← België

ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20061204.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 04 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20061204.7 Rolnummer: AR 2857/05 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-12-04 Raadplegingen: 278 - laatst gezien 2026-07-04 01:48 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Exceptie van niet uitvoering Tekst van de beslissing Nr. Rep. De Rechtbank van Koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, Provincie West-Vlaanderen, VIERDE KAMER, rechtsprekend: In de zaak nr. 2857/05 der algemene rol Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "CONCORDIA", met maatschappelijke zetel te 8800 Roeselare-Rumbeke, Mandellaan 533, met ondernemingsnummer 0417.333.095, eiseres op hoofdeis, verweerster op tegeneis, hebbende als raadslieden meesters W. Derveaux en B. Leterme, advocaten te Kortrijk, tegen: besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "CUM-MEDIA" (in besluiten en briefwisseling door partijen als "Cummedia" geschreven en hierna eveneens als "Cummedia" geschreven), met maatschappelijke zetel te 8830 Hooglede, Wulfhoekstraat 14, met ondernemingsnummer 0426.369.636, verweerster op hoofdeis, eiseres op tegeneis, hebbende als raadsman meester E. De Hauw, advocaat te Oudenaarde. De rechtbank heeft de partijen gehoord in openbare zitting en heeft kennis genomen van de stukken en besluiten. Toepassing werd gemaakt van art. 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Ter zitting van 06.11.2006 hebben de raadslieden van de partijen de debatten volledig hernomen. VORDERINGEN Met dagvaarding dd. 26.7.2005 vorderde de bvba Concordia de veroordeling van de bvba Cummedia tot betaling van: - 119.214,10 EUR, ten titel van betaling van het saldo van een aantal facturen; - 391.960,02 EUR, ten titel van schadevergoeding wegens derde-medeplichtigheid aan de zware fouten, die dhr. FD tijdens de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst tot 28.6.2005 heeft gepleegd en die uitsluitend gericht waren op de flagrant oneerlijke bevoordeling van de bvba Cummedia; - 6.725,81 EUR, ten titel van opeisbare gelden als krediet/rekening-courant van de bvba Cummedia bij de bvba Concordia; meer de gerechtskosten, dit alles bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel. Uiteindelijk vordert Concordia de veroordeling van Cummedia tot betaling van: - wegens onbetaalde facturen: 189.789,52 EUR, minstens 174.986,51 EUR, meer de conventionele en gerechtelijke rente aan 9,5 % per jaar vanaf de respectieve vervaldagen tot de datum van betaling en meer het forfaitair schadebeding van 12%, in latere besluiten herleid tot 2.500,00 EUR; - wegens rekening-courant: 6.725,81 EUR, meer de gerechtelijke rente vanaf 26.7.2005 tot de datum van betaling. Ten slotte verzoekt zij de procedure in verband met de vordering tot betaling van 391.960,02 EUR te schorsen wegens de aan gang zijnde strafvordering. Bij tegeneis vordert de bvba Cummedia:

  1. de veroordeling van de bvba Concordia tot: a. afgifte, aan de bvba Cummedia, binnen de 24 uren na de betekening van het tussen te komen vonnis, van: ii. alle drukklare databestanden van de lopende en afgesloten projecten van Cummedia volgens haar stuk E15, op een draagbaar en verwisselbaar computermedium (CD-R of DVD-R); iii. de gedrukte modellen betreffende alle voormelde projecten; b. de verwijdering, van haar computer, van de boekhouding van Cummedia, onder verbeurte van een dwangsom van 2.500,00 EUR per dag en per stuk of bestand vertraging;
  2. voorbehoud te verlenen om ter zake deze laattijdige afgifte schadevergoeding te vorderen;
  3. de veroordeling van Concordia, wegens derde-medeplichtigheid aan contractbreuk, tot betaling van een schadevergoeding, provisioneel begroot op 150.000,00 EUR, en de veroordeling van Concordia tot de overlegging van haar uitgaande facturaties vanaf 1.5.2005 tot op de datum van het vonnis;
  4. de veroordeling van Concordia, wegens slechtmaking ten aanzien van de klant Euromex, tot betaling van een schadevergoeding van 232.558,15 EUR, meer de gerechtelijke rente vanaf 30.6.2006 en tot een vergoeding van 0,01 EUR ten titel van provisie wegens slechtmaking ten aanzien van andere klanten; minstens, alvorens nader recht te doen over deze deelvordering, NV Drukkerij Emka, met zetel te 9770 Kruishoutem, Bankstraat 1, te veroordelen tot overlegging van een kopie van alle facturen, die deze vennootschap heeft uitgereikt aan NV Euromex gedurende de periode tijdens dewelke eerstgenoemde de heer FD tewerk stelde;
  5. te zeggen voor recht dat de mailing, die Concordia stuurt naar de klanten van Cummedia een daad is die strijdig is met de eerlijke handelspraktijken en/of een fout is in de zin van artikel 1382 B.W., met veroordeling van Concordia tot een provisie van 0,01 EUR en tot voorlegging van de lijst van de bestemmelingen van de litigieuze mailing.
  6. de veroordeling van Concordia tot de gerechtskosten. KORTE SAMENVATTING VAN DE FEITEN Concordia is een drukkerij en uitgeverij. Op 12.3.1984 trad dhr. FD in dienst van Concordia, als commercieel bediende. Concordia werd geleid door de echtgenoten LR en RC. Dhr. LR overleed op 8.1.1995, zodat vanaf dan enkel nog mevrouw RC zaakvoerster was. Dhr. FD werd als gevolg van het overlijden van dhr. LR meer betrokken in de feitelijke leiding van het bedrijf. Concordia beweert dat mevr. RC geen actieve rol meer speelde in het bedrijf en dat de leiding feitelijk uitsluitend door dhr. FD werd waargenomen. Cummedia betwist dit: zij beweert dat mevr. RC daadwerkelijk op actieve wijze het bedrijf nog leidde. In 2001 nam dhr. FD de aandelen over van de bvba Argilla Trade, wiens naam later zou gewijzigd worden in de bvba Concordius en daarna in de bvba Cummedia. Samen met zijn echtgenote, mevr. KF, is hij aandeelhouder van Cummedia. Hij is eveneens zaakvoerder van Cummedia. Het gaat om een bedrijf dat globale mediaprojecten ontwikkelt en organiseert. Concordia was daarvan op de hoogte en keurde het zelfs goed. Zij sprong zelfs financieel bij bij een kapitaalsverhoging van Cummedia. De boekhouding van Cummedia werd ook gevoerd op de computer van Concordia, waarvan Concordia op de hoogte was. Voor de drukkerij-opdrachten van klanten van Cummedia, deed Cummedia beroep op Concordia. Concordia beweert dat was afgesproken dat aan Cummedia een marge van 3 à 5 % zou toekomen, m.a.w. dat de prijs, die Concordia zou aanrekenen aan Cummedia 3 à 5 % lager zou liggen dan de prijs, die Cummedia aan haar cliënteel zou aanrekenen. Cummedia betwist dit en beweert dat het de gewoonte was dat Concordia factureerde aan ongeveer 10 % boven de productiekosten. Na een onderzoek van de boekhouding van Concordia en Cummedia, ontsloeg Concordia dhr. FD op 28.6.2005 omwille van dringende redenen. Dit ontslag werd bevestigd bij brief van 29.6.
  7. De redenen van het ontslag werden uitvoerig uiteengezet bij brief van 1.7.
  8. Samengevat komen de redenen van het ontslag er op neer dat: - vanaf 2004, door een prijszetting, in strijd met de afspraken, dhr. FD Concordia volledig ondergroef en ontmantelde; de afspraken omtrent de marges werden niet nageleefd en er werd gefactureerd aan een veel te lage prijs, nl. nauwelijks met een vermeerdering van de productiekosten met 10 %, vaak zonder vermeerdering en zelfs vaak onder de productiekosten; - dhr. FD leidde het bestaand cliënteel naar zijn bedrijf af en trok slechts nieuwe klanten via zijn bedrijf aan. Met brief van 1.7.2005 protesteerde dhr. FD in algemene bewoordingen tegen de ingeroepen dringende redenen en sommeerde hij Concordia een aantal goederen af te geven, zoals: - alle boekhoudkundige documenten van Cummedia; - de boekhouding van Cummedia, zich bevindend op de server; - alle drukklare PDF-files van de lopende en afgesloten projecten van Cummedia. In een brief van 5.7.2005 protesteerde dhr. FD uitvoerig en concreet de ingeroepen dringende redenen en sommeerde hij Concordia nogmaals de gevraagde goederen af te geven, alsook de gedrukte modellen. Met brief van 8.7.2005 beschuldigde Cummedia Concordia ervan klanten ertoe aan te zetten contracten met Cummedia te verbreken en dezelfde bestellingen bij Concordia te plaatsen. Daarom kondigde Cummedia aan de betalingen van de facturen van Concordia te schorsen, zolang daaraan geen einde kwam en er voor de vergoeding van de geleden schade geen oplossing zou worden voorgesteld. Nogmaals maande Cummedia Concordia aan de gevraagde goederen af te geven. Met brief van 14.7.2005 antwoordde de raadsman van Concordia: "Onze cliënte legt ons uw brief van 8 juli 2005 voor. De inhoud en aanmaning die u stelt, worden met klem betwist. U ontvangt morgen een gemotiveerd antwoordschrijven." Er volgde daags nadien echter geen gemotiveerd antwoord. Op 26.7.2005 volgde wel de dagvaarding van Concordia. Vervolgens werd nog briefwisseling gevoerd omtrent de afgifte van de boekhouding. Op 24.8.2005 stuurde Concordia nog een aantal facturen naar Cummedia. De facturen waren gedateerd van 11.7.2005 tot 22.8.
  9. Met brief van 31.8.2005 protesteerde Cummedia de facturen omdat deze onvoldoende duidelijk waren en omdat zij niet beschikte over de data, die noodzakelijk waren om de prijzen of offerten te controleren. Deze bevonden zich nog bij Concordia. Eind september bezorgde Concordia de volledige boekhouding van Cummedia aan deze laatste op CD-schijf. Tijdens de procedure bezorgde Concordia nog een aantal facturen aan Cummedia. Op 9.8.2005 heeft dhr. FD Concordia gedagvaard voor de arbeidsrechtbank te Roeselare, om het ontslag wegens dringende redenen aan te vechten en een opzeggingsvergoeding, uitwinningsvergoeding en schadevergoeding te bekomen. Bovendien is er nog een procedure tussen partijen gevoerd voor de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Kortrijk, waarin Cummedia Concordia ervan beschuldigde klanten van Cummedia aan te zetten tot contractbreuk en haar slecht te maken. Bij vonnis van 29.5.2006 achtte de Voorzitter de derde-medeplichtigheid aan contractbreuk niet bewezen. Hij was wel van oordeel dat Concordia zich schuldig gemaakt had aan slechtmaking, door: - melding te maken van het ontslag van dhr. FD om dringende reden, zonder te vermelden dat dit ontslag betwist werd; - te insinueren dat er sprake is van omkoping van een personeelslid van een overheidsinstelling; - te verwijzen naar frauduleuze bedoelingen in hoofde van dhr. FD in het kader van de samenwerking met Concordia; - te verwijzen naar de strafklachten wegens valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken, verduistering en oplichting. De Voorzitter verbood dan ook elke bewering en handeling van slechtmaking in die zin, onder verbeurte van een dwangsom van 1.000,00 EUR per vastgestelde inbreuk vanaf de betekening van het vonnis. Concordia heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. BEOORDELING I. HOOFDEIS A. Vordering tot betaling van de facturen, vermeld in de dagvaarding
  10. Cummedia vraagt deze vordering op grond van artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering te schorsen omdat zij strafklacht met stelling van burgerlijke partij neergelegd heeft in handen van de Onderzoeksrechter te Kortrijk. Deze strafklacht zou betrekking hebben op de gehele hoofdvordering. Concordia verzet zich daartegen. Op deze vraag kan niet worden ingegaan. De bedoeling van de schorsing van de burgerlijke vordering door de instelling van een strafvordering bestaat erin vonnissen te vermijden, die betreffende gemeenschappelijke punten tegenstrijdig zouden kunnen zijn. Cummedia bewijst niet dat er inzake de beoordeling van de hoofdvordering een mogelijke tegenstrijdigheid zou kunnen bestaan tussen het vonnis van de burgerlijke rechter en het vonnis van de strafrechter. Indien de schorsing van de procedure betwist wordt, is het aan de partij, die de schorsing vordert het gevaar op tegenstrijdigheid te bewijzen. Daartoe volstaat het niet het voorblad van de klacht met burgerlijke partijstelling voor te leggen, zonder dat duidelijk aangetoond wordt wat de inhoud van de klacht is. Cummedia kan zich niet verschuilen achter het geheim karakter van het strafonderzoek (Cass., 17.6.2004, inzake A.R. nr. C020503N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040617.4, www.cass.be). Cummedia beweert dat zij klacht heeft neergelegd omdat in een "reeks facturen" van Concordia aan Cummedia, doelbewust valsheid zou gepleegd zijn, door prestaties in rekening te brengen, die niet werden geleverd en/of uitgevoerd. Cummedia toont niet aan dat deze klacht dit voorwerp heeft en evenmin dat zij daarbij zou verwijzen naar één van de facturen, die in de dagvaarding werden opgesomd. Meer nog, Cummedia weigert expliciet de strafklacht voor te leggen. Ook ter zitting van 13.11.2006 bleef zij weigeren de strafklacht voor te leggen.
  11. De rechtbank stelt overigens vast dat Cummedia in haar besluiten en stukken, voorafgaand aan de strafklacht, geen enkele grond van betwisting omtrent deze facturen aangehaald heeft. Zij betwistte enkel gehouden te zijn tot betaling, omdat zij zich ingevolge het foutief gedrag van Concordia zou kunnen beroepen op de exceptio non adimpleti contractus. Zij verwijst naar de feiten, die ten grondslag van haar tegenvordering liggen. Zij verwijt Concordia te weigeren haar belangrijke stukken, die nodig zijn voor haar bedrijfsvoering, af te geven, medeplichtig te zijn aan contractbreuk van haar klanten en haar slecht te maken. Dit verweer moet om meerdere redenen worden afgewezen. a. De exceptie van niet-nakoming is een tijdelijk verweermiddel dat een contractant de mogelijkheid biedt de nakoming van de eigen verbintenissen uit te stellen, zolang de wederpartij in gebreke blijft (Cass., 26.5.1989, Arr. Cass., 1988-89, 1131; Herbots, J.H., "De exceptie van niet-nakoming", T.P.R., 1991, p. 380). De juridische grondslag van de exceptie van niet-nakoming dient gezocht te worden in de onderlinge afhankelijkheid van de wederzijdse verbintenissen (Cass., 12.9.1973, Arr. Cass., 1974, 36). Men kan zich slechts beroepen op de exceptie indien degene, die nakoming vordert (= Concordia), schuldenaar is van een verbintenis, die de tegenprestatie is van de opgeschorte verbintenis of minstens daarmee voldoende samenhangend is (Wylleman, B., "Het verband van wederkerigheid tussen verbintenissen als toepassingsvoorwaarde voor de exceptio non adimpleti contractus", R. Cass.", 1996, p. 86). Daarbij moet de bedoeling van de partijen worden onderzocht (Wylleman, B., a.w., p. 87). De feiten, die aan de grondslag van de tegenvordering liggen, en die Cummedia inroept om de betaling van de facturen te schorsen, betreffen geen tegenprestaties van de verplichting tot betaling, noch zijn zij voldoende samenhangend met de verplichting tot betaling, behalve wat de vordering tot afgifte van PDF-bestanden en gedrukte modellen betreft. De feiten betreffen de medeplichtigheid van Concordia aan contractbreuk van klanten van Cummedia en slechtmaking. Het gaat om vorderingen, gesteund op art. 1382 e.v. B.W.. Dit betreft geen contractuele verplichtingen van Concordia ten opzichte van Cummedia. Zij hebben geen betrekking op de oorzaak van de betalingsverplichting van Cummedia. Het moet gaan om een exceptie, gesneden op maat van de voorafgaande tekortkoming van de schuldenaar, teneinde de onderlinge afhankelijkheid van de verbintenissen in de uitvoeringsfase van de overeenkomst te doen eerbiedigen (Cornelis, L., "Algemene theorie van de verbintenis", p. 464-465; Kh. Kortrijk, 1° kamer, 4.12.2003, inzake A.R. nr. 591/03, bevestigd door Gent, kamer 7bis, 14.2.2005, inzake A.R. nr. 2004/344). Er is geen onderlinge afhankelijkheid van de verbintenis tot betaling van de facturen, en de eventuele verbintenis van Concordia tot betaling van een schadevergoeding wegens derde-medeplichtigheid aan contractbreuk en slechtmaking. Anders is het eventueel met betrekking tot de vordering tot levering van de PDF-files en modellen. Uit de door Cummedia voorgelegde lijst blijkt dat het zou gaan om projecten, die allen dateren van vóór het ontslag van dhr. FD. Dienaangaande moet opgemerkt worden dat Cummedia de facturen niet tijdig betwist heeft en dus aanvaard heeft. Zij heeft deze niet betwist omwille van de niet-afgifte van de PDF-bestanden en gedrukte modellen. Zodus kan zij de exceptie van niet-uitvoering niet inroepen om aan haar betalingsverplichting op te schorten. b. Eveneens is vereist dat de schuldvordering van Concordia niet eerder opeisbaar is dan deze van Cummedia: degene, die zich beroept op de exceptie, mag niet tot eerdere nakoming verplicht zijn (Storme, M.E., "De exceptio non adimpleti contractus...", R.W., 1989-1990, p. 317). Bovendien moet de partij, die zich beroept op de exceptie van niet-uitvoering het bewijs leveren van de fouten van de wederpartij (Cass., 2.11.1995, A.rr. Cass., 1995-96, 946; Cass., 15.6.2000, R.W., 2001-02, 917). De schuldvorderingen van Concordia in verband met de facturen, vermeld in de dagvaarding, waren opeisbaar vooraleer de schuldvorderingen, waarover Cummedia beweert te beschikken, opeisbaar waren, behalve opnieuw eventueel wat de afgifte van de modellen en de PDF-files betreft. De schuldvordering, waarover Cummedia beweert te beschikken in verband met het verlies van de klant Euromex, was, indien deze bewezen zou zijn, eveneens slechts opeisbaar nadat alle facturen van Concordia opeisbaar waren. Louter volledigheidshalve en zonder dienaangaande definitief te oordelen, gezien de strafvordering ingevolge de strafklacht, die de nv Cummedia neergelegd heeft (zie verder), merkt de rechtbank ook op dat: - de Voorzitter van de rechtbank van koophandel, zetelend zoals in kort geding, geoordeeld heeft dat niet het bewijs geleverd wordt van enige derde-medeplichtigheid aan contractbreuk van Dos Creations en van de CM; - betreffende General Electric Holding Belgium, Cummedia enkel een factuur van Concordia aan deze klant voorlegt; zij legt echter geen overeenstemmende bestelling van deze klant aan haarzelf voor, zodat louter uit deze factuur niet de contractbreuk van deze klant kan afgeleid worden; Cummedia blijkt trouwens voor de Voorzitter van de rechtbank van koophandel, zetelend zoals in kort geding, niet ingeroepen te hebben dat GE Holding Belgium contractbreuk zou gepleegd hebben; - op het eerste zicht, geen enkel bewijs van een schade van 150.000,00 EUR wordt geleverd; - de nv Cummedia bij de levering van de drukwerken door de nv Concordia en tot het ontslag van dhr. FD nooit enige opmerking heeft gemaakt omtrent het ontbreken van PDF-files en modellen (die allen betrekking zouden hebben op projecten, die dateren van vóór het ontslag van dhr. FD); de vraag stelt zich of deze files en modellen een toebehoren vormden van de te leveren drukwerken, en zo ja, of het ontbreken ervan al dan niet gedekt is door de aanvaarding van de drukwerken zonder voorbehoud; - de nv Concordia niet op een onwettige wijze in het bezit van de boekhouding van de nv Cummedia is gekomen; de nv Cummedia vermeldt niet op basis van welke rechtsgrond Concordia zou verplicht zijn de boekhouding van Cummedia uit haar computer te verwijderen.
  12. In de besluiten van Cummedia na de strafklacht beweert Cummedia dat Concordia in een aantal facturen niet uitgevoerde prestaties en leveringen zou opgenomen hebben. Gezien de vaagheid van dit verweer kan daarmee geen rekening gehouden worden. Om als een geldig protest in aanmerking te worden genomen, moet een protest voldoende concreet zijn, wat niet het geval is wanneer beweerd wordt dat een aantal niet omschreven prestaties niet zouden geleverd zijn. Volledigheidshalve kan nog opgemerkt worden dat Cummedia, die niet betwist de facturen kort na de factuurdata ontvangen te hebben, niet bewijst dat zij de facturen tijdig, dit wil zeggen binnen korte termijn na de ontvangst ervan, betwist heeft. Dit heeft de stilzwijgende aanvaarding van de facturen tot gevolg, zodat deze facturen het weerlegbaar bewijs leveren dat verschuldigd is, wat gefactureerd werd. In handelszaken wordt algemeen aanvaard dat het niet protesteren van een factuur binnen een korte termijn, die nodig is om de factuur inhoudelijk te controleren, de aanvaarding van de factuur impliceert. Indien de handelaar-geadresseerde van de factuur het niet eens is met de inhoud van de factuur, dient hij te protesteren. Deze aanvaarding heeft tot gevolg dat de factuur vermoed wordt de getrouwe weergave van de overeenkomst te zijn, zodat de factuur als bewijs van de overeenkomst en de inhoud ervan geldt (Gent, 27.10.2000, 9° kamer, A.R. nr. 1997/391; Gent, 9° kamer, 26.3.1999, A.R. nr. 1969/4797; Antwerpen, 6.1.1998, R.W., 1999-2000, 987; Kh. Kortrijk, 20.4.1995, A.J.T., 1994-95, 575). Voor zover de geadresseerde de ontvangst van de factuur, kort na de datering ervan, niet betwist, moet hij, als hij beweert de factuur tijdig te hebben geprotesteerd, het bewijs van dit protest leveren (Dirix, E. en Ballon, G.L., "Factuur", 1993, p. 120; Kh. Hasselt, 2.2.1994, Limb. Rechtsl., 1994, 45 met noot Vandeurzen, A.). Cummedia betwist niet de facturen kort na de datering te hebben ontvangen. Zij bewijst niet dat zij deze facturen binnen korte termijn na ontvangst betwist heeft, zodat zij geacht worden de getrouwe weergave van de overeenkomst te zijn.
  13. Van de niet-betaalde facturen brengt Concordia een aantal betalingen in mindering: het gaat om facturen, die tweemaal betaald werden. Aan de hand van de nummering van deze facturen kan de rechtbank afleiden dat, behalve misschien de laatste factuur nr. 240908, het gaat om oudere facturen dan degene, waarvan thans nog betaling wordt gevorderd. De rechtbank stelt eveneens vast dat Concordia deze betalingen eerst in mindering van de hoofdsom van de facturen brengt. Concordia vordert rente vanaf de vervaldata van de facturen, zonder te specifiëren hoe de renteberekening zou dienen te gebeuren, rekening houdend met de dubbele betalingen. Rekening houdend met het feit dat Concordia de dubbele betalingen eerst aftrekt van de hoofdsom en dat deze betalingen betrekking hebben op oudere facturen, dienen, inzake de renteberekening, deze betalingen eerst toegerekend te worden op de hoofdsom van de oudste thans nog openstaande facturen. B. Eisuitbreiding betreffende facturen, daterend vanaf 11.7.2005
  14. Facturen van 11.7.2005 tot 22.8.2005
  15. Wat de gevraagde schorsing van de procedure betreft ingevolge de neergelegde strafklacht, verwijst de rechtbank naar haar motivering omtrent de facturen, vermeld in de dagvaarding. Derhalve kan niet ingegaan worden op de vraag tot schorsing van de procedure.
  16. Deze facturen heeft Cummedia op 25.8.2005 ontvangen. Met brief van 31.8.2005 stuurde zij deze facturen terug, omdat zij zonder verduidelijking geen nazicht kon doen. Bovendien kon zij geen prijzen of offerten controleren, omdat de data om prijzen en offerten te controleren zich nog bij Concordia bevonden. Cummedia spreekt niet tegen dat deze data haar eind september 2005 zijn bezorgd. In haar besluiten van 2.11.2005 verklaarde Cummedia dat zij de vordering "nog niet terdege kon inzien". Pas in haar besluiten dd. 14.12.2005 verklaarde Cummedia dat de toegepaste marges overdreven waren. Dit protest van 14.12.2005, 2,5 maanden na ontvangst van de data, die haar moesten toelaten de facturen te controleren, is laattijdig. De rechtbank is van oordeel dat de facturen voldoende concreet waren, zodat een termijn van 2,5 maanden na ontvangst van de data, niet meer beantwoordt aan de korte termijn. Deze facturen zijn dan ook verschuldigd. Het louter protest, erin bestaande dat zij de facturen niet kan controleren omdat bepaalde data ontbreken, ontslaat Cummedia niet van de verplichting de factuur te protesteren binnen korte termijn na ontvangst van de data (vgl. Antwerpen, 10.10.2002, T.B.H., 2003, 401).
  17. Facturen van 12.10.2005 tot 16.11.2005 Deze facturen werden op een niet nader bepaalde datum in de tweede helft van november 2005 naar de verweerster opgestuurd. Dienaangaande stelde Concordia een vordering in haar besluiten dd. 21.11.2005, neergelegd op 24.11.
  18. Cummedia heeft deze facturen betwist in haar besluiten, neergelegd op 14.12.2005, omdat daarin exorbitante prijzen werden aangerekend. Dit protest is tijdig, althans in de mate dat deze betrekking hebben op de facturen, die pas in de loop van de tweede helft van november werden meegedeeld. Dienaangaande kan er mogelijks tegenstrijdigheid bestaan met de beoordeling van de strafvordering ingevolge de strafklacht, neergelegd door Concordia zelf. De strafklacht van Concordia heeft onder andere betrekking op de veel te lage prijzen, die dhr. FD als werknemer van Concordia, zou aangerekend hebben aan Cummedia. Omdat deze prijzen veel te laag waren, heeft Cummedia haar prijzen, zoals aangerekend in de facturen vanaf 12.10.2005, aanzienlijk opgetrokken. In haar strafklacht beweert Concordia zelfs dat de prijzen 40 à 50 % ondergewaardeerd waren, waaruit eventueel zou kunnen afgeleid worden dat Concordia de prijzen in de recente facturen met 40 à 50 % opgetrokken heeft. Indien zou blijken dat de prijzen, door dhr. FD toegepast, helemaal niet ondergewaardeerd waren en integendeel als normaal te beschouwen zijn, dan zou dit tot gevolg kunnen hebben dat de prijzen betreffende de facturen, die tijdig betwist werden, overdreven zijn. Derhalve kan dit deel van de vordering nog niet definitief beoordeeld worden. Echter belet art. 4 Voorafg. Titel Sv. niet dat de rechter een vonnis alvorens recht te doen kan uitspreken ("Bestendig Handboek Burgerlijk Procesrecht", p. VII.5-8) Een vonnis waarbij de toestand van de partijen voorlopig geregeld wordt, is een vonnis alvorens recht te doen (art. 19 al. 2 Ger. W.; "Bestendig Handboek Burgerlijk Procesrecht", p. IV.5-153). In toepassing van art. 19 al. 2 Ger. W. kan de rechtbank een provisie toekennen, wat niet belet dat, indien bij de definitieve beoordeling zou blijken dat de provisie overdreven is, teruggave van het teveel betaalde zal moeten gebeuren ("Handboek Burgerlijk Procesrecht", p. IV.5-154). De rechtbank kent dienaangaande een provisie van ongeveer 50 % toe, hetzij 3.500,00 EUR. C. Rente De rechtbank stelt vast dat Cummedia geen ondergeschikt verweer in verband met de rente formuleert. Concordia heeft de conventionele rente herleid tot 9,5 %, wat niet als overdreven kan worden beschouwd. D. Schadebeding Ook betreffende de forfaitaire schadevergoeding wordt geen afzonderlijk verweer gevoerd. In het motiverend deel van haar besluiten, neergelegd op 28.4.2006, vordert Concordia een forfaitaire schadevergoeding, die zij vrijwillig herleidt tot 2.500,00 EUR. Aangezien dit bedrag niet overdreven is, is dit onderdeel van de vordering gegrond. E. Vordering tot betaling van 6.725,81 EUR, ten titel van opeisbare gelden als krediet/rekening-courant
  19. In haar besluiten, neergelegd op 14.12.2005, vroeg Cummedia de beoordeling van dit onderdeel van de vordering te schorsen omwille van de strafklacht. Gelet op de overwegingen van de rechtbank omtrent dit verweer betreffende de andere vorderingen, kan ook op deze exceptie niet worden ingegaan.
  20. Vervolgens wees Cummedia er in dezelfde besluiten op dat deze vordering diende afgewezen te worden, omwille van de weigering van Concordia om tot kort voordien de boekhouding van Cummedia te bezorgen. Daardoor zou het gevorderde bedrag "oncontroleerbaar" zijn. Concordia beweert dat zij de CD-rom met het boekhoudbestand eind september 2005 heeft afgegeven. Cummedia spreekt dit niet tegen. Cummedia heeft dus voldoende tijd gehad om de vordering van Concordia inhoudelijk te controleren. Zij formuleert echter geen inhoudelijk verweer ten gronde, zodat de vordering in verband met de rekening-courant gegrond is.
  21. De rentevoet betreffende deze vordering is gelijk aan de wettelijke rentevoet. Immers, op het kapitaal van een geldlening is de wet van 2.8.2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties niet van toepassing (Sagaert, V. en Samoy, I., "De wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties. Een verwittigd wanbetaler is er twee waard...", R.W., 2002-2003, p. 325). F. Vordering tot betaling van 391.960,02 EUR, wegens derde-medeplichtigheid De partijen zijn het erover eens dat de procedure in verband met deze vordering dient geschorst te worden ingevolge de door Concordia neergelegde strafklacht. II. TEGENEIS In haar repliekconclusie, neergelegd op 28.9.2006, verklaart Cummedia het volgende omtrent de gevolgen van haar eigen strafklacht (p. 10): "Bovendien dient de huidige procedure ook geschorst omwille van deze strafklacht, nu ook de volledige tegeneis die concluante stelt in huidige procedure gerelateerd is aan de feiten die het voorwerp uitmaken van de bewuste strafklacht (feiten van misbruik van vertrouwen, heling en oplichting)." De rechtbank stelt vast dat Concordia ten gronde ingaat op de tegenvordering, zonder zich echter expliciet te verzetten tegen de schorsing van de procedure in verband met de tegeneis. Haar expliciet verzet heeft enkel betrekking op de hoofdeis. Gezien de nochtans hierboven geciteerde duidelijke verklaring van Cummedia, stelt de rechtbank zich de vraag of Concordia zich verzet tegen de schorsing van de procedure omtrent de tegeneis omwille van de strafklacht. De debatten dienen heropend te worden teneinde hierover duidelijkheid te krijgen. Daarenboven merkt de rechtbank nog het volgende op:
  22. De vraag stelt zich of de rechtbank van koophandel bevoegd is betreffende de betwistingen, die betrekking hebben op de afgifte van de PDF-files en de gedrukte modellen. Indien daarover twijfel bestaat, zal dit probleem eventueel moeten voorgelegd worden aan de arrondissementsrechtbank, aangezien dit probleem niet voor elk verweer door Concordia is ingeroepen (artikel 640 Ger. W.). Er wordt gesteld dat de rechtbank geen kennis kan nemen van tegenvorderingen, die betrekking hebben op de exclusieve bevoegdheid van een andere rechtbank (Laenens, J., "Artikelsgewijs commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer. Gerechtelijk recht", Art. 563, p. 5, nr. 8). Tijdens de pleidooien argumenteerde de raadsman van Cummedia dat de PDF-files en modellen moeten afgegeven worden omdat zij daarop het intellectueel eigendomsrecht heeft. Klaarblijkelijk gaat het dus om het auteursrecht. Als dit de grondslag van de vordering tot afgifte is, dan behoort dit geschil eventueel tot de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg (artikel 569, 7° Ger. W.; Fettweis, A., "Handboek van Gerechtelijk recht. II. Bevoegdheid", p. 62, nr. 88). Het feit dat Cummedia zich zou steunen op de overeenkomst tussen haar en Concordia, belet niet dat het geschil rechtstreeks of onrechtstreeks zou te maken hebben met het auteursrecht (cfr. Arrondrb. Brussel, 8.1.1990, Pas., 1990, III, 76). De rechtbank verzoekt de partijen, en vooral Cummedia, verduidelijking te brengen.
  23. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat het stuk E17, vermeld in de inventaris van de besluiten van Cummedia, zich niet bevond in het door haar neergelegd dossier. III. UITVOERBAARHEID BIJ VOORRAAD In de dagvaarding vorderde Concordia dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zou worden verklaard. Zij heeft dit echter niet herhaald in haar besluiten. Dit laat echter niet toe te besluiten dat zij daarvan afstand zou gedaan hebben. Dit heeft echter wel tot gevolg dat deze vraag enkel in overweging kan genomen worden met betrekking tot de vordering, gesteld in de dagvaarding en niet met betrekking tot de eisuitbreiding in de besluiten. Met betrekking tot de vordering, zoals gesteld in de dagvaarding, is deze niet ernstig betwistbaar in de mate dat deze toegekend wordt. Het vonnis kan dus uitvoerbaar bij voorraad verklaard worden met betrekking tot: - de hoofdsom van 119.214,10 EUR, ten titel van betaling van het saldo van de facturen, vermeld in de dagvaarding (zonder intresten); - het bedrag van 6.725,81 EUR ten titel van opeisbare gelden als krediet/rekening-courant van de bvba Cummedia bij de bvba Concordia (zonder intresten). OP DEZE GRONDEN, DE RECHTBANK, Rechtsprekend op tegenspraak, A. Rechtsprekend over de hoofdvordering: Verklaart de hoofdvordering ontvankelijk en in volgende mate gegrond;
  24. Betreffende de facturen tot en met 22.8.2005 en de forfaitaire schadevergoeding: Veroordeelt de bvba Cummedia om aan de bvba Concordia HONDERDVIJFENTACHTIGDUIZEND DRIEHONDERD ZEVENENVEERTIG EURO EN EENENDERTIG CENT (185.347,31 EUR = 119.214,10 EUR + 63.633,21 EUR + 2.500,00 EUR ) te betalen, meer: - m.b.t. de facturen, vervallen vóór de dagvaarding, de moratoire rente op 119.214,10 EUR vanaf de respectieve vervaldagen tot de datum van de dagvaarding en de gerechtelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding tot de datum van betaling, telkens aan 9,5 % per jaar, met dien verstande dat, voor de berekening van de rente, de dubbele betalingen dienen toegerekend te worden op de hoofdsom van de oudste facturen; - m.b.t. de facturen, vervallen na de dagvaarding, de gerechtelijke rente op 63.633,21 EUR vanaf 24.11.2005 tot de datum van betaling, aan 9,5 % per jaar;
  25. Betreffende de facturen van 12.10.2005 tot 16.11.2005, Veroordeelt de bvba Cummedia om aan de bvba Concordia een provisie van DRIEDUIZEND VIJFHONDERD EURO (3.500,00 EUR) te betalen; Alvorens zich definitief uit te spreken over deze vordering: Schorst verder de procedure i.v.m. deze vordering,
  26. Betreffende de rekening-courant, Veroordeelt de bvba Cummedia eveneens om aan de bvba Concordia ZESDUIZEND ZEVENHONDERD VIJFENTWINTIG EURO EN EENENTACHTIG CENT (6.725,81 EUR) te betalen, meer de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet (thans 7 %) vanaf 24.11.2005 tot de datum van betaling;
  27. Betreffende de vordering tot betaling van 391.960,02 EUR wegens derde-medeplichtigheid, Schorst de procedure, B. Alvorens te oordelen over de tegeneisen, HEROPENT DE DEBATTEN, teneinde de partijen toe te laten: - standpunt in te nemen over de schorsing van de procedure in verband met de tegeneisen ingevolge de door de bvba Cummedia geformuleerde strafklacht bij de onderzoeksrechter; - standpunt in te nemen omtrent de overwegingen van de rechtbank betreffende de bevoegdheid. Stelt daartoe de zaak op de zitting van MAANDAG, 05 MAART 2007 om 9u30, in de gewone openbare zittingszaal te 8500 Kortrijk, Gerechtsgebouw II, Beheerstraat 41; C. Houdt de beslissing over de gerechtskosten aan; D. Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, betreffende de veroordeling van Cummedia tot betaling van: - de hoofdsom van 119.214,10 EUR, ten titel van betaling van het saldo van de facturen, vermeld in de dagvaarding (zonder intresten); - het bedrag van 6.725,81 EUR ten titel van opeisbare gelden als krediet/rekening-courant van de bvba Cummedia bij de bvba Concordia (zonder intresten). Aldus het vonnis, uitgesproken in openbare terechtzitting van de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk, gerechtsgebouw II, op maandag, vier december tweeduizend en zes; Aanwezig : G. Danneels, ondervoorzitter; D. Coussée en L. Flamée, rechters in handelszaken ; V. Soreyn, adjunct-griffier. V. Soreyn L. Flamée D. Coussée G. Danneels Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040617.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.