← België

ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20061213.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 13 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20061213.15 Rolnummer: AR 3534/05 Rechtsgebied: Internationaal privaatrecht Invoerdatum: 2009-02-17 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-02 14:50 Fiche UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Algemene bepalingen - Conflictenrecht - Uitzonderingsclausule Vrije woorden: art. 15 §2 in fine van de wet van 16/7/04 Tekst van de beslissing Nr. Rep. De Rechtbank van Koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, Provincie West-Vlaanderen, VIJFDE KAMER, rechtsprekend In de zaak nr. 3534/05 der algemene rol. De vennootschap naar vreemd recht LTD. TAREX EXPORTS, met vennootschapszetel te 110014 New Delhi (India), K-15 Jangpura Extension, Eiseres, hebbende als raadsman Mter. Tom De Meester, advocaat te Antwerpen en pleitend Mter. Caroline Sustronck, advocaat te Kortrijk, TEGEN: De heer A, handel drijvende onder de benaming "...", wonende te ... en ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer ..., Verweerder, hebbende thans als raadsman Mter. Kaïn Verlinde, advocaat te Desslgem en pleitend Mter. Xavier Vandenberghe, advocaten te Waregem. De rechtbank heeft de partijen gehoord in de openbare zitting van 15 november 2006 en heeft kennis genomen van de neergelegde stukken, hierbij toepassing makend van de artikelen 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. Met dagvaarding, betekend op 4 oktober 2005, vordert de eiseres de veroordeling van de verweerder tot de betaling van euro 14.941,30 te vermeerderen met de verwijlrente vanaf de respectieve vervaldagen, met de gerechtelijke intresten sedert de dagvaarding en met de gerechtskosten, de rechtsplegingsvergoeding inbegrepen. Met haar besluiten vordert de eiseres daarenboven nog de veroordeling van de verweerder tot de terugbetaling van een ontleend bedrag, euro 5.279,15, te vermeerderen met de verwijlrente vanaf 23 maart 2006 tot de dag van de betaling.

  1. Korte schets van de feiten en het standpunt van de partijen. De eiseres houdt voor dat haar bedrijfsleider bevriend raakt met de verweerder, die het volledig gamma van de producten van haar bedrijf leerde kennen, de verweerder eind december besloot te Waregem een winkel in te richten bestemd voor de verkoop van Indische producten bij haar aan te kopen, zij de verweerder krediet verschafte voor de opstart van die winkel: zij stortte begin 2004 de verweerder in vijf keer een totaalbedrag van euro 5.279,15; zij ging akkoord met een betalingstermijn van haar facturen van 90 dagen, zij de verweerder twee keer koopwaren leverde, de eerste maal bij zeevracht, een tweede keer bij luchtvracht, haar facturen van 6 februari 2004 en 22 april 2004 voor respectievelijk euro 9.339,00 en euro 4.244,00 door de verweerder protestloos aanvaard werden, haar ingebrekestellingen van 13 december 2004, 1 mei 2005 en13 augustus 2005 en deze van haar raadsman van 20 september 2005 zonder protest bleven, zij de verweerder in contact bracht met W uit Duisburg, die handel drijft in kunsthandwerk uit Oost-Azië, aan wie de verweerder een aantal artikelen, voor hooguit een venale waarde van euro 500,00, in consignatie gaf. In die omstandigheden zag de eiseres zich uiteindelijk gedwongen om in rechte betaling te vorderen van haar onbetaalde factuurbedragen, verhoogd met de rente en een schadevergoeding en terugbetaling te vorderen van de door haar aan de verweerder voorgeschoten sommen. De verweerder van zijn kant houdt voor dat er met de eiseres een overeenkomst tot stand kwam om samen te werken in een feitelijke vennootschap die een verkoopspunt zou opstarten in Waregem voor de verkoop van Indische producten, hij en de eiseres elk euro 10.000,00 in de vennootschap zouden inbrengen, verbintenis die de eiseres deels nakwam door begin 2004 in totaal euro 5.266,65 te storten op zijn rekening, de door de eiseres geleverde goederen niet conform de bestelling waren en gebrekkig, eind 2004 de eiseres voor een afnemer van de goederen zorgde in de persoon van W, een van haar Duitse klanten, die samen met de bedrijfsleider van de eiseres het grootste deel van de goederen kwam opladen, er door W niets in zijn handen werd betaald. Volgens de verweerder werd hij puur opgelicht: hij werd opgescheept met onbestelde, onverkoopbare goederen, die door de bedrijfsleider terug werden meegenomen in samenwerking van W. In die omstandigheden heeft de verweerder klacht neergelegd tegen de bedrijfsleider van de eiseres en tegen W. De verweerder houdt in de eerste plaats dienvolgens voor dat dit burgerlijk geding moet worden geschorst tot de uitslag van de strafvordering vaststaat. In ondergeschikte orde houdt de verweerder voor dat de geleverde goederen niet aanvaard werden, want terug opgehaald, zodat de vordering ongegrond is, de eiseres geen tweemaal betaling kan bekomen, eenmaal van hem en eenmaal van W, hij en de eiseres een commerciële maatschappij hebben opgericht, zodat de eiseres als hoofdelijk aansprakelijk vennoot eveneens gehouden is tot dezelfde vennootschapsschulden, waardoor de schuldvordering van de eiseres ophoudt te bestaan, de gevorderde rente en schadevergoeding niet verschuldigd zijn.
  2. Beoordeling. a. De verweerder vordert dat de behandeling van de zaak zou worden opgeschort tot na de afhandeling van de door hem neergelegde strafklacht, overeenkomstig het adagium "le criminel tient le civil en état". Art. 4 van de voorafgaande titel van het wetboek van strafvordering bepaalt dat een burgerlijke rechtsvordering geschorst wordt, zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die vóór of gedurende de burgerlijke vordering is ingesteld. Deze bepaling beoogt te vermijden dat er een tegenstrijdigheid zou bestaan tussen de beslissing van de burgerlijke rechter en de beslissing van de strafrechter. (Sagaert V., "De positie van de schuldeisers bij strafrechtelijk beslag en verbeurdverklaring van vermogensvoordelen", T.P.R. 2000, nr. 15, blz. 68 / Gent, 18 januari 1994, R.W. 1994-95, blz. 231). Die bepaling houdt in dat, wanneer aan de strafrechter een beslissing wordt opgedragen over punten die gemeen zijn aan de strafvordering en de burgerlijke vordering, op zulke wijze dat er gevaar voor tegenstrijdigheden bestaat, de burgerlijke rechter zijn uitspraak dient uit te stellen tot er een definitieve beslissing is over de strafvordering. (Verstraeten R., "Handboek Strafvordering", derde druk, nr. 311, blz. 159 / Declercq R., "Beginselen van Strafrechtspleging", 2de editie, nr. 1940, blz. 829 / Cass. 20 januari 1984, Arr. Cass. 1983-84, 270 / Cass. 21 januari 1991, Arr. Cass. 1990-91, 261). Deze regel wordt gesteld omdat het strafvonnis ten opzichte van de afzonderlijk ingestelde burgerlijke rechtsvordering gezag van gewijsde heeft aangaande de punten die aan de strafvordering en aan de burgerlijke rechtsvordering gemeen zijn. (Cass. 19 maart 2001, R.W. 2001-2002, 736). Opdat de burgerlijke rechtsvordering zou geschorst worden op grond van voormeld art. 4, dient er aan twee voorwaarden voldaan te zijn: Vooreerst moet de strafvordering reeds zijn ingesteld. Een loutere klacht, gevolgd door een opsporingsonderzoek door het openbaar ministerie, kan de schorsing van de burgerlijke rechtsvordering niet rechtvaardigen (Rb. Brussel, 29 april 1999, J.T., 1999, 541 / Kh. Doornik, 24 november 1998, J.T. 1999,90). Dit is wel het geval wanneer de strafrechter of de onderzoeksrechter effectief gevat zijn. De burgerlijke partijstelling voor onderzoeksrechter heeft immers voor gevolg dat de strafvordering wordt ingesteld (Brussel, 30 januari 2001, R.W. 2001-2002, 27). Bovendien moet de uitspraak over de burgerlijke vordering slechts opgeschort worden, wanneer zij betrekking heeft op punten die gemeenschappelijk zijn met de strafvordering. (Gent, 18 januari 1994, R.W. 1994-95, 231). De grond van de burgerlijke vordering dient derhalve in verband te staan met het resultaat van de strafvordering (Brussel, 5 februari 1999, R.G.A.R. 2000, nr. 13.296). Dit is het geval wanneer de burgerlijke rechter geen uitspraak kan doen over de burgerlijke vordering zonder zich uit te spreken over de gegevens die aan de strafrechter worden voorgelegd. (Cass. 23 maart 1992, Arr. Cass. 1991-92, 389). Uit de door de verweerder verstrekte gegevens blijkt dat hij louter een strafklacht heeft neergelegd. Hij bewijst zelfs niet dat het instellen van een opsporingsonderzoek door het openbaar ministerie werd aangekondigd. In elk geval werd geen strafrechter of onderzoeksrechter reeds gevat. Aan de eerste voorwaarde hiervoor omschreven werd in casu dus niet voldaan. Er zijn dan ook geen redenen om de burgerlijke rechtsvordering te schorsen. b. Overeenkomstig art. 1 W. Venn vormt de inbreng van de vennoten één van de constitutieve bestanddelen van het vennootschapscontract. Het behoort tot de essentie van elk vennootschapscontract dat iedere vennoot deelneemt in de winst en bijdraagt in het verlies (Geens K. e.a., "Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen 1992-1998", T.P.R. 2000, blz. 113-114 nrs. 7 tot en met 10). In voorliggend geval is er geen enkel bewijs dat de eiseres de verbintenis heeft aangegaan om samen met de verweerder een inbreng in een vennootschap te doen. De betalingen door de eiseres verricht op de rekening van de verweerder in het begin 2004, duiden niet op het vervullen van enige beloofde inbreng. De mededelingen op de voorgelegde mededelingen van de overschrijvingen houden niets in die zin in. Op vier van de vijf overschrijvingen staat er geen mededeling. Op de vijfde overschrijving is er vermeld: "MISC FOR PROJECT" of vrij vertaald, "een allegaartje voor het project". Die mededeling kan op van alles slaan: de betaling van een beloofde inbreng, van een toegezegde lening, van enige vrijgevigheid, of de terugbetaling van door de verweerder voorgeschoten kosten. Er is ook geen bewijs dat de eiseres deelneemt in de winst of bijdraagt in het verlies of zich verbonden had daarin deel te nemen of daaraan bij te dragen. Het feit dat de verweerder de eiseres verzocht drukwerk te laten opmaken in India, bewijst geenszins de oprichting van een vennootschap tussen de eiseres en de verweerder. Wanneer de eiseres aandrong op de betaling van de geleverde goederen heeft de verweerder daar evenwel nooit op gereageerd. Er kwam geen reactie van de verweerder nopens een nog te betalen bijkomende inbreng tot een bedrag van euro 10.000,00 of nopens een ten laste te nemen bijdrage in de verliezen van de beweerdelijk opgerichte vennootschap. Bij het formuleren van zijn strafklacht tegen de bedrijfsleider van de eiseres repte de verweerder ook met geen woord over de beweerdelijk opgerichte vennootschap. In die strafklacht houdt de verweerder voor dat hij een zaak had, dat hij handel dreef met de eiseres, dat hij een container goederen aankocht... Eerst nu in zijn besluiten, neergelegd op 16 november 2005, meer dan anderhalf jaar na het voorgehouden verzuim van de eiseres om haar beweerde vennootschapsrechtelijke verplichtingen na te komen, voert de verweerder dit argument aan. In voormelde omstandigheden kan de rechtbank geen geloof hechten aan de uiteenzetting van de verweerder nopens een tussen hem en de eiseres opgerichte vennootschap en de gevolgen die de verweerder daar uit afleidt. In aansluiting met wat voorafgaat volgt evenwel niet dat de eiseres bewijst dat zij de verweerder een lening heeft toegestaan van euro 5.279,15, waarvan zij de terugbetaling kan vorderen, zoals zij bij eisuitbreiding in haar besluiten doet. De eiseres bewijst wel dat zij de verweerder euro 5.279,15 heeft betaald. Maar de eiseres bewijst niet dat de verweerder de verplichting aanging om die sommen terug te betalen. (Cass. 8 april 1976, R.W. 1976-77, 665 / Antwerpen, 4 december 1995, A.J.T., 1996-97, 3). Dit onderdeel van de vordering van de eiseres is ongegrond. c. De vordering tot de betaling van de door de eiseres geleverde goederen komt de rechtbank wel als gegrond over. Bij gebrek aan rechtskeuze door de partijen wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst verbonden is ( Art. 4.
  3. Verdrag van Rome van 19 juni
  4. EVO). De overeenkomst wordt vermoed het nauwst verbonden te zijn met het land waar de partij die meest kenmerkende prestatie moet verrichten haar gewone verblijfplaats of haar hoofdbestuur heeft op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst (art. 4.2 EVO). Bij wederkerige overeenkomsten is de kenmerkende prestatie deze waarvoor betaald wordt. De kenmerkende prestatie bij de aanneming van werk is dus de werkprestatie, door de eiseres uitgevoerd, die in India haar enig bestuur en dus haar hoofdbestuur heeft. Een jaar terug heeft de verweerder in zijn besluiten de eiseres gesommeerd het toepasselijke recht toe te lichten. Tot op heden vruchteloos. Overeenkomstig art. 15 § 2 in fine van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van Internationaal Privaatrecht oordeelt de rechtbank dan ook dat het kennelijk onmogelijk is de inhoud van het toepasselijk buitenlands recht tijdig vast te stellen, zodat het Belgisch recht wordt toegepast. Het CISG is van toepassing op koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, zoals in voorliggend geval, tussen partijen die in verschillende Staten gevestigd zijn, wanneer volgens de regels van internationaal privaat recht het recht van een verdragsluitende Staat van toepassing is. België is een verdragsluitende Staat. Hiervoor oordeelde de rechtbank dat het Belgische recht van toepassing is. Zodoende wordt het CISG op deze casus toegepast. Bij de ontvangst van de goederen, begin 2004, heeft de verweerder nooit geprotesteerd. Eerst bij het neerleggen van de strafklacht op 10 oktober 2005, dat is meer dan een jaar na de ontvangst van de goederen, heeft de verweerder laten noteren dat hem niet bestelde goederen en beschadigde goederen werden geleverd. Dat protest werd toen zelfs nog niet overgemaakt aan de verkoper. Overeenkomstig art. 38-1) CISG moet de koper de zaken evenwel binnen een, gelet de omstandigheden, zo kort mogelijke termijn keuren of doen keuren. Naar het oordeel van de rechtbank gaan de klachten van de verweerder om zichtbare niet-conformiteit (wat niet besteld is en er is schade aan de goederen) die bij een eerste onderzoek aan het licht dienden te komen [Van Houtte H., Erauw J., Wautelet P., (eds.), "Het Weens Koopverdrag", nr. 5.41]. Overeenkomstig art. 39-1) CISG, verliest de koper het recht om er zich op te beroepen dat de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden, indien hij niet binnen een redelijke termijn nadat hij dit heeft ontdekt of had behoren te ontdekken de verkoper hiervan in kennis stelt, onder opgave van de aard van de tekortkoming. De Rechtbank neemt aan dat de verweerder de niet-conformiteit had behoren te ontdekken bij het uitladen van de goederen, dus binnen zeer korte tijd na de levering, zo goed als onmiddellijk na de levering, begin 2004, waarna het protest binnen redelijke termijn diende geuit te worden. Aangenomen wordt dat als een algemene deler voor de protesttermijn één maand geldt, na het aflopen van de keuringstermijn. (De Groot S., "Non-conformiteit volgens het Weens Koopverdrag", T.P.R., 1999, blz. 671-679, nr. 4.2.1). In casu is er niet eens aangetoond dat de verweerder voorafgaand deze procedure de eiseres ooit in kennis stelde dat de leveringen niet conform waren. Uit het feit dat de eiseres met de verweerder een oplossing zocht voor goederen geleverd aan de verweerder, die deze niet aan de man kon brengen, volgt geenszins het bewijs dat de eiseres akkoord ging met het feit dat zij niet-conforme goederen had geleverd, of dat zij afstand deed van het recht zich er op te beroepen dat de verweerder de goederen niet tijdig had gekeurd en er omtrent protest had laten horen. Ook het verweer dat de eiseres maar betaling dient te eisen van W, die met de eiseres de geleverde goederen is komen ophalen, kan niet worden gevolgd. Uit niets blijkt dat de eiseres en de verweerder akkoord gingen om hun koopovereenkomst te ontbinden, waardoor de eiseres opnieuw over haar goederen zou kunnen beschikken en de verweerder niet tot enige betaling gehouden zou zijn. Indien er enig mondeling akkoord in die zin zou zijn gesloten, is in de stukken van de partijen daaromtrent geen enkele neerslag van terug te vinden: de eiseres heeft de verkoopfacturen niet gecrediteerd; de verweerder heeft geen factuur lastens de eiseres opgesteld. Voor zover de verweerder de goederen zou doorverkocht hebben aan W, die in een voorgelegde brief voorhoudt enkel een kleine hoeveelheid goederen te hebben opgeladen en deze in consignatie te houden, raakt dit uiteraard de rechten niet van de eiseres die betaling van haar leveringen kan eisen. d. Art. 78 CISG. Bepaalt: "Indien een partij tekort schiet in de betaling van de prijs of enig ander achterstallig bedrag, heeft de andere partij recht op rente hierover, onverminderd haar recht op schadevergoeding overeenkomstig art. 74" Overeenkomstig art. 78 CISG is er op de koopsom rente verschuldigd vanaf het ogenblik waarop de betaling moet geschieden, zonder dat daartoe een ingebrekestelling nodig is [Van Houtte H., Erauw J., Wautelet P., (eds.), "Het Weens Koopverdrag", nr. 8.8]. De eiseres geeft toe dat zij akkoord ging om de verweerder 90 dagen krediet te gunnen. De betaaldata van de facturen situeert zich derhalve op 90 dagen na de factuurdata, respectievelijk op 6 mei 2004 en 22 juli
  5. Pas vanaf die data is er rente verschuldigd. Er werd geen rentevoet vastgelegd tussen de partijen voor het geval er moratoire rente zou verschuldigd zijn wegens laattijdige betaling van de facturen. Interne leemten van het CISG, deze die betrekking hebben op onderwerpen die binnen het toepassingsgebied vallen van het CISG, maar die niet op uitdrukkelijke wijze zijn geregeld, zoals de vraag naar de hoogte van de intrestvoet, moeten worden opgelost aan de hand van de algemene beginselen waarop het verdrag steunt, of bij ontstentenis van zodanige beginselen, in overeenstemming met het krachtens de regels van het internationaal privaat toepasselijke recht. (art. 7 - 2) CISG). Dit betekent dat er aan het begrip rente in art. 78 CISG een transnationale inhoud moet worden gegeven, zodat een internationaal gehanteerde intrestvoet moet worden gehanteerd. Er kan volgens de rechtbank worden teruggegrepen naar de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties, die de richtlijn 2000/35/EG van het Europese Parlement en de Raad van 29 juni 2000 omzet. De aldaar vastgelegde rentevoet kan als internationale standaard gehanteerd worden. Naast haar aanspraak op moratoire intresten maakt de eiseres nog terecht aanspraak op een aanvullende schadevergoeding wegens invorderingskosten [Van Houtte H., Erauw J., Wautelet P., (eds.), "Het Weens Koopverdrag", nr. 8.10]. Volgens art. 74 CISG bestaat de schadevergoeding wegens een tekortkoming van een partij uit een bedrag gelijk aan de schade die door de andere partij als gevolg van de tekortkoming wordt geleden. Evenmin kan hierbij teruggevallen worden op enig conventioneel forfaitair vastgelegd bedrag. Het kan echter niet weggecijferd worden dat de eiseres eerst zelf is overgegaan tot ingebrekestellingen en zich vervolgens verplicht zag in het buitenland een procedure in rechte te voeren met de bijstand van een vreemde raadsman. Een en ander zal een aantal kosten met zich gebracht hebben, die konden vermeden worden indien de verweerder niet tekort was gekomen aan zijn verplichtingen. Een vergoeding van 10 % op de hoofdsom komt de rechtbank in de gegeven omstandigheden, dan ook gerechtvaardigd over. Op die som is evenwel geen rente verschuldigd. * * * Bij gebreke aan specifieke motivering, die de toestand van de schuldeiser betreft, waarom de schuldenaar van zijn principieel recht tot kantonnement zou moeten uitgesloten worden, wordt op de eis tot uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement door de rechtbank niet ingegaan. e. De verweerder vordert in het dispositief van zijn besluiten dat er hem voorbehoud verleend wordt om W in de procedure te betrekken, voor zover de eiseres staande houdt geen betaling te hebben ontvangen van W. Krachtens art. 18, tweede alinea, Ger.W., kan een rechtsvordering tot verkrijging van een verklaring van recht worden toegelaten, indien zij is ingesteld om de schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen. De vordering, ertoe strekkend akte te horen verlenen van het door de verweerder gemaakte voorbehoud om W in de procedure te betrekken, is niet ingesteld om de schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen, aangezien de verweerder ook zonder deze akteverlening dergelijke vordering kon en nog kan instellen en daarin alle middelen kan laten gelden. In haar besluiten van 23 maart 2006 heeft de eiseres overigens impliciet te kennen gegeven dat zij geen betaling had ontvangen van W. De verweerder deed sedert het neerleggen van die besluiten evenwel niets om W in deze zaak te betrekken. Deze vordering van de verweerder wordt derhalve als ontoelaatbaar afgewezen. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak; Alle anders luidende en / of tegenstrijdige conclusies van de hand wijzend; Verklaart de uitgebreide vordering van de eiseres ontvankelijk en in volgende mate gegrond; Veroordeelt de verweerder om aan de eiseres te betalen de som van euro 14.941,30 (veertienduizend negenhonderd eenenveertig euro en dertig cent), te vermeerderen met de rente aan 9,5 % op - euro 9.339,00 vanaf 6 mei 2004, - euro 4.244,00 vanaf 22 juni 2004, en dit telkens tot de dag van de betaling, de rente moratoire rente te noemen tot de dag van de dagvaarding, daarna gerechtelijke rente te noemen; Wijst het meergevorderde af als ongegrond; Wijst de vordering van de verweerder tot het verlenen van voorbehoud om een derde in de procedure te betrekken af als niet ontvankelijk; Veroordeelt de verweerder tot de kosten van het geding en stelt deze tot op heden vast aan de kant van de eiseres op euro 251,04 kosten dagvaarding en rolstelling en op euro 364,40 geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding. Onverminderd de toepassing van art. 1024 Ger.W.; Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling; Aldus het vonnis uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in openbare terechtzitting op woensdag, DERTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN ZES. Aanwezig: de heren L. Vandenbroucke, rechter, P. De Poot en P. Matton, rechters in handelszaken, laatstgenoemde door de Voorzitter aangewezen in vervanging van de plaatsvervangende rechter in handelszaken F. Vankeirsbilck, wettig verhinderd zijnde de uitspraak van huidig vonnis bij te wonen waarover hij mede heeft beraadslaagd, mevrouw Ch. Busschaert, griffier. Ch. Busschaert P. Matton P. De Poot L. Vandenbroucke. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.