← België

ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20061130.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 30 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20061130.6 Rolnummer: AR 2967/04 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2008-09-30 Raadplegingen: 129 - laatst gezien 2026-07-02 14:46 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Handelsagentuur Vrije woorden: uitwinningsvergoeding agent : - verjaring/ stuiting - quid bij beëindiging in gemeen overleg + akkoord Tekst van de beslissing Nr. Rep. De Rechtbank van Koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, Provincie West-Vlaanderen, EERSTE KAMER, rechtsprekend: In de zaak nr 2967/04 der algemene rol Meester Sofie Debusschere, advocaat te 8500 Kortrijk, Pres. Rooseveltplein 1, handelend in haar hoedanigheid van curator over het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MOMAX TRADING, met vennootschapszetel te 8720 Dentergem, Kapittelstraat 2 ; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0464.398.386 in staat van faillissement verklaard bij vonnis van 9 februari 2005 van de vijfde kamer van de rechtbank van koophandel te Kortrijk; eiseres qq, persoonlijk verschijnend; tegen : De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ISOKONSEPT, met vennootschapszetel te 9140 Temse, Schoenstraat 19 ; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer 0445.022.439; verweerster, hebbend als raadsman en pleitend meester Tom Peeters, advocaat te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg

  1. Gezien het tussenvonnis dd. 11 mei 2006; Gezien de stukken van rechtspleging; Gezien de door partijen neergelegde dossiers; Gehoord de partijen in hun middelen en besluiten voorgedragen in openbare terechtzitting van 26 oktober 2006, waarop de zaak in beraad werd genomen. Gelet op de wet van 15 juni 1935 tot regeling van het taalgebruik in gerechtszaken; De feiten en retroacten Voor de uiteenzetting van de feiten wordt verwezen naar het tussenvonnis van 11 mei 2006, die wordt aangevuld als volgt. De vordering - Standpunten van partijen De curator vordert dat : Isokonsept zou veroordeeld worden om haar een opzeggingsvergoeding van euro 4.192,76 te betalen en een uitwinningsvergoeding van euro 26.951,
  2. Isokonsept is van oordeel dat : de overeenkomst eenzijdig zou zijn beëindigd eind januari/begin februari 2003 zodat de vordering, die werd ingesteld, verjaard is; er, ondergeschikt, van een opzeggingsvergoeding geen sprake kan zijn vermits de overeenkomst in gezamenlijk overleg werd beëindigd; er, ondergeschikt, van een uitwinningsvergoeding geen sprake kan zijn vermits Momax geen nieuwe klanten heeft aangebracht. Beoordeling
  3. Aard van de overeenkomst Naar aanleiding van het tussenvonnis is gebleken dat Momax zowel contacten onderhield met verdelers als met eindklanten. Verder stelt zij dat zij aanvankelijk een vast commissieloon verkreeg doch naderhand dit werd gewijzigd in een commissieloon op de bestellingen die zowel de verdelers als de eindklanten plaatsten. De rechtbank is van oordeel dat uit deze gegevens blijkt dat Momax in hoofdorde diende te bemiddelen teneinde de door Isokonsept geproduceerde goederen te verkopen zodat er wel degelijk een handelsagentuurovereenkomst bestond tussen Momax en Isokonsept.
  4. Wijze van beëindiging van de overeenkomst Beide partijen zijn het eens dat de overeenkomst werd beëindigd. Momax houdt voor dat deze beëindiging er zou zijn gekomen op initiatief van Isokonsept en dit op 17 december
  5. Isokonsept daarentegen houdt voor dat de overeenkomst reeds eind januari/begin februari 2003 werd beëindigd. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis reeds vastgesteld dat Momax in de periode februari 2003 tot en met oktober 2003 geen enkele factuur heeft opgesteld voor prestaties. Pas op 30 november en 30 december 2003 worden in totaal nog drie facturen uitgeschreven. Uit de thans voorgelegde gegevens blijkt dat twee van deze commissies betrekking hadden op drie eindklanten die allen door Momax waren aangebracht. Wat Champoord betreft blijkt er geen discussie te bestaan dat deze bestelling betrekking heeft op het saldo van commissieloon op een bestelling die reeds in 2002 blijkt te zijn geplaatst en een bijbestelling, terwijl uit de stukken van Isokonsept blijkt dat ook de bestelling van de klant C eveneens betrekking heeft op een bijbestelling. Deze bestellingen hebben derhalve betrekking op werven die door Momax ten tijde van de agentuur werden geplaatst. Van nieuwe bestellingen blijkt dan ook geen sprake te zijn. Integendeel uit een stuk dat wordt voorgelegd door de curator blijkt dat de verdeler Küthe op 6 juni 2003 een bestelling heeft geplaatst die blijkbaar bij dhr X van Momax trading is terechtgekomen. Isokonsept stelt dat zij deze bestelling heeft uitgevoerd, doch hiervoor geen commissieloon heeft uitbetaald vermits de samenwerking reeds was beëindigd. Uit geen enkel stuk blijkt dat Momax trading hiervoor effectief een commissieloon heeft gevraagd. Integendeel uit de door haar voorgelegde afrekeningen blijkt precies dat zij geen commissieloon heeft gevraagd. Het feit dat Momax geen commissieloon vraagt op een bestelling die nog bij haar was toegekomen, kan maar verklaard worden door het feit dat de samenwerking op dat ogenblik reeds was beëindigd. De rechtbank leidt hieruit af dat Isokonsept terecht voorhoudt dat de overeenkomst met (minstens stilzwijgend) wederzijds akkoord werd beëindigd door partijen.
  6. De gevorderde opzeggingsvergoeding Rekening houdend met het feit dat de overeenkomst werd beëindigd in onderling akkoord, dient de vordering van Momax om een opzeggingsvergoeding te bekomen, afgewezen te worden als ongegrond.
  7. De uitwinningsvergoeding 4.
  8. De wetgeving Krachtens art. 20 wet handelsagentuur heeft "de handelsagent na de beëindiging van de overeenkomst recht op een uitwinningsvergoeding wanneer hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of wanneer hij de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren... De uitwinningsvergoeding is niet verschuldigd : 1° indien de principaal de overeenkomst heeft beëindigd vanwege een aan de agent te wijten ernstige tekortkoming zoals bepaald in artikel 19, eerste lid; 2° indien de handelsagent de overeenkomst heeft beëindigd, tenzij de beëindiging voortvloeit uit een aan de principaal te wijten reden, zoals bepaald in artikel 19, eerste lid, of het gevolg is van leeftijd, invaliditeit of ziekte van de handelsagent op grond waarvan redelijkerwijze niet meer van hem kan worden gevergd dat hij zijn werkzaamheden voortzet; 3° indien de handelsagent of diens erfgenamen, overeenkomstig een afspraak met de principaal, hun rechten en verplichtingen uit hoofde van de agentuurovereenkomst aan een derde overdragen. De handelsagent verliest zijn recht op de uitwinningsvergoeding indien hij de principaal niet binnen een jaar na de beëindiging van de overeenkomst ervan in kennis gesteld heeft dat hij voornemens is zijn rechten te doen gelden." Verder bepaalt artikel 22 dat "het recht op de vergoedingen bedoeld in de artikelen 20 en 21 ontstaat eveneens wanneer door het overlijden van de handelsagent de overeenkomst wordt beëindigd." Artikel 26 stelt dat "de rechtsvorderingen die uit de agentuurovereenkomst ontstaan, verjaren één jaar na het eindigen van die overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn langer mag duren dan één jaar na het eindigen van deze overeenkomst." 4.
  9. De verjaring Isokonsept houdt voor dat de vordering verjaard is. De rechtbank stelt vast dat uit de voorgelegde stukken niet blijkt op welke datum partijen de overeenkomst effectief hebben beëindigd. Isokonsept houdt weliswaar voor dat dit zou gebeurd zijn eind januari/begin februari 2003 doch zij legt hier geen enkel bewijs van voor. Wel blijkt uit de voorgelegde gegevens dat Momax niet aandrong op een vergoeding voor een bestelling die begin juni 2003 werd geplaatst zodat mag aangenomen worden dat in elk geval op die datum de overeenkomst reeds werd beëindigd. Dit strookt overigens eveneens met de door Momax voorgelegde afrekening waaruit blijkt dat de laatste staten met commissielonen (met uitzonderingen van deze in december 2003) door haar werden opgesteld in april
  10. Hieruit kan zelfs worden afgeleid dat de effectieve beëindiging zich zeker een eind voor 10 juni 2003 moeten hebben voorgedaan. Bij gebrek aan voorgelegde stukken met betrekking tot de commissieloonstaten van april is het niet mogelijk om de precieze datum te bepalen. Bij de beoordeling van de verjaring is deze datum nochtans van belang. Uit de voorgelegde stukken blijkt immers dat op 1 april 2004, Momax via haar beroepsorganisatie een brief heeft gestuurd naar Isokonsept waarin zij aandrong op de betaling van de uitwinningsvergoeding. Deze brief geldt als een kennisgeving overeenkomstig art. 20, laatste lid wet handelsagentuur. Rekening houdend met art. 26, verschaft voormeld artikel de mogelijkheid om de verjaring betreffende de uitwinningsvergoeding te stuiten door middel van een kennisgeving die niet is onderworpen aan de formaliteiten van de art. 2242 e.v. B. W. Het volstaat dat de handelsagent zijn voornemen om zijn recht te doen gelden duidelijk heeft doen blijken (Gent , 16 februari 2005, DAOR 2005, afl. 76, 329; Brussel, 9 september 2003, R.W. 2006-07, afl. 1, 19; Kh. Luik, 28 januari 2002, J.L.M.B. 2003, afl. 4, 158, noot SAINT-REMY, G). Dit houdt derhalve in dat indien deze kennisgeving is gesitueerd binnen het jaar na de beëindiging van de overeenkomst, de vordering uiterlijk in rechte diende ingesteld te worden begin april 2005, zodat de vordering ingesteld bij exploot van dagvaarding betekend in augustus 2004 tijdig werd ingesteld. Vooraleer partijen toe te laten verder standpunt in te nemen nopens de precieze beëindiging van de overeenkomst, dient echter nagegaan te worden of de handelsagent een recht op uitwinningsvergoeding kan laten gelden indien de overeenkomst wordt beëindigd in onderling akkoord. 4.
  11. Het recht op een uitwinningsvergoeding Artikel 20 van voornoemde wet bepaalt dat de handelsagent recht heeft op een vergoeding wegens aanbreng clientèle na beëindiging van de overeenkomst met uitzondering van drie gevallen. Zo voorziet art. 20 onder meer dat de handelsagent geen recht op vergoeding zal kunnen vragen indien de handelsagent de overeenkomst heeft beëindigd, tenzij de beëindiging voortvloeit uit een aan de principaal te wijten reden, zoals bepaald in artikel 19, eerste lid, of het gevolg is van leeftijd, invaliditeit of ziekte van de handelsagent op grond waarvan redelijkerwijze niet meer van hem kan worden gevergd dat hij zijn werkzaamheden voortzet. Hieruit vloeit voort dat de handelsagent die, alhoewel hij perfect in staat is de overeenkomst verder te zetten, het initiatief neemt om de overeenkomst te beëindigen geen recht heeft op een vergoeding. De uitwinningsvergoeding is immers een vergoeding die wordt toegekend aan de handelsagent ter compensatie van de opbrengsten die hij had kunnen maken, indien de overeenkomst was verder gezet. Hieruit volgt dat indien de beëindiging van de overeenkomst aan hem te wijten is, hij zelf verantwoordelijk is voor de schade die hij lijdt en hij geen aanspraak kan maken op enige vergoeding. Alhoewel bij een beëindiging met wederzijds akkoord beide partijen hun instemming dienen te geven, is de instemming van de handelsagent een noodzakelijke voorwaarde om te komen tot de beëindiging (Dursin E. en Van den Broeck K., Handelsagentuur, Mys & Breesch, Gent, 333, 581). De rechtbank is dan ook van oordeel dat in dergelijk geval de beëindiging (minstens voor een deel) aan de handelsagent te wijten is, waardoor de handelsagent geen recht heeft op een vergoeding. Gelet op de artikelen 2 en volgende van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken ; OM DEZE REDENEN, De rechtbank, Wijzende op tegenspraak; Alle andere middelen afwijzend als ongegrond of niet ter zake dienend; Verklaart de vordering ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond; Verwijst eiseres qq in de kosten van het geding in hoofde van verweerster begroot op euro 364,40 rechtsplegingvergoeding en euro 60,73 aanvullende rechtsplegingsvergoeding en in hoofde van eiseres qq. op euro 242,60 kosten van dagvaarding, euro 364,40 rechtsplegingvergoeding en euro 60,73 aanvullende rechtsplegingsvergoeding. Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad; Aldus het vonnis uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in buitengewone openbare terechtzitting van DERTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ZES. Aanwezig: Luc Billiet, Rechter; Jozef Decorte en Pieter De Smet, Rechters in handelszaken; Nathalie Bostoen, Griffier. N. Bostoen P. De Smet J.Decorte L. Billiet Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.