id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 28 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2006:JUG.20061228.2 Rolnummer: AR 589/06 Rechtsgebied: Handelsrecht - Internationaal privaatrecht Invoerdatum: 2008-09-30 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-02 14:54 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Concessie GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Verbintenissen - Toepasselijk recht - Recht toepasselijk op verbintenissen uit onrechtmatige daad Vrije woorden: rechtsmacht Tekst van de beslissing Nr. Rep. De Rechtbank van Koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, Provincie West-Vlaanderen, EERSTE KAMER, rechtsprekend: In de zaak nr 589/06 der algemene rol De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CERDI, met vennootschapszetel te 8870 Izegem, Baronstraat 118 ; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0426.664.396; eiseres, hebbend als raadsman en pleitend meester Koen Vandenberghe, advocaat te 8770 Ingelmunster, Oostrozebekestraat 18; tegen : De vennootschap naar Frans Recht KRAFTWERK EURL, met vennootschapszetel te Frankrijk, rue du Stade 25, 67870 Bischoffsheim; ingeschreven in het RCS Saverne onder nummer 391.545.621; verweerster, hebbend als raadslieden meesters Edwin Kat en Vincent Horsmans, pleitend meesters Karolien Haese en Jonathan Chazkal, allen advocaat te 1050 Brussel, Louizalaan 283/
- Gezien de inleidende dagvaarding, die regelmatig werd betekend aan verweerster op 21 december 2005; Gezien de stukken van rechtspleging; Gezien de door partijen neergelegde dossiers; Gehoord de partijen in hun middelen en besluiten voorgedragen in openbare terechtzitting van 23 november 2006, waarop de zaak in beraad werd genomen. Gelet op de wet van 15 juni 1935 tot regeling van het taalgebruik in gerechtszaken; De feiten en retroacten Cerdi zet uiteen dat zij met Kraftwerk, een Franse producent van gereedschappen, afspraken heeft gemaakt nopens de doorverkoop van deze producten. Hierbij heeft zij investeringen gedaan in presentatiemateriaal, onder meer via de aankoop van een volledig display met producten. Zij stelt dat deze handelsrelatie niet kan teruggevoerd worden tot het eenvoudig afsluiten van koop - verkoop overeenkomsten, doch dient bestempeld te worden als een concessie, die mondeling tot stand is gekomen. Vanaf mei/ juni 2005 heeft Cerdi dienen vast te stellen dat Kraftwerk weigerde nog langer de bestellingen uit te voeren die zij bij haar plaatste. Dit heeft er toe geleid dat Kraftwerk bij brief van de raadsman van Cerdi van 18 augustus 2005 in gebreke werd gesteld om de samenwerking tussen partijen te hernemen en de exclusiviteit van zijn cliënte te waarborgen en dit op basis van de tussen hen bestaande concessieovereenkomst. Bij brief van de raadsman van Kraftwerk van 8 september 2005 gericht aan Cerdi wordt gesteld dat er haar geen enkele exclusiviteit werd gegeven noch dat er een concessieovereenkomst werd aangegaan en wordt gesteld dat er van enige aankoop van presentiemateriaal geen sprake is. In zijn brief van 14 oktober 2005 stelt de raadsman van Cerdi dat hij vaststelt dat het bestaan van een concessieovereenkomst niet wordt ontkend en dringt hij aan dat Kraftwerk de goederen zou terugnemen. Vermits geen minnelijke regeling gevonden wordt, laat Cerdi bij exploot betekend op 21 december 2005 overgaan tot dagvaarding. De vordering - Standpunten van partijen Cerdi vordert: dat Kraftwerk zou veroordeeld worden om haar een bedrag van euro 10.000 te betalen uit hoofde van art 2 van de wet van 27 juli 1961 op de eenzijdige beëindiging van voor onbepaalde duur afgesloten concessieovereenkomsten. dat Kraftwerk zou veroordeeld worden om haar een bedrag van euro 9.046,31 te betalen uit hoofde van art. 3 van de wet van 27 juli
- In ondergeschikte orde dezelfde bedragen op basis van het onterecht beëindigen van een samenwerkingsovereenkomst. in nog meer ondergeschikte orde, dezelfde bedragen op grond van een extra contractuele fout. Kraftwerk is van oordeel dat : deze rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering, rekening houdend met de algemene verkoopsvoorwaarden die opgenomen zijn in haar catalogus die aan Cerdi werd ter kennis gebracht, terwijl bij gebrek aan het bestaan van een concessieovereenkomst de bevoegdheid van de rechtbank niet kan gesteund worden op art. 4 van de wet van 27 juli 1961; er nimmer een concessieovereenkomst tot stand is gekomen tussen partijen zodat de vordering dient te worden afgewezen als ongegrond; het presentiemateriaal gratis werd gegeven aan Cerdi zodat er van een vergoeding hiervoor geen sprake kan zijn; er van een extra contractuele fout geen sprake kan zijn vermits Cerdi op systematische wijze de betalingstermijnen niet heeft gerespecteerd. Kraftwerk vordert bij tegeneis dat : Cerdi zou veroordeeld worden om haar een vergoeding te betalen van euro 1.000 uit hoofde van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding en een vergoeding van euro 2.000 uit hoofde van kosten van advocaat op basis van het arrest van het Hof van Cassatie van 2 september
- Beoordeling DE HOOFDEIS
- Voorafgaandelijk : rechtsmacht 1.
- Toepasselijke wetgeving Kraftwerk is van oordeel dat deze rechtbank geen rechtsmacht heeft ten aanzien van de vordering enerzijds vermits Cerdi de voorwaarden inclusief het bevoegdheidsbeding dat zij zou hebben opgelegd, heeft aanvaard, anderzijds omdat er van een concessieovereenkomst geen sprake zou zijn. Het geschil dat voor de rechtbank aanhangig is gemaakt vindt plaats tussen een Belgisch en een Frans bedrijf, zodat de beoordeling van de rechtsmacht zal dienen te geschieden aan de hand van de bepalingen van de EEX-verordening die voorrang genieten op de nationale rechtsregel vervat in art. 4 van de wet van 27 juli
- 1.
- Voorwerp van de vordering De rechtbank stelt vast dat Cerdi geen gebruik heeft gemaakt van de algemene regel vervat in art. 2 van de EEX-verordening dat stelt dat "onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat." Deze rechtbanken zijn, tenzij in heel beperkte gevallen, bevoegd voor elk vordering, welke rechtsgrond ook aan de basis ervan ligt. In dit opzicht wordt onder punt 11 van de EEX Verordening duidelijk gesteld dat "als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder; de bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt." Zij heeft daarentegen Kraftwerk opgeroepen voor de rechtbank van haar eigen woonplaats, zodat hieruit dient afgeleid dat zij van oordeel is dat zij zich kan beroepen op de bepalingen van de EEX verordening die afwijken van de algemene regel. Aan de hand van deze bepalingen zal derhalve dienen nagegaan te worden of deze rechtbank rechtsmacht heeft. Uit de inleidende dagvaarding en conclusies blijkt dat Cerdi haar vordering steunt op drie rechtsgronden in hoofdorde houdt zij voor dat er tussen partijen een concessieovereenkomst zou zijn ontstaan, die door Kraftwerk onregelmatig zou zijn beëindigd, zodat zij recht zou hebben op een vergoeding die in de plaats komt van de niet verkregen opzegtermijn. Daarnaast vordert zij tevens een vergoeding op basis van art. 3 van de wet van 27 juli
- Ondergeschikt stelt zij dat er in elk geval een samenwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen die door Kraftwerk onterecht op abrupte wijze is onderbroken. Uiterst ondergeschikt is zij van oordeel dat Kraftwerk een onrechtmatige daad zou hebben begaan door te weigeren nog nieuwe bestellingen uit te voeren. Vermits de bepalingen van de EEX-verordening, die een uitzondering toelaten op de bepaling van art. 2, omschreven worden in functie van de rechtsgrond die aan de eis ten grondslag ligt en Cerdi drie rechtsgronden aanhaalt waarop zij zich steunt, zal de rechtbank noodzakelijkerwijze aan de hand van hun toepasselijk recht dienen uit te maken op welke rechtsgrond de vordering steunt teneinde te bepalen of zij over rechtsmacht beschikt.
- De vordering gesteund op het bestaan van een concessieovereenkomst in de zin van de wet van 27 juli 1961 2.
- Toepasselijke wet Overeenkomst art. 4 van het Europees Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, wordt, voor zover geen keuze overeenkomstig artikel 3 van het op de overeenkomst toepasselijk recht is gedaan, de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden. Vermits de beweerde concessienemer in België woonachtig is en haar activiteiten zich afspeelden op het Belgisch grondgebied, heeft de overeenkomst de nauwste band met België, zodat het Belgisch recht toepasselijk is. 2.
- Het bestaan van een concessieovereenkomst in de zin van de wet van 27 juli 1961 Bij het stellen van haar vordering steunt Cerdi zich op art. 2 en 3 van de wet van 27 juli 1961 betreffende het eenzijdig beëindigen van voor onbepaalde tijd toegekende concessies. Teneinde na te gaan of er toepassing dient gemaakt te worden van voormelde wet zal derhalve dienen uitgemaakt te worden of : er sprake is van een concessieovereenkomst; deze overeenkomst voldoet aan de voorwaarden gesteld in art. 1 van de wet van 27 juli
- 2.2.
- Het bestaan van een concessieovereenkomst De rechtbank stelt vast dat tussen partijen geen schriftelijke overeenkomst bestaat waaruit het bestaan van een concessie kan worden afgeleid. Cerdi merkt echter terecht op dat het bewijs van het bestaan van dergelijke concessie kan worden geleverd met alle middelen van recht, onder meer de wijze waarop de partijen de overeenkomst hebben uitgevoerd, de gevoerde briefwisseling, e.d.m. (Gent 15 november 2000, T.B.H., 2003, afl. 6, 497; Luik 17 maart 1998, T.B.H., 1999, 272; Brussel 20 juni 1995, T.B.H., 1996, 235, noot KILESTE, P.; Kh. Charleroi 23 september 1999, DAOR, 2000, 220). Er is sprake van een verkoopconcessie indien er kan worden aangetoond dat er een duurzame en georganiseerde relatie bestaat tussen de concessiegever en de concessiehouder, die door partijen gewenst is en die erop gericht is in hun wederzijds voordeel de verkoop te stimuleren van de producten van de concessiegever (Meeussen Ingrid, Bestendig Handboek Distributierecht, Deel V Verkoopconcessie, Kluwer, Mechelen,V.2-7; Brussel, 22 november 2001, J.T., 2002, 242; Brussel 8 februari 2001, T.B.H., 2003, afl. 6, 500, noot KILESTE, P.; T.B.H., 2003, afl. 6, 500, noot DE SCHOUTHEETE, A.; Kh. Bergen 15 maart 2001, T.B.H., 2002, afl. 2, 145). Binnen dit kader komen dan de diverse koop - verkoopovereenkomsten tot stand. Op die wijze onderscheidt de verkoopconcessie zich van een simpele opeenvolging van aan- en verkopen, hoe talrijk zij ook zijn en welke duurtijd zij ook hebben (Luik 19 januari 1999, T.B.H., 2000, 190). Daar waar niet betwist wordt dat er tussen partijen diverse koop - verkoopovereenkomsten tot stand zijn gekomen nopens de producten van het gamma werktuigen van Kraftwerk, dient uitgemaakt of uit de voorgelegde stukken blijkt dat deze tot stand zijn gekomen binnen het voornoemd kader. Cerdi is van oordeel dat dit kader zou blijken uit het feit dat er tussen partijen concrete afspraken werden gemaakt, waarbij zij verplichtingen op zich zou genomen hebben die normaliter niet tot haar verplichtingen behoren. Zij verwijst hiertoe naar het feit dat zij displays zou hebben aangekocht die zij in haar verkoopsruimte heeft gestald. Verder wijst zij op het feit dat er geen concurrerende producten werden verkocht. Vooreerst dient opgemerkt dat de rechtbank vaststelt dat de "presentoirs" in feite verkoopsrekken zijn waar de te koop aangeboden goederen worden gelegd of gehangen. De voorgelegde stukken tonen derhalve aan dat het niet om "een hangrek met toonmodellen" gaat. Verder is de rechtbank van oordeel dat het aankopen van dergelijke verkooprekken (weliswaar met de naam van de producent erop aangebracht), niet aantoont dat er sprake is van een georganiseerde samenwerking die door partijen (inzonderheid Kraftwerk) gewenst is. Vermits Cerdi in gebreke blijft aan te tonen dat zij de verplichting op zich diende te nemen om geen concurrerende merken te verkopen en evenmin andere elementen naar voor brengt waaruit zou kunnen blijken dat er sprake is van een georganiseerde samenwerking, dient besloten te worden dat er van een concessieovereenkomst geen sprake kan zijn. 2.2.
- De voorwaarden gesteld in art. 1 van de wet van 27 juli
- Rekening houdend met het feit dat hierboven werd beslist dat er tussen partijen geen concessieovereenkomst is ontstaan, dient niet verder ingegaan te worden op deze voorwaarden. 2.2.
- Besluit Bij gebrek aan het bestaan van een verbintenis uit een concessieovereenkomst, kan Cerdi zich niet steunen op de bepaling van art. 5,1 EEX-verordening teneinde de rechtsmacht van deze rechtbank te weerhouden. A fortiori kan er evenmin toepassing gemaakt worden van de verkoopsvoorwaarden die zich zouden bevinden op de catalogus die Kraftwerk aan Cerdi heeft opgestuurd, vermits deze, los van de vraag of Cerdi kennis heeft genomen van deze voorwaarden, uitsluitend betrekking kunnen hebben op de vroegere koop - verkopen die tussen partijen hebben plaatsgevonden.
- De vordering gesteund op een samenwerkingsovereenkomst 3.
- Toepasselijke recht Overeenkomst art. 4 van het Europees Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, wordt, voor zover geen keuze overeenkomstig artikel 3 van het op de overeenkomst toepasselijke recht is gedaan, de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden. Vermits de samenwerkingsovereenkomst tot doel zou hebben om de verkoop van de producten van Kraftwerk op het Belgisch grondgebied te verspreiden en vermits de persoon die hiervoor dient in te staan in België woonachtig is, heeft de overeenkomst de nauwste band met België, zodat het Belgisch recht toepasselijk is. 3.
- Het bestaan van een samenwerkingsovereenkomst Cerdi omschrijft de samenwerkingsovereenkomst als de overeenkomst waarbij het in de bedoeling van de partijen lag dat Cerdi zou zorgen voor de distributie van de gereedschappen van partijen en dit voor een langere periode. In die zin stelt Cerdi dat er tussen partijen een overeenkomst zou tot stand zijn gekomen, die weliswaar niet voldoet aan de voorwaarden van de wet van 27 juli 1961, doch wel zou dienen beschouwd te worden als een concessieovereenkomst. De rechtbank heeft hierboven reeds aangetoond dat er van een concessieovereenkomst geen sprake kan zijn, zodat Cerdi haar rechtsgrond hierin niet kan vinden.
- De vordering gesteund op onrechtmatige daad Bij gebrek aan het bestaan van enige overeenkomst tussen partijen, steunt Cerdi zich ondergeschikt op de onrechtmatige daad. 4.
- Toepasselijk recht Bij gebrek aan internationale bepalingen, dient het toepasselijk recht bepaald te worden aan de hand van art. 99 van het Wetboek Internationaal Privaatrecht dat stelt dat : "§
- Verbintenissen voortvloeiend uit een onrechtmatige daad worden beheerst : 1° door het recht van de Staat op wiens grondgebied de aansprakelijke persoon en degene die schade lijdt hun gewone verblijfplaats hebben op het tijdstip dat de onrechtmatige daad zich voordoet; 2° bij gebreke van gewone verblijfplaats op het grondgebied van een zelfde Staat, door het recht van de Staat op wiens grondgebied de schadelijke handeling en de schade zelf zich helemaal hebben voorgedaan of dreigen zich te zullen voordoen; 3° in de overige gevallen, door het recht van de Staat waarmee de betrokken verbintenis de nauwste banden heeft. §
- Verbintenissen voortvloeiend uit een onrechtmatige daad worden evenwel beheerst : .... 2° in geval van ongeoorloofde mededinging of oneerlijke handelspraktijk, door het recht van de Staat op wiens grondgebied de schade zich heeft voorgedaan of dreigt zich te zullen voordoen;...." Rekening houdend met het feit dat hierboven werd beslist dat er geen enkele vorm van samenwerkingsovereenkomst tussen partijen bestaat, zou de verkoopsweigering kunnen gezien worden als een daad van oneerlijke handelspraktijk en dient het Belgisch recht te worden toegepast. 4.
- Rechtsmacht Elke vordering die, los van enig contractuele band, de aansprakelijkheid van een partij in het gedrang brengt, valt onder het begrip "onrechtmatige daad". Krachtens art. 5,3° lid EEX-Verordening is in dit geval het gerecht van de plaats waar het schadebrengend feit zich heeft voorgedaan bevoegd om kennis te nemen van de vordering. De beweerde weigering om in te gaan op de bestelling is volgens Cerdi een extra contractuele fout. Hierbij is zij vermoedelijk van oordeel dat de weigering te leveren een inbreuk is op de eerlijke handelsgebruiken zoals bedoeld in art. 93 W.H.P.C., strafbaar gesteld door de art. 102 e.v. W.H.P.C. Als "locus damni" geldt de plaats van het onrechtmatig handelen, hetzij de plaats waar de schade is ingetreden (H.v.J. 30 november 1979, 21/76, Handelskwekerij G.J. Bier BV t. Mines de Potasse d'Isace, Jur.1976,1735). Vermits de schade alsdan in België is ontstaan is deze rechtbank bevoegd om kennis te nemen van de vordering. 4.
- De grond van de zaak Bij het nagaan of verkoopsweigering rechtsmisbruik uitmaakt kan de stakingsrechter slechts een marginale toetsing doen van de motivering die ten grondslag ligt aan de verkoops- of leveringsweigering, en komt het hem niet toe te oordelen over de opportuniteit hiervan en/of omtrent de distributiepolitiek van de weigeraar, maar hij moet wel oordelen of er een politiek ten grondslag ligt aan de weigering en/of enig belang (Voorz. Kh. Antwerpen 20 januari 2005, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging 2005, 963). Zo is een verkoopsweigering, gebaseerd op de bekommernis om geen onwerkzame commerciële relatie aan te gaan of verder te zetten, geldig gemotiveerd en gebaseerd op een wettig belang zodat ze onwettig noch onrechtmatig kan genoemd worden. Kraftwerk stelt dat zij de verkopen heeft gestaakt vermits Cerdi op systematische wijze haar facturen laattijdig betaalde. De rechtbank stelt vast dat Kraftwerk afdoend aantoont dat Cerdi in de jaren 2003 tot en met 2005 op systematische wijze facturen laattijdig betaalde. Cerdi toont aan de hand van de voorgelegde stukken niet aan dat deze laattijdige betaling uitsluitend of zelfs gedeeltelijk te wijten was aan foutieve of onvolledige leveringen. De rechtbank is van oordeel dat in die omstandigheden de vordering wegens onterechte verkoopsweigering niet kan worden toegekend. DE TEGENEIS
- Tergend en roekeloos geding Het instellen van een vordering is een recht, dat slechts zal worden misbruikt en ontaarden in een ongeoorloofde handeling die tot schadevergoeding aanleiding geeft, indien het roekeloos, met kwade wil of te kwader trouw wordt uitgeoefend (Brussel, 27 juni 1997, J.T., 1997, 688; Brussel, 23 oktober 1997, A.J.T. 1997, 513). De roekeloosheid kan worden afgeleid uit de lichtzinnigheid waarmee de vordering werd ingesteld en waarvan ieder normaal zorgvuldig en bezonnen persoon zich zou hebben onthouden (Brussel, 27 juni 1997, t.a.p.). Een vordering is tergend wanneer ze voortvloeit uit kwaad opzet of hatelijkheid ten aanzien van de tegenpartij (Brussel, 16 december 1997, T.B.B.R., 1999, 472). De rechtbank is van oordeel dat Kraftwerk geen enkel element aanbrengt waaruit zou moeten blijken dat er in dit geval sprake is van een roekeloos of tergend karakter van het geding, zodat de vordering niet kan worden toegekend.
- Kosten van advocaat Kraftwerk stelt dat het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat kosten van de advocaat in contractuele zaken een element van schade kunnen uitmaken dewelke vergoed dient te worden. Vooreerst dient opgemerkt dat in dit geval er geen sprake is van enige contractuele wanprestatie vanwege Cerdi, die er toe heeft geleid dat Kraftwerk een raadsman heeft dienen te raadplegen en kosten heeft dienen te maken. Een vordering tot het bekomen van een vergoeding voor kosten van een raadsman, dient dan ook in dit geval gesteund te worden op art. 1382 B.W., waarbij het Kraftwerk toehoort een fout aan te tonen in hoofde van Cerdi die er toe heeft geleid dat zij schade heeft geleden, onder meer door het feit dat zij een raadsman heeft dienen te raadplegen. Hierboven werd reeds uiteengezet dat er geen sprake is van een fout bij het opstarten van de procedure, zodat de vordering tot het bekomen van een vergoeding wegens kosten van een advocaat ongegrond voorkomt. Gelet op de artikelen 2 en volgende van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken ; OM DEZE REDENEN, De rechtbank, Wijzende op tegenspraak; Alle andere middelen afwijzend als ongegrond of niet ter zake dienend; Zegt voor recht dat deze rechtbank rechtsmacht heeft; Rechtsprekend omtrent de hoofdeis; Verklaart deze ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond; Rechtsprekend omtrent de tegeneis; Verklaart deze ontvankelijk, doch wijst die af als ongegrond; Verwijst Cerdi bvba in de kosten van het geding in hoofde van Kraftwerk Eurl begroot op euro 364,40 rechtsplegingvergoeding en in hoofde van Cerdi bvba op euro 557,22 kosten van dagvaarding en rolstelling en euro 364,40 rechtsplegingvergoeding. Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Aldus het vonnis uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in buitengewone openbare terechtzitting van ACHTENTWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN ZES. Aanwezig: L. Billiet, rechter ; P. De Smet, rechter in handelszaken en J. Bral, plaatsvervangend rechter in handelszaken, de tweede door de Voorzitter aangewezen ter vervanging van de rechter in handelszaken J. Decorte, wettig verhinderd zijnde de uitspraak van huidig vonnis bij te wonen waarover hij mede heeft beraadslaagd (art. 779 Ger.W.) ; N. Bostoen, griffier. N. Bostoen J. Bral P. De Smet L. Billiet Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div