id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 30 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20061130.5 Rolnummer: AR 787/06 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2008-09-30 Raadplegingen: 144 - laatst gezien 2026-07-02 14:45 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Handelsagentuur Tekst van de beslissing Nr. Rep. De Rechtbank van Koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, Provincie West-Vlaanderen, EERSTE KAMER, rechtsprekend: In de zaak nr. 787/06 der algemene rol.- De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GOLDEN INVEST, met vennootschapszetel te 9700 Oudenaarde, Kortrijkstraat 103 ; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer 0466.188.235; eiseres, hebbende als raadsman en pleitend meester Claude Van Marcke, advocaat te 8570 Anzegem, Kerkstraat 1; tegen : De naamloze vennootschap TESSA LIM, met vennootschapszetel te 8500 Kortrijk, Walle 113 ; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer 0429.080.488; verweerster, hebbende als raadslieden meesters Rik Honoré en Jan Benoit, beiden advocaat te 8500 Kortrijk, Pres. Kennedypark 4a, pleitend meester Jan Benoit, advocaat voornoemd. I. PROCEDURE De zaak werd ingeleid bij dagvaarding, die op 17 februari 2006 op regelmatige wijze werd betekend aan verweerster. Partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in openbare terechtzitting van 2 november
- Kennis werd genomen van het dossier van de rechtspleging. Partijen hebben elk een stukkenbundel neergelegd. De artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 tot regeling van het taalgebruik in gerechtszaken werden in acht genomen. II. IN RECHTE Eiseres vordert in de dagvaarding betaling van de volgende facturen (meer 9,5 % interest en een schadebeding à rato van 10 % of 4.741,07 euro, beiden op basis van de Wet van 02/08/02 betreffende de betalingsachterstand): - factuur nr. 001/2004 dd. 4/02/04: 4.481,26 euro - factuur nr. 002/2004 dd. 5/02/04: 4.058,07 euro - factuur nr. 010/2004 dd. 4/10/04: 3.533,59 euro - factuur nr. 011/2004 dd. 4/10/04: 3.086,78 euro - factuur nr. 012/2004 dd. 5/10/04: 2.669,74 euro - factuur nr. 013/2004 dd. 5/10/04: 3.263,42 euro - factuur nr. 014/2004 dd. 5/10/04: 2.395,27 euro - factuur nr. 015/2004 dd. 5/10/04: 9.075,00 euro - factuur nr. 020/2004 dd. 12/11/04: 5.399,12 euro - factuur nr. 021/2004 dd. 12/11/04: 4.499,26 euro - factuur nr. 022/2004 dd. 12/11/04: 4.949,19 euro Eiseres enerzijds (als agent) en verweerster en de BVBA Albokor anderzijds (als principaal) sloten op 18/07/01 een handelsagentuurovereenkomst met ingang van 01/08/
- Eiseres stelt dat de agentuurovereenkomst door de principaal werd beëindigd op 23/9/
- Verweerster beroept zich in eerste instantie op art. 26 van de wet van 13/04/95 betreffende de handelsagentuurovereenkomsten (hierna kortweg: W.H.A.), en stelt dat de vordering van eiseres verjaard is aangezien er werd gedagvaard meer dan één jaar na de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst. Verweerster stelt verder geen betaling verschuldigd te zijn aangezien de facturen niet aan haar, maar aan de BVBA Albokor gericht zijn. De BVBA Albokor werd failliet verklaard door huidige rechtbank op 17/11/
- Verweerster stelt in ondergeschikte orde dat de commissies betreffende de verkoop van gebouwen (woning of appartement) dienden te worden vergoed door de BVBA Albokor en de commissie betreffende de verkoop van gronden door haar, zodat zij hooguit kan gehouden zijn tot betaling van de commissies betreffende de gronden. Eiseres is van oordeel dat de vordering tijdig werd ingesteld, aangezien de overeenkomst verder liep tussen haar en verweerster. Eiseres stelt tevens dat verweerster en de BVBA Albokor hoofdelijk gehouden zijn tot betaling van de commissies. Eiseres benadrukt dat de aangifte van schuldvordering in het faillissement van de BVBA Albokor gebeurde onder de uitdrukkelijke vermelding "in de mate dat er geen betaling kan bekomen worden van de NV Tessa Lim". II.1 Betreffende de beëindiging van de agentuurovereenkomst Het voorwerp van de agentuurovereenkomst was de verkoop van woningen op plan, de verkoop van nieuwgebouwde woningen of nog te bouwen projectwoningen, verkoop van bouwgronden uit de portefeuille van de principaal, verkoop van de door de principaal nieuwgebouwde of nog te bouwen appartementen en de verkoop van bestaande eigendommen binnen het kader van een afzonderlijke koop/ruil overeenkomst en dit alles voor de volledige provincie Oost-Vlaanderen (zie bijlage 1 van de overeenkomst; stuk 1 eiseres). De overeenkomst voorzag onder meer in een niet-concurrentiebeding (art. 5 overeenkomst) en in een bepaling betreffende de informatieplicht inzake de aanstelling van subagenten (art. 8 overeenkomst). De commissie van eiseres wordt verschillend berekend naargelang het de verkoop van grond, dan wel de verkoop van gebouwen betreft (zie bijlage IV van de overeenkomst). In geval van de verkoop van een gebouw is eiseres gerechtigd op 3%, 4% of 5 % naargelang het geval en bij verkoop van bouwgronden of van een bestaande eigendom in het kader van een koop/ruil overeenkomst desgevallend op 50 % van het nettoresultaat. Op 23/09/04 richtte de BVBA Albokor een aangetekend schrijven tot eiseres, waarin zij meedeelde de agentuurovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen omwille van de door eiseres gepleegde inbreuk op het niet-concurrentiebeding enerzijds en op de verplichting van voorafgaande mededeling bij aanstelling van een subagent anderzijds. Op 27/9/04 antwoordde eiseres aan de BVBA Albokor en de NV Tessa Lim, en uitte zij haar ongenoegen betreffende de manier van samenwerking, en vraagt zij alsnog de samenwerking verder te zetten. Eiseres stelt vooreerst dat de overeenkomst enkel werd beëindigd door de BVBA Albokor en niet door de NV Tessa Lim, zodat de overeenkomst tussen haar en Tessa Lim verder liep. Vooreerst is het zo dat de agentuurovereenkomst werd afgesloten tussen eiseres enerzijds en de BVBA Albokor en verweerster anderzijds. De overeenkomst werd inderdaad opgezegd op briefpapier van de BVBA Albokor, doch het is duidelijk dat het de bedoeling was van de principaal - zijnde verweerster en de BVBA Albokor - om de samenwerking te beëindigen. De inbreuken waarvan eiseres (terecht of onterecht) werd beschuldigd heeft eiseres desgevallend immers zowel t.a.v. de BVBA Albokor als t.a.v. verweerster gepleegd. De agentuurovereenkomst werd door de Heer L (gevolmachtigd) namens de principaal ondertekend. De brief ter beëindiging van de overeenkomst werd eveneens door de Heer L ondertekend, hetgeen de rechtbank aldus regelmatig voorkomt. Het is trouwens pas voor het eerst in het kader van deze procedure dat eiseres voorhoudt dat de Heer L niet bevoegd geweest zou zijn om de overeenkomst te beëindigen. Eiseres stelt dat de verderzetting van de overeenkomst tussen haar en verweerster blijkt uit het feit dat zij op 16/11/05 een bedrag van 3.175,22 euro factureerde aan verweerster, die de factuur betaalde. Deze factuur (stuk 19 eiseres) betreft een commissie van 3 % op de verkoop van "lot 3 Boslos". Deze factuur bewijst echter niet dat de handelsagentuurovereenkomst tussen eiseres en verweerster werd vergezet. Dit bewijst enkel dat er nog een eenmalige transactie tussen partijen plaatsgreep, waarbij eiseres gerechtigd was op een commissie van 3 %. Verweerster stelt dat zij door eiseres werd benaderd in november 2005, en dat eiseres stelde een koper te hebben voor het kwestieuze lot grond. Eiseres vroeg en kreeg een commissie van 3 %. Verweerster merkt terecht op dat er in de agentuurovereenkomst geen commissie van 3 % voorzien is voor de verkoop van grond. Daaruit alleen blijkt dat deze factuur geen verderzetting van de handelsagentuur-overeenkomst bewijst. Uit het voorgaande blijkt derhalve dat de principaal (zijnde verweerster en de BVBA Albokor) de agentuurovereenkomst met onmiddellijke ingang hebben beëindigd op 23/9/
- Of deze beëindiging regelmatig was, is een vraag die hic et nunc niet aan de orde is. II.2 Betreffende de facturen van eiseres Eiseres vordert vanwege verweerster betaling van 11 facturen, die dateren van de periode februari 2004 tot en met november
- De elf facturen zijn enkel aan de BVBA Albokor, en niet aan verweerster gericht. Verweerster stelt dat zij de facturen niet kon protesteren, aangezien ze ze niet ontving. Eiseres toont zelfs niet aan dat zij de facturen regelmatig heeft ingeschreven in haar uitgaand facturenboek, noch dat ze werden opgenomen in haar BTW-aangifte (niettegenstaande het feit dat verweerster uitdrukkelijk om de voorlegging van beiden verzocht). Verweerster stelt dat de vordering van eiseres verjaard is. De handelsagentuurovereenkomst werd beëindigd op 23/9/
- Art. 26 W.H.A. bepaalt: "De rechtsvorderingen die uit de agentuurovereenkomst ontstaan, verjaren één jaar na het eindigen van de overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn langer mag duren dan één jaar na het eindigen van deze overeenkomst." Verweerster stelt dat de vordering op 23/09/05 verjaarde, terwijl de dagvaarding dateert van 17/02/
- Negen van de elf facturen van eiseres dateren echter van na de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst. De verjaringstermijn neemt een aanvang bij het einde van de overeenkomst of op het ogenblik van het feit dat de vordering doet ontstaan. Wat de commissielonen betreft, begint de termijn te lopen op het ogenblik waarop deze opeisbaar worden. Laten we veronderstellen dat de commissies effectief pas opeisbaar werden op het ogenblik dat eiseres ze factureerde. In dit geval werd de laatste commissie opeisbaar op 12/11/
- De letterlijke toepassing van art. 26 W.H.A. leidt tot onbillijke resultaten voor rechten ontstaan na het einde van de overeenkomst. Ze leidt tot drastische gevolgen bij rechten ontstaan in de loop van het jaar na het einde van de overeenkomst, aangezien de verjaringstermijn korter zou zijn naargelang het recht op vergoeding zou ontstaan naar het einde van het jaar na het einde van de overeenkomst toe. Het einde van de overeenkomst als aanvangstermijn wordt derhalve opgeschort tot het tijdstip waarop het recht ontstaat; de facto loopt er een termijn van één jaar vanaf het ontstaan van het recht. Voor zover het recht op vergoeding aldus zou ontstaan zijn op 12/11/04 is de vordering verjaard op 12/11/
- Er worden geen daden van schorsing of stuiting aangetoond. Aangezien de dagvaarding dateert van 17/02/06 is de vordering van eiseres verjaard. Gelet op het feit dat de vordering verjaard is, dient op alle overige argumenten van partijen niet meer te worden ingegaan. OM DEZE REDENEN, De rechtbank, Beslissend op tegenspraak, Gelet op de artikelen 2 en volgende van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk. Zegt voor recht dat de vordering van eiseres verjaard is. Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding die in haar hoofde niet dienen te worden begroot als in het ongelijk gestelde partij, en in hoofde van verweerster als volgt worden begroot: - R.P.V.: 364,40 euro Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts elk verhaal en zonder borgstelling. Aldus het vonnis, uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in buitengewone openbare terechtzitting op DERTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ZES. Aanwezig: B. De Fleur, toegevoegd rechter ; J. Decorte en P. De Smet, rechters in handelszaken ; N. Bostoen, griffier. N. Bostoen P. De Smet J. Decorte B. De Fleur Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div