id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 06 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20061206.7 Rolnummer: AR 2301/05 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2009-02-12 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-07-02 14:47 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Gevolgen - Personen Vrije woorden: volstorting kapitaal - aanzuivering rekening-courant Tekst van de beslissing Nr. Rep. De Rechtbank van Koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, Provincie West-Vlaanderen, VIJFDE KAMER, rechtsprekend In de zaak nr. 2301/2005 der algemene rol. Laurence MONTAGNE, advocaat te 8500 Kortrijk, Pres. Rooseveltplein 5 bus 2, handelend in haar hoedanigheid van curator over het faillissement van de BVBA JOPAVAN, met vennootschapszetel te 8540 Deerlijk, Hoogstraat 45 en ingeschreven, voorheen in het handelsregister te Kortrijk onder het nummer 140.660, thans in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0460.517.495 (in staat van faillissement verklaard bij vonnis van 27 juli 2000 door de rechtbank van koophandel te Kortrijk, vierde kamer), Eiseres q.q., persoonlijk pleitend, TEGEN: Mevrouw A, verkoopster, wonende, voorheen te ..., thans te ..., Verweerster, hebbende als raadsman en pleitend Mter. Wim Vandenbussche, advocaat te Harelbeke. En de zaak nr. 2301/2005 gedw. tssk der algemene rol. Mevrouw A, verkoopster, wonende, voorheen te ..., thans te ..., Eiseres in gedwongen tussenkomst en vrijwaring, hebbende als raadsman en pleitend Mter. Wim Vandenbussche, advocaat te Harelbeke, TEGEN: De heer B, vrachtwagen-bestuurder, wonende te ..., Verweerder in gedwongen tussenkomst en vrijwaring, hebbende als raadsman en pleitend, Mter. Peter Desmet, advocaat te Waregem. De rechtbank heeft de partijen gehoord in openbare zitting van 8 november 2006 en heeft kennis genomen van de neergelegde stukken, hierbij toepassing makend van de artikelen 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. Met dagvaarding betekend op 10 juni 2005 vordert Laurence Montagne q.q., verder de curator genoemd, de veroordeling van A tot de betaling van euro 12.394,67, te vermeerderen met de rente vanaf 20 juni 2003 tot aan de dag van de algehele betaling en tot betaling van de kosten van het geding. Met dagvaarding betekend op 14 april 2006 vordert A de veroordeling van B tot de tussenkomst in de procedure tussen haar en de curator, haar vrijwaring voor al de veroordelingen die zij mocht oplopen ten opzichte van de curator. Zo luidt ook het dispositief van al de besluiten van A. In het overwegend deel van bepaalde conclusie vordert A weliswaar de provisionele veroordeling van B tot de betaling van euro 1,00 op grond van door hem begane bestuursfouten in de BVBA Jopavan.
- De feitelijke omstandigheden en het standpunt van de partijen De BVBA Jopavan werd opgericht voor notaris Frederic Opsomer op 16 april 1997 door A, enige oprichter. Het gehele kapitaal, 750.000 BEF (= euro 18.592,01) werd volgens verklaring van A geplaatst en werd voor één/derde volstort. A betwist helemaal niet dat zij begin 1999 nog gehouden was tot de volstorting van het kapitaal met 500.000 BEF (= euro 12.394,68). Zij legt evenwel het bewijs voor van een storting van die som ten voordele van de BVBA Jopavan daterend van 22 maart 1999, zodat, naar zij voorhoudt, moet aangenomen worden dat zij aan haar verbintenis tot volstorting heeft voldaan. Op 27 juli 2000 werd de BVBA Jopavan in staat van faillissement verklaard en werd Mter. Laurence Montagne als curator aangesteld. De curator beklaagt er zich over dat haar de boekhouding van de BVBA Jopavan niet werd overhandigd, tenzij enkele stukken, waaronder een interne jaarrekening op datum van 1 maart 1999 opgesteld. Het aandelenregister werd haar niet overhandigd. De rechtbank stelt evenwel vast dat in dit dossier ook andere nuttige stukken (aanstelling / ontslag zaakvoerder), te lichten uit het vennootschapsdossier, achterwege blijven. Op grond van die interne jaarrekening stelt de curator dat A op 1 maart 1999 a/ nog steeds haar verbintenis tot volstorting van het kapitaal van de BVBA Jopavan diende na te komen, b/ en zij op die datum ook een rekening-courant had aan te zuiveren van 1.717.919 BEF. Volgens de curator kan de betaling van 500.000 BEF uitgevoerd 22 maart 1999, door storting op de rekening van de BVBA Jopavan, evengoed betrekking hebben op de aanzuivering van de debetstand in de rekening-courant van A als op het voldoen van haar verbintenis tot volstorting van het kapitaal. De schrapping op de betalingsopdracht van A van de woorden "Volstorting Kapitaal" wijzen er volgens de curator op dat er bewust werd gekozen om toen niet over te gaan tot de volstorting van het kapitaal en eerder de rekening-courant aan te zuiveren, gezien ook de opvolgende betaling verricht door A op 4 juni 1999 voor een som van 300.000 BEF. A betwist helemaal niet dat er op 1 maart 1999 nog een debetstand in de rekening-courant was tot beloop van 1.717.919 BEF, bedrag dat door haar nog diende aangezuiverd te worden. Zij reageert helemaal niet op wat de curator daaromtrent heeft geconcludeerd op 31 augustus
- A houdt evenwel voor dat B verantwoordelijk was voor de boekhouding van de BVBA Jopavan. Volgens A was B zaakvoerder van de BVBA JOPAVAN, van zodra de BVBA werd opgericht en dit bleef tot aan de faillissementdatum, zodat B verantwoordelijk is voor de door hem begane foute boekingen en het verdwijnen van boekhoudkundige stukken. Volgens A heeft ook B op de betalingsopdracht tot de betaling van 500.000 BEF ten gunste van de BVBA Jopavan de mededeling "Volstorting Kapitaal" geschrapt. Op die gronden vordert A dat B veroordeeld wordt haar te vrijwaren. B betwist dat hij steeds zaakvoerder was van de BVBA Jopavan en dat hij de mededeling "Volstorting Kapitaal" op de betalingsopdracht zou hebben doorgehaald.
- Beoordeling. 2.a. De hoofdeis. Zoals hiervoor reeds aangehaald betwist A niet dat zij gehouden is tot de volstorting van het kapitaal van de BVBA Jopavan. Het feit dat een zekere X 150 aandelen van haar zou hebben overgenomen (wanneer ?) weerhoudt haar er niet van te stellen dat zij gehouden was tot volstorting van de aandelen van de BVBA Jopavan. Uit het aandelenregister kan er helemaal niet worden afgeleid dat er op 22 maart 1999 door A overgegaan werd tot de volstorting van de aandelen. Een aandelenregister ligt niet eens voor. Geen van de partijen ging daartoe over. Het is de rechtbank niet eens bekend of er wel een aandelenregister werd aangelegd in de BVBA Jopavan. Aangenomen wordt dat de volstorting van het kapitaal ook door andere bewijzen kan worden verstrekt, op voorwaarde dat daaruit de volstorting op ondubbelzinnige wijze blijkt en de bedoelde storting niet voor enige andere interpretatie vatbaar zou zijn, om te vermijden dat de aandeelhouder, naargelang het hem past, nu eens zou kunnen voorhouden dat de door hem aan de vennootschap ter beschikking gestelde gelden bedoeld waren als volstorting van de door hem beloofde inbreng, of dan weer zou kunnen beweren dat het om een lening ging of, zoals in voorliggend geval, om de betaling van een andere schuld. (Gent, 23 november 1999, TRV 2001, 183). In casu heeft de BVBA Jopavan, een betaling ontvangen vanwege A op 22 maart 1999 voor een bedrag van 500.000 BEF, zonder enige vermelding. De door A voorgelegde fotokopie van de betalingsopdracht bevat ook geen enkele mededeling, want doorschrapt. Wat er in de opdracht initieel was genoteerd is zo goed als volledig onleesbaar gemaakt. De BVBA Jopavan kon bij de creditering van haar rekening in elk geval niet noteren dat het om een volstorting van aandelen ging. Patrica Vanneste betwist hoegenaamd niet dat zij een rekening-courant voerde bij de BVBA Jopavan die begin maart 1999 debet stond voor een bedrag van 1.717.979 BEF. De betaling van 500.000 BEF aan de BVBA Jopavan door A, zonder enige mededeling, terwijl A nog haar debetstand gevoerd bij de BVBA Jopavan diende aan te zuiveren, laat niet toe te besluiten dat de betaling van die som ondubbelzinnig als volstorting van het kapitaal dient te worden weerhouden. Naar het oordeel van de rechtbank is de betaling van 4 juni 1999 door A aan de BVBA Jopavan evenwel als volstorting van het kapitaal te weerhouden. Bij die overschrijving staat de mededeling "Inbreng". Die vermelding op zich bewijst niet dat het om een kapitaalsinbreng ging bij een genomen beslissing tot kapitaalsverhoging. Uit niets blijkt dat de vennootschap toen had beslist tot het doorvoeren van een kapitaalsverhoging. In het gewone taalgebruik is een inbreng, wat de deelgenoten aan een vennootschap voor haar oprichting afstaan (Van Daele, Groot woordenboek der Nederlandse taal). Zie ook de terminologie in het arrest van het hof van beroep te Gent van 23 november 1999, (TRV 2001, 183): een betaling aan de vennootschap als volstorting van de beloofde "inbreng". Bij een betaling met de mededeling " inbreng", kan, naar het oordeel van de rechtbank, A dan ook enkel bedoeld hebben, betaling van de som die zij nog ter beschikking diende te stellen van de vennootschap volgens haar verbintenis bij de oprichting aangegaan of dus volstorting van het kapitaal met dat overgeschreven bedrag. Daaruit volgt dat de vordering van de curator ten opzichte van A slechts gegrond is voor de som van 200.000 BEF of euro 4.957,
- 2.b. De vordering tot tussenkomst en vrijwaring. De verbintenis tot vrijwaring is de conventionele of de wettelijke verplichting om een ander te verdedigen tegen een dreigend nadeel (R.P.D.B., V° Garantie, nr. 3). Tussen BVBA Jopavan en A bestaat er de verbintenis van de laatste tot volstorting van het kapitaal van de vennootschap. Uit niets blijkt dat B er zich toe zou hebben verbonden om A te vrijwaren voor de betaling van de bedragen die tot volstorting dienen vereffend te worden. B was hoogstens (een tijdlang) zaakvoerder van de BVBA Jopavan. In casu is er ook geen spoor van een wettelijk geval van vrijwaring: het is geen overdracht ten bezwarende titel van een zakelijk recht of schuldvordering, geen schenking met uitdrukkelijk engagement, geen verdeling tussen erfgenamen en het is geen geval waarbij er meerdere personen gehouden zijn tot betaling van eenzelfde schuld jegens een derde (R.P.D.B., V° Garantie, nrs 8, 9, 10 en 11). Het feit dat A veroordeeld wordt tot de betaling van het saldo van het vol te storten kapitaal is niet het gevolg van een daad van B maar van haar eigen contractuele plicht tot volstorting van het kapitaal. De vordering tot vrijwaring wordt dan ook als ongegrond afgewezen. Volledigheidshalve wijst de rechtbank er op dat het feit dat het aandelenregister niet wordt voorgelegd of kan worden voorgelegd, geen enkele invloed heeft op de veroordeling van A tot volstorting, nu er ook rekening gehouden wordt met al de andere elementen om te oordelen of er al dan niet werd overgegaan tot de volstorting van het kapitaal. De BVBA Jopavan kon bij de ontvangst van het bedrag van 500.000 BEF op haar rekening, zonder enige mededeling, dat bedrag niet als volstorting van het kapitaal aanwenden, doch enkel als een gedeeltelijke betaling van de debetstand in rekening-courant van A, of hoogstens als een lening vanwege A. Waar A die betaling uitvoerde, is het ontbreken van enige bestemming van de betaalde som enkel aan haar te wijten of aan wie zij met de opdracht tot de afgifte van de betalingsopdracht aan haar bankinstelling belastte. Er is geen bewijs dat B met die opdracht belast werd. Bij gebrek aan fout in hoofde van B kan die niet gehouden zijn tot betaling van enige eigen schade in hoofde van A, die volgens deze laatste enkel gelegen is in het feit dat zij thans ("nogmaals") aangesproken wordt tot de volstorting van het kapitaal. In elk geval voert zij geen andere elementen van schade aan. Nopens de gevoerde betwisting over de schrapping van de mededeling op de betalingsopdracht van 500.000 BEF, wijst de rechtbank op wat volgt. De vraag of B die opdracht al dan niet ondertekende heeft geen belang. Het schriftonderzoek daaromtrent gevorderd, is dus zinloos. De bankinstelling heeft die betalingsopdracht hoe dan ook uitgevoerd, waarbij deze er van uitging dat de opdracht ondertekend was door de persoon die de handtekening over die rekening kon voeren (volmachthouder van de rekening van A ?). Wel belangrijk is wie de mededeling schrapte. Aan de hand van een onderzoek van dat stuk blijkt wel dat de woorden "Volstorting kapitaal" werden doorstreept. De letters V O en G (volstorting) / K en A (kapitaal) zijn nog enigszins leesbaar. Dat onderzoek brengt echter geen enkel bewijs met zich mee of A dan wel B, of nog een derde persoon, die mededeling schrapte, noch wanneer dat gebeurde. Enige fout in hoofde van B is daaromtrent dan ook in elk geval niet bewezen. Volgens de rechtbank kwam het A boekhoudkundig dan wel meer aangewezen voor haar debetstand in rekening-courant aan te zuiveren, eerder dan over te gaan tot volstorting van het kapitaal: de administratie van de belastingen rekent immers de debetrente aan de wettelijke rentevoet op de debetstand in rekening-courant, gevoerd door de zaakvoerder bij zijn vennootschap, jaarlijks die zaakvoerder aan als belastbaar inkomen, als voordeel van allerlei aard. Het vol te storten kapitaal was op 22 maart 1999 nog niet opgeëist. In elk geval ligt daar geen bewijs van voor. Op die som was er door A dus nog geen rente verschuldigd. A had er dus alle belang bij eerder de debetstand in haar rekening-courant aan te zuiveren eerder dan het kapitaal te volstorten. Bij gebrek aan bewezen fout wordt B niet verantwoordelijk gehouden voor de schrapping van de mededeling op de betalingsopdracht en de daaruit voortspruitende gevolgen, met name dat A ("nogmaals") aangesproken wordt tot volstorting van het kapitaal. * * * Bij gebreke aan specifieke motivering, die de toestand van de schuldeiser betreft, waarom de schuldenaar van zijn principieel recht tot kantonnement zou moeten uitgesloten worden, wordt op de eis tot uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement door de rechtbank niet ingegaan. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak; Alle anders luidende en / of tegenstrijdige conclusies van de hand wijzend; Verklaart de vordering van de curator ontvankelijk en in volgende mate gegrond; Veroordeelt A tot de betaling aan de curator van de som van euro 4.957,87 (vierduizend negenhonderd zevenenvijftig euro en zevenentachtig cent) te vermeerderen met de rechterlijke rente aan 7 % vanaf 20 juni 2003 tot de dag van de betaling; Wijst het door de curator meergevorderde af als ongegrond; Verklaart de vordering tot gedwongen tussenkomst van A lastens B ontvankelijk en gegrond; Verklaart de vordering tot vrijwaring van A en de vordering tot betaling van schadevergoeding lastens B ontvankelijk, doch wijst deze af als ongegrond; Verwijst A tot al de kosten van het geding en stelt deze tot op heden vast in hoofde van de curator op euro 223,22 kosten dagvaarding en rolstelling oorspronkelijke dagvaarding en in hoofde van B op euro 364,40 rechtsplegingsvergoeding; Onverminderd de toepassing van art. 1024 Ger.W. voor wat de uitvoering van dit eindvonnis betreft; Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling; Aldus het vonnis uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in openbare terechtzitting op woensdag, ZES DECEMBER TWEEDUIZEND EN ZES. Aanwezig: de heren L. Vandenbroucke, rechter, P. De Poot en P. Matton, rechters in handelszaken, mevrouw Ch. Busschaert, griffier. Ch. Busschaert P. Matton P. De Poot L. Vandenbroucke. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div