id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 04 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2007:JUG.20070104.9 Rolnummer: AR 3603/2006 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-05-07 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-02 15:07 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Uitstel van betaling en toestaan betalingsfaciliteiten GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Voorafgaande regels (beslag en executie) - Uitvoerbaarheid - Uitvoerbaarheid bij voorraad Tekst van de beslissing Nr. Rep. De Rechtbank van Koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, Provincie West-Vlaanderen, EERSTE KAMER, rechtsprekend: In de zaak nr. 3603/2006 der algemene rol.- De heer B, geboren te .. op .., wonende te ..; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer ...; eiser, hebbende als raadsman meester Wim Arslijder, pleitend meester Maarten Ampe, advocaten te Waregem; tegen : De naamloze vennootschap "STRIJLAND", met vennootschapszetel te 8800 Roeselare, Graankaai 3; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer 0443.972.364; verweerster, hebbend als raadsman meester Marc D'Hoore, pleitend meester Matthias Lierman, advocaten te Brugge; De Rechtbank heeft de partijen gehoord in openbare zitting en heeft kennis genomen van de stukken. Toepassing is gemaakt van de art. 2, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Met dagvaarding d.d. 08 november 2006 vordert de eiser ten aanzien van de verweerster de betaling van 5.912,39 euro met de conventionele rente tegen 7 % per jaar op 4.959,68 euro sedert de dagvaarding tot aan de dag van de betaling en de kosten van het geding, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen. Voormelde hoofdsom van 5.912,39 euro is samengesteld als volgt : - factuur nr. 40189 d.d. 30 december 2004 : 695,31 euro - factuur nr. 50027 d.d. 04 april 2005 : 489,88 euro - factuur nr. 50039 d.d. 05 mei 2005 : 586,50 euro - factuur nr. 50056 d.d. 05 juni 2005 : 667,00 euro - factuur nr. 50073 d.d. 30 juni 2005 : 715,67 euro - factuur nr. 50096 d.d. 29 juli 2005 : 414,00 euro - factuur nr. 50105 d.d. 12 september 2005 : 667,00 euro - factuur nr. 50117 d.d. 30 september 2005 : 414,00 euro - factuur nr. 50131 d.d. 06 november 2005 : 310,50 euro - conventionele rente tegen 7 % : 456,54 euro - schadebeding 10% : 495,99 euro 5.912,39 euro Met conclusie ingediend ter griffie op 23 november 2006 verklaart de verweerster zich met betrekking tot de hoofdsom van de facturen te gedragen naar de wijsheid. Verder stelt zij dat de factuurvoorwaarden van de eiser haar niet tegenwerpelijk zijn omdat zij er geen kennis van heeft. Zij besluit dat er derhalve pas vanaf de eerste ingebrekestelling nl. vanaf 01 september 2006 interesten kunnen verschuldigd zijn. Tevens verzoekt zij om het verschuldigde te mogen afbetalen met 500,00 euro per maand vanaf 01 januari
- Tenslotte vraagt zij om de vordering van de eiser tot het bekomen van de voorlopige uitvoerbaarheid af te wijzen. Met conclusie ingediend ter griffie op 30 november 2006 handhaaft de eiser zijn vordering en verzet hij zich tegen de gevraagde betalingstermijnen. Hij dringt tevens verder aan op de gevraagde uitvoerbaarheid bij voorraad. Met conclusie ingediend ter griffie op 7 december 2006 herneemt de verweerster haar vorige besluiten maar vraagt thans om de schuld af te betalen in 6 mensualiteiten met ingang van de toekenning van de eerste schijf van het verkregen overbruggingskrediet en uiterlijk tegen 30 januari
- Het zich gedragen naar de wijsheid met betrekking tot de hoofdsom van de facturen betekent niet dat de verweerster met de vordering akkoord gaat, maar houdt een niet-gepreciseerde betwisting in. Aan de hand van de gegevens van de zaak en op basis van de door de eiser overgelegde stukken, komt de vordering voor als zijnde rechtmatig en gegrond met betrekking tot de gevorderde factuurhoofdsommen ad 4.959,86 euro. Verder dient vastgesteld te worden dat de verweerster niet betwist de facturen ontvangen te hebben. De verweerster bewijst evenwel niet de facturen te hebben geprotesteerd (zij beweert dit niet eens). Zij bewijst ook niet dat de algemene voorwaarden van de eiser niet voorkomen op (de keerzijde van) de facturen. De verweerster zou in die optiek nochtans gemakkelijk haar stelling dat de algemene voorwaarden van de eiser haar niet tegenstelbaar zijn, kunnen bewijzen door de originele facturen van de eiser zoals ze ontvangen werden, voor te leggen (wat de verweerster evenwel niet doet). De verweerster bewijst derhalve haar beweringen niet. Derhalve wordt zij vermoed de facturen te hebben aanvaard, met inbegrip van de algemene voorwaarden van de eiser die volgens constante rechtspraak in handelszaken geacht worden deel uit te maken van de overeenkomst tussen de partijen. Het feit dat op de voorzijde niet naar de factuurvoorwaarden wordt verwezen, belet de kennisneming en de aanvaarding niet van die voorwaarden die vermeld staan op de facturen, en evenmin de bewijskracht van die aldus aanvaarde voorwaarden (cf. G.L. Ballon, Enkele aspecten van de wettelijke regeling inzake facturen, Themis-Cahier nr. 33, blz. 31 e.v., inz. nr. 53, blz. 43). Bovendien werd de verweerster op 26 september 2006 nog aangetekend in gebreke gesteld tot betaling van het verschuldigde, met inbegrip van de conventionele verhoging van 10 %. Ook daartegen heeft de verweerster niet gereageerd noch geprotesteerd, wat eveneens doet blijken van haar (principiële) aanvaarding van de aanspraken van de eiser op basis van de factuurvoorwaarden ; de verplichting tot protesteren heeft in handelszaken immers een algemene draagwijdte (zie arrest Hof van Beroep Gent, 12de kamer, 26 oktober 2005, A.R. 2286/2004 ; arrest Hof van Beroep Gent, 17de kamer, 15 mei 2001, A.R. 1999/1840 ; arrest Hof van Beroep Gent, 9de kamer, 26 maart 1999, A.R. 1969/47974 ; arrest Hof van Beroep Gent, 12de kamer, 4 maart 1998, A.R. 1995/2022). De algemene voorwaarden van de eiser voorzien (art. 10) dat iedere factuur, niet betaald binnen de maand na factuurdatum, van rechtswege en zonder ingebrekestelling verhoogd wordt met 10 % met een minimum van 50,00 euro. Gezien de verweerster nog geen enkele betaling heeft verricht, zelfs niet nadat zij diverse keren door de eiser in gebreke werd gesteld, dient voormeld beding in beginsel uitwerking te hebben. Het verhogingsbeding is ten dezen niet strijdig met art. 1023 Ger.W. en evenmin kan staande gehouden worden dat het geen indemnitair karakter zou hebben en/of zou neerkomen op een verboden privé-straf dan wel op een speculatie op de wanprestatie van de wederpartij, en aldus nietig of ongeoorloofd zou zijn. Er dient al evenmin verder dan 10 % gematigd te worden met toepassing van art. 1231 B.W. (art. 4 van de Wet van 23/11/1998) gezien een verhoging met 10 % in casu niet neerkomt op een vergoeding die kennelijk het bedrag te boven gaat dat de partijen konden vaststellen om de schade wegens de niet-uitvoering van de overeenkomst te vergoeden (d.w.z. de potentiële schade). Met betrekking tot de rente voorzien de algemene voorwaarden van de eiser echter niet in een rentebeding. De eiser vordert de wettelijke rente à rato van 7 % per jaar doch geeft niet aan vanaf welke datum hij deze rente in rekening brengt (om tot een gevorderd bedrag van 456,54 EUR ten titel van vervallen rente te komen). Krachtens art. 1153 B.W. kan de wettelijke rente in beginsel toegekend worden vanaf de ingebrekestelling. In de mate dat de ingebrekestelling echter gebeurd is vóór de schuld opeisbaar werd (m.a.w. vóór de vervaldag van de factuur), sorteert die ingebrekestelling effect vanaf het ogenblik van de opeisbaarheid, zodat de in art. 1153 B.W. bedoelde moratoire rente alsdan begint te lopen vanaf de vervaldag der factuur (cf. A. Van Oevelen, "Recente ontwikkelingen in de wetgeving en de rechtspraak inzake de sancties bij contractuele wanprestatie", in : X, Overeenkomstenrecht, verslagboek van de XXVIste Postuniversitaire Cyclus W. Delva 1999-2000, blz. 163 e.v., inz. nr. 233, blz. 167-168). De eiser kan dienvolgens aanspraak maken op volgende rentebedragen, zodat de afrekening zich als volgt voordoet : - factuur nr. 40189 d.d. 30 december 2004 : 695,31 euro - rente 7 % vanaf 29.01.05 tot 08.11.06 : 86,54 euro - factuur nr. 50027 d.d. 04 april 2005 : 489,88 euro - rente 7 % vanaf 04.05.05 tot 08.11.06 : 52,05 euro - factuur nr. 50039 d.d. 05 mei 2005 : 586,50 euro - rente 7 % vanaf 11.07.05 tot 08.11.06 : 54,66 euro - factuur nr. 50056 d.d. 05 juni 2005 : 667,00 euro - rente 7 % vanaf 11.07.05 tot 08.11.06 : 62,17 euro - factuur nr. 50073 d.d. 30 juni 2005 : 715,67 euro - rente 7 % vanaf 30.07.05 tot 08.11.06 : 64,10 euro - factuur nr. 50096 d.d. 29 juli 2005 : 414,00 euro - rente 7 % vanaf 02.09.05 tot 08.11.06 : 34,38 euro - factuur nr. 50105 d.d. 12 september 2005 : 667,00 euro - rente 7 % vanaf 18.10.05 tot 08.11.06 : 49,50 euro - factuur nr. 50117 d.d. 30 september 2005 : 414,00 euro - rente 7 % vanaf 01.11.05 tot 08.11.06 : 29,62 euro - factuur nr. 50131 d.d. 06 november 2005 : 310,50 euro - rente 7 % vanaf 12.12.05 tot 08.11.06 : 19,77 euro - schadebeding 10 % : 495,99 euro 5.908,64 euro De rechtbank laat in verband met de wettelijke rente voor zoveel als nodig opmerken dat deze 7 % per jaar beloopt t.e.m. 31 december 2006 en dat vanaf 1 januari 2007 de wijziging van de Wet van 5 mei 1865 bij artikel 87 van de Programmawet (I) van 27 december 2006 in acht dient genomen te worden. Met conclusie, ingediend op 30 november 2006, verzet de eiser zich tegen de door de verweerster gevraagde afbetalingstermijnen. Luidens art. 1244, tweede alinea, B.W., kan de rechter met inachtneming van de toestand van de partijen, met grote omzichtigheid en rekening houdend met de termijnen die de schuldenaar reeds genoten heeft, gematigd uitstel van betaling verlenen. Die wetsbepaling is van openbare orde (L. Cornelis, Algemene theorie van de verbintenis, nr. 157). Zelfs al zou de schuldeiser zich niet verzetten tegen het door de schuldenaar gevraagde betalingsgemak, dan nog impliceert zulks niet dat het gemak van betaling door de rechter moet worden toegestaan : de wettelijke voorwaarden daartoe dienen immers vervuld te zijn en het bewijs daarvan moet in concreto geleverd worden (L. Cornelis, o.c., nr. 158). Bovendien zegt de wettekst zelf dat de rechter, indien de gestelde voorwaarden vervuld zijn, gemak van betaling kan toestaan (de rechter is m.a.w. nooit verplicht om betalingsgemak toe te staan doch hij oordeelt soeverein). Gemak van betaling wordt in casu niet toegestaan, nu de verweerster in concreto niet bewijst (a) dat zij in de onmogelijkheid is om te presteren en (b) dat zij voldoet aan de voorwaarden van ongelukkig en te goeder trouw zijn. Er worden dienaangaande wel enkele feitelijke elementen ingeroepen doch er wordt geen enkel stuk voorgelegd dat toelaat om de concrete situatie van de verweerster op financieel vlak in te schatten. Het blijkt trouwens dat zij de facto reeds voldoende uitstel van betaling genoten heeft. Daarenboven blijkt de verweerster, ondanks het feit dat reeds overbruggingskredieten werden bekomen in het recente verleden, er niet in geslaagd te zijn om haar toenmalige, vaststaande en opeisbare schulden, waaronder deze aan de eiser, te betalen. Uit de stukken 6a-6b-6c in het bundel van de verweerster blijkt o.m. dat overbruggings-voorschotten door de ING-Bank werden toegestaan ten belope van 90.000,00 euro tijdens de periode van 1 maart 2006 tot 30 juni 2006, doch dat hiermee selectief werd omgegaan, nl. enerzijds om de bankschulden in te korten en anderzijds om de "meest dringende betalingen uit te voeren" (waartoe de eiser klaarblijkelijk niet gerekend werd). De door de eiser gevraagde uitvoerbaarheid bij voorraad wordt wel toegestaan aangezien de verweerster geen zinnige betwisting heeft gevoerd noch kan voeren met betrekking tot het wezenlijke van de door de eiser gestelde vordering. Waar de verweerster laat gelden dat de eiser in de dagvaarding nalaat de gevorderde uitvoerbaarheid te motiveren, stelt de rechtbank vast dat de verweerster evenmin duidelijk maakt wat in casu de voorlopige tenuitvoerlegging in de weg zou staan. In haar conclusie beperkt de verweerster zich ertoe te stellen dat er "geen noodzaak" is om de uitvoerbaarheid bij voorraad toe te staan. Zulk argument is niet afdoende. Uit het geheel van de elementen van de zaak blijkt dat de eiser reeds genoeg geduld aan de dag heeft gelegd ; niettegenstaande hij sinds lang een vaststaande en opeisbare vordering had, heeft de verweerster hem bewust en moedwillig genegeerd (o.m. toen zij over overbruggingsvoorschotten beschikte - cfr. supra). Het kantonnement is evenwel een recht van de veroordeelde partij. De eisende partij toont niet aan waarom dit ten dezen aan de verwerende partij zou moeten worden ontzegd. OP DEZE GRONDEN, DE RECHTBANK, alle andere besluiten afwijzend als niet dienend. Wijzende op tegenspraak; Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en gegrond als volgt; Veroordeelt de verweerster om aan de eiser te betalen: VIJFDUIZEND NEGENHONDERD ACHT euro VIERENZESTIG cent (5.908,64 EUR), met de wettelijke rente op 4.959,86 EUR sedert de dagvaarding tot aan de dag van de betaling; Veroordeelt de verweerster tot de kosten van het geding aan de zijde van de eiser, tot heden begroot op 221,33 EUR dagvaarding en rolrecht + 364,40 EUR rechtsplegingsvergoeding en de eventuele uitvoeringskosten. Wijst het meer of anders gevorderde af als ongegrond; Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling. Aldus het vonnis, uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in openbare terechtzitting op vier januari tweeduizend en zeven. Aanwezig: P. Deseyne, Voorzitter; J. Corne en G. Leroy, Rechters in handelszaken; P. Vanwettere, griffier. P. Vanwettere G. Leroy J. Corne P. Deseyne Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div