergoeding. Overeenkomstig art.

§ 1B.W.

heeft A desgevallend ook recht op schadevergoeding. Hij vordert gebruiksderving en betaling van nodeloze leningskosten de gebruiksderving. Tegen de stukken van het dossier in houdt B voor dat hij A een vervangingsauto heeft aangeboden, maar dat het niet tot een overeenkomst daaromtrent kwam omdat A ook eiste dat de verzekeringspremie voor die vervangingsauto door B werd gedragen. Enig bewijs in de zin, zoals door B voorgehouden, ligt niet voor, behalve het antwoord van B op de aanmaning van de raadsman van A tot betaling van die gebruiksderving. Aan de reactie van B in tempore suspecto geuit, hecht de rechtbank evenwel geen enkel belang. Reeds maanden voordien maakte A zijn beklag over het feit dat hij, ondanks de aankoop van een auto, ook nog eens een huurauto diende te bekostigen: de e-mail van A van 17 maart 2005: "en wie zal die auto betalen die ik nu moet huren om te gaan werken ... noemt u dat service of wat ? " de e-mail van A van 9 april 2005: "Ik begin hier nu wel in de problemen te komen. Ik kan geen huurwagen blijven betalen. Ik ben Rockefeller niet." De ontvangst van die e-mails worden door B niet ontkend. Hij reageerde niet op die passages nopens de kostprijs van die huurwagen waarover A klaagde. Indien B voordien aan A wel een vervangingswagen had aangeboden, dan had hij als handelaar ongetwijfeld en prompt gereageerd op voormelde berichten van A, met verwijzing naar zijn aanbod om een vervangingswagen ter beschikking te stellen en de ongerechtvaardigde weigering van A omdat deze nog de verzekeringspremie diende te betalen. Bij gebrek aan dergelijke reactie in tempore non suspecto neemt de rechtbank aan dat B nooit enig voorstel voor het gebruik van een vervangingsauto aan A heeft overgemaakt. A maakt derhalve terecht aanspraak op een gebruiksderving. B betwist het gevorderde bedrag. A rekent gebruiksderving voor de periode van 29 januari 2005 tot 31 augustus 2005, of 212 dagen aan euro 37,50 per dag. Het aantal aangerekende dagen wordt niet en kan niet betwist worden. De eenheidsprijs per dag wordt in de rechtspraak voor lichte vrachtwagens met een netto laadvermogen onder de 2 ton forfaitair vastgesteld op euro 37,50, zoals door A gevorderd (NjW 19 mei 2004, blz. 4). A legt weliswaar slechts een factuur voor waaruit blijkt dat hij slechts euro 27,00 per dag diende te betalen voor een huurauto. Uit die factuur blijkt evenwel niet of hij voor die prijs een lichte vrachtwagen huurde, dan wel een personenauto of een stationwagen. Met die factuur houdt de rechtbank dan ook geen rekening. De rechtbank kent A de forfaitaire vergoeding toe voor de derving van een lichte vrachtwagen en dat over 212 dagen = euro 7.950,

  1. de kosten van de aangegane lening op afbetaling. Na voorlegging van de stukken door A, betwist B niet dat A rentelasten dient te betalen voor de door hem aangegane lening op afbetaling, en wel een totaal bedrag, berekend over 48 maanden, van euro 1.088,
  2. B houdt evenwel terecht voor dat die leningskosten geen schade zijn in hoofde van A, die ze hoe dan ook diende te betalen, dus ook indien het voertuig geen gebreken had vertoond en / of tijdig was hersteld. De rechtbank oordeelt dat die rentelasten inderdaad geen schade uitmaken in hoofde van A. De aankoopsom van het voertuig, bedrag door hem ontleend, wordt door dit vonnis hem terug in het bezit gesteld. Met dat bedrag kan een soortgelijk voertuig aangeschaft worden, zodat de leningskosten niet nodeloos gemaakt werden. De kosten van de lening zijn geen schade ontstaan uit de wanprestatie van B. Overigens kan de rechtbank bij de beoordeling van het bedrag aan schadevergoeding geen rekening houden met de vermogenstoestand van de partijen. Dit onderdeel van de vordering wordt als ongegrond afgewezen. * * * Bij gebreke aan specifieke motivering, die de toestand van de schuldeiser betreft, waarom de schuldenaar van zijn principieel recht tot kantonnement zou moeten uitgesloten worden, wordt op de eis tot uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement door de rechtbank niet ingegaan. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak; Alle anders luidende en / of tegenstrijdige conclusies van de hand wijzend; Verklaart de hoofdeis ontvankelijk en in de volgende mate gegrond; Ontbindt de koop-verkoopovereenkomst tussen de partijen gesloten op 29 januari 2005 nopens de lichte vrachtwagen Chevrolet met chassisnummer 2GTEK19CXN1513691/94, eerste maal in gebruik op 5 november 1991, en dit ten laste van B; Veroordeelt B tot de betaling aan A van een bedrag van euro 15.950,00 (vijftienduizend negenhonderd vijftig euro en nul cent), te vermeerderen met de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet van 7 % vanaf 31 augustus 2005 tot de dag van de betaling; Wijst het bij hoofdeis meergevorderde af als ongegrond; Verklaart de tegeneis ontvankelijk, doch wijst deze af als ongegrond; Verwijst B tot al de kosten van het geding en stelt deze aan de kant van A tot op heden vast op euro 250,61 kosten van dagvaarding en rolstelling en op euro 364,40 geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding; Onverminderd de toepassing van art. 1024 Ger.W.; Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling; Aldus het vonnis uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in openbare terechtzitting op woensdag, TWEEENTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ZES. Aanwezig: de heren L. Vandenbroucke, rechter, P. De Poot en P. Matton, rechters in handelszaken, mevrouw Ch. Busschaert, griffier. Ch. Busschaert P. Matton P. De Poot L. Vandenbroucke. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.