id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 20 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20061220.5 Rolnummer: AR 2949/05 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-02-17 Raadplegingen: 129 - laatst gezien 2026-07-02 14:52 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Koop-verkoop - Internationale koop Vrije woorden: wanneer CISG (stilzwijgend) uitgesloten ? Tekst van de beslissing Nr. Rep. De Rechtbank van Koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, Provincie West-Vlaanderen, VIJFDE KAMER, rechtsprekend In de zaak nr. 2949/2005 der algemene rol. De vennootschap naar Portugees recht FABRICA CHICORIA DE CLEMENTE ANT & JOSE ANT. MEDEIROS LDA, met vennootschapszetel te 7490 Mora (Portugal), Hercade Do Reguengo - Pavia en ingeschreven bij de BTW onder het nummer PT-512003599, Eiseres, hebbende als raadsman Meester Olivier Lambert, advocaat te Namen en pleitend Meester Sofie Vanden Bulcke, advocaat te Kortrijk, TEGEN : De NV DUMA, met vennootschapszetel te 8510 Kortrijk-Marke, Torkonjestraat 23 en ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0442.821.925, Verweerster, hebbende als raadsman en pleitend Meester Patrick Van Vlierberghe, advocaat te Kortrijk. De rechtbank heeft de partijen gehoord in openbare zitting van 22 november 2006 en heeft kennis genomen van de door de partijen neergelegde stukken, hierbij toepassing makend van de artikelen 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. Met dagvaarding betekend op 26 augustus 2005 vordert de eiseres: in hoofdzaak de ontbinding van de tussen de eiseres en de verweerster gesloten verkoop ten laste van de verweerster en deze te veroordelen tot terugbetaling van de prijs aan de eiseres, waarbij alle maatregelen zijn genomen om het voertuig, dat thans in de loods van de eiseres wordt bewaard, terug te nemen op haar eigen kosten, in ondergeschikte orde te horen zeggen voor recht dat de verweerster in gebreke is gebleven nopens haar leveringsplicht ten gevolge van de gesloten verkoop en dienvolgens de verweerster te veroordelen tot de betaling aan de eiseres van de som van euro 3.500,00 als schadevergoeding, te vermeerderen met de vergoedende en de gerechtelijke intresten tegen de wettelijke rentevoet, vanaf de dag van de levering, hetzij 1 juli 2003, de verwijzing van de verweerster tot de kosten van het geding, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen. In haar besluiten vordert de eiseres nog de machtiging om door alle middelen van recht het bewijs te mogen leveren dat na de levering van het materieel contacten werden gelegd met de verweerster in de maand juli 2003 om een oplossing voor het gerezen geschil te zoeken.
- De feitelijke omstandigheden. Nadat de eiseres op 13 juni 2003 aan de verweerster meedeelde dat zij de aankoop van een tweedehands heftruck annuleerde, kocht zij op 16 juni 2003 van de verweerster een andere tweedehands heftruck aan voor de som van euro 8.700,
- Volgens de verweerster heeft de eiseres die beide heftrucks in haar magazijnen gekeurd vooraleer zij de beide koopovereenkomsten sloot. De eiseres ontkent die bewering. De eiseres betaalde de overeengekomen prijs vooraleer de verweerster de op 16 juni 2003 aangekochte tweedehands heftruck op transport zette. De levering van de heftruck ging door op 1 juli
- Volgens de eiseres heeft zij op dat ogenblik vastgesteld dat de geleverde heftruck niet conform was met de bestelling omdat: de heftruck in 1998 en niet in 1999 werd gebouwd, het aantal uren dat er reeds met de heftruck was gewerkt, 3.250 vermeld op de overeenkomst, minstens 10.000 bedroeg, de heftruck niet van nieuwe luchtbanden was voorzien, de heftruck niet herschilderd was. Zij houdt voor dat zij die opmerkingen reeds bij e-mail van 3 juli 2003 aan de verweerster heeft overgemaakt. De verweerster betwist dat zij toen enig bericht in die zin ontving. Tussen 27 en 31 juli 2003 worden er tussen de partijen e-mails uitgewisseld, waarbij de eiseres aandringt op het vervangen van de geleverde heftruck en vooral de transportkosten voor de terugreis van de heftruck aan bod komt. Op 18 augustus 2003 heeft de eiseres aan de verweerster uiteengezet dat er reeds enkele weken e-mails en telefoontjes over en weer waren gegaan, waarbij er een oplossing werd bereikt zonder evenwel enig praktisch gevolg, de geleverde machine niet conform is (zie de vier bovenvermelde punten hiervoor vermeld) en er verwacht wordt dat het probleem zou bekeken worden. De verweerster betwist de ontvangst van die brief van 18 augustus
- Bij fax van 26 augustus 2003 stelde de verweerster aan de eiseres evenwel voor dat de eiseres de heftruck zou terugbezorgen - transport op kosten van de eiseres - en dat de heftruck door haar zou worden nagezien alsof het een nieuwe heftruck betrof. De verweerster houdt voor dat op die fax een antwoord kwam vanwege de eiseres 26 augustus 2003, (fax in de stukken van de voorgelegde dossiers terug te vinden, evenwel met datum 3 augustus 2003) waarbij voor het eerst de beweerde non-conformiteit op een vrij vage manier aan bod kwam. In die brief houdt de eiseres voor dat transportkosten in elk geval door haar niet zullen worden gedragen. Verdere briefwisseling tussen de raadslieden van de partijen in de loop van 2004 bracht geen oplossing voor het gerezen probleem, zodat de eiseres overging tot dagvaarding met vorderingen zoals hiervoor omschreven.
- Beoordeling. Toepasselijk recht Het geschil tussen partijen heeft betrekking op de verbintenis van een Belgische verkoper, die een heftruck verkocht heeft aan een Portugese koper, om op grond van niet conforme levering de ontbinding van de overeenkomst lastens de verkoper te bekomen, minstens om die verkoper tot de betaling van schadevergoeding te horen veroordelen. Het verdrag van 1 april 1980 houdende het recht voor de internationale koop-verkoop van roerende lichamelijke zaken (hierna: CISG of het Weens Koopverdrag) is sedert 1 november 1997 in België van toepassing op overeenkomsten inzake internationale koop-verkoop van roerende zaken (Van Houtte H., Erauw J. en Wautelet P. (eds.) "Het Weens Koopverdrag", blz.. 21). Aangezien enkel België een verdragsluitende staat is, is dit verdrag op grond van art. 1.
- b) toepasselijk op de koop-verkoopovereenkomst tussen de eiseres en de verweerster, voor zover volgens de regels van internationaal privaatrecht het recht van een verdragsluitende staat, in voorliggend geval, het Belgische recht van toepassing zou zijn. Krachtens art. 6 CISG kunnen de partijen de toepassing van het verdrag uitsluiten of afwijken van elk van de bepalingen hiervan, dan wel het gevolg daarvan wijzigen. De vraag of de oplossing van het geschil moet worden gezocht volgens intern Belgisch recht, dan wel volgens het CISG, is ook aan de orde. Daaromtrent gepolst door de rechtbank, hebben de partijen in aanvullende conclusies enkel gesteld dat het Belgische recht van toepassing is. Via de Belgische verwijzingsregel, namelijk het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO), wordt de overeenkomst beheerst door het recht gekozen door de partijen, die te allen tijde kunnen overeenkomen de overeenkomst aan een ander recht te onderwerpen (art. 3, 1 en 3, 2 EVO). De overeenkomst wordt derhalve onderworpen aan het Belgische recht, gezien de overeenkomst daaromtrent van de partijen bij monde van hun raadslieden. Daarmee is door de partijen echter nog niets bepaald omtrent de vraag of de oplossing van het geschil dient gezocht te worden in het intern Belgische recht, dan wel in CISG, ook opgenomen in onze wetgeving, gezien België een verdragsluitende staat is. Er is geen bezwaar tegen het feit dat de partijen hun rechtskeuze maken of wijzigen na het tot stand komen van de overeenkomst of zelfs tijdens het geding (Von Caemmerer E., en Schlechtriem, P. (eds.), Kommentar zurn Einheithichen UN-Kaufrecht: das Űbereinkommen den Vereinten Nationen über Vertrage über internationalen Warenkauf, 1995, blz. 85 / vergelijk Erauw J. en Roox, K., "Overzicht van rechtspraak. Internationaal privaatrecht en nationaliteitsrecht (1993-98)", T.P.R.,
- nr. 190, blz. 1473 en de daar aangehaalde rechtspraak, die betrekking heeft op het Verdrag van Rome d.d. 19 juni
- De wil om het Weens Koopverdrag uit te sluiten moet duidelijk zijn, maar mag ook stilzwijgend gegeven zijn (Van Houtte H., Erauw J. en Wautelet P. (eds.) "Het Weens Koopverdrag", nr. 1.
- blz.. 47). In haar dagvaarding zet de eiseres uiteen dat "overeenkomstig het Burgerlijk Wetboek, de verplichting een zaak te leveren die met de verkochte koopwaar overeenstemt, een resultaatsplicht is" en dat "in tegenstelling tot de verborgen gebreken geen uitstel wordt opgelegd voor een rechtsvordering die op een niet nakomen van een leveringsplicht gegrond is". In haar besluiten verwijst de verweerster naar rechtspraak waarbij het intern Belgisch recht aan de orde is en geenszins het CISG. Zij wijst er op dat voor gebreken, zichtbaar bij de levering, onmiddellijk protest noodzakelijk is, bij gebreke waaraan moet worden aangenomen dat er geleverd werd wat overeengekomen is, vrij van zichtbare gebreken. In haar besluiten heeft de eiseres voorgehouden dat de dagvaarding als volledig gereproduceerd moet worden gehouden, dat zij het "probleem" reeds op 3 juli 2003 ter kennis heeft gebracht van de verweerster en haar vordering dan ook helemaal niet laattijdig is. Enige betwisting over het zichtbaar karakter van de aangeklaagde gebreken wordt door de eiseres niet gevoerd. Uit de dagvaarding en uit de conclusies blijkt aldus dat partijen het er klaarblijkelijk over eens waren dat de oplossing van het geschil tussen partijen dient gezocht te worden in de toepassing van de regels inzake conformiteit van de levering op het gebied van wat er zichtbaar niet overeenstemt met het bestelde, anders dan in verband met verborgen gebreken, zoals ze gelden volgens intern Belgisch recht. Dit sluit meteen de toepassing uit van het Weens Koopverdrag dat slechts één uniform conformiteitsbegrip kent en geen onderscheid maakt, zoals het Belgisch recht, tussen de vrijwaring voor verborgen gebreken en de leveringsplicht (De Groot, S.. "Non-conformiteit vo!gens het Weens Koopverdrag", T.P.R., 1999, blz.. 638 - 652 / Kh. Kortrijk, 20 april
- T.W.V.R.
- blz. 70). Uit de vaststelling dat beide partijen het volledige debat ten gronde omtrent het geschil dat ontstaan was in verband met deze internationale koop-verkoopovereenkomst gevoerd hebben op grond van het intern Belgisch recht, blijkt dat zij de toepassing van het Weens Koopverdrag hebben uitgesloten. Het intern Belgisch recht wordt door de rechtbank vervolgens toegepast. Ten gronde Naar gevestigde rechtsleer en rechtspraak wordt, volgens intern Belgisch recht, de conformiteit, voor wat de zichtbare kenmerken van het geleverde betreft ten opzichte van het bestelde, aanvaard wanneer de koper bij de levering geen protest nopens de zichtbare niet-conformiteit aantekent. De korte termijn waarbinnen tegen niet-conforme leveringen in handelszaken kan geprotesteerd worden, bedraagt hoogstens 8 tot 15 dagen. Indien de eiseres als koper de geleverde heftruck protestloos aanvaardt, geeft zij hiermee te kennen dat deze inderdaad met de verkochte zaak overeenstemt, of dat zij niet meer zal klagen over het feit dat hij er niet mee overeenstemt. De afkeuring door de koper moet "onverwijld" gebeuren. J.H. Herbots e.a., "Bijzondere Overeenkomsten: Overzichten van rechtspraak", 1977/1982, T.P.R. 1985 blz. 849, nr. 86 1982/1987, T.P.R. 1989 blz. 1080, nr. 42 1988/1994, T.P.R. 1997 blz. 717, nr. 87 1995/1998, T.P.R., 2002, blz.146, nr. 76 Foriers P.-A., "Conformité et garantie dans la vente" in "Recht en onderneming. Nr.
- De koop / La vente", blz. 21 en 22, nr. 4 tot en met 7). M.E. Storme: Rechtsverwerking na de Cassatie-arresten van 17/5/1990 en 16/11/1990: nog springlevend, R.W. 1990/1991, blz. 1077, nr. 9) In onderhavig geval erkent de eiseres in haar inleidend dagvaardingsexploot dat de problemen met de aangekochte heftruck waarover zij klaagt door haar werden vastgesteld op het ogenblik van de levering. Letterlijk staat er in de dagvaarding: "Dat de levering op 1 juli 2003 gebeurde: Dat mijn verzoekster op dat ogenblik heeft vastgesteld dat het geleverde voertuig niet met de bestelde zaak overeenstemde - zelfs indien het nummer van het chassis conform was - omdat het geleverde voertuig: *in 1998 en niet in 1999 was gebouwd *het vermelde aantal uren veel groter was (meer dan 10.000 in plaats van 3.500 werkuren) *het voertuig niet van nieuwe luchtbanden was voorzien, *het voertuig niet was bedekt met nieuwe verf." De eiseres beseft dat die onmiddellijk vastgestelde gebreken, die volgens haar aanleiding gaven om over de niet-conformiteit van het geleverde te klagen, onmiddellijk dienen kenbaar gemaakt te worden aan de verkoper en de oorzaak van de weigering van de geleverde koopwaar dient te onderbouwen. De eiseres houdt immers voor dat door haar reeds op 3 juli 2003, bij e-mail, de verweerster op de hoogte werd gebracht van de niet naleving van haar leveringsplicht. De verweerster betwist evenwel dat die e-mail van 3 juli van 2003, die de eiseres aan haar zou hebben overgemaakt, haar ooit ten gepaste tijde heeft bereikt Het komt de eiseres toe te bewijzen dat haar weigering van de koopwaar bij de levering ervan, minstens binnen korte termijn na de ontvangst van de levering, aan de verkoper werd meegedeeld. In voorliggend geval dient de eiseres derhalve te bewijzen dat zij op 3 juli 2003 aan de verweerster wel degelijk de e-mail heeft overgemaakt, die zij nu als stuk 9 in haar dossier voorlegt. Dergelijk bewijs ligt niet voor. Het is wel correct, zoals de eiseres aantoont, dat zij vroeger dan op 26 augustus 2003 wel moet hebben geklaagd over de gebreken die aan de heftruck kleefden. De briefwisseling tussen de partijen bij e-mail gevoerd tussen 27 en 31 juli 2003 nopens de transportkost voor de terugzending van de heftruck aan de verweerster kan maar ingegeven zijn door de klachten van de eiseres over wat haar werd geleverd. Ook de brief van de verweerster van 26 augustus 2008 moet een antwoord zijn op vroegere klachten van de eiseres. Waar zou de verweerster anders de kennis halen om aan de eiseres het voorstel te doen dat de heftruck bij terugzending in haar magazijnen op de kosten van de eiseres als nieuw zal worden herschilderd, nieuwe banden gelegd zullen worden en de motor nagezien zal worden ? Voormelde overweging doet echter niets af van het feit dat de eiseres daarmee niet bewijst dat zij op 3 juli 2003, minstens tegen halverwege juli 2003, de maximale protesttermijn inzake zichtbare gebreken volgens het intern Belgisch recht, tegenover de verweerster haar beklag heeft gemaakt over de gebreken waarover zij thans klaagt in het inleidend dagvaardingsexploot. Op het verzoek van de eiseres om haar in ondergeschikte orde toe te laten, met alle middelen van recht te bewijzen dat na de levering van de heftruck contacten werden aangeknoopt in de loop van de maand juli met de verweerster en dat men naar een oplossing tussen de partijen heeft gestreefd, moet de rechtbank niet ingaan. Ook zonder enige machtiging van de rechtbank kan de eiseres immers alle mogelijke bewijsmiddelen aanwenden. De rechtbank aanvaardt daarenboven dat er eind juli 2003 tussen de partijen inderdaad contacten waren en dat er naar een oplossing werd gezocht. Er is de briefwisseling tussen de partijen bij e-mail tussen 27 en 31 juli 2003, waarbij de transportkosten voor de terugzending van de heftruck reeds aan de orde waren. Er moet dus niet meer bewezen worden dat er toen, dit is in de loop van de maand juli, contacten tussen de partijen waren en er naar een oplossing werd gezocht. Wanneer de eiseres zou aansturen op de toelating tot een getuigenbewijs, dan gaat de rechtbank daar niet op in. Dit weinig betrouwbaar bewijsmiddel wordt in de regel niet toegestaan, ook niet in handelszaken, wanneer blijkt dat degene die de machtiging vraagt dit moet doen op grond van zijn eigen nalatigheid om te gepaste tijde niet te hebben gezorgd voor schriftelijke vastlegging, terwijl dit mogelijk was (M.E. Storme, De goede trouw in het geding, T.P.R. 1990, blz. 523, laatste lid van het nr. 128; Limpens, R.P.D.B. "La vente", nr. 181),of wanneer hijzelf aan de basis lag van de geschapen onduidelijkheid (Gent, 26ste kamer, 21/12/1999, A.R. 1996/2372). Het was voor de eiseres een kleine moeite om de inhoud van haar e-mail bij aangetekende brief, minstens bij fax, aan de verweerster over te maken zodat zij over enig bewijsmiddel omtrent de verzending van haar klachten kon beschikken. Voor zover de eiseres met haar verzoek een persoonlijke verschijning van de partijen zou bedoelen, is deze volgens de rechtbank ook niet dienstig gezien partijen hun wederzijdse standpunten en argumenten in conclusies hebben voorgedragen en er in dat geval niet kan aangenomen worden dat een persoonlijke verschijning ter zake nieuwe, decisieve elementen zou bijbrengen. Bij gebreke aan bewezen protest ten opzichte van zichtbare gebreken waarmee de door de verweerster aan de eiseres geleverde heftruck zou zijn behept, verloor de eiseres het recht zich over de zichtbare non-conformiteit van het geleverde te beklagen, zodat haar vordering, op die basis gesteund, als ongegrond wordt afgewezen. OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak; Alle anders luidende en / of tegenstrijdige conclusies van de hand wijzend; Verklaart de vordering ontvankelijk, doch wijst deze af als ongegrond; Verwijst de eiseres tot al de kosten van het geding en stelt deze aan de kant van de verweerster tot op heden vast op euro 364,40 geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding; Onverminderd de toepassing van art. 1024 Ger.W.; Aldus het vonnis uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in openbare terechtzitting op woensdag, TWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN ZES. Aanwezig: de heren L. Vandenbroucke, rechter, P. Matton, rechter in handelszaken en G. Vanhulle, plaatsvervangend rechter in handelszaken, laatstgenoemde door de Voorzitter aangewezen in vervanging van de rechter in handelszaken P. De Poot, wettig verhinderd zijnde de uitspraak van huidig vonnis bij te wonen waarover hij mede heeft beraadslaagd, mevrouw Ch. Busschaert, griffier. Ch. Busschaert G. Vanhulle P. Matton L. Vandenbroucke. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div